← België

Arrest 256286 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.286 Rolnummer: A. 235677/VII-41305 Zaak: Arrest 256286 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-27 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-16 15:44 Fiche Arrest nr 256.286 van 18 april 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.286 van 18 april 2023 in de zaak A. 235.677/VII-41.305 In zake : de BV HOF TER LINT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. Philippe VAN HYFTE
  2. Marleen CLAEYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1050 Brussel Marsveldplein 5, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0335 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 23 december 2021 in de zaak 2021-RvVb-0052-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 maart
  5. VII-41.305-1/14 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 26 juli 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Ryckalts, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Op 2 juli 2020 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan de bv Hof ter Lint een stedenbouwkundige VII-41.305-2/14 vergunning “voor de sloop van een bestaande woning, de uitbreiding van bestaande loodsen, en de nieuwbouw van burelen en een conciërgewoning”.
  9. Het bestreden arrest nr. RvVb-A-2122-0335 van 23 december 2021: - oordeelt dat de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving niet afdoende werd gemotiveerd, en verklaart om die reden het tweede middel van Philippe Van Hyfte en Marleen Claeys gegrond, - vernietigt de vergunningsbeslissing van de deputatie, - oordeelt dat voor de vierde maal de vernietiging wordt uitgesproken, dat de deputatie, “zelfs na een derde heronderzoek van de zaak, in het aanvraagdossier noch daarbuiten redenen [heeft] kunnen vinden die een draagkrachtige grondslag bieden voor de conclusie dat de inrichting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving”, dat de appreciatiebevoegdheid van de deputatie “volledig [blijkt] te zijn opgebruikt, waaruit volgt dat haar bevoegdheid louter gebonden is” en dat er aldus “grond [bestaat] om het arrest in de plaats te stellen van de beslissing van de [deputatie] over het bestuurlijk beroep van de [bv Hof ter Lint] tegen de stilzwijgende weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen”, en - besluit dat voormeld bestuurlijk beroep niet wordt ingewilligd en weigert de “aangevraagde vergunning”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de bv Hof ter Lint
  10. De bv Hof ter Lint voert de schending aan van artikel 37, § 2, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), de formelemotiveringsplicht zoals gewaarborgd in de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de VII-41.305-3/14 bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en “het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, het recht op tegenspraak en het beginsel van de wapengelijkheid”. De kritiek in het middel is in essentie gericht tegen de vaststelling dat de RvVb ambtshalve overgaat tot indeplaatsstelling in toepassing van artikel 37, § 2, DBRC terwijl de partijen in het geding hierom niet verzocht hebben en op de hoorzitting door de RvVb geen melding gemaakt werd van een dreigende indeplaatsstelling. De bv Hof ter Lint is gegriefd omdat zij niet de mogelijkheid heeft gekregen hierover een tegensprekelijk debat te voeren, terwijl het rechtstreeks weigeren van een stedenbouwkundige vergunning minstens even zware gevolgen met zich meebrengt als het onontvankelijk verklaren van een beroep. Zij betoogt dat de RvVb handelt in strijd met het recht op tegenspraak en de rechten van verdediging, zoals gewaarborgd bij artikel 6 EVRM, alsook met het recht op een eerlijke behandeling op grond van artikel 6.1 EVRM en stelt dat artikel 37, § 2, DBRC zich dient te conformeren met het rechtstreeks werkende artikel 6 EVRM. Zij herneemt de rechtspraak van het Hof van Justitie ter zake en verwijst eveneens naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 74/2014 van 8 mei 2014 met betrekking tot het recht op tegenspraak in geval van toepassing van de bestuurlijke lus. Een gelijkaardig probleem stelt zich doordat de RvVb zijn arrest in de plaats kan stellen van de beslissing van de vergunningverlenende overheid (waardoor de vergunningsaanvraag definitief geweigerd is) zonder dat de partijen hierover een tegensprekelijk debat konden voeren. Zij houdt voor dat de schending van de rechten van verdediging en het recht op tegenspraak in casu zelfs frappanter is daar de indeplaatsstelling een bijzonder ingrijpende maatregel is die zich op de snijlijn van de scheiding der machten bevindt, waarbij de RvVb zich de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid toe-eigent zodat de aanvrager en begunstigde van de bestreden vergunning minstens het bestuur, in wiens bevoegdheid wordt ingebroken, de mogelijkheid moeten hebben om zich te VII-41.305-4/14 kunnen verweren tegen het vooruitzicht van een dergelijke verregaande maatregel. De door de RvVb gehanteerde toepassing/interpretatie van artikel 37, § 2, DBRC heeft een verschil in behandeling die discriminerend is tot gevolg. Zij wordt immers ongelijk en discriminerend behandeld ten opzichte van rechtsonderhorigen die in een procedure voor een bestuursrechter wel de kans krijgen om tegenspraak te voeren omtrent de mogelijkheid tot indeplaatsstelling, hetzij na het verzoek van een procespartij daartoe, hetzij na verwittiging van de RvVb dat hij overweegt om ambtshalve tot indeplaatsstelling over te gaan. Zij vraagt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 37, § 2 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, waarin de algemene beginselen van de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter vervat liggen, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, door aan een administratief rechtscollege, de Raad voor Vergunningsbetwistingen, de bevoegdheid te verlenen om een omgevingsvergunning te vernietigen en deze vervolgens ambtshalve op grond van zijn substitutiebevoegdheid rechtstreeks te weigeren, zonder dat aan de vernietiging gekoppelde indeplaatsstelling in geval van gebonden bevoegdheid tegenspraak moet voorafgaan?”. Beoordeling
  11. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 1 tot 3 van de motiveringswet en artikel 23 van de Grondwet zonder uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen worden geschonden door het bestreden arrest, is niet ontvankelijk. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift immers “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten, waarbij onder “cassatiemiddel” een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel moet worden begrepen en onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. VII-41.305-5/14
  12. De RvVb doet als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van vergunningsbeslissingen genomen in laatste administratieve aanleg.
