id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.158 Rolnummer: A. 234551/IX-9942 Zaak: Arrest 256158 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 29/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-03 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-10 08:43 Fiche Arrest nr 256.158 van 29 maart 2023 Economische zaken - Wegverkeer van mensen (bussen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.158 van 29 maart 2023 in de zaak A. 234.551/IX-9942 In zake: Kris YSEBAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Schyvens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Sint-Jozefstraat 43 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Vanhemelrijck kantoor houdend te 1910 Kampenhout Bergstraat 54 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 september 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de dienst Administratieve Boetes van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn van 13 juli 2021 waarbij aan Kris Ysebaert een administratieve geldboete van 107 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft een verslag opgesteld. IX-9942-1/7 Dat verslag werd aan de verwerende partij ter kennis gebracht op 6 juli
- Op 14 september 2022 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verwerende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dimitri Margery, die loco advocaat Peter Vanhemelrijck verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt de vernietiging van de bestreden beslissing voorgesteld. IX-9942-2/7 Gelet op artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ kan de beslissing waarvan de nietigverklaring gevorderd wordt, volgens een versnelde rechtspleging nietig worden verklaard indien noch de verwerende partij, noch degene die belang heeft bij de beslechting van het geschil, een verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld. De verwerende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
- Ter terechtzitting voert de verwerende partij geen redenen van overmacht of onoverwinnelijke dwaling aan die haar zouden hebben verhinderd om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag om de voortzetting van de procedure te verzoeken. 5.
- Er bestaat voor de Raad van State derhalve aanleiding om, met het oog op de mogelijke nietigverklaring van de bestreden beslissing overeenkomstig de hiervóór sub 3 vermelde versnelde rechtspleging, te beoordelen of het in het auditoraatsverslag gegrond bevonden eerste middel kan worden bijgevallen. 5.
- Verzoeker voert in dat eerste middel in essentie aan dat de bestreden beslissing van de dienst Administratieve Boetes van de verwerende partij niet is ondertekend en daarom geen rechtsgeldige administratieve rechtshandeling kan inhouden. Hij argumenteert als volgt: “A. Een geschrift dat niet is ondertekend, kan geen geldige rechtshandeling opleveren. IX-9942-3/7 Enkel de ondertekening van een akte kan toelaten om deze akte met voldoende zekerheid toe te schrijven aan diegene van wie zij uitgaat. Zulks geldt zo mogelijk nog des te meer voor een akte waarin nergens wordt vermeld wie er de auteur van is, ongeacht of men deze akte zou willen toeschrijven aan een fysieke persoon die bij veronderstelling in eigen naam en voor eigen rekening zou hebben gehandeld, dan wel aan een rechtspersoon of instantie in wier naam en voor wier rekening de – vermeende, of beweerde – auteur van de akte zou hebben gehandeld. Er is meer. Het enkele gegeven dat een akte vermeldt van welke rechtspersoon of instantie zij uitgaat, volstaat niet voor haar geldigheid: het moet ook kunnen blijken welke fysieke persoon namens deze rechtspersoon heeft willen handelen – zodat het mogelijk wordt om na te gaan of deze fysieke persoon de bevoegdheid had om namens deze rechtspersoon te verbinden, c.q. of hij binnen de grenzen van zijn bevoegdheid heeft gehandeld ... –. B. Dit alles geldt doorheen het ganse recht, en nog des te meer in het administratief recht. Eenzijdige rechtshandelingen van een administratieve overheid brengen immers wijzigingen teweeg in de rechtspositie van de bestuurden op wie zij betrekking heeft. Het gaat er dan niet enkel meer om of de steller van een document bevoegd was om de administratieve overheid die er in wordt vermeld, te verbinden – zodat wie rechten aan het document meent te kunnen ontlenen, er zich jegens deze administratieve overheid op vermag te beroepen –, maar ook – en zelfs in de eerste plaats – of deze persoon bevoegdheid had om het ‘imperium’ uit te oefenen dat aan deze administratieve overheid toekomt – d.w.z. de macht om bij wege van een eenzijdige administratieve rechtshandeling, rechtsgevolgen op te leggen aan de betrokken bestuurden –. C. Welnu, het ontbreken, in de bestreden beslissing van de ‘dienst administratieve boetes’ van ‘De Lijn’, van zowel de handtekening, als de identiteit van de fysieke persoon die er de auteur van is, verhindert de noodzakelijke controle op de wettigheid van deze beslissing. Het is, meer concreet, onmogelijk om na te gaan of de beslissing is genomen door iemand die bevoegd was om – namens de ‘dienst administratieve boetes’ van ‘De Lijn’ te handelen, alsook om in die hoedanigheid – deze beslissing te nemen, d.w.z. om verzoeker de kwestieuze administratieve geldboete op te leggen zoals is voorzien in art. 66bis Decreet Vlaams Parlement 20.04.2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg.” 5.
