← België

Arrest 256199 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 03/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.199 Rolnummer: A. 230675/XIV-38334 Zaak: Arrest 256199 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 03/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-19 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 08:45 Fiche Arrest nr 256.199 van 3 april 2023 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 256.199 van 3 april 2023 in de zaak A. 230.675/XIV-38.334 In zake : Eddy VANDENBERGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jorgen Van Laer kantoor houdend 2000 Antwerpen Suikerrui 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL-HOOFDSTAD-ELSENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie Claeys kantoor houdend te 1742 Sint-Katherina-Lombeek Heidestraat 28 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 april 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene van 28 februari 2020, tot bevestiging van de verplaatsing van verzoeker naar de dienst INT. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.334-1/8 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hendrik Vandekerckhove, die loco advocaat Jorgen Van Laer verschijnt voor verzoeker en advocaat Kristof Lauwers, die loco advocaat Sophie Claeys verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de politiezone 5339 Brussel-Hoofdstad-Elsene bij de dienst Mercure. 3.
  6. Op 31 oktober 2019 formuleert de korpschef het voorstel om verzoeker te herplaatsen naar de dienst INT. Verzoeker dient hiertegen een bewaarschrift in. 3.
  7. Op 28 februari 2020 bevestigt de korpschef de verplaatsing van verzoeker naar de dienst INT. XIV-38.334-2/8 Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid A. Exceptie wat het belang van verzoeker betreft Standpunt van de partijen
  8. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van verzoeker omdat hij niet aantoont dat hij nog een “tastbaar voordeel” kan halen uit de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Zij wijst erop dat verzoeker nergens in zijn verzoekschrift melding maakt van enig belang, noch dat hij de schorsing heeft gevorderd van de bestreden beslissing.
  9. Verzoeker antwoordt in de memorie van wederantwoord dat de nietigverklaring hem wel degelijk een voordeel zal verlenen, met name dat hij aldus opnieuw lid zou kunnen zijn van de dienst Mercure, “alwaar hij als 60-jarige niet langer in volle gevechtstenue en met een zware interventiezak dient te opereren – in tegenstelling tot de dienst waarnaar hij na de [bestreden beslissing] overgeplaatst werd, zijnde de interventiedienst.” Hij wijst voorts ook op de pecuniaire gevolgen van de bestreden beslissing en op het feit dat het gegeven dat hij niet om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft verzocht, niets verandert aan zijn actueel belang. Beoordeling
  10. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Verzoeker heeft zulks te dezen ook gedaan, zodat hem niet kan worden verweten zijn belang niet te hebben toegelicht. XIV-38.334-3/8 Voorts is niet vereist dat verzoeker een “tastbaar” voordeel moet halen uit de nietigverklaring. Het volstaat dat de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaft, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). In de mate dat de verwerende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die in rechte. Tot slot beïnvloedt de omstandigheid dat verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet heeft aangevochten, op geen enkele wijze het belang bij het beroep tot nietigverklaring.
  11. Een eventueel tussen te komen nietigverklaring van de bestreden beslissing zal (minstens) inhouden dat de door verzoeker niet-gewenste overplaatsing naar de dienst INT ex tunc wordt beëindigd. Zulks volstaat als voordeel volgend uit de nietigverklaring.
  12. De exceptie is ongegrond. B. Exceptie omdat het adres van de verwerende partij ontbreekt Uiteenzetting van de exceptie
  13. De verwerende partij voert in de memorie van antwoord aan dat, in strijd met het bepaalde in artikel 2, § 1, 4° van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), het verzoekschrift niet haar adres bevat. De verwerende partij concludeert hieruit dat het verzoekschrift “om deze reden onontvankelijk, minstens ongeldig is.” XIV-38.334-4/8 Beoordeling
  14. Artikel 2, § 1, 4°, van de algemene procedureregeling bepaalt dat het verzoekschrift “de naam en het adres van de verwerende partij” bevat. Dit voorschrift is niet op straffe van niet-ontvankelijkheid of nietigheid voorgeschreven. Het volstaat derhalve dat de Raad van State aan de hand van de in het verzoekschrift vermelde gegevens in staat is om de verwerende partij te identificeren. Te dezen blijkt niet dat het verzuim van verzoeker enige invloed heeft gehad op het verdere goede en normale verloop van de procedure nu de Raad van State erin is geslaagd de verwerende partij correct te identificeren.
