id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.265 Rolnummer: A. 232611/VII-40992 Zaak: Arrest 256265 - Milieuvergunningen - 13/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-20 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 08:49 Fiche Arrest nr 256.265 van 13 april 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.265 van 13 april 2023 in de zaak A. 232.611/VII-40.992 In zake : de GmbH HFM HORST FUHSE MINERALÖLRAFFINERIE, vennootschap naar Duits recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten William Timmermans, Caroline De Mulder en Matthias Ballieu kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86 C, bus 414 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 31 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 september 2020 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 4 maart 2020 houdende de opheffing van de grondstofverklaring 22502 voor het product “BASOL Premium”, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging VII-40.992-1/21 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 28 april 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november 2022. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Ballieu, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Paul Hurlebusch, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is een in Duitsland gevestigde onderneming, gespecialiseerd in het behandelen en recycleren van afvalolie. Zij exporteert onder meer opgewerkte basisolie, gekend als “BASOL Premium”, naar Antwerpen voor gebruik als blendmiddel voor mariene VII-40.992-2/21 brandstoffen. Daartoe beschikt de verzoekende partij over een grondstofverklaring voor onbepaalde duur, haar door de OVAM verleend op 16 oktober 2018. 3.2. Met een brief van 19 december 2019 maakt de OVAM aan de verzoekende partij haar voornemen bekend om de grondstofverklaring van 16 oktober 2018 op te heffen. De OVAM meent dat het productieproces van “BASOL Premium” opnieuw moet worden onderzocht omwille van drie redenen: - verscheidene externe vragen om de norm voor zware metalen te versoepelen; - externe meldingen over het gebruik van het destillatieresidu voor de productie van het blendmiddel; - nieuwe eind-afvalcriteria voor opgewerkte afvalolie. 3.3. Met een e-mail van 15 januari 2020 bezorgt de verzoekende partij bijkomende informatie over het productieproces aan de OVAM. 3.4. Op 20 januari 2020 vindt een overleg plaats tussen de OVAM en de verzoekende partij. Ingevolge dit overleg worden bijkomende stukken ingediend bij de OVAM. 3.5. Met een besluit van 4 maart 2020 heft de OVAM de grondstofverklaring voor het product “BASOL Premium” op. Deze beslissing luidt als volgt: “[…] HET VERWERKINGSPROCES Enkel afvalolie dat werd opgewerkt in een destillatiestap kan de einde-afval status krijgen. Tijdens het overleg en uit de aangeleverde informatie, is gebleken dat de productie van Basol Premium, het resultaat is van een proces waarbij de meest vluchtige bestanddelen worden afgescheiden via een destillatie. De Basol Premium is het destillatieresidu, het wordt dus niet verdampt en nadien terug gecondenseerd. U heeft dit toegelicht aan de hand van 3 bijlages, het schema ‘Verfahrenfliessbild, Destillation Anlage 1-3’ waarbij de Basol fractie 1 betreft, het schema ‘Grundfliessbild Production’ en Verfahrenfliessbild BE5 Raffination. De destillatiestap wordt dus niet aangewend om de zwaardere fracties (zware metalen en het sediment) te verwijderen, dat gebeurt pas nadien via een fysico-chemische stap. Die stap VII-40.992-3/21 omvat het toevoegen van chemicaliën als het gebruik van een aparte decantatie- en centrifugestap. Deze fysico-chemische stap heeft niet hetzelfde verwijderingsrendement voor sediment en zware metalen als een destillatie. We moeten dus besluiten dat het opwerkingsproces voor de productie van Basol Premium niet voldoet aan het criterium voor het opwerkingsproces. De Basol Premium wordt niet opgezuiverd via een destillatie. Uw verweermiddelen betreffende dit criterium zijn ontoereikend. Dit product wordt door u ook omschreven als een smeerolie of procesolie met afzet in de industrie van bouwconstructies, bouwmaterialen, beschermende coatings, smeermiddelen en waterresistente materialen. Het komt dan ook beter in aanmerking voor het gebruik als smeerolie en niet als brandstof of blendmiddel in de scheepvaart. […] SAMENSTELLINGSEISEN Er werden 5 analyseverslagen bezorgd van het voorbije jaar. Niet alle parameters werden geanalyseerd. Dit werd ook gemeld tijdens het overleg. Volgens de aangeleverde analyses blijkt dat de Basol Premium voor sommige parameters niet voldoet aan de norm (zie het rood gekleurde deel in de onderstaande tabel): • éénmaal niet voldoet aan de norm voor het chloorgehalte (420 ppm in plaats van maximum 200 ppm); • driemaal niet voldoet aan de norm van de som voor zware metalen (31,1; 27,1 en 31,7 ppm in plaats van maximum 25 ppm). Deze analyseverslagen bevatten geen resultaten voor de parameters Hg, Sediment, het watergehalte, Ca, P en Zn. Op datum van 28/02/2020 werden nogmaals 3 oude analyseverslagen doorgestuurd alsook een nieuw, recenter en uitgebreider analyseverslag. De analyse is uitgevoerd door niet erkend labo in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6,5°, e), van het VLAREL en daarom komen de resultaten niet in aanmerking voor overweging. We moeten dus besluiten dat Basol Premium niet voldoet aan alle samenstellingseisen. Uw verweermiddelen betreffende dit criterium zijn ontoereikend. […] SAMENVATTENDE TABEL In de tabel hieronder wordt een overzicht gegeven van de aftoetsing van Basol Premium aan 3 einde afval critera, nl. de input, het opwerkingsproces en de samenstellingseisen. VII-40.992-4/21 […] BESLUIT De grondstofverklaring 22502 - Basol Premium wordt opgeheven. Het opgewerkte materiaal voldoet niet aan de end of waste criteria zoals ontwikkeld door het VITO. We kunnen derhalve niet garanderen dat er over het geheel genomen geen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid zullen optreden. De Basol Premium voldoet derhalve niet aan artikel 36 van het materialendecreet”. 