← België

Arrest 256156 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.156 Rolnummer: A. 235698/IX-10010 Zaak: Arrest 256156 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-30 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 08:43 Fiche Arrest nr 256.156 van 28 maart 2023 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.156 van 28 maart 2023 in de zaak A. 235.698/IX-10.010 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Demol kantoor houdend te 8790 Waregem Zultseweg 21 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Karel Van Hoorebeke en Jeroom Joos kantoor houdend te 9000 Gent Coupure Rechts 162 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 16 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van “de ongunstige beslissing van 15 februari 2022 tot het niet in aanmerking nemen van de kandidatuur van XXXX voor de vacature van jurist omgevingsrecht bij het Vlaams departement Mobiliteit en Openbare werken”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-10.010-1/17 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jeroom Joos, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij organiseert de aanwerving in contractueel dienstverband, voor onbepaalde duur, van een jurist omgevingsrecht bij de afdeling Organisatie van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van de Vlaamse overheid. Die aanwerving betreft een functie van niveau A, met de graad van adjunct van de directeur. 3.
  6. Het reglement van de selectie met vacaturenummer ‘req5513’ voorziet in de volgende selectieprocedure: “· Fase 1: Screening op basis van de formele deelnemingsvoorwaarden – eliminerend IX-10.010-2/17 · Fase 2: Screening op basis van curriculum vitae en motivatiebrief (relevantie van de werkervaring, motivatie, technische competenties, …) – eliminerend […] · Fase 3: verkennende gesprekken met de wervende entiteit en selectiedeskundige – eliminerend […]. · Fase 4: psychotechnische screening bij extern selectiekantoor – adviserend […] · Fase 5: een selectiegesprek met de wervende entiteit en selectiedeskundige, aangevuld met vaktechnische case – eliminerend […].” Solliciteren is mogelijk “tot en met 13 februari 2022”. 3.
  7. Verzoeker solliciteert op de voormelde uiterste datum via de sollicitatielink in het online vacaturebericht. Hij vult het vragenformulier in en voegt als bijlagen zijn cv en een motivatiebrief toe. Naast verzoeker solliciteren nog twee andere kandidaten voor dezelfde vacante betrekking, maar volgens de verwerende partij is verzoeker de enige kandidaat die voldoet aan de formele deelnemingsvoorwaarden. 3.
  8. Na de screening van verzoekers cv en motivatiebrief in de tweede fase van de selectieprocedure beslist de verwerende partij om de kandidaatstelling van verzoeker niet verder in aanmerking te nemen. De selectieverantwoordelijke deelt deze beslissing mee aan verzoeker met een e-mailbericht van 15 februari 2022, waarin is vermeld: “Na een grondige beoordeling van uw cv hebben wij besloten om uw kandidatuur niet in aanmerking te nemen. Het ruime aanbod aan kandidaten liet ons toe een kritische eerste selectie te kunnen maken op basis van het curriculum vitae en motivatiebrief. Mocht u bijkomende informatie wensen omtrent deze beslissing, dan kan u steeds contact opnemen […].” Verzoeker wijst deze beslissing in zijn inleidend verzoekschrift aan als het voorwerp van zijn beroep. IX-10.010-3/17 3.
  9. Op 16 februari 2022 ondertekenen de selectieverantwoordelijke en de twee leden van de jury het proces-verbaal van de selectieprocedure waaruit blijkt dat deze procedure voor alle sollicitanten wordt “gesloten”. 3.
  10. Op 17 februari 2022 maakt de verwerende partij de vacature van een betrekking van jurist omgevingsrecht bij de afdeling Organisatie van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van de Vlaamse overheid opnieuw bekend. Solliciteren in deze selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5817’ is mogelijk “tot en met 13 maart 2022”. 3.
  11. Met een e-mailbericht van 10 maart 2022 deelt de selectieverantwoordelijke aan verzoeker mee dat “de vacature voor de functie van jurist omgevingsrecht bij de afdeling Organisatie van het departement Mobiliteit en Openbare Werken ondertussen werd geherpubliceerd, zodat [hij] in de mogelijkheid [is] om [zich] opnieuw kandidaat te stellen voor deze functie indien [hij] hiertoe interesse zou hebben”. Verzoeker beweert “van dit stuk pas voor het eerst kennis [te hebben] ge[n]omen of [het] betekend [te hebben] gekregen met de memorie van antwoord van verweerster”. Hij stelt zich niet opnieuw kandidaat. 3.