  13. Wanneer de RvVb het beroep gegrond verklaart kan de RvVb, luidens artikel 35 DBRC, de bestreden vergunningsbeslissing geheel of gedeeltelijk vernietigen.
  14. Artikel 37, § 1, DBRC bepaalt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, “de verwerende partij [kan] bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Hij kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: 1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken; 2° welbepaalde procedurele handelingen moeten voorafgaand aan de nieuwe beslissing worden gesteld; 3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven mogen niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken”.
  15. Artikel 37, § 2, DBRC bepaalt dat de RvVb het arrest in de plaats kan stellen van die beslissing als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, van artikel 37 DBRC, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij. Luidens het tweede lid van dit artikel 37, § 2, DBRC worden onder het geval, vermeld in het eerste lid van dezelfde bepaling, ook de gevallen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier.
  16. Uit de wetsgeschiedenis van de laatst aangehaalde bepaling blijkt dat de indeplaatsstellingsbevoegdheid “omwille van de efficiëntie” werd VII-41.305-6/14 toegekend aan de RvVb “ingeval er sprake is van een zuiver gebonden bevoegdheid” van het vergunningverlenende bestuursorgaan. In dat geval acht de decreetgever het “beter dat de [RvVb] zich in de plaats stelt van het betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan en op die manier een definitief einde stelt aan het betrokken rechtsgeschil”. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het geval waarbij “de bestreden beslissing een vergunning verleend heeft voor stedenbouwkundige handelingen, die naar het oordeel van de [RvVb] geenszins kunnen worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” waardoor “het vergunningverlenende bestuursorgaan in dat geval de vergunning enkel [kan] weigeren” en “over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing”. “Deze substitutiebevoegdheid van de [RvVb] moet aldus bijdragen tot een (meer) definitieve geschilbeslechting binnen het vergunningscontentieux”, luidens de memorie van toelichting (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 11). De decreetgever beoogt aldus met deze indeplaatsstellingsbevoegdheid van de RvVb onder meer de gevallen van “a posteriori oftewel naderhand gebonden bevoegdheid, waarbij de oorspronkelijk discretionaire bevoegdheid door de concrete omstandigheden is verdampt/versmald, opgebruikt. […] De vernietiging van de eerste beslissing of de daaropvolgende herstelbeslissingen kan uitwijzen dat motieven die de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, zonder meer niet bestaan. Uiteindelijk rest er dan geen keuzemogelijkheid meer, maar wel nog een rechtsplicht voor de overheid. In welke mate de overheid naar aanleiding van een injunctie hiertoe meerdere kansen moet krijgen om een gedegen uitspraak te doen voor zij haar beoordelingsvrijheid helemaal heeft verbeurd, hangt af van de concrete omstandigheden van de zaak. […] de substitutie [kan] interessant zijn om carrouselscenario’s - waarbij vernietigingsarresten en herstelbeslissingen elkaar opvolgen zonder dat zich daarbij een definitieve geschilbeslechting aan de horizon aftekent - te vermijden. Dit zijn de beoogde situaties van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheden, waaronder de hypotheses volgens dewelke de werking van de wet en bepaalde omstandigheden samen tot gevolg hebben dat het bestuur VII-41.305-7/14 een welbepaalde beslissing dient te nemen terwijl de wet hem in het begin een zekere appreciatiemarge liet” (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 699/1, 13-14).
  17. De uitoefening door de RvVb van de bevoegdheid om de verwerende partij te bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen, of om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing als deze het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, is niet afhankelijk van zodanige vordering van een partij.
