← België

Arrest 256197 - Varia (fiscaliteit) - 03/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.197 Rolnummer: A. 230173/XIV-38259 Zaak: Arrest 256197 - Varia (fiscaliteit) - 03/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-06 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-10 08:45 Fiche Arrest nr 256.197 van 3 april 2023 Fiscaliteit - Varia (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 256.197 van 3 april 2023 in de zaak A. 230.173/XIV-38.259 In zake : Guy BOTTEQUIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jeroom Joos en Karel Van Hoorebeke kantoor houdend te 9000 Gent Coupure Rechts 162 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 13 december 2019 van de minister van Financiën, houdende afwijzing van het verzoek ingediend bij brief van 10 oktober 2019 tot vrijgave van de fondsen toebehorend aan Libië of in België gehouden voor rekening van de Libische Staat. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. XIV-38.259-1/15 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karel Van Hoorebeke, die verschijnt voor verzoeker en jurist Annika Agemans en adviseur Ann Lauwens, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is opgetreden als rechter-arbiter in een bemiddelings- en arbitrageprocedure in drie verschillende procedures. In elke procedure was de Libische Staat een partij. Bij arbitragebeslissingen van respectievelijk 27 maart 2017 en 15 augustus 2017 wordt bepaald dat de Libische Staat de honoraria en kosten van de bemiddelaar-arbiter dient te betalen. XIV-38.259-2/15 3.
  6. Overeenkomstig artikel 1680, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek (Ger. W.) verklaart de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij beschikkingen van 26 juli 2019, deze arbitrale uitspraken uitvoerbaar. 3.
  7. Verzoeker dient op 7 augustus 2019 bij de FOD Financiën een verzoekschrift tot vrijgave van de bevroren tegoeden in voor een totaalsom ten bedrage van CHF 693.303,
  8. Volgens verzoeker zijn de Libische tegoeden bevroren op grond van artikel 9.3 van het Besluit 2015/1333/GBVB van de Raad van 31 juli 2015 ‘betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van het Besluit 2011/137/GBVB’ (hierna: het Besluit 2015/1333/GBVB). Het Besluit 2015/1333/GBVB bevat in overeenstemming met resolutie 1970

(2011)van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, bepalingen omtrent het bevriezen van tegoeden en economische middelen. Verzoeker beroept zich voor de machtiging tot ontheffing van de bevroren tegoeden op artikel 9.6,
  1. b)van dat Besluit. Hij voert aan dat aan hem CHF 693.303,24 verschuldigd is door de Libische Staat voor de verstrekte juridische dienstverlening in het kader van een arbitrageprocedure. Daarbij stelt verzoeker dat er tegoeden van de Libische Staat op rekeningen bij verschillende Belgische bankinstellingen staan. 3.4. Verzoeker zendt op 20 september en 10 oktober 2019 herinneringsbrieven aan de verwerende partij om een beslissing te nemen. 3.5. Op 13 december 2019 weigert de verwerende partij in te gaan op het verzoek tot vrijgave van de fondsen toebehorend aan Libië of in België gehouden voor rekening van de Libische Staat. De weigering steunt op volgende overwegingen: XIV-38.259-3/15 “[…] Ik heb U brief van 10 oktober 2019 goed ontvangen met het verzoek tot vrijgave van de fondsen toebehorend aan Libië of in België gehouden voor rekening van de Libische Staat, hetzij direct, hetzij indirect. Ter ondersteuning van Uw verzoek, beroept U zich op artikel 9 § 3 en 9 § 6 van het Besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad van 31 juli 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Besluit 2011/137/GBVB. U heeft mij eveneens de documenten ter rechtvaardiging van het verzoek van [verzoeker] overgemaakt. De artikelen in kwestie zouden Uw verzoek rechtvaardigen tot vrijgave van de fondsen op de rekeningen die U ons heeft meegedeeld. Doch laten deze artikelen slechts toe tot een vrijgave van fondsen over te gaan die aan [verzoeker] zouden toekomen