3.6. Tegen voormelde beslissing stelt de verzoekende partij op 2 april 2020 bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. Op 6 april 2020 deelt zij nog bijkomende analyseresultaten mee. 3.7. In het kader van de beroepsprocedure wordt de verzoekende partij gehoord. 3.8. Met een besluit van 9 september 2020 verklaart de Vlaamse minister het beroep ongegrond en bevestigt zij de opheffingsbeslissing van de OVAM van 4 maart 2020. VII-40.992-5/21 Dit is de thans bestreden beslissing die als volgt is gemotiveerd: “[…] BASOL Premium is wel een afvalstof, ten minste voor wat betreft het beoogde toepassingsgebied ‘inzet als blendcomponent in scheepsbrandstof’; (punten 9 t.e.m. 18) Punt 9. De exploitant stelt dat een behandeling van nuttige toepassing van afvalolie toelaat om de afvalolie te hergebruiken als blendmiddel en dat de OVAM dat bevestigt via een grondstofverklaring. Ten eerste is het de combinatie van een behandeling van nuttige toepassing én het voldoen aan specifieke criteria die ervoor zorgen dat een afvalstof niet langer als een afvalstof hoeft te worden beschouwd, artikel 36 van het Materialendecreet is daarin heel duidelijk. In punt 10 van het beroepschrift wordt dat wel duidelijk vermeld. Ten tweede is het geen letterlijk hergebruik van de afvalolie want de oorspronkelijke afvaloliën zijn resten van smeerolie die dienst hebben gedaan als smeerolie in motoren en versnellingsbakken. Het proces van HFM, voor de opwerking van de afvalolie is erop voorzien om terug een basisolie te produceren, nl. de Basol Premium, een basisgrondstof voor de productie van nieuwe smeeroliën. De Basol Premium is in de eerste plaats een smeermiddel en deze wordt toegepast als procesolie en vindt afzet in de industrie van bouwconstructies, bouwmaterialen, beschermende coatings, smeermiddelen en waterresistente materialen. Dat heeft de exploitant aan OVAM bevestigd tijdens de bespreking van zijn verweermiddelen tijdens de procedure ‘voornemen tot opheffing’ van zijn grondstofverklaring. HFM produceert ook een ander eindproduct, nl. de HFMS1000 en deze wordt omschreven als een ‘Heating oil en Fuel’. Dit eindproduct wordt door de OVAM wel beschouwd als een grondstof voor de inzet als blendmiddel in scheepsbrandstof. De OVAM heeft met haar besluit van 03/03/2020 houdende de opheffing van de grondstofverklaring van HFM duidelijk gemaakt dat het eindproduct Basol Premium geen grondstof is, voor wat betreft de inzet als blendcomponent voor scheepsbrandstof. In die optiek is Basol Premium wel een afvalstof. De OVAM doet daarmee geen uitspraak over andere inzetmogelijkheden van dat materiaal zoals voor het gebruik als smeerolie of procesolie in de industrie van bouwconstructies, bouwmaterialen, beschermende coatings en waterresistente materialen zoals de exploitant in zijn verweermiddelen al duidelijk maakte. In deze optiek (voor de net geschetste toepassingen) wordt Basol Premium door de OVAM niet beschouwd als een afvalstof. Dat is een belangrijk onderscheid. Punten 11, 12, 13 De exploitant argumenteert dat zij voldoet aan alle bepalingen van artikel 36 van het Materialendecreet. Over de eerste 2 criteria van artikel 36 is er inderdaad geen discussie. Voor criterium 3 en 4 (voldoen aan technische voorschriften en voor producten geldende normen, over het geheel genomen geen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid hebben) verwijst het beroepschrift naar het analyseverslag (van 1 staal) dat werd bijgevoegd (bijlage 2 van het beroepschrift). Op basis van de resultaten van dat VII-40.992-6/21 analyseverslag voor dat ene staal, stelt de beroeper dat er wordt voldaan aan punt 3 en 4. Voor de aftoetsing van criteria 3 en 4 van artikel 36 dient echter voldaan te worden aan de volledige set van einde afvalcriteria voor opgewerkte afvalolie, dus ook aan het criterium inzake opwerkingsproces en samenstellingseisen. Punten 14, 15, 16, 17 en 18 Het beroepschrift verwijst voor de aftoetsing van het 3de en 4de criterium naar de einde-afvalcriteria voor opgewerkte afvalolie, en dan vooral naar het criterium voor wat betreft de samenstellingseisen van het eindproduct, echter niet naar het criterium voor het opwerkingsproces. De beroeper stelt dat Basol Premium voldoet aan de samenstellingseisen van het materiaal en dat een destillatiestap in het opwerkingsproces niet nodig is. HFM maakt gebruik van een ander opwerkingsproces dat eerder gebruik maakt van fysico-chemische methoden (zie ook beschrijving in het OVAM besluit van 03/03/2020, deel 2 ‘het verwerkingsproces’). Na analyse van alle ‘Basol Premium’-analyserapporten die door HFM aan de OVAM en bijkomend aan het Departement Omgeving werden overgemaakt, kan samengevat als volgt worden besloten, voor wat betreft de aftoetsing aan 3 einde afvalcriteria voor opgewerkte afvalolie (input, opwerkingsproces en samenstellingseisen): - De input van het opwerkingsproces voor de productie van brandstof uit afvalolie: OK, daar wordt aan voldaan (de input is onveranderd gebleven) - Het opwerkingsproces voor de productie van een brandstof uit afvalolie: In principe