← België

Arrest 256288 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.288 Rolnummer: A. 235539/VII-41291 Zaak: Arrest 256288 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-27 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-10 08:50 Fiche Arrest nr 256.288 van 18 april 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.288 van 18 april 2023 in de zaak A. 235.539/VII-41.291 In zake : Dorien BAEYENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joke Derwa kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Liliane VAN LAERHOVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Katrien Vergauwen kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 24 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0302 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 16 december 2021 in de zaak 2021-RvVb-0301-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 maart 2022. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.291-1/8 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 15 augustus 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2023. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joke Derwa, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Fatema Hosseini, die loco advocaten Yves Loix en Katrien Vergauwen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3. Op 12 november 2020 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) aan Dorien Baeyens een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een biokippenstal met vrije uitloop en een afdak. 4. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van Liliane Van Laerhoven de vergunningsbeslissing van de deputatie en stelt ambtshalve zijn VII-41.291-2/8 arrest in de plaats van de nieuw te nemen beslissing en weigert de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een biokippenstal met vrije uitloop en een afdak, na te hebben overwogen: “Uit de feitenuiteenzetting en de bespreking onder de vorige titel blijkt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing voor de vijfde maal en na vier eerdere vernietigingsarresten van de Raad beslist om het aangevraagde te vergunnen. Uit de bespreking onder de voorgaande titel blijkt dat in de vorige vier vernietigingsarresten is beschikt: • dat de verwerende partij in haar beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening rekening diende te houden met de ligging van de biokippenstal op korte afstand van de woning van [Liliane Van Laerhoven] binnen de bestaande relevante omgeving en met het gegeven dat door de ligging van de woning van [Liliane Van Laerhoven] op een aanpalend perceel haar woning door het aangevraagde komt te liggen tussen twee landbouwbedrijven; • dat de [deputatie] in haar beoordeling, rekening houdende met die specifieke ligging van de woning van [Liliane Van Laerhoven], via een uiterst nauwkeurig en zorgvuldig onderzoek alle relevante aspecten moet beoordelen, zoals de vraag of de gekozen locatie van de biokippenstal verantwoord is binnen de bestaande omgeving en of het aangevraagde de draagkracht van de omgeving niet overschrijdt. Bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld dat de motieven in de bestreden beslissing hoofdzakelijk gelijk of gelijkaardig zijn aan de vorige vernietigde beslissing van de [deputatie] en dat de bijkomende en nieuwe motieven geen verantwoording kunnen bieden om het aangevraagde in overeenstemming te achten met de goede ruimtelijke ordening. Een stedenbouwkundige vergunning moet in beginsel worden geweigerd als de aanvraag onverenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 4.3.1, §1, lid 1 VCRO). De [RvVb] kan zijn beoordeling daarover ‘in beginsel’ niet in de plaats stellen van die van de [deputatie], en kan bij zijn wettigheidstoezicht enkel nagaan of ze haar appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend. Gelet op de achtereenvolgende vernietigingsarresten, blijkt dat de [deputatie] geen aanvaardbare verantwoording kan geven voor het verlenen van de gevraagde vergunning. Na vier eerdere vernietigingen van een gunstige vergunningsbeslissing voor het aangevraagde, slaagt de [deputatie] er klaarblijkelijk nog steeds niet in om op basis van het dossier deugdelijke motieven te vinden waaruit blijkt dat de aanvraag verenigbaar is met de bestaande omgeving (goede ruimtelijke ordening). De bestreden beslissing is grotendeels een herhaling van haar eerdere beoordeling, zonder toevoeging van een bijkomende pertinente en draagkrachtige motivering, waaruit noodzakelijk moet worden afgeleid dat er materieel gezien geen motieven bestaan die een vergunning kunnen verantwoorden. Hierdoor is de appreciatiebevoegdheid van de [deputatie] feitelijk volledig uitgehold, zodat ze de aanvraag in het licht van de toets van de VII-41.291-3/8 verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening noodzakelijk moet weigeren. Gelet op deze vaststelling bestaat er in hoofde van de [deputatie] een gebonden bevoegdheid, en wordt er overgegaan tot indeplaatsstelling overeenkomstig artikel 37, §2 DBRC-decreet”. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 5. Met een e-mailbericht van 10 maart 2023 aan de Raad van State betoogt verzoekster onder meer dat zij “4 maal wel een vergunning had bekomen”, dat zij “al meer dan 40 jaar geterroriseerd [wordt] door buren die eigenlijk zone-vreemd wonen” en dat de vordering “ten onrechte [werd] ingesteld” bij de RvVb. 6. Dit e-mailbericht dateert van na de terechtzitting waarop het debat werd gesloten. Door het sluiten van het debat wordt een einde gemaakt aan de behandeling van de zaak door de partijen. Dat houdt in dat stukken zoals dit e-mailbericht, die na de sluiting van het debat worden ingediend, ambtshalve uit het debat worden geweerd. Verzoekster vraagt niet de heropening van het debat op grond van dit e-mailbericht. Evenmin is er reden om het debat op grond van dit e-mailbericht ambtshalve te heropenen. Dit e-mailbericht laat zich immers begrijpen als een verzoek tot informeren van de Raad van State, zonder dat blijkt, noch overigens wordt betoogd door verzoekster, dat dit e-mailbericht gegevens bevat die door verzoekster niet gekend waren of gekend konden zijn vóór de sluiting van het debat. 7. Het e-mailbericht van verzoekster van 10 maart 2023 wordt ambtshalve uit het debat geweerd. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van verzoekster VII-41.291-4/8 8. Dorien Baeyens voert de schending aan van het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten, artikel 37, § 2, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie van de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), artikel 4.3.1, § 1,1°,