  12. Volgens de verwerende partij, in haar laatste memorie, werd de vacature vervolgens nog tweemaal “geherpubliceerd” – het gaat om de selectieprocedures met de respectieve vacaturenummers ‘req6719’ en ‘req7599’ – en heeft “de laatste selectieprocedure […] tot een werving […] geleid”. IX-10.010-4/17 IV. Verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep en tot het nemen van een aanvullende maatregel
  13. In zijn memorie van wederantwoord vraagt verzoeker om het voorwerp van het beroep “desnoods ambtshalve” uit te breiden tot: - “de (impliciete) beslissing tot stopzetting van de benoemingsprocedure”; - “de (impliciete) beslissing om de vacature terug vacant te verklaren”; - “de (impliciete) beslissing om de nieuwe vacature te herpubliceren en het gevolg daarvan namelijk de herpublicatie”. In het petitum van diezelfde memorie vraagt hij tevens om: - “[het] arrest als retroactieve beslissing tot aanwerving van verzoeker te laten gelden”; - “[i]n tweede orde: een injunctie voor de overheid uit te spreken om een nieuwe beslissing te nemen binnen […] 21 dagen na de uitspraak, waarbij de betrekking terug open wordt verklaard en een nieuwe beslissing wordt genomen tot aanwerving van verzoeker”; - “of in derde orde verzoeker een nieuwe kans [te verlenen] om te worden aangesteld in de betrekking en om de betrekking daadwerkelijk waar te nemen of om op de reservelijst geplaatst te worden”; - “[u]itleg te geven over hoe de onwettigheid moet worden verholpen bij annulatie in de motieven”. V. Regelmatigheid van de rechtspleging Standpunt van de partijen
  14. De verwerende partij heeft in het administratief dossier dat zij in de voorliggende zaak bij de Raad van State heeft neergelegd, een stuk 3 ‘Interne communicatie inzake de beoordeling van de ontvangen sollicitaties + cv-screeningsdocument’ opgenomen, waarvan zij de vertrouwelijke behandeling vraagt. IX-10.010-5/17 Zij motiveert haar vraag als volgt: “De openbaarmaking zou afbreuk doen aan het geheim van de beraadslaging van overheidsdiensten. Indien verzoekende partij inzage wordt verleend, zou dit bovendien bepaalde inzichten kunnen verschaffen die hem een voordeel kunnen opleveren bij eventuele toekomstige sollicitaties. Tot slot mag ook de identiteit van de andere sollicitanten niet worden prijsgegeven.”
  15. Verzoeker verzet zich in zijn memorie van wederantwoord tegen de vertrouwelijkheid van het desbetreffende stuk. Hij argumenteert dat het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag over de Rechten van de mens (EVRM), “veel belangrijker” is en “hiërarchisch hoger” staat dan het door de verwerende partij ingeroepen recht om de vertrouwelijke behandeling te vragen van het bedoelde stuk van het administratief dossier, “met uitzondering van de identiteit van de andere sollicitanten”. Hij doet voorts gelden dat hij “zich niet behoorlijk [kan] verdedigen tegen de beweringen van [de verwerende partij] zonder inzicht te krijgen in het volledige administratieve dossier aangezien de motivering beoordeeld moet worden op het moment van de beslissing, het onderzoek van de kandidaat niet kan nagegaan worden, het onduidelijk is hoe het benoemingsproces op bepaalde punten verlopen is en niet nagegaan kan worden of persoonlijke grievende standpunten zijn ingenomen die […] zijn actueel moreel belang kunnen schragen”. Beoordeling
  16. Gelet op hetgeen hij hierna oordeelt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep, ziet de Raad van State geen reden om de vertrouwelijkheid van stuk 3 van het neergelegde administratief dossier op te heffen. IX-10.010-6/17 IX-10.010-7/17 VI. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  17. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. Zij doet onder meer gelden dat een verzoekende partij voor de Raad van State slechts een belang heeft bij de nietigverklaring van een vóórbeslissing in het kader van een complexe administratieve verrichting zoals een selectieprocedure in het openbaar ambt, indien zij tevens de nietigverklaring van de eindbeslissing van die procedure nastreeft. In dit geval werd de vacante betrekking evenwel niet aan een andere kandidaat toegewezen, maar werd de selectieprocedure stopgezet. De verwerende partij stelt aldus een “gemis aan belang in hoofde van verzoekende partij” vast.