voldoet het opwerkproces niet aan de einde-afvalcriteria, aangezien er geen destillatiestap wordt toegepast. Er wordt wel een fysico-chemische behandeling toegepast. Als deze behandeling als gevolg zou hebben dat het eindproduct steeds voldoet aan de samenstellingseisen, zou dit geaccepteerd kunnen worden. Uit de aangeleverde analyseresultaten blijkt dat dit echter niet het geval is. - De samenstellingseisen van het eindproduct: NIET OK, daar wordt soms wel, soms niet aan voldaan. De meest recente analyse (analyserapport GP20-06232.001 en analyserapport GP20-08553.001) voldoet wel, maar dat is absoluut geen garantie dat de zware metalen en het sedimentgehalte steeds zullen voldoen (wat door de vorige 5 analyses bevestigd wordt). Van de 6 aangeleverde geanalyseerde staalnames, voldoen er slechts drie aan de samenstellingseisen. Hierdoor kan niet geconcludeerd worden dat BASOL premium altijd aan de samenstellingseisen zal voldoen. De exploitant verwijst naar bepalingen uit het VITO rapport van 2010 waarin gesteld wordt dat de gebruikte processen of technieken niet noodzakelijk zijn als de kwaliteit van het eindproduct kan gegarandeerd worden door criteria verbonden aan de input en/of aan het eindproduct. (punt 16) Bijkomend wordt verwezen naar een paragraaf uit het VITO rapport over ‘eventueel’ aanwezige zware metalen en wordt daar de conclusie aan verbonden dat deze niet perse aanwezig zijn en dat de OVAM ten onrechte blijft vasthouden aan de noodzakelijkheid van een destillatiestap. In het OVAM besluit van 03/03/2020 houdende de opheffing van de grondstofverklaring voor Basol Premium werd duidelijk gemaakt dat de VII-40.992-7/21 exploitant er soms wel en soms niet in slaagt te voldoen aan de samenstellingseisen voor wat betreft de norm voor zware metalen. Zie bijlage 1 bij het beroepsschrift. Er werden voor wat betreft ‘zware metalen’ 6 analyses aan de OVAM bezorgd, en daarvan voldoen er 3 niet aan de norm voor zware Metalen, m.a.w. de helft voldoet niet. Daaruit blijkt dat het opwerkingsproces van HFM, zonder destillatiestap, absoluut geen 100% garantie biedt voor het voldoen aan de parameter voor zware metalen. Zware metalen zijn een verontreiniging waarvan onomstotelijk is bewezen dat deze wél aanwezig zijn in afvalolie. Zie ook diezelfde VITO studie van 2010, onder 3.4. ‘Samenstelling en productie van afgewerkte olie’: Omwille van deze additieven en door het gebruik van de smeerolie in een motor kan afgewerkte smeerolie dus aanzienlijke concentraties zware metalen bevatten. Met een figuur 2 die aantoont dat er zware metalen aanwezig kunnen zijn op basis van de herkomst of het gebruikte additief. En een tabel 1 (en volledige tabel in de bijlage A van de VITO studie van 2010) met een overzicht (minimum en maximum concentratie per parameter) van de mogelijke samenstelling van afgewerkte olie. Uit de tabel blijkt dat er een zeer grote spreiding kan liggen op de gehalten aan zware metalen in afgewerkte olie. Zware metalen zijn aanwezig. Bovenstaande elementen tonen dat duidelijk aan, én deze moeten uit het inputmateriaal worden verwijderd via het opwerkingsproces opdat ze voldoen aan de samenstellingseisen van het eindproduct. De zware metalen hebben immers een negatieve impact op het milieu en de gezondheid van de mens, wanneer het product zou toegepast worden als blendmiddel of brandstof. De VITO-onderzoekers hebben in 2019 bij de update van de studie ‘End of Waste criteria voor opgewerkte afvalolie’ nogmaals benadrukt dat het uitvoeren van een destillatiestap de beste garantie is om de verontreinigingen in de afvalolie maximaal te beperken. In de VITO-studie was de insteek voor het toevoegen van de destillatiestap dubbel: enerzijds om de aanwezigheid van residu’s (bitumineuze fractie) in het eindproduct uit te sluiten, en anderzijds om de metalen te verwijderen. Er werd onvoldoende aangetoond dat het alternatieve opwerkingsproces bij BASOL premium de destillatiestap volledig kan vervangen, zo tonen ook de analyseresultaten aan. […] De bestreden beslissing houdt geen schending in van de prioriteitsvolgorde van het Materialendecreet; (punten 19 t.e.m. 22) De beroeper stelt in ondergeschikte orde dat de OVAM beslissing de prioriteitsvolgorde van het Materialendecreet zou schenden. Punt 19 verwijst daarvoor naar artikel 8 § 1 van het Materialendecreet, samen gelezen met artikel 4 § 3 van het Materialendecreet en artikel 4 § 1 van de kaderrichtlijn. Punt 20. Het beroepschrift gaat er verkeerdelijk vanuit dat het opheffen van de grondstofverklaring van de exploitant tot gevolg heeft dat zijn eindproduct Basol Premium niet langer nuttig kan worden toegepast en dus verwijderd moet worden. De exploitant produceert Basol Premium, een volwaardige basisolie voor de inzet in allerlei industriële toepassingen, het wordt toegepast als procesolie en vindt afzet in de industrie van bouwconstructies, bouwmaterialen, beschermende coatings, smeermiddelen en waterresistente materialen. De VII-40.992-8/21 productie van Basol Premium op basis van afvalolie uit motor- en transmissiesystemen doorloopt dus inderdaad een nuttige toepassing. De Basol Premium voldoet voor die industriële toepassingen en aan bepaalde industriële vereisten zodat het gebruik mogelijk zou kunnen zijn voor smeermiddelen, beschermende coatings, enz. Dat zijn geschikte toepassingen voor dat eindproduct. Het proces van de exploitant beantwoordt daarmee aan de Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98/EG en gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/851, nl. artikel 21
- b)samen te lezen met de definities 17) en 18.
