← België

Arrest 256287 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.287 Rolnummer: A. 235349/VII-41272 Zaak: Arrest 256287 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-27 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-10 08:49 Fiche Arrest nr 256.287 van 18 april 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.287 van 18 april 2023 in de zaak A. 235.349/VII-41.272 In zake :

  1. Nancy MEYVIS
  2. Igor VAN CLEEMPUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partijen :
  3. Raymond SIMONS
  4. Alma BASTIAENSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0226 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 18 november 2021 in de zaak 1920-RvVb-0774-SA. II. Verloop van de rechtspleging
  6. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 maart
  7. VII-41.272-1/8 De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. Raymond Simons en Alma Bastiaenssens hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 mei
  8. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 24 augustus 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart
  9. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabo Heirbaut, die loco advocaat Alexander De Becker verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Enya Hicquet, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. VII-41.272-2/8 III. Feiten
  11. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: provincie) verleent op 28 mei 2020 aan Raymond Simons en Alma Bastiaenssens een omgevingsvergunning voor het vellen van vier esdoorns en een Amerikaanse vogelkers onder de voorwaarde van de heraanplant op dezelfde locatie en tijdens het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de bomen, van 5 inheemse hoogstammige bomen, plantmaat 16/
  12. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de provincie. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput
  13. Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput voeren de schending aan van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsbesluit) al dan niet gelezen in samenhang met artikel 89 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC-besluit). Zij lichten toe dat artikel 13 van het omgevingsvergunningsbesluit betrekking heeft op de “vereenvoudigde vergunningsprocedure”, en bepaalt wanneer de tot vergunning bevoegde overheid kan afwijken van de mogelijkheid om een openbaar onderzoek in te stellen. Zij voeren aan dat de vereenvoudigde vergunningsprocedure in casu niet kon worden toegepast aangezien het aangevraagde niet in overeenstemming is met de geldende bepalingen van een niet-vervallen verkaveling. In de verkavelingsvergunning staat VII-41.272-3/8 namelijk te lezen dat de hoogstammige bomen behouden moeten blijven. Er diende dan ook een openbaar onderzoek georganiseerd te worden. Het voeren van een openbaar onderzoek is een handeling die de openbare orde raakt. Het is dan ook duidelijk dat de RvVb zelf met toepassing van artikel 89 DBRC-besluit had moeten opwerpen dat de bij hem bestreden vergunningsbeslissing in strijd met artikel 13 van het omgevingsvergunningsbesluit is genomen en bijgevolg de bestreden vergunningsbeslissing had moeten vernietigen. Beoordeling
  14. Het bestreden arrest overweegt bij de beoordeling van het eerste middel van Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput: “Het perceel waarop met de bestreden beslissing de kap van vier esdoorns en een Amerikaanse vogelkers vergund wordt, maakt als lot 1 deel uit van de verkaveling die het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel op 12 mei 2014 voor twee loten voor vrijstaande eengezinswoningen vergund heeft. Het collegebesluit van 12 mei 2014 heeft aan de afgifte van de verkavelingsvergunning de voorwaarde verbonden om de op het verkavelingsplan aangeduide hoogstammige bomen ‘maximaal te bewaren’ en de oude rode beuk te behouden, ‘op de wijze zoals bovenstaand is aangegeven’ […]. De voorwaarde om de op het verkavelingsplan aangeduide hoogstammige bomen ‘maximaal te bewaren’, houdt geen absoluut verbod op de kap van de vier esdoorns en de Amerikaanse vogelkers in. De principiële verplichting om de bomen te behouden, duldt afwijkingen en moet worden afgewogen tegen de redenen die voor de kap ervan gegeven worden. […]”. De RvVb neemt aldus niet aan dat het aangevraagde niet in overeenstemming is met de geldende bepalingen van de geldende verkavelingsvergunning. Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput formuleren geen middel tegen dit oordeel van de RvVb.