lastens de Libische Staat. Alleen verordening (EU) 2016/44 van de Raad van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 204/2011 laat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toe om vrijgave van fondsen toe te staan in toepassing van slechts welbepaalde artikelen. In dit geval laat geen enkel artikel toe een dergelijke vrijgave toe staan en dit om de volgende redenen:  Het verzoek tot vrijgave is onvoldoende gepreciseerd in die mate dat de rekeningen niet gespecifieerd zijn in het verzoek door hun gebruikersnaam;  De Europese Commissie heeft in haar advies van de commissie van 5.1.2018 over de vrijgave van middelen die zijn bevroren krachtens verordening (EU) 2016/44 van de Raad aangegeven dat [Libyan Investsment Authority (LIA)] en [Libyan Africa Investement Portofolio (LAFICO)] niet de Libische Staat zijn.  De arbitragebeslissingen in kwestie zijn genomen na de aanwijzing van LIA en LAFICO en artikel 9, lid 1 van Verordening 2016/44 is alleen van toepassing voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, mits aan volgende voorwaarden is voldaan:
  2. a)de betrokken tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een justitieel, administratief of arbitrair vastgesteld retentierecht, of van een justitieel, administratief of arbitrair vonnis dat is vastgesteld: o
  3. i)vóór de datum waarop de persoon, de entiteit of het lichaam in bijlage II werd opgenomen; of o
  4. ii)vóór de datum waarop de in artikel 5, lid 4, bedoelde entiteit door de Veiligheidsraad op de VN-lijst werd geplaatst;
  5. b)de betrokken tegoeden of economische middelen zullen uitsluitend worden aangewend om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijk retentierecht zijn gedekt of door een dergelijk vonnis geldig zijn verklaard, overeenkomstig de wet- en regelgeving tot vaststelling van de rechten van de personen die titularis zijn van dergelijke vorderingen;
  6. c)het retentierecht of het justitiële vonnis is niet ten behoeve van een in bijlage II of III genoemde persoon, entiteit of lichaam;
  7. d)de erkenning van het retentierecht of van het vonnis is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat; en
  8. e)het retentierecht of het vonnis is door de lidstaat gemeld aan het Sanctiecomité […].”. Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.259-4/15 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie: standpunt van de partijen 4. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie op wegens gebrek aan een legitiem, rechtstreeks en zeker belang in hoofde van verzoeker die zij als volgt toelicht. Ten eerste vraagt verzoeker immers de uitvoering van arbitrale vonnissen die hij heeft geveld in zijn hoedanigheid als arbiter. Bij deze arbitrale vonnissen is de Libische Staat veroordeeld “om hem enorme honoraria te betalen voor bemiddelingsdiensten die hij heeft geleverd voor de Libische Staat”. Verzoeker was geen partij bij deze arbitrale procedures en kan er dus de uitvoering niet van vorderen. Volgens de verwerende partij kunnen er vragen worden gesteld “bij een schuldvordering van een arbiter die zichzelf buiten enige arbitragereglementering en zonder enige staving van de bedragen enorme honoraria heeft toegekend in het beschikkend gedeelte van arbitrale vonnissen die hij zelf geveld heeft”. Ten tweede, indien verzoeker beslag wil leggen op de (beweerde) tegoeden die bevroren zijn, vereist artikel 1415 Ger. W., om geldig beslag te kunnen leggen, dat verzoeker titularis is van “een schuldvordering die zeker en opeisbaar is, en die vaststaande is of vatbaar voor een voorlopige raming”. Voor uitvoerend beslag bepaalt artikel 1494 Ger. W. dat “[g]een uitvoerend beslag op roerend of onroerend goed mag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande of zekere zaken”. In de voorliggende zaak laat niets toe om aan de schuldvordering van verzoeker een zeker, vaststaand en opeisbaar karakter toe te schrijven. Integendeel, zelfs indien wordt aangenomen dat verzoeker de uitvoering kan vorderen van de arbitrale vonnissen waarbij hij