  18. Uit de gegrondverklaring van de vordering tot vernietiging van de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing, volgt uit kracht van wet de bevoegdheid van de RvVb om deze laatste beslissing geheel of gedeeltelijk te vernietigen en om, onder de decretaal gestelde voorwaarden, de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of het arrest in de plaats te stellen van die nieuw te nemen beslissing. De bevoegdheid van de RvVb om, in geval van vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of het arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing, is derhalve geen element dat de beslechting van het geschil kan beïnvloeden.
  19. Het middel dat voorhoudt dat de verzoekende partij niet de kans heeft gehad om tegenspraak te voeren over de mogelijkheid tot indeplaatsstelling, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Om dezelfde reden, is er geen aanleiding tot het stellen van de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
  20. Het middel dat “naar analogie” wijst op de noodzaak tot tegenspraak bij toepassing van de bestuurlijke lus in artikel 35 DBRC gaat niet op VII-41.305-8/14 omdat de RvVb in dat geval in eerste instantie niet overgaat tot vernietiging van de bestreden beslissing maar de mogelijkheid wil bieden aan de verwerende partij om met een herstelbeslissing waarbij zij haar discretionaire bevoegdheid uitoefent, de onwettigheid in de bestreden beslissing te (laten) herstellen.
  21. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn gericht tot de wetgevende en de uitvoerende macht. Zij betreffen niet de beslissingen van de rechter als zodanig. De rechter moet de hem voorgelegde geschillen beslechten aan de hand van de bestaande rechtsregels en algemene rechtsbeginselen. In zoverre kan het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet tot cassatie leiden.
  22. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de bv Hof ter Lint
  23. De bv Hof ter Lint voert de schending aan van artikel 37, § 2, DBRC, artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), de formelemotiveringsplicht zoals gewaarborgd in de artikelen 1 tot 3 van de motiveringswet, “de motiveringsverplichting van justitiële uitspraken”, “het decretaal begrip ‘gebonden bevoegdheid van de verwerende partij’, zoals vervat in art. 37, § 2 [DBRC]” en “de bepalingen en beginselen die door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhoudingen tussen het bestuur en de rechtscolleges, waaronder het beginsel van de scheiding der machten”. VII-41.305-9/14 Dit middel gaat ook terug op de indeplaatsstelling. De bv Hof ter Lint betoogt dat de RvVb uit het feit dat verschillende eerdere beslissingen van de deputatie tot afgifte van een stedenbouwkundige vergunning vernietigd werden op basis van gelijkaardige motiveringsgebreken, afleidt dat “de appreciatiebevoegdheid van de deputatie opgebruikt blijkt te zijn, waaruit volgt dat haar bevoegdheid gebonden is”. Zij kadert de wetsgeschiedenis van artikel 37, § 2, DBRC en besluit dat hieruit volgt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing uit kracht van wet bevoegd is om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing enkel als deze het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. De RvVb oordeelt in het bestreden arrest dat het aangevraagde onvergunbaar is overeenkomstig artikel 5 van het inrichtingsbesluit en stelt zijn vernietigingsarrest in de plaats van de beslissing van de deputatie. Uit de rechtspraak blijkt dat de verenigbaarheid van de in artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit bedoelde bedrijven, inrichtingen en voorzieningen met de onmiddellijke omgeving door de vergunningverlenende overheid nauwkeurig en concreet moet worden gecontroleerd op basis van een omstandige analyse van de weerslag van (de uitbating van) het gebouw op de levensomstandigheden in een wijk of met andere woorden van een analyse van wat de bewoners van een wijk geacht worden te kunnen verdragen. Evident beschikt de deputatie, in haar hoedanigheid van vergunningverlenende overheid, over een ruime discretionaire beoordelingsvrijheid bij de beoordeling of het aangevraagde verenigbaar is met de relevante omgeving. Daarenboven behoort het tot de discretionaire bevoegdheid van de deputatie deze “relevante” omgeving te bepalen en bij haar onderzoek te betrekken. Dit wordt ook impliciet erkend in het bestreden arrest. Doordat de RvVb de beslissing van de deputatie vernietigd heeft omdat de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving niet afdoende gemotiveerd werd, erkent hij immers dat de vergunningverlenende overheid over een discretionaire beoordelingsvrijheid beschikt. Bij een gebonden bevoegdheid kan een verwijzing naar de toegepaste regelgeving en de feitelijke toestand die de toepassing van de regel teweegbrengt volstaan. Dit blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de motiveringswet en uit de rechtspraak. Echter, hoe groter de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij, hoe strenger de motiveringsplicht wordt VII-41.305-10/14 opgevat. De omvang van de motiveringsplicht is dus evenredig met de omvang van de discretionaire bevoegdheid waarover de verwerende partij beschikt. Het bestreden arrest is zodoende intern tegenstrijdig. Enerzijds erkent de RvVb dat de