← België

Arrest 256174 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.174 Rolnummer: A. 237327/IX-10133 Zaak: Arrest 256174 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-06 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-10 08:44 Fiche Arrest nr 256.174 van 30 maart 2023 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.174 van 30 maart 2023 in de zaak A. 237.327/IX-10.133 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kurt Demeester kantoor houdend te 9030 Gent-Mariakerke Brugsesteenweg 378 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het RIJKSINSTITUUT voor ZIEKTE- en INVALIDITEITSVERZEKERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 26 september 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van beslissing van het algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 26 juli 2022 waarbij verzoekster wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid met een opzegtermijn van drie maanden, ingaande op 1 augustus 2022 en eindigend op 31 oktober 2022, aan verzoekster ter kennis gebracht op 28 juli
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.133-1/9 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari
  4. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kurt Demeester, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Met het besluit van 26 april 2021 van het algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: RIZIV) wordt verzoekster met ingang van 1 mei 2021 aangeworven als stagedoend attaché arts-inspecteur in de klasse A
  7. Haar stage duurt 12 maanden. Zij is daarna werkzaam als attaché A2 risico en verstrekkingsbeheer bij de afdeling “team medische experten” van de medische directie van de dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV. 3.
  8. Op 20 mei 2021 vindt het planningsgesprek plaats tussen verzoekster en haar functionele chef, als onderdeel van de stagecyclus. Het gesprek IX-10.133-2/9 heeft betrekking op de periode van de (evaluatie)cyclus van 1 mei 2021 tot 30 april
  9. Die dag heeft eveneens een functiegesprek plaats. 3.
  10. Op 8 september 2021 heeft een functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar functionele chef, als onderdeel van de stagecyclus. Het gesprek betreft de periode van de (evaluatie)cyclus van 1 mei 2021 tot 30 april
  11. Zij krijgt als eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’. 3.
  12. Op 16 december 2021 heeft een functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar functionele chef, als onderdeel van de stagecyclus. Het gesprek betreft de periode van de (evaluatie)cyclus van 1 mei 2021 tot 30 april
  13. Zij krijgt als eindvermelding ‘te verbeteren’. 3.
  14. Op 22 maart 2022 vindt opnieuw een functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar hiërarchisch meerdere, als onderdeel van de stage-evaluatiecyclus. Het gesprek is geldig voor de periode van de (evaluatie)cyclus 1 mei 2021 tot 30 april
  15. Zij behaalt de eindvermelding ‘onvoldoende’. 3.
  16. Het eindverslag van de stage , als bijlage gevoegd bij het derde functioneringsgesprek, bevat volgende samenvatting van de verschillende functioneringsgesprekken: Functioneringsgesprek Functioneringsgesprek 2 Functioneringsgesprek 3 1 Datum 08/09/2021 16/12/2021 22/03/2022 Vermelding Voldoet aan de Te verbeteren Onvoldoende verwachtingen Prestatie‐ 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald 1 : niet behaald doelstellingen 2 : behaald 2 : gedeeltelijk behaald 2 : niet behaald 3 : gedeeltelijk behaald 3 : gedeeltelijk behaald 3 : niet behaald 4 : niet te evalueren 4 : niet te evalueren 4 : niet te evalueren IX-10.133-3/9 Ontwikkelings‐ 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald doelstellingen 2: gedeeltelijk behaald 2 : behaald 2 : behaald Doelstelling 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald voor beschikbaarh eid voor de gebruikers van de dienst Doelstelling 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald 1 : behaald voor bijdrage aan de teamprestati es Algemeen Er wordt opgemerkt Een positieve leercurve Er wordt vastgesteld dat, functioneren dat XXXX op moment wordt vastgesteld, maar het ondanks de leergierige en van het eerste begint duidelijk te worden collegiale houding van de functioneringsgesprek dat de kwaliteit van de stagiair, correct en op een verwacht opgeleverde nota’s moet zelfstandig werken niet niveau presteert, en verbeteren qua inhoud én lukt nu het einde van de zich leergierig opstelt vormgeving. stage nadert Daarnaast bevat het eindverslag ook de ‘motivatie’ van de gedelegeerde van de P&O-directeur. Op basis van de gedane vaststellingen kan de P&O-dienst enkel het ontslag van de stagiair uit haar huidige functie bij het RIZIV voorstellen, “aangezien deze organisatie geen functie kan aanbieden die meer in lijn ligt met de competenties als arts die wel vertoond werden tijdens de stage […]”. 3.
