← België

Arrest 256298 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.298 Rolnummer: A. 234986/VII-41239 Zaak: Arrest 256298 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-27 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 08:50 Fiche Arrest nr 256.298 van 19 april 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.298 van 19 april 2023 in de zaak A. 234.986/VII-41.239 In zake : Leo CAZAERCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : Jan FLORIZOONE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Laurent Proot en Florence Lobelle kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 8 november 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0098 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 oktober 2021 in de zaak 2021-RvVb-0274-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 27 december
  3. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. VII-41.239-1/13 Jan Florizoone heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 mei
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 28 juli 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Florence Lobelle, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  7. Florizoone beroept zich op overmacht om het verzoek tot tussenkomst tijdig te doen verklaren. Door een ernstig ongeval op 20 november 2021 was Florizoone “tot 3 april 2022 tijdelijk 100% onbekwaam […] om zijn dagelijkse taken uit te oefenen” waardoor hij “geen kennis kon nemen van de VII-41.239-2/13 aanbieding van de aangetekende zending met de kennisgeving op zijn woonplaats [...] op 17 januari 2022” die “tot 2 februari 2022 beschikbaar in een afhaalpunt” was. Florizoone stelt dat hij hierdoor “niet in staat was om binnen de termijn van 30 dagen na de ontvangst van de zending […] een verzoekschrift tot tussenkomst in te dienen” en dat hij “zich zorgvuldig en diligent gedragen” heeft door na de ontvangst “op 24 maart 2022 via de griffie [van] een kopie van de officiële kennisgeving van het cassatieberoep” het verzoek tot tussenkomst in te dienen “binnen de termijn van 30 dagen na deze kennisname” waardoor het verzoek tot tussenkomst “de procedure niet nodeloos vertraagt” te meer omdat hij “zijn inhoudelijke argumenten [in het verzoekschrift] uiteenzet”. Beoordeling
  8. Florizoone beroept zich tevergeefs op overmacht voor zijn ontijdige tussenkomst vermits hij bevestigt dat hij op 24 maart 2022, dit is in de periode van onbekwaamheid, “via de griffie een kopie van de officiële kennisgeving van het cassatieberoep” heeft ontvangen en erover gewaakt heeft om “binnen de termijn van 30 dagen na deze kennisname” een verzoekschrift tot tussenkomst in te dienen. Het verzoek tot tussenkomst is onontvankelijk. IV. Feiten
  9. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleent op 29 oktober 2020 aan Florizoone een omgevingsvergunning voor het slopen van een bestaande eengezinswoning en het bouwen van een nieuwe gezinswoning.
  10. De RvVb verwerpt het middel en bijgevolg het beroep van verzoeker tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing. VII-41.239-3/13 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
  11. Verzoeker voert aan: “Schending van de bewijskracht van de akten en van de regels inzake de bewijskracht van de akten, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek — Boek VIII : Bewijs, ingevoerd door de wet van 13 april 2019, Evenals schending van:

(1)het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doornpanne (d.d. 18/06/2009),
(2)de stedenbouwkundige verordening van 20 februari 2017 van de Gemeente Koksijde voor inplanting van gebouwen,” Hij licht toe: “
  1. Verzoeker heeft het (3de) middel-onderdeel, opgeworpen in het RvVb-annulatie-beroep inzake de problematiek van ‘bouwvolume en inplantingsplan’, als volgt samengevat : ‘Het uitstekend dak Oostwaarts staaft dat de na te leven verwijdering (van 5 m) hoe dan ook niet is nageleefd. Ook de ‘verordening inplanting’ wordt dus niet nageleefd (dit naast de miskenning van het samen te lezen GRUP Zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doornpanne’). Verder beantwoordt de Deputatie niet deze grief, opgeworpen ter zitting dd. 15 september 2020.’
  2. Op verzoekers (3de) middel-onderdeel antwoordt het thans bestreden RvVb-arrest als volgt : ‘Met verwijzing naar de beoogde dakoversteek achten de verzoekende partijen in een derde middelonderdeel de gemeentelijke inplantingsverordening, en dus de verplichting tot het vrijwaren van een afstand van 5 meter tot de perceelsgrenzen, evenzeer geschonden. Uit het inplantingsplan dat bij de aanvraag gevoegd werd, blijkt dat er een afstand van 5 meter ten aanzien van alle perceelsgrenzen die op het plan staan aangeduid, wordt gewaarborgd vanaf het hoofdgebouw. Uit het terreinprofiel dat door de verzoekende partijen wordt aangehaald om hun stelling te staven, kan het tegendeel niet worden afgeleid. Zoals wordt bepaald in de gemeentelijke inplantingsverordening, dient de afstand van 5 meter gerekend te worden vanaf het hoofdvolume. Het inplantingsplan geeft duidelijk dit hoofdvolume en de voorziene afstand tot de perceelsgrenzen weer. Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag, VII-41.239-4/13 minstens steunt het op een eenzijdige lezing van de bij de aanvraag gevoegde plannen.’
  3. Door aldus te beslissen, schendt de Raad voor Vergunningsbetwistingen evenwel de bepalingen en beginselen, opgegeven in de aanhef van het middel, en hierbij onder meer :
(1)de bewijskracht van deze akten — zijnde in casu de plannen, terreinprofielen en doorsnedes met afmetingen en verwijdering-gegevens die allen zijn gehecht aan de omgevingsvergunning-aanvraag en na vergunning-beslissing behoren tot de vergunning —,de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek — Boek VIII : Bewijs, ingevoerd door de wet van 13 april 2019,
(2)de ‘stedenbouwkundige verordening van 20 februari 2017 van de Gemeente Koksijde voor inplanting van gebouwen’.