- b)bij de verwerking van afgewerkte oliën wordt voorrang gegeven aan regeneratie of andere recyclinghandelingen met een milieuresultaat dat gelijk is aan of beter is dan dat van regeneratie, overeenkomstig de artikelen 4 en 13; Definities 17. ‘recycling’: elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal; 18. ‘regeneratie van afgewerkte olie’: iedere recyclagehandeling waardoor basisoliën kunnen worden geproduceerd door raffinage van afgewerkte olie, in het bijzonder door uit die olie de verontreinigende stoffen, oxidatieproducten en additieven te verwijderen; Het OVAM besluit van 03/03/2020 houdende de opheffing van de grondstofverklaring voor Basol Premium, een volwaardige basisolie, heeft tot gevolg dat een afzetkanaal voor de inzet als blendcomponent in scheepsbrandstof niet toegelaten is. Dat is niet in tegenstrijd met de prioriteitsvolgorde. Conform de hiërarchie uit het materialendecreet geniet de recyclage van smeeroliën tot een nieuw smeermiddel de voorkeur boven het maken van een brandstof. Het beroepschrift stelt dat de grondstofverklaring zeer nuttig is in het kader van de circulaire economie. Dat klopt, maar de exploitant wil die grondstofverklaring bekomen door het einde afvalcriterium voor het opwerkingsproces te laten wegvallen, waardoor er geen enkele garantie is dat het criterium voor de samenstellingseisen van het eindproduct steeds wordt gehaald. Punt 21 en 22 In de Europese definitie 18.’Regeneratie van afgewerkte olie’ wordt expliciet verwezen naar de productie van basisolie door raffinage van afgewerkte olie. Dat impliceert duidelijk een destillatiestap. Voor de Vlaamse einde-afvalcriteria voor de opwerking van afvalolie tot brandstof of een blendmiddel wordt eveneens een destillatiestap opgelegd. Dat is dus een gelijkwaardige eis inzake het opwerkingsproces voor zowel de toepassing, inzet als basisolie als voor de inzet in scheepsbrandstof. […] De einde afvalcriteria werden correct vastgesteld en dienen in het kader van deze beoordeling toegepast te worden; (punt 23) De beroeper stelt in meer ondergeschikte orde dat de einde-afvalcriteria niet door de Vlaamse Regering werden vastgesteld en bijgevolg buiten VII-40.992-9/21 beschouwing dienen gelaten te worden. Bijgevolg, aldus beroeper, diende OVAM de aanvraag voor een grondstofverklaring rechtstreeks te toetsen aan artikel 36 van het Materialendecreet. De beroeper haalt aan dat de OVAM haar beslissing niet mocht baseren op de einde afvalcriteria van 2019, maar de aanvraag rechtstreeks moest toetsen aan artikel 36 van het Materialendecreet. Het OVAM besluit van 03/03/2019 verwijst wel degelijk naar en toetst aan de bepalingen van artikel 36 van het Materialendecreet. De grondstofverklaring werd opgeheven omdat de volgende bepalingen van artikel 36 niet gehaald werden: ‘3° de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; 4° het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.’ Op vraag van de OVAM heeft VITO in 2010 een studie ‘End of waste criteria voor opgewerkte olie’ gedaan, met update in 2019, om concreet invulling te geven aan voormelde bepalingen van het Materialendecreet. Het Departement Omgeving is van mening dat er wel degelijk werd afgetoetst aan het enige correcte en wettelijke kader voor de aanvraag tot grondstofverklaring voor die materialen die men wenst in te zetten als blendcomponent of rechtstreeks als scheepsbrandstof, nl. artikel 36 van het Materialendecreet, concreet ingevuld door de VITO-studie. Alle einde-afvalcriteria leiden tot een veilig gebruik binnen dat toepassingsgebied of met andere woorden, de opgewerkte afvalolie is op die wijze van een voldoende hoge kwaliteit zodat de impact op het milieu en de menselijke gezondheid wordt gewaarborgd. Elke afvaloliestroom die men wenst in te zetten voor die gebruikstoepassing die zulks niet kan waarborgen, kan niet in aanmerking komen. […] De einde afvalcriteria moesten niet ter kennis gebracht worden van de Europese Commissie en dienen bijgevolg toegepast te worden; (punten 24 t.e.m. 27) De beroeper stelt in uiterst ondergeschikte orde dat de einde afvalcriteria buiten toepassing dienden gelaten te worden omdat ze niet ter kennis werden gebracht van de Europese Commissie. De beroeper citeert artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98/EG en gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/851. Het bewuste artikel 6.3 stelt inderdaad dat de lidstaten bij gebrek aan criteria op het niveau van de Europese Unie gedetailleerde einde afvalcriteria kunnen vaststellen. Deze criteria moeten aan de Commissie in kennis worden gesteld voor zover Richtlijn (EU) 2015/1535 zulks voorschrijft. In casu heeft de Vlaamse Regering geen gedetailleerde einde afvalcriteria vastgesteld waardoor deze zaak niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 6.3 van de Kaderrichtlijn, maar wel onder artikel 6.4 van de Kaderrichtlijn. Artikel 6.4 van de Kaderrichtlijn stelt immers dat een lidstaat de Commissie niet in kennis hoeft te stellen wanneer er op het niveau van de Unie of op nationaal niveau geen gedetailleerde criteria overeenkomstig de voorgaande leden zijn vastgesteld. De lidstaat kan dan per geval besluiten, of passende maatregelen nemen om te verifiëren, dat bepaalde afvalstoffen niet langer afval zijn op grond van de voorwaarden van lid 1 en in voorkomend geval, in lijn met de vereisten van lid 2 onder tot en met e), en rekening houdend met VII-40.992-10/21 