  1. d)en § 2, 1° en 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. In het eerste middelonderdeel betoogt Dorien Baeyens dat de RvVb niet betwist dat de deputatie alle voor het dossier relevante aandachtspunten die verband houden met de goede ruimtelijke ordening heeft onderzocht. De RvVb is evenwel van oordeel dat de deputatie dit onderzoek niet “uiterst nauwkeurig en zorgvuldig” heeft uitgevoerd, omdat zij onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de bestaande toestand in de onmiddellijke omgeving van het projectgebied. Meer bepaald zou de deputatie geen rekening hebben gehouden met de nabijheid van de (zonevreemde) woningen, in het bijzonder die van Liliane Van Laerhoven, en met het feit dat deze woning “geklemd” zou komen te liggen tussen twee bedrijven in. Door op die manier te oordelen geeft de RvVb een verkeerde lezing aan de bestreden vergunningsbeslissing. De deputatie heeft de voor het dossier relevante aandachtspunten die verband houden met de goede ruimtelijke ordening zeer uitvoerig onderzocht. Het onderzoek naar de eventuele hinderaspecten van een project wordt uiteraard steeds gevoerd in functie van de woningen en/of andere constructies in de onmiddellijke en ruimere omgeving van het projectgebied. Uit de bewoordingen van de bestreden vergunningsbeslissing blijkt duidelijk dat de deputatie hierbij niet alleen de woningen in de zone “woongebied met landelijk karakter” in rekening heeft gebracht, maar ook de (zonevreemde) woningen die zich vlakbij het projectgebied bevinden. Met de ligging van de zonevreemde woningen op korte afstand van het projectgebied in het achterhoofd, heeft de deputatie vervolgens de relevante hinderaspecten in concreto onderzocht. Dorien Baeyens verwijst in dat verband naar het onderzoek betreffende de geurhinder, de verspreiding van fijn stof, de mogelijke geluidshinder, hinder door vliegen, visuele hinder, privacyhinder, schaduwhinder VII-41.291-5/8 of lichtafname. Zij stelt dat het feitelijk incorrect is waar de RvVb stelt dat de woning van Liliane Van Laerhoven ingesloten zal komen te liggen tussen twee landbouwbedrijven in. Door in de gegeven omstandigheden het middel dat uitgaat van een schending van artikel 4.3.1, § 1, 1°,
  2. d)juncto artikel 4.3.1, § 2, 1° en 2°, VCRO toch gegrond te verklaren, schendt het bestreden arrest de draagwijdte van deze bepalingen. In een tweede middelonderdeel bekritiseert Dorien Baeyens de indeplaatsstelling door de RvVb. Zij betoogt dat de deputatie de overeenstemming van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening op meer dan afdoende wijze heeft onderzocht en gemotiveerd. Van een feitelijk gebonden bevoegdheid op grond waarvan de vergunning zou moeten worden geweigerd, is dan ook geen sprake. Door het bestreden arrest in deze omstandigheden in de plaats te stellen van het nieuw te nemen besluit, schendt de RvVb het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten, alsook artikel 37, § 2, DBRC. Beoordeling 9. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur schendt, is niet ontvankelijk. 10. Het cassatieberoep kan enkel betrekking hebben op rechtsvragen. Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt immers dat de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaken zelf” treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep er niet toe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. 11. Met haar betoog in het eerste middelonderdeel poogt Dorien Baeyens aan te tonen dat de deputatie de voor het aanvraagdossier relevante aandachtspunten die verband houden met de goede ruimtelijke ordening wel degelijk zeer uitvoerig heeft onderzocht en dat het feitelijk incorrect is dat de VII-41.291-6/8 woning van Liliane Van Laerhoven ingesloten zal komen te liggen tussen twee landbouwbedrijven in. Een beoordeling van dat betoog veronderstelt dat de Raad van State in tweede instantie overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de bij de RvVb bestreden vergunningsbeslissing. Dit vergt aldus een feitelijke beoordeling waartoe de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 12. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 13. Dorien Baeyens formuleert in de memorie van wederantwoord nieuwe grieven. Zij betoogt daarin dat de vergunningverlenende overheid over een ruime appreciatiemarge beschikt om een vergunningsaanvraag te beoordelen, dat het dan ook niet relevant is of een belanghebbende dan wel de RvVb het al dan niet eens is met deze beoordeling, aangezien zulks een kwestie van opportuniteit betreft en enkel de vergunningverlenende overheid daarvoor bevoegd is, en verder dat het bestreden arrest manifest tegenstrijdig gemotiveerd is. Dorien Baeyens voert niet aan dat zij niet in de mogelijkheid was om deze nieuwe grieven aan te voeren toen zij haar verzoekschrift heeft ingediend. Zij mag deze grieven dan ook niet voor het eerst opwerpen in de memorie van wederantwoord. Deze uitbreiding van het middelonderdeel wordt verworpen. 14. In het tweede middelonderdeel houdt Dorien Baeyens voor dat de beoordeling van het eerste middelonderdeel tot gevolg heeft dat er geen sprake kan zijn van een feitelijk gebonden bevoegdheid die aanleiding kan geven tot een indeplaatsstelling op grond van artikel 37, § 2, DBRC. Gelet op de verwerping van het eerste middelonderdeel, kan dit tweede middelonderdeel niet tot cassatie leiden. VII-41.291-7/8 15. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.291-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.