  18. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij op het ogenblik van het instellen van zijn beroep een belang daarbij had en hij nog steeds over een actueel belang beschikt. Hij beroept zich vooreerst op “een gekwalificeerd moreel belang of, in ondergeschikte orde, gewoon moreel belang omwille van de extreme grofheid van de onwettigheid gepleegd door verwerende overheid […] door hem voor te houden dat er meerdere kandidaten waren terwijl er in feite maar één was”. Hij voegt eraan toe dat voor het verdere verloop van zijn carrière het niet onbelangrijk is in een gerechtelijke uitspraak te horen zeggen dat zijn kandidatuur onrechtmatig niet in aanmerking werd genomen. Verzoeker voert voorts een financieel belang aan, “wegens misgelopen weddes”. Hij betracht met een annulatiearrest een eventuele procedure IX-10.010-8/17 tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter te vergemakkelijken of een vergoeding tot herstel te verkrijgen. Hij voert ook aan dat hij met zijn beroep “[i]n eerste orde” beoogt “de betrekking terug open te zien verklaren en retroactief benoemd te worden in de betrekking”. Volgens verzoeker zijn er een gebonden bevoegdheid en rechtsplicht in hoofde van de verwerende partij om hem “te benoemen tot de functie van omgevingsjurist met terugwerkende kracht”. “In tweede orde” beoogt hij “de betrekking terug open te zien verklaren en de kans [te] krijgen op een nieuwe beslissing tot aanwerving en de betrekking daadwerkelijk waar te nemen of om op de reservelijst geplaatst te worden”. Verzoeker argumenteert voorts dat de beslissing tot stopzetting van de wervingsprocedure de eindbeslissing was van de complexe administratieve rechtshandeling en dat hij nog belang heeft bij zijn beroep zolang hem die beslissing niet is meegedeeld en de beroepstermijn daartegen niet is verstreken. In ondergeschikte orde is die stopzettingsbeslissing volgens hem impliciet vervat in de beslissing om hem, als enige kandidaat, niet in aanmerking te nemen, zodat moet worden aangenomen dat hij met het aanvechten van die laatstgenoemde beslissing ook een eindbeslissing betwist. Ten slotte stelt verzoeker dat, indien er toch verlies van belang zou zijn, quod non, het beroep niet onontvankelijk kan worden verklaard, aangezien hij nog tot na het einde van de annulatieprocedure de tijd heeft om een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel in te dienen.
  19. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat hij een middel aanvoert dat de rechtsplicht van de verwerende partij aantoont om hem met terugwerkende kracht aan te werven. Voorts benadrukt hij dat zijn moreel belang wel degelijk is aangetast: “het feit dat de overheid verzoeker als enige kandidaat onmiddellijk weigerde gaat gepaard met een krenking van de eer die verzoeker in normale IX-10.010-9/17 omstandigheden niet had mogen verwachten en die grievend gericht is tegen de persoon van de verzoeker zodat hij niet wordt geacht deze krenking te verdragen.” Beoordeling
  20. Het belang, waarvan een verzoekende partij krachtens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep en de verzoekende partij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet voordeel oplevert. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Het voordeel moet in beginsel méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het gegrond horen verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
  21. Verzoeker vraagt in zijn inleidend verzoekschrift de nietigverklaring van de beslissing van de verwerende partij van 15 februari 2022 om zijn kandidaatstelling in de selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5513’ niet verder in aanmerking te nemen. Deze bestreden beslissing is een voor IX-10.010-10/17 verzoeker grievende vóórbeslissing – zijn kandidaatstelling wordt er definitief mee afgewezen – in het kader van een complexe administratieve verrichting die in beginsel resulteert in de aanwerving van een kandidaat, de samenstelling van een wervingsreserve of, desgevallend, in een beëindiging van de selectieprocedure zonder resultaat. Verzoeker vermag de hem grievende vóórbeslissing met een beroep tot nietigverklaring te bestrijden. Hij behoudt evenwel slechts een actueel belang bij dat beroep indien hij ook