grenswaarden voor verontreinigende stoffen en eventuele negatieve gevolgen voor het milieu en de menselijke gezondheid. Van die besluiten per geval hoeft de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 niet in kennis te worden gesteld. Het is in die optiek dat de OVAM aanvragen voor de inzet van een materiaal als brandstof steeds case by case behandelt. Dit gebeurt op vraag van de producent of op vraag van OVAM naar aanleiding van eventuele opmerkingen of vaststellingen van inspectiediensten. Punt 27. Het beroepschrift concludeert dat OVAM zich bijgevolg niet rechtsgeldig kon baseren op de EOW criteria en dat de bestreden beslissing is gebaseerd op onjuiste motieven, de motiveringsplicht schendt en bijgevolg onwettig is. Zoals eerder gesteld heeft OVAM zich rechtsgeldig gebaseerd op de bepalingen van artikel 36 van het Materialendecreet. Het opheffen van de grondstofverklaring ‘Basol Premium’ van de exploitant HFM is op een correcte wijze uitgevoerd met respect voor de bepalingen van artikel 36, 3° en 4° van het Materialendecreet en alle andere relevante wetgeving. Uit de rapporten van 3 van de 6 analyses die door de beroeper voorgelegd worden, blijkt dat het opwerkingsproces van HFM niet kan garanderen dat de Basol Premium steeds voldoet aan de samenstellingseisen voor een blendmiddel voor de productie van scheepsbrandstof. Het materiaal wordt bovendien geproduceerd via een alternatief opwerkingsproces, zodat gegronde twijfels blijven bestaan over de continuïteit van de vereiste kwaliteit. Er is dan ook geen garantie dat er geen ongunstige effecten op het milieu of de gezondheid van de mens zullen optreden. Zo blijkt uit de helft van de aangeleverde analyseresultaten”. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 4. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 288, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), artikel 6, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 ‘betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen’ (hierna: Kaderrichtlijn Afvalstoffen) en de artikelen 5 en 6 van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 ‘betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij’ (hierna: Richtlijn 2015/1535). VII-40.992-11/21 De verzoekende partij voert in wezen aan dat de bestreden beslissing is gebaseerd op einde-afvalcriteria die niet voorafgaand meegedeeld zijn aan de Europese Commissie. Zij zet uiteen dat de einde-afvalcriteria technische voorschriften uitmaken in de zin van Richtlijn 2015/1535, aangezien zij een belangrijke impact hebben op de interne markt en op de uitvoer van haar product van Duitsland naar België. Zij benadrukt daarbij dat de bestreden beslissing als doorslaggevend motief verwijst naar het feit dat “Basol Premium” niet in alle analyses voldoet aan de norm voor zware metalen. Bij gebrek aan de vereiste melding bij de Europese Commissie kunnen de einde-afvalcriteria haar evenwel niet worden tegengeworpen. Waar in de bestreden beslissing wordt gesteld dat artikel 6, lid 3, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen niet van toepassing is, aangezien de betrokken criteria niet werden vastgesteld door de Vlaamse regering, faalt de motivering in rechte. Vooreerst kan de verwerende partij zich niet beroepen op een inbreuk op de eigen regelgeving - de Vlaamse regering, en niet de OVAM, had de einde-afvalcriteria moeten vaststellen - om een inbreuk op het Unierecht te rechtvaardigen. Daarnaast richten de in het middel aangevoerde bepalingen zich tot de lidstaten in het algemeen. Daarbij is het irrelevant of de technische voorschriften zijn aangenomen door de Vlaamse regering, dan wel door de OVAM. Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen lidstaten zich niet beroepen op hun interne structuur of werking om een inbreuk op het Unierecht te rechtvaardigen. Bijgevolg kan de verwerende partij zich niet verschuilen achter het feit dat een andere entiteit dan de Vlaamse regering de einde-afvalcriteria heeft vastgesteld. 5. De verwerende partij antwoordt dat de criteria van de VITO-studie slechts richtlijnen zijn die gehanteerd worden bij de toetsing van een afvalstof aan artikel 36 van het decreet van 23 december 2011 ‘betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: Materialendecreet). De toepassing van artikel 159 van de Grondwet kan hoogstens tot gevolg hebben dat de OVAM deze criteria niet meer kan hanteren bij het verlenen van een grondstofverklaring. De eventuele onwettigheid van de einde-afvalcriteria kan echter niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit leiden, nu dit besluit geen gevolgakte van de einde-afvalcriteria uitmaakt. De verzoekende partij ontbeert derhalve het vereiste belang bij het middel. VII-40.992-12/21 Ten gronde werpt de verwerende partij tegen dat de Vlaamse regering geen gedetailleerde einde-afvalcriteria heeft vastgesteld, zodat de betrokken criteria niet onder het toepassingsgebied van artikel 6, lid 3, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen vallen, maar wel onder het toepassingsgebied van artikel 6, lid 4, van die richtlijn. Er bestaan geen criteria die verplicht gehanteerd worden bij het verlenen van een grondstofverklaring en de OVAM beoordeelt alle aanvragen steeds geval per geval. Dit gebeurt op vraag van de producent, dan wel op vraag van de OVAM naar aanleiding van eventuele opmerkingen of vaststellingen van inspectiediensten. Daar de Vlaamse regering geen einde-afvalcriteria heeft vastgesteld, bestaat er logischerwijs geen enkele verplichting om deze criteria aan te melden bij de Europese Commissie. De Kaderrichtlijn Afvalstoffen biedt lidstaten immers de mogelijkheid om aanvragen geval per geval te behandelen, zolang de waarborgen vervat in artikel 6 van die richtlijn worden nageleefd. De verwerende partij herhaalt dat de Vlaamse regering geenszins verplicht is om deze criteria op te stellen. Een gebrek aan criteria kan haar dan ook niet worden verweten. 