  15. Het middel dat uitgaat van een absoluut verbod op de kap van de vier esdoorns en de Amerikaanse vogelkers in de geldende verkavelingsvergunning, kan niet tot cassatie leiden. VII-41.272-4/8
  16. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput
  17. Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput voeren de schending aan van artikel 89 DBRC-besluit “gelezen in samenhang met de juridische waarde van de beginselen van behoorlijk bestuur (in het bijzonder het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel) als wettigheidsnormen waaraan een administratief rechtscollege kan en hoort te toetsen”. Zij betogen dat artikel 89 DBRC-besluit bepaalt dat in geval een beslissing kennelijk onredelijk of onzorgvuldig is, zulks ambtshalve moet worden opgeworpen. Dat betekent ook dat de RvVb de plicht heeft om tot vernietiging over te gaan in het geval er een schending van deze beginselen wordt opgeworpen, en dat een beweerde schending van deze beginselen geenszins kan weggezet worden als opportuniteitskritiek. Het oordeel dat de vraag om een plantmaat 30/35 te voorzien opportuniteitskritiek is, is evident onjuist aangezien de verkavelingsvergunning precies oplegt dat hoogstammige bomen behouden dienen te blijven. Door slechts een plantmaat 16/18 op te leggen en geen plantmaat 30/35 zullen er gedurende vele jaren geen hoogstammige bomen zijn die volgens de verkavelingsvergunning precies behouden moeten blijven. Dat is geen opportuniteitskritiek maar is wel een schending van een wetskrachtige regel waaraan de RvVb moet toetsen. De ingeroepen beginselen zijn zelfs een wetskrachtige regel van openbare orde die de RvVb zelf moet opwerpen. Bovendien had de RvVb, om de zorgvuldigheid dan wel de redelijkheid van de beslissing aan te tonen, moeten nagaan of de betrokken bomen wel geheel dood waren en niet nog gered konden worden. Om de verkavelingsvergunning daadwerkelijk na te leven (te weten het behoud van hoogstammige bomen te garanderen) had de provincie een keuze moeten maken die ruimschoots boven de 16/18 cm als plantmaat zat. VII-41.272-5/8 Beoordeling
  18. Artikel 89 DBRC-besluit bepaalt: “Het College kan ambtshalve middelen inroepen die niet in het verzoekschrift zijn opgenomen, of ambtshalve excepties opwerpen, voor zover deze de openbare orde betreffen. De kennelijke onredelijkheid of onzorgvuldigheid van de toetsing, door het bestuur, aan de goede ruimtelijke ordening wordt altijd geacht een middel van openbare orde uit te maken”.
  19. De RvVb oordeelt op onaantastbare wijze of het voor hem bestreden besluit op zorgvuldige wijze werd getoetst aan de goede ruimtelijke ordening of niet kennelijk onredelijk is. De kritiek op de beoordeling door de RvVb van deze toetsing van het bestreden besluit kan er niet toe leiden dat, gelet op artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad van State in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Het door de RvVb niet ambtshalve inroepen van deze niet aangevoerde middelen die geacht worden van openbare orde te zijn, kan derhalve niet tot cassatie leiden.
  20. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput
  21. Nancy Meyvis en Igor Van Cleemput voeren de schending aan van artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’. Zij zetten uiteen dat zij in de administratieve beroepsprocedure voor de provincie foto’s hebben neergelegd betreffende de toestand van de esdoorns, om aan te tonen dat deze bomen niet dood waren. Naar alle redelijkheid VII-41.272-6/8 diende de RvVb na te gaan of de door de provincie gehanteerde motivering dat de bomen dood waren, klopt. Rekening houdend met de foto’s had de RvVb moeten vaststellen dat de motivering van de provincie niet geschraagd werd door het dossier. De feitelijke toestand van de bomen werd door de provincie niet verder onderzocht. Er werd enkel gesteund op eenzijdige stukken. De provincie oordeelde ten onrechte dat de esdoorns dood waren en dus niet dat ze in slechte toestand waren. De RvVb kon dan ook niet motiveren dat de niet weerlegde “slechte toestand” van de esdoorns een aanvaardbaar motief was voor de kap. Beoordeling
  22. Het middel dat aanvoert dat de RvVb had moeten vaststellen dat de motivering van de provincie niet geschraagd was door het dossier, dat de feitelijke toestand niet verder werd onderzocht door de provincie, dat de provincie ten onrechte heeft geoordeeld dat de esdoorns dood waren en dus niet dat ze in slechte toestand waren, dwingt de Raad van State de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. Artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt evenwel dat de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaken zelf” treedt. Het middel is in zoverre wegens onbevoegdheid van de Raad van State, niet ontvankelijk.
  23. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden VII-41.272-7/8 op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt.
  24. Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat erop neerkomt dat de redengeving van het bestreden arrest verkeerd is, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting van de rechterlijke motiveringsverplichting.
  25. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  27. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 22 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.272-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.