  17. Op 20 april 2022 bezorgt de dienst P&O het evaluatiedossier van verzoekster aan de Interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie, gelet op de functioneringsvermelding ‘onvoldoende’ bij het derde functioneringsgesprek. 3.
  18. Op 12 mei 2022 dient verzoekster tegen de eindvermelding ‘onvoldoende’ een verweerschrift in bij de voormelde Interparastatale beroepscommissie. 3.
  19. Op 16 juni 2022 vindt de zitting van de Interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie plaats en na beraadslaging beslist deze om de IX-10.133-4/9 eindvermelding “onvoldoende” te behouden. Zij voegt aan deze beslissing haar “met redenen omkleed ontslagvoorstel” toe welke luidt als volgt: “Dit voorstel wordt gemotiveerd door het feit dat de commissie van mening is dat de stagiair er niet in geslaagd is de afgesproken prestatiedoelstellingen in voldoende mate te behalen en dit na een stageperiode van meer dan 10 maanden. Ze heeft minder dan 50% van de prestatiedoelstellingen gerealiseerd. De commissie is er ook van overtuigd dat er geen of onvoldoende positieve evolutie mogelijk is in het functioneren van de stagiair. Uit de getuigenis van de stagiair blijkt dat zij de oorzaak van het falen van haar stage legt bij de impact van de COVID-pandemie op haar werksituatie waarbij zij grotendeels tot voltijds moest telewerken. Zij miste de directe interactie met collega’s en leidinggevende. Alhoewel de commissie hiervoor begrip kan opbrengen blijkt toch uit de elementen van het dossier enerzijds en de getuigenis van de evaluator anderzijds dat er in ruime mate overleg-, begeleidings- en opleidingsmomenten ingepland werden via meerdere digitale kanalen. We kunnen hierbij opmerken dat de stagiair geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die periodisch geboden werden om op kantoor te werken. Uit alle elementen van het dossier en de zitting kan de commissie besluiten dat de evaluator voldoende overleg, opleiding en begeleiding voorzien heeft tijdens de stageperiode. De commissie kan ook stellen dat de stagiair van haar kant blijk gegeven heeft van veel goede wil en inzet en dat zij leergierig en teamgericht is. Echter zijn een aantal competenties die essentieel zijn om deze functie te kunnen uitoefenen met name informatie integreren en vernieuwend denken, niet of onvoldoende aanwezig bij XXXX. De hoofdtaak van een attaché A2 risico- en verstrekkingsbeheer bestaat uit het opstellen van voorbereidende nota’s voor vergaderingen en raden en het opstellen van de verslagen hiervan. Uit de afgeleverde resultaten is gebleken dat de stagiair de nodige competenties mist om dit inhoudelijk complex werk tot een goed einde te brengen. De kwaliteit van haar werk was onvoldoende. Daarnaast wordt ook verwacht dat de attaché voldoende zelfstandig kan werken en de nodige nauwkeurigheid aan de dag legt bij het opstellen van nota’s en verslagen dit zowel naar de inhoud als naar de vorm. Ook deze competenties zijn in onvoldoende mate aanwezig bij de stagiair. Gezien er na veelvuldige feedback en bijkomende opleidingen geen verbetering werd opgemerkt, is de commissie van oordeel dat er geen perspectief is op een positieve evolutie in het functioneren van XXXX in de nabije toekomst.” 3.