6. In haar memorie van wederantwoord beklemtoont de verzoekende partij dat voldaan is aan artikel 14, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, aangezien het buiten toepassing verklaren van de einde-afvalcriteria vastgesteld door VITO ertoe zal leiden dat de bestreden beslissing, die gebaseerd is op deze onwettige criteria, moet worden vernietigd, zodat de Vlaamse minister zich opnieuw zal moeten uitspreken over de gegrondheid van het bestuurlijk beroep. De bestreden beslissing steunt immers uitdrukkelijk op de samenstellingseisen en de vereiste van de destillatiestap zoals beschreven in de VITO-studie, voornamelijk op de parameter voor zware metalen. Aldus voegt de VITO-studie een bijkomende voorwaarde toe aan artikel 36 van het Materialendecreet. Indien die studie buiten toepassing wordt gelaten, zal de door haar ingestelde bestuurlijke beroepsprocedure niet noodzakelijk dezelfde uitkomst kennen. Derhalve staat vast dat de aangevoerde onregelmatigheid een invloed heeft gehad op de draagwijdte van de bestreden beslissing. Tot slot is het volgens de verzoekende partij niet vereist dat de bestreden beslissing zich aandient als een “gevolgakte”. In ondergeschikte orde meent de verzoekende partij dat de VII-40.992-13/21 beoordeling van het belang bij het annulatieberoep samenhangt met de beoordeling ten gronde van het middel. Met betrekking tot de grond van de zaak verwijst de verzoekende partij naar de memorie van toelichting bij het Materialendecreet, waarin zij de bevestiging leest dat einde-afvalcriteria gekwalificeerd moeten worden als technische voorschriften. Door de terminologie aan te nemen van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen, namelijk “end-of-waste criteria”, schrijft de VITO-studie zich volledig in het opzet van die richtlijn in, zodat het criteria betreffen in de zin van artikel 6, lid 3, van die richtlijn die bij de Europese Commissie moeten worden aangemeld. Het is immers de bedoeling dat de VITO-studie geldt als “nationale einde-afvalcriteria” voor het Vlaamse Gewest in de zin van artikel 6, lid 3, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. 7. De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie dat “de eind-afvalcriteria geen verordenende waarde hebben” en “slechts kaderen in een studie van VITO” die helpt invulling te geven aan artikel 36 van het Materialendecreet. Het niet-bindend hanteren van die criteria zou dan ook niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kunnen leiden. Voorts benadrukt de verwerende partij dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de OVAM behoort om te onderzoeken of de betrokken afvalstof al dan niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 36 van het Materialendecreet en dat dit onderzoek steeds geval per geval wordt uitgevoerd. Beoordeling 8. Met de bestreden beslissing heft de verwerende partij een voor onbepaalde duur toegekende grondstofverklaring voor het product “BASOL Premium” op omdat op grond van de resultaten van recente analyses niet kan worden gewaarborgd dat “er geen ongunstige effecten op het milieu of de gezondheid van de mens zullen optreden”. Uit die analyseresultaten blijkt volgens de bestreden beslissing meer bepaald dat “het opwerkingsproces van HFM niet kan garanderen dat de Basol Premium steeds voldoet aan de samenstellingseisen voor een blendmiddel voor de productie van scheepsbrandstof”. Die VII-40.992-14/21 samenstellingseisen, vastgesteld in de VITO-studie, betreffen criteria waarvan de verzoekende partij in het middel de onwettigheid aanvoert. Het belang bij de aangevoerde wettigheidskritiek kan dus niet los gezien worden van de beoordeling ten gronde ervan. Hoe dan ook heeft de aangevoerde onregelmatigheid een invloed gehad op de draagwijdte van de thans bestreden beslissing. Een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing op grond van het tweede middel zal ertoe leiden dat de Vlaamse minister zich opnieuw over het bestuurlijk beroep moet uitspreken. Dit is het voordeel dat de verzoekende partij met het ingestelde beroep tot nietigverklaring uiteindelijk nastreeft. Het komt de Raad van State niet toe te speculeren of vooruit te lopen op de nieuwe beroepsbeslissing die de Vlaamse minister na een gebeurlijk vernietigingsarrest zal nemen. 9. Het tweede middel is ontvankelijk. 10. Artikel 6, lid 3 en 4, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen, bepaalt: “3. Indien geen criteria op het niveau van de Unie zijn vastgesteld overeenkomstig de in lid 2 vastgestelde procedure, kunnen de lidstaten gedetailleerde criteria vaststellen voor de toepassing van de in lid 1 vastgelegde voorwaarden op bepaalde soorten afval. Die gedetailleerde criteria houden rekening met eventuele nadelige effecten voor het milieu en de menselijke gezondheid van de stof of het voorwerp en zijn in overeenstemming met in lid 2, onder
