← België

Arrest 256135 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.135 Rolnummer: A. 235187/X-18044 Zaak: Arrest 256135 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-31 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 08:42 Fiche Arrest nr 256.135 van 24 maart 2023 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 256.135 van 24 maart 2023 in de zaak A. 235.187/X-18.044 In zake : Nathalie DEFLEM die woonplaats kiest bij de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD) gevestigd te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Martens kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 291 tegen : de STAD DIEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van: “
  2. Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diest d.d. 05.07.2021 om [Nathalie Deflem] te schrappen als kandidaat uit de werfreserve administratief medewerker burgerzaken;
  3. Het besluit van het college van burgmeester en schepenen van de stad Diest d.d. 05.07.2021 waarbij [A. G.] werd aangesteld in de functie van administratief medewerker dienst burgerzaken.” II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.044-1/8 Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. Verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 november
  5. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Chloé Van Landeghem, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Verzoekster is sinds 1 juli 2017 administratief medewerker Onthaal bij de stad Diest met een contract van onbepaalde duur. Zij wordt op 28 december 2020 door het college van burgemeester en schepenen opgenomen, als vierde geslaagde, in de wervingsreserve voor de functie van administratief medewerker Burgerzaken in contractueel dienstverband met een geldingsduur van drie jaar vanaf 1 januari
  8. X-18.044-2/8 Verzoekster werd op 30 april 2021 in het kader van de vaccinatiecampagne tegen COVID-19 tewerkgesteld in het callcenter van het vaccinatiecentrum te Diest. Op 4 mei 2021 neemt het college van burgemeester en schepenen formeel kennis van “feiten van manipulaties van de inplanning van burgers bij de vaccinatiecampagne door mevrouw Nathalie Deflem”. Na haar hierover op 6 mei 2021 te hebben gehoord, beslist het college van burgemeester en schepenen op 7 mei 2021 om de arbeidsovereenkomst met haar onmiddellijk te beëindigen zonder opzegging. Op 5 juli 2021 beslist het college van burgemeester en schepenen om verzoekster op grond van artikel 27, § 3, van de rechtspositieregeling stad en OCMW Diest (hierna: de rechtspositieregeling) te schrappen uit de wervingsreserve voor de functie van administratief medewerker Burgerzaken. Dit is de eerste bestreden beslissing. Nog op 5 juli 2021 stelt het college van burgemeester en schepenen A. G., die als zesde was opgenomen in de betrokken wervingsreserve, aan als deeltijds administratief medewerker Burgerzaken met een contract van onbepaalde duur. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoekster voert in een eerste middel, gericht tegen de eerste bestreden beslissing, de schending aan van artikel 27, § 3, van de rechtspositieregeling en van de materiëlemotiveringsplicht. In het verzoekschrift wordt uitgelegd dat de voorwaarden waaronder de verwerende partij kan overgaan tot de schrapping van verzoekster uit de wervingsreserve, op basis van artikel 27, § 3, van de rechtspositieregeling, niet vervuld zijn: er is haar geen ongunstige beoordeling toegekend in haar functie van X-18.044-3/8 administratief medewerker bij de dienst Onthaal en zij heeft ook geen aanbod voor een vacante functie geweigerd. De bewering dat zij een ongunstige beoordeling zou hebben ontvangen in haar functie van administratief medewerker bij de dienst Onthaal wordt “manifest tegengesproken” door haar evaluatie van 16 juni 2020, die “gunstig” was. Het is ten onrechte dat de verwerende partij ervan uitgaat “dat een ontslag om dringende redenen – wegens een vermeende punctuele inbreuk op de deontologie – gelijkgesteld zou kunnen worden met een ongunstige beoordeling m.b.t. het functioneren als dusdanig van een personeelslid in de door hem of haar uitgeoefende functie”.
  10. Volgens de memorie van wederantwoord betwist verzoekster niet dat de gedragsvaardigheden die verbonden zijn aan de functie van administratief medewerker bij de dienst Burgerzaken en bij de dienst Onthaal gelijklopend zijn, maar wel dat zij ooit een “ongunstige beoordeling” heeft ontvangen als titularis van de functie van administratief medewerker Onthaal. De “(eenmalige) inschattingsfout” die verzoekster in het callcenter maakt, stond los van haar functie van administratief bediende bij de dienst Onthaal “zodat dit eenmalige feit geenszins aangegrepen kan worden om te stellen dat zij in haar functie van administratief medewerker het vertrouwen van het bestuur zou hebben geschonden”. De taken die zij tijdelijk en op vrijwillige basis in het callcenter heeft opgenomen, werden ook door vrijwilligers opgenomen zonder professionele band met de verwerende partij. De woorden “ongunstige beoordeling” in artikel 27, § 3, van de rechtspositieregeling moeten gelezen worden in samenhang met de artikelen 57 en 69, en beogen een ongunstige beoordeling in het kader van de jaarlijkse evaluatie. Een ontslag om dringende redenen kan er niet mee worden gelijkgesteld. Dit ontslag kan dan ook niet als een deugdelijk motief worden beschouwd voor de eerste bestreden beslissing.