- Het auditoraatsverslag besluit tot de gegrondheid van het eerste middel en overweegt daartoe onder meer: “
- De bestreden beslissing van 13 juli 2021 is niet ondertekend (zie stuk 3 ingediend door de verzoeker). Het bevat enkel een verwijzing naar de ‘Dienst Administratieve Boetes.’ Dit wordt niet betwist door de verwerende partij, die zijn verweer beperkt tot het proces-verbaal. IX-9942-4/7
- […] Aangezien de bestreden beslissing niet is ondertekend, kan niet nagegaan worden of de beslissing is genomen door de bevoegde persoon, […]. Het ontbreken, in de bestreden beslissing van de ‘Dienst Administratieve Boetes’ van ‘De Lijn’, van zowel de handtekening, als de identiteit van de fysieke persoon die er de auteur van is, verhindert de noodzakelijke controle op de wettigheid van deze beslissing […]. De handtekening op de beslissing heeft tot doel het bestaan van de beslissing te bevestigen en de inhoud ervan te legaliseren. Dit is een substantiële vormvereiste (zie bijvoorbeeld RvS, 7 maart 1986, nr. 26.245 [versta: nr. 26.246]). Dankzij de handtekening kan onder meer de bevoegdheid van de steller van de beslissing gecontroleerd worden.” 5.
- Daargelaten dat het door verzoeker in het eerste middel geviseerde stuk 3 bij het inleidend verzoekschrift een kennisgeving van de bestreden beslissing betreft en niet die beslissing als zodanig, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de verwerende partij, geconfronteerd met dit door verzoeker aangevoerde middel, in het door haar neergelegde administratief dossier geen enkel stuk heeft opgenomen waaruit middels de handtekening en identificatie van een daartoe bevoegd persoon de authenticiteit blijkt van een zodanige, door de dienst Administratieve Boetes van de verwerende partij definitief genomen beslissing. 5.
- De Raad van State ziet dan ook geen reden om het eerste middel en de hiervóór weergegeven beoordeling ervan in het auditoraatsverslag niet bij te vallen. Het eerste middel is gegrond en verantwoordt derhalve de nietigverklaring van de bestreden beslissing met toepassing van de voormelde versnelde rechtspleging. IX-9942-5/7 IV. Kosten Rechtsplegingsvergoeding gevraagd door verzoeker
- In zijn inleidend verzoekschrift vraagt verzoeker de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van “700,00 [euro], aan te passen aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen”. Hij maakt “voorbehoud voor het vorderen van een hoger bedrag, rekening gehouden onder meer met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie, nu [hij] ertoe verplicht wordt een procedure vóór de Raad van State te voeren, dan wanneer de inbreuk die hem verweten wordt, in wezen een – beweerde – inbreuk uitmaakt op de wetten op de politie over het wegverkeer, en de politierechtbank bevoegd is om kennis te nemen van zulke inbreuken, d.w.z. om het bestaan en de ernst van zulke inbreuken te beoordelen”.
- In zijn memorie van wederantwoord vraagt verzoeker dan weer “de maximale rechtsplegingsvergoeding”. Beoordeling
- Luidens artikel 30/1, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, de rechtsplegingsvergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden, waarbij zij in haar beoordeling rekening houdt met, onder meer, de “kennelijk onredelijke aard van de situatie”. Het valt in dit geval evenwel niet in te zien dat de omstandigheid dat verzoeker een procedure heeft moeten voeren voor de Raad van State – wiens bevoegdheid hij niet betwist – een kennelijk onredelijke situatie zou uitmaken, zoals hij beweert. IX-9942-6/7
- De Raad van State ziet dan ook geen deugdelijke reden om aan verzoeker een hogere rechtsplegingsvergoeding toe te kennen dan het geïndexeerde basisbedrag van die vergoeding. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de dienst Administratieve Boetes van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn van 13 juli 2021 waarbij aan Kris Ysebaert een administratieve boete van 107 euro wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9942-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.158 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.