- a)tot en met e), vastgelegde vereisten. De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 in kennis van die criteria, voor zover die richtlijn zulks voorschrijft. 4. Wanneer er op het niveau van de Unie of op nationaal niveau geen criteria zijn vastgesteld krachtens respectievelijk de leden 2 of 3, kan een lidstaat per geval besluiten, of passende maatregelen nemen om te verifiëren, dat bepaalde afvalstoffen niet langer afval zijn op grond van de voorwaarden van lid 1 en dit, in voorkomend geval, in lijn met de vereisten van lid 2, onder
- a)tot en met e), en rekening houdend met grenswaarden voor verontreinigende stoffen en eventuele negatieve gevolgen voor het milieu en de menselijke gezondheid. Van die besluiten per geval hoeft de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 niet in kennis te worden gesteld. De lidstaten kunnen informatie over hun besluiten per geval en het resultaat van de verificatie door bevoegde autoriteiten langs elektronische weg bekendmaken”. 11. De bekritiseerde einde-afvalcriteria zijn vastgesteld door de OVAM. Overeenkomstig artikel 10.3.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) is de VII-40.992-15/21 OVAM een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid van het Vlaams Gewest. Een dergelijk agentschap beschikt over een bepaalde operationele autonomie, maar is volgens artikel III.4, § 1, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 onderworpen aan het gezag van de Vlaamse regering. Bovendien blijkt uit de gegevens van de zaak dat de einde-afvalcriteria tot stand zijn gekomen op “vraag van het kabinet van de Vlaamse minister van Leefmilieu”. Uit de betrokken studie kan voorts worden afgeleid dat de einde-afvalcriteria gelden voor heel Vlaanderen. Zulks blijkt overigens ook uit de bestreden beslissing dat het heeft over de “Vlaamse einde afvalcriteria voor opgewerkte afvalolie”. Om voormelde redenen moeten de door de verwerende partij gehanteerde einde-afvalcriteria beschouwd worden als “nationale” criteria in de zin van artikel 6, lid 3, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. 12. In de samenvatting van de recente studie over de einde-afvalcriteria voor opgewerkte afvalolie wordt het volgende gesteld: “De wetgeving laat momenteel het gebruik van (opgewerkte) afgewerkte olie als brandstof niet toe. Afgewerkte olie is anders van samenstelling dan de ruwe aardolie waaruit men brandstoffen maakt. Bovendien kan afgewerkte olie andere verontreinigende bestanddelen bevatten. Daarom is het logisch en wenselijk deze opgewerkte afgewerkte olie, bij gebruik als brandstof, op meer parameters te onderzoeken dan deze die vermeld worden in de productnormen voor vloeibare brandstoffen. Deze (Belgische) productnormen voor vloeibare brandstoffen (gasolie/dieselolie, stookolie, scheepsbrandstof, ...) zijn immers in eerste instantie bedoeld voor nieuwe (virgin) brandstoffen en zijn bovendien beperkt qua milieutechnische parameters. Daarom werden volgende end of waste criteria bepaald waaraan herwerkte afgewerkte olie moet voldoen voor gebruik als (product-)brandstof in de scheepvaart en de glastuinbouw: 1) de afgewerkte olie die als input wordt gebruikt voor de productie van brandstof moet voldoen aan volgende criteria :
- a)enkel afgewerkte olie (zoals omschreven in de milieubeleidsovereenkomst (MBO) voor afgewerkte olie) komt in aanmerking;
- b)het PCB gehalte moet lager zijn dan 50 ppm;
- c)Indien de uitbater van een installatie kan aantonen dat een andere input dan smeerolie in overeenstemming is met de samenstelling van afgewerkte smeerolie (zoals weergegeven in Tabel 1) kan ook deze input worden toegestaan. 2) het opwerkingsproces dat gebruikt wordt om van afgewerkte olie een brandstof te maken moet minstens volgende 3 onderdelen omvatten : VII-40.992-16/21
- a)zeeffase (of filtratie): nodig om het grootste gedeelte van de vaste stoffen uit de afgewerkte olie te verwijderen;
- b)ontwatering: om het aanwezige water terug te reduceren tot een aanvaardbaar niveau voor verdere verwerking in de installatie;
- c)destillatie: om de bitumineuze fractie (ketenlengte > C20) af te scheiden van de brandstoffractie (ketenlengte C8 – C20). 3) het eindproduct moet minstens aan volgende samenstellingseisen voldoen:
- a)S-gehalte
- b)Cl-gehalte
- c)Σ (As, Cd, Cr, Co, Cu, Mn, Pb, Ni, Sn, V)
- d)PCB Deze voorgestelde samenstellingseisen betreffen absolute maxima. Indien lagere gehalten gehaald kunnen worden, met name voor zwavel, kan dit invloed hebben op de (in volgende paragraaf voorgestelde) toepassingsmogelijkheden. 4) De toepassingsmogelijkheden van de geproduceerde brandstof, na te hebben voldaan aan criteria 1 tot 3, worden beperkt:
- a)In de glastuinbouw:
- i)Gebruik als brandstof ter vervanging van zware stookolie.
- ii)Indien het S-gehalte van opgewerkte afgewerkte olie gereduceerd kan worden tot 0,1% kan deze brandstof gebruikt worden ter vervanging van gasolie/dieselolie.
- b)In de binnenvaart
- i)kan opgewerkte afgewerkte olie gebruikt worden als blendmiddel om de viscositeit van de gebruikte brandstoffen te verlagen. (In de scheepvaart is het gebruik van blendmiddelen in brandstoffen een gangbare praktijk om de gewenste specificaties te bekomen). Opgewerkte afgewerkte olie kan niet gebruikt worden ter vervanging van gasolie als brandstof omwille van het hoge zwavelgehalte.
- ii)Wanneer het S-gehalte van opgewerkte afgewerkte olie gereduceerd kan worden tot maximum 0,1% kan deze brandstof gebruikt worden in de binnenvaart.