de eindbeslissing van de complexe administratieve verrichting met een beroep tot nietigverklaring bestrijdt, opdat hij zijn kansen gaaf zou houden om zelf alsnog de beoogde aanwerving te kunnen verkrijgen. In dit geval heeft de verwerende partij de selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5513’, waaraan verzoeker had deelgenomen, op 16 fe- bruari 2022 zonder resultaat beëindigd, zo blijkt uit het door de verwerende partij neergelegde proces-verbaal van die datum (stuk 8 van het administratief dossier). Deze beslissing diende niet aan verzoeker te worden betekend. Hij was immers ten gevolge van de op 15 februari 2022 ten aanzien van hem genomen beslissing geen kandidaat meer. Als belanghebbende stond het aan hem om – ter vrijwaring van zijn belang bij het door hem ingestelde annulatieberoep – waakzaam en actief te zijn en met andere woorden zich tijdig bij de verwerende partij te informeren over een eventuele eindbeslissing in de selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5513’. Tevergeefs dan ook voert verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aan dat hij het e-mailbericht van de verwerende partij van 10 maart 2022 waarin melding ervan wordt gemaakt dat de vacature is “geherpubliceerd” en waarbij het reglement van de nieuwe selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5817’ is gevoegd, niet heeft ontvangen. Verzoeker heeft de voormelde eindbeslissing over de selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5513’ niet met een annulatieberoep bestreden. Zijn verzoek in de memorie van wederantwoord, die van meer dan vijf IX-10.010-11/17 maanden later dateert, om het voorwerp van zijn beroep tot die beslissing uit te breiden, is laattijdig. Anders dan verzoeker het voorts ziet in zijn memorie van wederantwoord, kan niet worden aangenomen dat “de stopzettingsbeslissing geïnterpreteerd moet worden als in het voorwerp van de oorspronkelijk aangevochten beslissing te zijn vervat”. Hoe dan ook immers was de beslissing tot beëindiging van de selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5513’ toen nog niet genomen. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat de verwerende partij in haar laatste memorie, die geacht wordt door verzoeker ontvangen te zijn op 7 november 2022, erop wijst dat de vacature voor de betrekking van jurist omgevingsrecht ná de selectieprocedure waaraan verzoeker met ongunstig resultaat heeft deelgenomen, driemaal werd “geherpubliceerd” en dat de laatste selectieprocedure inmiddels tot een aanwerving heeft geleid. De Raad van State stelt vast dat verzoeker binnen zestig dagen na de ontvangst van die laatste memorie ook de beslissing tot aanwerving niét – en dus zeker niet tijdig – met een beroep tot nietigverklaring heeft bestreden. De vraag rijst dan ook of verzoeker nog een actueel belang heeft bij zijn beroep, nu de eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing niet meer kan leiden tot wat verzoeker ermee betracht, namelijk, “[i]n eerste orde”, dat de betrekking terug open wordt verklaard en hij retroactief in de betrekking wordt benoemd en, “[i]n tweede orde”, dat de betrekking terug open wordt verklaard en hij de kans krijgt op een nieuwe beslissing tot aanwerving en een daadwerkelijke waarneming van de betrekking of op een plaatsing op de reservelijst. Gelet op de inmiddels definitief tot stand gekomen beslissing tot beëindiging – zonder resultaat – van de selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5513’, waaraan verzoeker deelnam, kan verzoeker noch het één, noch het ander alsnog verkrijgen, temeer daar hij, in tegenstelling tot wat hij beweert, op geen enkele wijze een rechtsplicht aantoont die in hoofde van de verwerende partij zou bestaan om hem op grond van zijn sollicitatie in de eerste selectieprocedure IX-10.010-12/17 met terugwerkende kracht tot jurist omgevingsrecht aan te werven. Hij maakt ook niet aannemelijk dat een onderzoek van de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht die hij in zijn inleidend verzoekschrift als (enig) middel aanvoert, of van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel waarvan hij in zijn memorie van wederantwoord alsnog gewag maakt, het bestaan van een dergelijke rechtsplicht zou kunnen reveleren.