geen partij was, quod non, zijn deze arbitrale vonnissen in België niet uitvoerbaar verklaard (geen exequatur) overeenkomstig de artikelen 1719 en 1720 Ger. W. Bijgevolg laat niets toe deze arbitrale vonnissen ten uitvoer te leggen in België, en kunnen deze dus niet de aanleiding vormen tot een vrijgave van de (beweerde) tegoeden. Ten derde, zelfs indien wordt aangenomen dat de arbitrale vonnissen enige rechten aan verzoeker kunnen verlenen, beschikt deze enkel over een schuldvordering tegen de Libische Staat. De Libische Staat is echter zelf niet het XIV-38.259-5/15 voorwerp van de internationale sancties opgelegd door de Veiligheidsraad en de Europese Unie en op dit punt laat niets toe te besluiten dat de personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden bevroren zijn gelijkgesteld kunnen worden met de Libische Staat. De Europese Commissie deelt de bekommernissen van de Belgische Staat in dit verband. In een advies van 5 januari 2018 bevestigt zij dat volgens haar een entiteit opgenomen in bijlage VI van Verordening (EU) nr. 2016/44 van de Raad van 18 januari 2016 ‘betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 204/2011’ (hierna: de Verordening (EU) nr. 2016/44) niet kan worden gelijkgesteld met de Libische Staat. Ten vierde is het noodzakelijk dat er zich in België effectief tegoeden bevinden die in beslag kunnen worden genomen. Verzoeker heeft nog geen bewijs geleverd van het bestaan in België van tegoeden die in beslag kunnen worden genomen en die specifiek toebehoren aan personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden bevroren zijn. Hij heeft nog minder elementen aangeleverd op basis waarvan dergelijke tegoeden zouden kunnen worden geïdentificeerd. Verzoeker baseert zich enkel op het bestaan van persberichten om te argumenteren dat er zich in België tegoeden zouden bevinden die toebehoren aan de Libische Staat bij BNP Parisbas Fortis, ING Bank, KBC Bank, Euroclear en HSBC. Dit bewijst niet het bestaan van deze tegoeden. In haar laatste memorie oordeelt de verwerende partij dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, niettegenstaande haar betwistingen inzake het belang van verzoeker, niet op afdoende wijze aantoont voldoende belang te hebben bij zijn vordering. In de mate verzoeker in zijn laatste memorie aan de hand van “opzoekingen en persberichten” tracht aan te tonen dat de Libische Staat “rekeningen bezit bij Belgische bankinstellingen zowel in eigen naam dan wel op naam van diverse vehikels, die worden beheerd en gecontroleerd door de Staat Libië”, kan hij volgens de verwerende partij niet worden bijgevallen. Zij herhaalt dat in de mate de Libische Staat in eigen naam tegoeden aanhoudt in België, hiervoor geen vrijgave is vereist aangezien de Libische Staat zelf niet het voorwerp uitmaakt van de beperkende maatregelen opgelegd door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en de Raad van de Europese Unie. Voorts XIV-38.259-6/15 herhaalt ze nog dat de in België bevroren tegoeden van de LIA, anders dan verzoeker beweert, niet kunnen worden vrijgegeven ten gunste van verzoeker aangezien in het kader van de beperkende maatregelen de LIA niet kan worden gelijkgesteld met de Libische Staat. Er is immers in het licht van artikel 5 § 4, en de bijlage VI van de verordening (EU) 2016/44 geen assimilatie tussen de LIA en de Libische Staat. De verwerende partij verwijst nog naar een advies van de Europese Commissie van 5 januari 2018 waarin deze stelt dat een staatsfonds zoals de LIA niet kan worden gelijkgesteld met de Libische Staat. De LIA is namelijk als afzonderlijke entiteit opgenomen in bijlage VI van Verordening (EU) nr. 2016/44. De genoemde verordening geeft gevolg aan het Besluit 2015/1333/GBVB. Het aanzuiveren van schulden van de Libische Staat met tegoeden van de LIA, zou evenwel resulteren in een de facto eigendomsoverdracht, wat in strijd is met de beperkende maatregelen. Bovendien dient vastgesteld dat de rechtspraak waarnaar verzoeker verwijst, vonnissen en arresten van buitenlandse jurisdicties