  11. In de laatste memorie herhaalt verzoekster dat de betekenis die moet worden toegekend aan de woorden “ongunstige beoordeling”, duidelijk blijkt uit de artikelen 57 en 69 van de rechtspositieregeling. Voor de interpretatie ervan X-18.044-4/8 kan dan ook niet worden teruggevallen op de gangbare betekenis ervan volgens Van Dale. Beoordeling
  12. In het kader van de vaccinatiecampagne in de strijd tegen COVID-19 heeft de verwerende partij haar personeelsleden gevraagd in shiften te werken ofwel in het callcenter van het vaccinatiecentrum te Diest ofwel in het vaccinatiecentrum te Diest. Personeelsleden van de dienst Onthaal, zoals verzoekster, werden prioritair ingezet in het callcenter. Naar blijkt uit de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 7 mei 2021 om de arbeidsovereenkomst met verzoekster onmiddellijk om dringende reden te beëindigen, heeft verzoekster in de uitvoering van haar taak in het callcenter, als personeelslid van de verwerende partij, gehandeld “tegen alle instructies over het invullen van vrijgekomen plaatsen en de reservelijst in”. Volgens de collegebeslissing schond zij daarmee de deontologische code van de personeelsleden van de stad, “waarbij loyaliteit, betrouwbaarheid en objectiviteit basiswaarden zijn”. Haar gedragingen, zo wordt in de beslissing overwogen, “zijn dermate ernstig dat het college van burgemeester en schepenen dit als een ernstige tekortkoming beschouwt, dewelke elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt”.
  13. Het is onder verwijzing naar dat ontslag om dringende reden dat verzoekster door de eerste bestreden beslissing uit de wervingsreserve van administratief medewerkers Burgerzaken wordt geschrapt met toepassing van artikel 27, § 3, van de rechtspositieregeling. Die bepaling luidt: “Kandidaten kunnen door de aanstellende overheid uit de wervingsreserve worden geschrapt indien zij: - zonder ernstige motivatie een aanbod voor een vacante functie weigeren; - een ongunstige beoordeling ontvangen hebben bij het bestuur als tijdelijke titularis van de functie waarvoor ze in de wervingsreserve opgenomen werden of in een functie waaraan gelijkaardige gedragsvaardigheden verbonden zijn.” X-18.044-5/8
  14. De vraag die het besproken middel doet rijzen, is of de beslissing om verzoekster om dringende reden te ontslaan, door de verwerende partij terecht kon worden beschouwd als een ongunstige beoordeling in een functie waaraan gelijkaardige gedragsvaardigheden verbonden zijn als aan de functie van administratief medewerker Bestuurszaken. Dat verzoekster in het callcenter taken uitoefende die evengoed werden uitgevoerd door vrijwilligers zonder professionele band met de verwerende partij, belet niet dat zíj bij de uitoefening van de taken fungeerde in de hoedanigheid van een personeelslid van de dienst Onthaal van de verwerende partij. Nu voorts niet betwist is dat aan de functie van administratief medewerker Onthaal en administratief medewerker Bestuurszaken gelijkaardige gedragsvaardigheden verbonden zijn, blijft in verband met de toepasselijkheid van artikel 27, § 3, van de rechtspositieregeling nog alleen te onderzoeken of de ontslagbeslissing van 7 mei 2021 uitwijst dat er een “ongunstige beoordeling” in de zin van die bepaling voorhanden is.
  15. Volgens verzoekster is dat niet het geval en refereert de term aan de bepalingen inzake de evaluatie tijdens de loopbaan (hoofdstuk IX van de rechtspositieregeling). Luidens artikel 57 zijn de personeelsleden tijdens hun loopbaan onderworpen aan de evaluatie, en is de evaluatie een beschrijvende beoordeling van het functioneren en de competenties van het personeelslid. Artikel 69 bepaalt dat het evaluatieresultaat gunstig of ongunstig is.
  16. De Raad van State deelt de zienswijze van verzoekster niet. Blijkens hoofdstuk IX van de rechtspositieregeling is ‘de evaluatie’ een welbepaalde figuur, die aan specifieke voorschriften onderworpen is, onder meer wat de duur van de evaluatieperiode betreft, de evaluatiecriteria, de evaluatoren, het verloop van de evaluatie. X-18.044-6/8 Artikel 27, § 3, gebruikt evenwel niet de term van die figuur, maar de ruimere notie ‘beoordeling’. Is weliswaar, zoals artikel 57 aangeeft, elke ‘evaluatie’ in hoofdstuk IX een beoordeling, niet elke beoordeling hoeft een ‘evaluatie’ in de zin van hoofdstuk IX te zijn.
  17. In dit licht komt het niet onwettig voor om de collegebeslissing van 7 mei 2021 tot ontslag van verzoekster te kwalificeren als een ongunstige beoordeling die zij in haar hoedanigheid van administratief medewerker Onthaal ontving. De collegebeslissing werd haar immers opgelegd omdat zij in strijd handelde met de deontologische code en gedragingen stelde die het college – met zoveel woorden – beschouwt als een zodanig ernstige tekortkoming dat ze onmiddellijk en definitief elke professionele samenwerking onmogelijk maken.
  18. Verzoekster doet niet aannemen dat de eerste bestreden beslissing artikel 27, § 3, van de rechtspositieregeling schendt of op een ondeugdelijke motief berust. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het tweede middel
  19. Verzoekster argumenteert dat uit de vernietiging van de eerste bestreden beslissing volgt dat zij geacht moet worden nooit haar plaats in de wervingsreserve te hebben verloren. Hieruit volgt dat, gelet op artikel 19 van de rechtspositieregeling, de tweede bestreden beslissing de betrekking van administratief medewerker Burgerzaken niet aan A. G. mocht toewijzen, aangezien zij na de betrokken selectieprocedure twee plaatsten lager gerangschikt stond dan verzoekster. X-18.044-7/8 Beoordeling
  20. Het middel gaat ervan uit dat het eerste middel gegrond is en tot de vernietiging van de eerste bestreden beslissing leidt. Dit is niet het geval. Ook het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het beroep.
  22. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, ten behoeve van de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-18.044-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.135 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.