  22. Verzoeker doet gelden dat hij alleszins nog een moreel belang bij zijn beroep heeft “omwille van de extreme grofheid van de onwettigheid gepleegd door verwerende overheid tegenover verzoeker door hem voor te houden dat er meerdere kandidaten waren terwijl er in feite maar één was”, waardoor hij een “extreem groot moreel nadeel [lijdt] dat enkel rechtgezet kan worden met een annulatiearrest”. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat aan het enkele feit van het mislopen van een betrekking geen moreel nadeel is verbonden dat het rechtens vereiste belang bij het beroep tot nietigverklaring kan staven, aangezien elke kandidaatstelling het risico inhoudt dat ze niet tot een gunstig resultaat leidt. Verzoeker toont in ieder geval niet concreet aan dat de bestreden beslissing hem wezenlijk moreel krenkt, laat staan een ongunstige invloed kan hebben op zijn verdere loopbaankansen. De aan verzoeker meegedeelde motieven bevatten bovendien geen overwegingen die, objectief gezien, van aard zijn verzoekers eer of goede naam aan te tasten. Dit geldt ook voor de overwegingen van de “[i]nterne communicatie” in stuk 3 van het administratief dossier, waarvan de Raad van State kennis heeft kunnen nemen, maar die vertrouwelijk blijven. Voorts maakt het belang een afzonderlijke ontvankelijkheidsvoorwaarde uit die niet kan worden gelijkgesteld met, noch volgt uit de eventuele gegrondheid van een middel. Verzoeker kan voor de staving van zijn actueel belang derhalve niet verwijzen naar een eventuele onwettigheid die aan de bestreden beslissing zou kleven. IX-10.010-13/17
  23. Voor zover verzoeker zijn actueel belang steunt op de betrachting om met een annulatiearrest een eventuele procedure tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter te vergemakkelijken of een vergoeding tot herstel te verkrijgen, faalt zijn betoog naar recht. Immers, om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding te faciliteren. Waar verzoeker stelt dat zijn beroep niet onontvankelijk kan worden verklaard omdat hij tot na de annulatieprocedure nog een schadevergoeding tot herstel kan vorderen, moet worden opgemerkt dat verzoeker, desgevallend, inderdaad zelf zou kunnen inspelen op de veranderde omstandigheden en de impact daarvan op zijn belang, met het instrument waarin artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziet. Niettemin moet worden vastgesteld dat op het ogenblik van de sluiting van het debat in de annulatieprocedure, verzoeker nog geen dergelijke vordering heeft ingesteld.
  24. Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat het belang van verzoeker in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing, hetgeen, zoals hiervóór werd uiteengezet, een onvoldoende rechtstreeks belang is. IX-10.010-14/17
  25. De exceptie is in de besproken mate gegrond en leidt tot de verwerping van het beroep, met inbegrip van het verzoek tot uitbreiding van het voorwerp ervan en tot het nemen van een aanvullende maatregel. VII. Kosten
  26. In zijn laatste memorie stelt verzoeker: “Het komt ons ook niet als normaal voor om de gedingkosten, rolrechten en rechtsplegingsvergoeding ten laste van verzoeker te leggen wanneer hij op het moment van het instellen van het geding wel degelijk over belang beschikte, en hij op dat moment de kosten moest voorschieten. Als verzoeker wist dat hij naderhand zijn belang zou verliezen had hij nooit van zijn toegang tot de rechter gebruik gemaakt zodat het niet evenredig zou zijn dat verzoeker de kosten moet dragen omdat hij door latere omstandigheden in het ongelijk wordt gesteld. Omdat de procedure voor de Raad van State enige tijd in beslag neemt, is de kans reëel dat de feitelijke en juridische positie van de verzoekende partij gedurende de procedure wijzigt, door de negatieve uitslag daarvan op verzoekende partij te doen komen, creëert de procedure voor de Raad van State rechtsonzekerheid en worden modale burgers afgemoedigd om een procedure in te stellen. Door de kosten volledig ten laste van verzoeker te leggen wordt zijn recht op toegang tot de rechter geschonden zoals gewaarborgd door art. 6

(1)EVRM en artikel 13 van de Grondwet door artikel 19, eerste lid RvSt-wet.”
  1. Uit de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is gebleken dat verzoeker zijn belang bij het beroep niet heeft verloren ten gevolge van de tijd die de behandeling van de zaak voor de Raad van State vergde, maar wel door zijn eigen nalaten de vernietiging te vorderen van de eindbeslissing van de selectieprocedure met vacaturenummer ‘req5513’ waaraan hij met ongunstig resultaat had deelgenomen, zodat hij geen voordeel meer kan halen uit een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing. In die omstandigheden dienen de kosten van het beroep te zijnen laste te worden gelegd. Verzoekers recht op toegang tot de rechter is er niet door in het gedrang gekomen. BESLISSING
  2. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.010-15/17 IX-10.010-16/17
  3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.010-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.