  20. Op 26 juli 2022 beslist het algemeen beheerscomité van het RIZIV tot het ontslag van verzoekster als attaché arts-inspecteur in de klasse A2 (Nederlandstalig taalkader) bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wegens IX-10.133-5/9 beroepsongeschiktheid met een opzegtermijn van drie maanden, ingaande op 1 augustus 2022 en eindigend op 31 oktober
  21. Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  22. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  23. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid
  24. Verzoekster motiveert de spoedeisendheid van de vordering in haar verzoekschrift als volgt: “Door de beslissing van verweerder kan verzoekster het ambt van attaché niet meer uitoefenen. Haar tewerkstelling bij het RIZIV eindigt, ingevolge een opzegtermijn van 3 maanden, op 31 oktober
  25. Zij wordt hierdoor op een directe en onmiddellijke wijze geschaad in haar beroepscarrière en inkomstenwerving wat – gezien haar leeftijd – kan betekenen dat zij vooraleer ze de pensioenleeftijd bereikt het ambt van federaal ambtenaar niet meer zal kunnen uitgeoefend hebben. IX-10.133-6/9 Eén en ander verantwoordt de behandeling van de vordering tot schorsing, in afwachting van de behandeling ten gronde van de vordering tot nietigverklaring. Uit de uiteenzetting van de middelen […] blijkt dat het verzoek tot schorsing, gelet op de manifeste schendingen, prima facie zeker gegrond voorkomt.” Beoordeling
  26. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
  27. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. IX-10.133-7/9 Overigens moet die verzoekende partij zich er rekenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag worden ingesteld “op elk moment”. 9.
  28. Verzoekster stelt vooreerst dat zij het ambt van attaché niet meer kan uitoefenen, waardoor zij geschaad wordt in haar beroepscarrière en in haar “inkomstenverwerving”. Zij zet echter niet concreet uiteen hoe zij een dermate ernstige schade dan wel inkomensverlies lijdt, dat zij de periode tot aan een eventuele uitspraak over de nietigverklaring niet zou kunnen overbruggen. De mogelijkheid om een vordering tot schorsing in te dienen bestaat precies om spoedeisende zaken te kunnen onderzoeken maar het is dan wel vereist dat een verzoekende partij die wenst dat haar zaak reeds in een schorsingsprocedure wordt behandeld, het spoedeisende karakter ervan duidelijk toelicht en aantoont. In die opdracht schiet verzoekende partij tekort. 9.
  29. Vervolgens wijst verzoekster op de tijdspanne die haar nog rest om het ambt van federaal ambtenaar uit te oefenen vooraleer zij de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken. Ook in dit verband zet verzoekster niet uiteen welke ernstige nadelen hetzij op financieel hetzij op moreel vlak dat met zich zou meebrengen gedurende de periode tot aan een eventuele uitspraak over de nietigverklaring. Bovendien toont verzoekster niet aan dat een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing dermate te laat zou komen dat zij een kans op een latere benoeming tot federaal ambtenaar (bij het RIZIV) daardoor zou zien voorbijgaan. 9.
  30. Voor zover verzoekster zich ten slotte beroept op het onwettig handelen van de verwerende partij, betreft dit een argument dat betrekking heeft op de schorsingsvoorwaarde van de ernst van de middelen. Er dient in dit verband te worden benadrukt dat de voorwaarde van de spoedeisende aard van de vordering een schorsingsvoorwaarde is die afzonderlijk moet worden onderzocht. De IX-10.133-8/9 onwettigheden van de bestreden beslissing die worden aangevoerd, zijn op zich geen reden om het bestaan van de spoedeisendheid te aanvaarden.
  31. Uit wat voorafgaat volgt dat de spoedeisendheid niet genoegzaam is aangetoond. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt de vordering.
  33. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-10.133-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.174 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.