betreffen die in beginsel slechts rechtsgevolgen hebben tussen de partijen bij dat geschil en die, voorts, telkens werden gewezen in het kader van het gemeen civiel recht zonder dat het toepasselijke Europese rechtskader inzake de beperkende maatregelen werd beoordeeld. Niet alleen is het Europees recht houdende beperkende maatregelen een lex specialis ten aanzien van het gemeen recht maar bovendien hebben deze Europese rechtsnormen met directe werking voorrang op iedere tegenstrijdige beoordeling door een nationale rechter. Tevens heeft de Thesaurie van de Franse Republiek zoals blijkt uit een door de verwerende partij met haar laatste memorie neergelegd document, net zoals de verwerende partij in de voorliggende zaak, de vrijgave geweigerd van de bevroren tegoeden, die gevorderd werden naar aanleiding van het arrest van het Hof van Beroep van Parijs van 5 september 2019 waarnaar verzoeker in zijn laatste memorie verwijst. Tot slot, wijst de verwerende partij er bijkomend op dat het VN Sanctiecomité recentelijk op 12 februari 2021 het standpunt van verwerende partij heeft bevestigd. Bijgevolg kan de Staat Libië niet gelijkgesteld kan worden aan de LIA en heeft verzoeker geen belang bij zijn vordering. Verzoeker kan evenmin voorhouden dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden. De verwerende partij benadrukt dat elke aanvraag tot vrijgave van bevroren tegoeden individueel moet XIV-38.259-7/15 worden beoordeeld aan de hand van de concrete gegevens van het dossier. Indien er in andere zaken tegoeden zouden zijn vrijgegeven betekent dit dat er andere, dan in onderhavige zaak, feitelijkheden aan de grondslag liggen van die verzoeken. Hoe dan ook, op basis van artikel 5, §4 van de verordening (EU) nr. 2016/44 en de bijhorende bijlage VI, het advies van de Europese Commissie en het standpunt van het VN Sanctiecomité kan er in gelijkaardige zaken waarin een verzoek tot vrijgave van bevroren tegoeden van de LIA en de LAFICO wordt ingediend ter voldoening van de schulden van de staat Libië niet worden gehonoreerd. Tot slot volhardt de verwerende partij in haar standpunt dat het besluit 2015/1333/GBVB slechts een politieke beslissing is waaruit geen enkel rechtstreeks effect ressorteert. Verzoeker diende echter een aanvraag in tot gedeeltelijke vrijgave van financiële tegoeden die het voorwerp uitmaken van een internationale sanctie op grond van artikel 9, § 6 van het Besluit 2015/1333/GBVB dat bepaalt dat “[o]ntheffing kan worden verleend voor tegoeden, financiële tegoeden of economische middelen die [….]
  9. b)uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoedingen van gemaakte kosten in verband met juridische diensten overeenkomstig het nationaal recht”. In de bestreden beslissing wordt dan ook terecht gesteld dat verzoeker zich slechts op de verordening (EU) nr. 2016/44, die gevolg geeft aan het besluit 2015/1333/GBVB, kan beroepen. Deze verordening voorziet wel in een aantal uitzonderingen die de lidstaten de mogelijkheid geven om, in voorkomend geval, vrijgave toe te staan van bepaalde tegoeden die toebehoren aan natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die het voorwerp uitmaken van de bevriezingsmaatregelen. Evenwel kan verzoeker zich niet op de analoge bepalingen, aan de bepaling van artikel 9, § 6 van het Besluit 2015/1333/GBVB, van de verordening (EU) nr. 2016/44 beroepen. De verwerende partij herhaalt nogmaals dat geen van de entiteiten waarvan de tegoeden bevroren zijn, hun akkoord hebben gegeven tot vrijgave van de tegoeden en dat de arbitrale vonnissen waarin verzoeker zelf zijn honoraria begrootte dateren van ná de opgelegde internationale sancties naar aanleiding van de situatie in Libië. 5. In het verzoekschrift stelt verzoeker dat hij ontegensprekelijk over het rechtens vereiste belang beschikt om beroep in te stellen tegen de XIV-38.259-8/15 bestreden beslissing omdat hij persoonlijk wordt getroffen door de bij de bestreden beslissing genomen afwijzing van zijn verzoek tot vrijgave van de fondsen toebehorend aan Libië of in België gehouden voor rekening van de Libische Staat, aangezien hij daardoor geen betaling zal kunnen bekomen van zijn kosten en ereloon als bemiddelaar – arbiter, nu een uitvoering van de arbitrale beslissingen in Libië de facto onmogelijk is. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker wat hij reeds in zijn verzoekschrift had aangevoerd en beklemtoont dat artikel 9.6 van het Besluit 2015/1333/GBVB voorziet in de mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing voor bepaalde bevroren tegoeden, met name indien de tegoeden uitsluitend zijn bestemd voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten overeenkomstig nationaal recht. Uit de arbitrale vonnissen die hij heeft bijgebracht, blijkt dat verzoeker juridische diensten heeft verleend. In de drie arbitrale beslissingen die hij aandraagt, staat dat de Libische Staat de honoraria en kosten van de bemiddelaar en arbiter, zijnde verzoeker, zal vergoeden. Aan verzoeker is aldus een totaalsom ten bedrage van CHF 693.303,24 verschuldigd door de Libische Staat voor de verstrekte juridische dienstverlening in het kader van de bemiddelings- en arbitrageprocedure. Het is niet aan de verwerende partij om de juridische diensten die verzoeker heeft geleverd in twijfel te trekken of te betwisten. Er werd aan de drie arbitrale beslissingen door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel het exequatur verleend. In zijn laatste memorie, aldus replicerend op het auditoraats- verslag, stelt verzoeker dat hij “[u]it opzoekingen en persberichten” heeft vastgesteld dat de Libische Staat rekeningen bezit bij Belgische bankinstellingen zowel in eigen naam dan wel op naam van diverse vehikels, die worden beheerd en gecontroleerd door de Libische Staat. Deze vehikels zijn staatsinvesteringsfondsen van de Staat Libië. Ze worden opgericht, beheerd, gecontroleerd en gefinancierd door de Staat Libië. De LIA kwam tot stand via de Libische wet (Loi) nr. 13/2010 van 25 mei 2010 ‘portant sur l’organisation de “Libyan Investment Authority”’ XIV-38.259-9/15 (hierna: de wet nr. 13/2010). Deze wet bepaalt de organisatie en de statuten van LIA als autoriteit. Investeringsfondsen zoals de LIA kunnen enkel ontstaan en worden ontbonden door middel van een wet. De LIA wordt beheerd en gecontroleerd door de Libische Staat en verkrijgt het grootste deel aan financiële middelen via de Staat Libië. De LIA kan eveneens bankrekeningen op haar eigen naam openen, zowel binnen als buiten de Staat Libië, voor rekening van de Staat Libië, wat verzoeker aan de hand van de genoemde Libische wet en andere (internationale) bronnen die hij met zijn laatste memorie bijbrengt, verder detailleert. Verzoeker verwijst voorts naar buitenlandse rechtspraak waarbij de LIA “en andere vehikels” worden aanzien “als één geheel met de Staat Libië aangezien zij volledig gecontroleerd worden door en 100% eigendom zijn van de Staat Libië”. Tot slot, verwijst verzoeker naar “een andere zaak” waarin de verwerende partij “duidelijk [heeft] erkend dat de Staat Libië’ dient gelijkgesteld te worden met LIA en LAFICO” en waarin de verwerende partij op 2 februari 2021 een kennisgeving heeft gericht aan het Sanctiecomité van de Verenigde Naties inzake Libië betreffende een verzoek om vrijstelling van de bevriezing van tegoeden en economische middelen van de LIA en de LAFICO. Verzoeker acht die “hypocriete handelwijze” in andere individuele gevallen “discriminatoir” en in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en vraagt, “in ondergeschikte orde, vooraleer ten gronde te beslissen, de minister van Financiën te verplichten volledige openheid te verschaffen omtrent het dossier van de vzw GSDT”. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). XIV-38.259-10/15 Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. 