  15. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  16. Verzoeker voert in het verzoekschrift in het derde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, hetgeen inhoudt dat er moet worden beoordeeld of de korpschef naar recht en redelijkheid tot de voorstelling van de feiten is gekomen, rekening houdende met de beginselen van bewijsvoering. Te dezen moet volgens verzoeker worden vastgesteld dat de bestreden beslissing steunt op onvoldoende bewezen feiten: de korpschef stelt dat niemand van de dienst nog wil samenwerken met verzoeker, maar dit wordt op geen enkele wijze geconcretiseerd. Verzoeker heeft het raden naar welke collega’s wat over hem verklaard hebben: dit werd hem op geen enkel ogenblik ter kennis gebracht. Evenmin wordt er in de bestreden beslissing in concreto verwezen naar de inhoud van de verklaringen van de collega’s. Op geen enkele wijze kon de korpschef dan XIV-38.334-5/8 ook naar recht en redelijkheid tot de voorstelling van de feiten komen, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel dan ook geschonden is.
  17. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat verzoeker uitgaat van een onjuiste premisse, namelijk dat de bestreden beslissing “steunt op onvoldoende bewezen feiten”. Volgens haar is dit niet ter zake “vermits de fout van eisende partij […] slechts exemplatief werd opgesomd als een reden voor de weigering tot verdere samenwerking vanwege de collega’s van eisende partij, hetgeen een verstoring van de goede werking van de dienst met zich meebracht en waardoor een ordemaatregel zich opdrong.” Het is volgens de verwerende partij bovendien onbegrijpelijk dat verzoeker “de feiten” in twijfel trekt “en stelt dat dient te worden nagegaan ‘of de feiten die aan verzoeker ten laste gelegd worden wel degelijk bestaan’, daar waar eisende partij diezelfde feiten nochtans wel opsomt in haar verzoekschrift onder ‘in feite en voorgaanden’ en dit als voor waar wenst te laten aanzien.” Beoordeling
  18. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van het derde middel op grond van de volgende overwegingen: “3.3.1 In dit middel wordt in essentie aangevoerd dat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden werd doordat de bestreden beslissing steunt op de stelling van de korpschef dat niemand nog met verzoeker wil samenwerken, terwijl dit op geen enkele wijze geconcretiseerd en gesteund wordt op de inhoud van de verklaringen van de collega’s, die verzoeker ook op geen enkel ogenblik werd meegedeeld. […]. 3.3.3 Het middel wordt ontwikkeld vertrekkende van het feitelijk uitgangspunt dat de collega’s van verzoeker niet meer met hem willen samenwerken, terwijl dit uit niets blijkt. De repliek van de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aangevoerd wordt tegen het feit van de invrijheidstelling is dan ook naast de kwestie. Ten aanzien van dit uitgangspunt wordt vooreerst vastgesteld dat de bestreden beslissing effectief en in hoofdorde gesteund wordt op de stelling dat de collega’s van verzoeker niet meer met hem willen samenwerken. In de motivering van de bestreden beslissing wordt immers gesteld: ‘(…) Bovendien wordt er in de ordemaatregel wel verwezen naar het voorval de XIV-38.334-6/8 dato 20.10.2019 waarbij een aangehouden persoon per vergissing door [verzoeker] werd vrijgelaten, doch is dit niet de hoofdreden van de overplaatsing van [verzoeker]. De werkelijke reden in diens overplaatsing dient te worden gezocht in het belang van de dienst. Op de dienst van [verzoeker], is immers niemand die nog met hem wenst samen te werken. Het spreekt voor zich dat dit zijn gevolgen heeft voor de goede werking van de dienst. Het voorval van 20.10.2019 werd enkel aangehaald als voorbeeld teneinde aan te tonen waarom zijn collega’s met hem niet meer wensen samen te werken. (…)’. Deze passage laat er geen twijfel over bestaan dat het feit dat de collega’s niet meer met verzoeker willen samenwerken het decisief motief voor de herplaatsing is. 3.3.4 Samen met verzoeker wordt vastgesteld dat de stelling van de korpschef dat niemand van de dienst nog met verzoeker wil samenwerken op geen enkele wijze geconcretiseerd en aangetoond wordt. Deze stelling wordt louter geponeerd zonder dat zij door enig stuk ondersteund wordt, ook niet in het administratief dossier dat naar aanleiding van dit beroep tot nietigverklaring door verwerende partij werd ingediend. De korpschef mag dan al op grond van artikel 44 WGP over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken om beslissingen te nemen die de goede werking van zijn korps garanderen/herstellen, dit ontslaat hem niet van de plicht om die beslissingen te steunen ‘op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld’. Aangezien geen enkel stuk voorligt waaruit blijkt dat de collega’s van verzoeker niet meer met hem willen samenwerken, blijft de verwerende partij in gebreke de bestreden beslissing te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden werd.”
  19. De verwerende partij betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij immers geen laatste memorie ingediend die haar de gelegenheid had gegeven om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven.
  20. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING XIV-38.334-7/8
  21. De Raad van State vernietigt de beslissing van de korpschef van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene van 28 februari 2020, tot bevestiging van de verplaatsing van verzoeker naar de dienst INT.
  22. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.334-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.199 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.