- c)In de zeescheepvaart
- i)kan opgewerkte afgewerkte olie gebruikt worden ter vervanging van destillatie marine brandstoffen of
- ii)als blendmiddel om de gewenste kwaliteit residu marine brandstof te bekomen Deze voorwaarden komen bovenop reeds bestaande productnormen en grenswaarden die van kracht zijn. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de toepassingsmogelijkheden van opgewerkte afgewerkte olie met bijhorende samenstellingsvoorwaarden zoals bepaald in voorliggende studie. VII-40.992-17/21 In voorliggende studie werd uitgegaan van een beperkt toepassingsgebied voor opgewerkte afgewerkte olie. Dit wil echter niet zeggen dat het uiteindelijke gebruik van opgewerkte afgewerkte olie beperkt moet worden tot het onderzochte toepassingsgebied. Uit de studie is gebleken dat het mogelijke gebruik van opgewerkte afgewerkte olie die voldoet aan de voorgestelde end of waste criteria, niet bepaald wordt door de sector die deze brandstof wil gebruiken. De mogelijke toepassing wordt bepaald door de productnormering voor het product dat vervangen zal worden door de opgewerkte afgewerkte olie. Indien opgewerkte afgewerkte olie voldoet aan de end of waste criteria die worden voorgesteld betreffende de input, het opwerkingsproces en het eindproduct en bovendien voldoet aan de productnormering van het te vervangen product, kan het toepassingsgebied worden uitgebreid”. Voorts wordt in de bestreden beslissing aangegeven dat de einde-afvalcriteria “steeds bovenop de reeds bestaande productnormen en grenswaarden [komen] die van kracht zijn in het toepassingsgebied waarin de brandstof gebruikt wordt” en tevens dat deze criteria “concreet invulling [geven] aan artikel 36 van het Materialendecreet” omdat er op het ogenblik van de eerste studie “geen enkel kader” was voor de inzet van opgewerkte afvalolie. Volgens de bewoordingen van de verwerende partij bevatten de criteria “normen voor de opgewerkte afvalolie die geldig zijn zowel voor het gebruik als brandstof als ook voor het gebruik als blendcomponent” en vormen zij “een aanvulling op de finale brandstofnormen waarin de blendcomponenten worden gebruikt en zijn in die optiek absoluut een meerwaarde omdat er voor blendcomponenten geen productnormen bestaan”. 13. Met de einde-afvalcriteria worden nieuwe dwingende regels toegevoegd aan de bestaande rechtsorde. Die regels zijn bovendien voldoende abstract en algemeen van aard. Zij kunnen voor de duur van hun gelding worden toegepast op een onbepaald aantal gevallen waarin afvalolie wordt opgewerkt en VII-40.992-18/21 zij gelden niet enkel voor een bepaald product, maar voor een volledige “afvalstroom”, met name deze van opgewerkte afvalolie. Uit de in randnummer 12 aangehaalde samenvatting blijkt dat in de studie criteria worden bepaald waaraan herwerkte afgewerkte olie “moet” voldoen voor gebruik als (product-)brandstof in de scheepvaart. De afgewerkte olie die als input wordt gebruikt voor de productie van brandstof “moet” voldoen aan nader gespecifieerde criteria, waaronder dat het PCB-gehalte lager “moet” zijn dan 50 ppm. Het opwerkingsproces dat gebruikt wordt om van afgewerkte olie een brandstof te maken “moet minstens” 3 onderdelen omvatten, waaronder een destillatieproces. Het eindproduct “moet minstens” aan bepaalde samenstellingseisen voldoen. Die samenstellingseisen maken “absolute maxima” uit. Al deze “voorwaarden komen bovenop reeds bestaande productnormen en grenswaarden die van kracht zijn”. Voorts heeft de OVAM ambtshalve beslist om het productieproces van “BASOL Premium” opnieuw te onderzoeken, onder meer omwille van de nieuwe einde-afvalcriteria voor opgewerkte afvalolie in de studie van 2019, die in de plaats gekomen zijn van de criteria in de studie van 2010. Uit die houding moet, mede gelet op de gehanteerde bewoordingen in de studie, worden afgeleid dat de OVAM die criteria aanwendt als een dwingend kader bij de beoordeling of een product al dan niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 36 van het Materialendecreet. 14. Een grondstofverklaring is te beschouwen als een beslissing met individuele draagwijdte, waarbij de OVAM oordeelt of een welbepaald product van een welbepaalde producent al dan niet als een grondstof kan worden aangewend. De vastgestelde einde-afvalcriteria daarentegen, zijn niet te kwalificeren als een individuele beslissing, maar zij vormen een algemeen kader van verplicht na te komen criteria op grond waarvan de OVAM in een concreet geval beslist of het desbetreffende product voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 36, 3° en 4°, van het Materialendecreet. VII-40.992-19/21 15. Uit wat voorafgaat volgt dat de einde-afvalcriteria, waarvan de verwerende partij niet betwist dat zij technische voorschriften zijn in de zin van Richtlijn 2015/1535, beschouwd moeten worden als op “nationaal” niveau vastgestelde criteria voor de toepassing van de in artikel 6, lid 1, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen en artikel 36 van het Materialendecreet vastgelegde voorwaarden op bepaalde soorten afval. Bijgevolg vallen zij onder het toepassingsgebied van artikel 6, lid 3, van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen en diende krachtens de tweede alinea van die bepaling de Europese Commissie ervan in kennis te worden gesteld overeenkomstig Richtlijn 2015/1535. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de niet-nakoming van de verplichting tot voorafgaande mededeling aan de Europese Commissie tot gevolg dat het betrokken “technisch voorschrift” niet aan particulieren kan worden tegengeworpen (zie onder meer arrest van 3 december 2020, Star Taxi App SRL, C-62/19, punt 57). 16. Het tweede middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 september 2020 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 4 maart 2020 houdende de opheffing van de grondstofverklaring 22502 voor het product “BASOL Premium”, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. VII-40.992-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.992-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.265 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div