7. In het auditoraatsverslag is de door de verwerende partij opgeworpen exceptie (gedeeltelijk) gegrond bevonden om de hierna aangehaalde overwegingen: “[…] 2. Het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven, bestaat er niet alleen in dat hij een nadeel moet aantonen, maar ook moet blijken dat hij zich met de vernietiging van de bestreden beslissing een voordeel kan doen. Indien het onmogelijk is om een beslissing te krijgen die in het voordeel is van de verzoeker, moet de Raad van State in dat geval vaststellen dat de verzoeker geen belang heeft. XIV-38.259-11/15 3. De verzoeker verzoekt om vrijgave van fondsen toebehorend aan Libië of in België gehouden voor rekening van de Libische Staat en beroept zich op het Besluit (GBVB) 2015/1333. Evenwel blijkt noch uit artikel 9 van het Besluit (GBVB) 2015/1333, noch uit artikel 5 van de Verordening (EU) 2016/44, noch uit de bijlagen bij dit besluit en deze verordening dat de tegoeden, andere financiële activa en economische middelen van de Libische Staat zijn bevroren. 4. In zijn verzoekschrift tot ontheffing van de bevroren tegoeden, verwijst de verzoeker wat de tegoeden van de Libische Staat betreft, naar de bevriezing als gevolg artikel 9.3 van het Besluit (GBVB) 2015/1333, dat luidt als volgt: “Alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die direct of indirect in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de entiteiten op de lijst in bijlage VI, en die sinds 16 september 2011 bevroren zijn, blijven bevroren.” In bijlage VI staan enkel de volgende entiteiten vermeld: 1. Naam: LIBYAN INVESTMENT AUTHORITY Ook bekend als: Libyan Foreign Investment Company (LFIC) Verder nog bekend als: n.v.t. Adres: 1 Fateh Tower Office, No 99, 22nd Floor, Borgaida Street, Tripoli, 1103, Libya Op de lijst geplaatst op: 17 maart 2011 Overige informatie: op de lijst geplaatst uit hoofde van punt 17 van Resolutie 1973, als gewijzigd op 16 september op grond van punt 15 van Resolutie 2009. Weblink naar speciale kennisgeving Interpol/VN-Veiligheidsraad: https://www.interpol.int/en/notice/search/un/5526075 2. Naam: LIBYAN AFRICA INVESTMENT PORTFOLIO Ook bekend als: n.v.t. Verder nog bekend als: n.v.t. Adres: Jamahiriya Street, LAP Building, PO Box 91330, Tripoli, Libya Op de lijst geplaatst op: 17 maart 2011 Overige informatie: Op de lijst geplaatst uit hoofde van punt 17 van Resolutie 1973, als gewijzigd op 16 september op grond van punt 15 van Resolutie 2009. Weblink naar speciale kennisgeving Interpol/VN-Veiligheidsraad: https://www.interpol.int/en/notice/search/un/5525715 Een gelijkaardige bepaling is opgenomen in artikel 5.4. van de Verordening (EU) 2016/44. Bijlage VI met de lijst van rechtspersonen, entiteiten of lichamen bedoeld in artikel 5, lid 4 vermeldt dezelfde entiteiten. Deze entiteiten kunnen niet gelijk worden gesteld met de Libische Staat, zoals ook in het bestreden besluit is gesteld. De verzoeker voert noch in zijn aanvraag, noch in zijn processtukken elementen aan die een gelijkstelling aannemelijk maken. 5. De verzoeker toont niet aan dat de tegoeden, andere financiële activa en economische middelen van de Libische Staat bevroren zijn, laat staan dat hiervoor een vrijgave kan worden verleend. Aangezien de tegoeden niet bevroren zijn, heeft de verzoeker geen besluit tot vrijgave nodig. Minstens kan de verwerende partij niet tot de [vrijgave] beslissen van de fondsen toebehorend aan Libië of in België gehouden voor rekening van de Libische Staat. Een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing strekt de verzoeker dan ook niet tot voordeel. 6. In ieder geval dient te worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij nalaat om op gepaste wijze deze exceptie aangevoerd door de verwerende partij, te verwerpen. De verzoeker stelt in de memorie van wederantwoord niets over de exceptie dat ‘[d]e Libische Staat […] echter niet zelf het voorwerp [is] van de internationale sancties opgelegd door de Veiligheidsraad en de Europese Unie […]’. XIV-38.259-12/15 Het komt nochtans aan een verzoeker toe die zich geconfronteerd ziet met een omstandige uiteengezette exceptie, om de concrete bevindingen aangaande het gebrek aan belang te weerleggen. Hij dient aan te tonen dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing hem nog een direct en persoonlijk voordeel kan verschaffen. De verzoeker heeft zich niet gekweten van de op hem rustende verplichting om de twijfel omtrent zijn belang weg te nemen. 