deputatie over een discretionaire beoordelingsvrijheid beschikt bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving door het weerhouden van een motiveringsgebrek, maar anderzijds meent hij dat de deputatie over een gebonden bevoegdheid beschikt aangezien hij het bestreden arrest in de plaats stelt van de nieuw te nemen beslissing. Een indeplaatsstelling is slechts mogelijk wanneer er sprake is van een “onoverkomelijke legaliteitsbelemmering”. In het tegenovergestelde geval is er sprake van een schending van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, zoals onder meer verwoord in artikel 33 van de Grondwet. Dit beginsel verzet er zich tegen dat de RvVb zich, zoals het bestuur, een autonome beslissingsbevoegdheid zou toe-eigenen. Dit laatste is het geval met een beslissing van de RvVb tot het toepassen van zijn substitutiebevoegdheid in toepassing van artikel 37, § 2, DBRC. Dit is des te frappanter wanneer de bevoegde overheid, zoals in deze, over een zeer ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. De RvVb stelt zijn arrest in de plaats zonder dat er sprake is van “een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” waardoor “het vergunningverlenende bestuursorgaan in geen geval de vergunning enkel kan weigeren”. Zij stelt dat het niet is omdat de vergunningverlenende overheid haar beslissing tot afgifte van een stedenbouwkundige vergunning verschillende malen vernietigd ziet door de RvVb omwille van weerhouden motiveringsgebreken, dat zij plotsklaps over een gebonden bevoegdheid zou beschikken. De discretionaire beoordelingsvrijheid, zoals deze blijkt uit het inrichtingsbesluit, blijft volgens haar onverlet bestaan. Indien de Raad van State van oordeel zou zijn dat het de RvVb overeenkomstig artikel 37, § 2, tweede lid, DBRC toegestaan is om zijn arrest in de plaats te stellen wanneer een vergunningverlenende overheid er na vernietiging niet in slaagt om haar herstelbeslissing te stofferen met nieuwe, pertinente en draagkrachtige motieven daar de RvVb ervan kan uitgaan dat er materieel gezien geen motieven bestaan die de beslissing kunnen verantwoorden, vraagt verzoeker om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: VII-41.305-11/14 “Schendt artikel 37, § 2 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges de bepalingen en beginselen die door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhoudingen tussen het bestuur en de rechtscolleges, door aan een administratief rechtscollege, de Raad voor Vergunningsbetwistingen, de bevoegdheid te verlenen om een omgevingsvergunning rechtstreeks te weigeren, zonder dat de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid zodat er geen sprake is van een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering?”. Beoordeling
  24. De RvVb overweegt in het bestreden arrest dat het de deputatie in beginsel toekomt om te beoordelen of de aanvraag verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, zoals vereist door artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit en dat zij in de regel over een appreciatiemarge beschikt, maar dat - gelet op het feit dat thans voor de vierde keer een vernietiging wordt uitgesproken en de deputatie dus, zelfs na een derde heronderzoek van de zaak, in het aanvraagdossier noch daarbuiten redenen heeft kunnen vinden die een draagkrachtige grondslag bieden voor de conclusie dat de inrichting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving - de appreciatiebevoegdheid van de deputatie volledig blijkt te zijn opgebruikt, waaruit volgt dat haar bevoegdheid louter gebonden is geworden. Het bestreden arrest komt aldus op basis van de gegevens van het dossier tot de conclusie dat de vergunningverlenende overheid een “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” heeft, zoals bedoeld in artikel 37, § 2, tweede lid, DBRC, om de aangevraagde vergunning te weigeren.
  25. Het middel dat intern tegenstrijdige motivering aanvoert en niet opkomt tegen de reden van de inplaatsstelling bij toepassing van artikel 37, § 2, DBRC, met name dat “de appreciatiebevoegdheid van de [deputatie] volledig [blijkt] te zijn opgebruikt, waaruit volgt dat haar bevoegdheid louter gebonden is” geworden na “de vierde maal”, kan niet tot cassatie leiden. VII-41.305-12/14
  26. Het middel dat aanvoert dat er geen sprake is van een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering, noopt de Raad van State tot het overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb, meer bepaald het overdoen van het onderzoek naar de concrete omstandigheden van het dossier dat kan doen besluiten dat de vergunningverlenende overheid haar beoordelingsvrijheid heeft verbeurd. De Raad van State is daartoe als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet bevoegd.
  27. De door de verzoekende partij geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gaat uit van de premisse dat er geen sprake is van een gebonden bevoegdheid. De vraag is bijgevolg niet prejudicieel en wordt dan ook niet gesteld.
  28. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  30. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. VII-41.305-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.305-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.286 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.