7. De exceptie is in de hiervoor aangegeven mate gegrond waardoor het annulatieberoep onontvankelijk is.”. 8. Zoals verzoeker in het auditoraatsverslag heeft kunnen lezen heeft hij verzuimd om in zijn memorie van wederantwoord de twijfel weg te nemen omtrent zijn belang bij het beroep. Zo heeft hij alvast geheel nagelaten om in zijn memorie van wederantwoord te repliceren op het standpunt van de verwerende partij dat de Libische Staat niet zelf het voorwerp is van de internationale sancties opgelegd door de Veiligheidsraad en de Europese Unie. Evenmin heeft hij in zijn memorie van wederantwoord het standpunt van de verwerende partij in haar memorie van antwoord weerlegd dat een entiteit opgenomen in bijlage VI van Verordening 2016/44 niet kan worden gelijkgesteld met de Libische Staat. In de mate verzoeker pas in zijn laatste memorie repliceert dat de LIA en de LAFICO “één geheel met de Staat Libië” vormen “aangezien zij volledig gecontroleerd worden door en 100% eigendom zijn van de Staat Libië” – en daargelaten of zulks, te dezen, wat de bevriezing cq. vrijgave van goederen betreft, relevant is aangezien het van de Libische Staat afgescheiden rechtspersonen betreft –, blijkt geenszins dat hij dit argument niet eerder had kunnen aanvoeren en ontwikkelen noch dat hij de (publiek toegankelijke) wetgeving en documenten waarop hij zich ter zake baseert en die hij met zijn laatste memorie bijbrengt, niet eerder kon doen gelden cq. bijbrengen. Hetzelfde geldt voor het arrest van het hof van beroep te Parijs van 5 september 2019 en “de beslagbeslissing van rechtbank Genève”, daargelaten nog dat het bijgebrachte uittreksel uit die beslagbeslissing geen datum draagt of vermeldt. Deze in de laatste memorie ontwikkelde argumentatie is dan ook laattijdig en wordt op die wijze ook onttrokken aan het onderzoek door het auditoraat, wat geen loyale handelwijze is. In de mate verzoeker in zijn laatste memorie tot slot nog verwijst naar “een andere zaak” ter adstructie waarvan hij documenten bijbrengt die dateren XIV-38.259-13/15 van na het indienen van zijn memorie van wederantwoord en de houding van de verwerende partij in die zaak discriminatoir acht omdat daaruit blijkt dat zij, anders dan in zijn zaak, op 2 februari 2021 een kennisgeving heeft gericht aan het Sanctiecomité van de Verenigde Naties inzake Libië betreffende een verzoek om vrijstelling van de bevriezing van tegoeden en economische middelen van de LIA en LAFICO, dient vastgesteld dat de verwerende partij afdoende klaarheid brengt. Zij voegt bij haar laatste memorie een (weliswaar geanonimiseerd) stuk van 12 februari 2021 waaruit blijkt dat het Sanctiecomité van de Verenigde Naties geen toestemming geeft tot vrijgave van de LIA-fondsen naar aanleiding van een vraag van de Belgische minister van Financiën van 2 februari 2021. In dat document wordt het standpunt ingenomen – zoals ook de verwerende partij dat in haar memorie van antwoord reeds deed – dat bevroren tegoeden van de LIA niet kunnen worden vrijgegeven in het kader van de beperkende maatregelen omdat de LIA niet kan worden gelijkgesteld met de Libische Staat en het aanzuiveren van schulden van de Libische Staat met tegoeden van de LIA zonder toestemming van deze laatste zou resulteren in een de facto eigendomsoverdracht, wat in strijd is met de beperkende maatregelen. De Raad van State ziet, na een eigen onderzoek, geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit aldus dat niet blijkt dat een vernietiging van de bestreden beslissing nog tot een andere besluitvorming kan leiden cq. verzoeker nog een direct en persoonlijk voordeel, moreel of materieel, kan verschaffen, hoe miniem ook. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.259-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.259-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.