  1. De loutere omstandigheid dat, volgens de Raad voor Vergunningsbetwistingen, ‘Uit het inplantingsplan dat bij de aanvraag gevoegd werd, blijkt dat er een afstand van 5 meter ten aanzien van alle perceelsgrenzen die op het plan staan aangeduid, wordt gewaarborgd vanaf het hoofdgebouw’ neemt bijgevolg niet weg dat het hoofdvolume van het hoofdgebouw territoriaal, — met andere woorden door een verticale projectie op een horizontaal vlak ter hoogte van het maaiveld —, zich wel degelijk verder en breder uitstrekt dan de kleinere territoriale zone die op het maaiveld-niveau formeel aangegeven werd in het aangehaalde inplantingsplan van de aanvrager. In tegenstelling met hetgeen de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het thans bestreden arrest aangeeft, kon in casu uit het zogeheten ‘terreinprofiel’ (ook betiteld ‘Nieuwe toestand — plan architect — Omgevingsloket’) dat door verzoeker werd aangehaald om zijn stelling (van de niet-conformiteit met artikel 3.1 van de gemeentelijke verordening voor inplanting van gebouwen) te staven, wel degelijk geldig het tegendeel van verweerders stelling worden afgeleid en moest dit tegendeel ook worden afgeleid. Dit betreft het tegendeel van verweerders stelling dat de verplichting tot het vrijwaren van een afstand van 5 meter tot de perceelsgrenzen wel zou zijn nageleefd). Eveneens ongegrond is bijgevolg de aansluitende besluitvorming van de RvVb die evenzeer ten onrechte stelt, in verzoekers nadeel, dat ‘uit het terreinprofiel dat door de verzoekende partijen wordt aangehaald om hun stelling te staven, kan het tegendeel niet worden afgeleid’.
  2. Het, door verzoeker aangehaald, ‘terreinprofiel’ staaft immers dat het hoofdvolume van het hoofdgebouw zich territoriaal, — met andere woorden door een verticale projectie op een horizontaal vlak ter hoogte van het maaiveld —, wel verder en breder uitstrekt dan de territoriale zone die via een verticale projectie op het maaiveld-niveau formeel grafisch is aangegeven in het aangehaalde inplantingsplan van de aanvrager. Hierbij heeft verweerder ten onrechte formeel gesuggereerd en bepaald dat het bovengronds bouwvolume, verticaal geprojecteerd op een horizontaal vlak op het maaiveld-niveau, toch niet dichter gelegen zou zijn dan 5 m van de as van de Sijsjesstraat (zijnde een as die de aanvrager heeft opgegeven ais de in aanmerking te nemen referentielijn). VII-41.239-5/13 Derhalve heeft verzoeker uit het terreinprofiel dat door verzoeker werd aangehaald om in het RvVb-beroep zijn stelling te staven, wel degelijk het tegendeel (van de stelling dat de verplichting tot het vrijwaren van een afstand van 5 m tot de perceelsgrenzen toch zou zijn nageleefd) geldig afgeleid.” Beoordeling
  3. Verzoeker die aanvoert dat uit het “terreinprofiel” dat hij heeft aangehaald om zijn stelling voor de RvVb te staven, “het tegendeel van verweerders stelling” kan en moest worden afgeleid, verplicht de Raad van State de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. Het cassatieberoep kan echter enkel betrekking hebben op rechtsvragen. Artikel 14, § 2 van de RvSt-wet bepaalt immers dat de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaken zelf” treedt. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  4. De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening voor inplanting van gebouwen van de gemeente Koksijde van 20 februari 2017 (hierna: gemeentelijke inplantingsverordening) bevat reglementaire bepalingen. De uitlegging ervan door de RvVb kan geen aanleiding geven tot miskenning van de bewijskracht. Het middel dat de miskenning van de bewijskracht van de gemeentelijke inplantingsverordening aanvoert, kan niet tot cassatie leiden.
  5. Het middel dat de schending aanvoert van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 2 Corridor Schipgat-Doornpanne, zonevreemde constructies van 18 juni 2009 (hierna: gemeentelijk RUP), zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest dit gemeentelijk RUP schendt, is niet ontvankelijk.
  6. Het eerste middel wordt verworpen. VII-41.239-6/13 B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
  7. Verzoeker voert aan: “Schending van de bewijskracht van de akten en van de regels inzake de bewijskracht van de akten, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek — Boek VIII : Bewijs, ingevoerd door de wet van 13 april 2019, Evenals schending van:
(1)artikel 4.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 23, 29, 62 en 63 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en artikel 56 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw
(2)het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doorn panne (d.d. 18/06/2009), inzonderheid ‘Detailplan 11’,
(3)de stedenbouwkundige verordening van 20 februari 2017 van de Gemeente Koksijde voor inplanting van gebouwen,
(4)het decreet van 3 mei 2019 (van de Vlaamse overheid) houdende de gemeentewegen en het decreet van 28 januari 1977 (van de Vlaamse overheid) fat bescherming van de namen van de openbare wegen en pleinen.” Hij licht toe: “
  1. In het RvVb-annulatie-beroep hebben verzoekers o.m. het volgende opgeworpen in de 1ste en 2de onderdelen van het enig middel: (RvVb-beroep, p. 25 e.v., nr. 41-42 (...) 50 - (...) 53-54-55)
  2. De thans bestreden beslissing merkt (impliciet) de Sijsjesstraat aan als ‘een onverharde weg met een breedte van ca. 5 m’. Nogmaals ook, het perceel H414d is een ‘hoekperceel’. Het is onwettig en onbehoorlijk dat de Deputatie de verwijdering van 5 m van de gebouwen ten aanzien van de Sijsjesstraat nu (via een uitham) berekent vanaf de as van de Sijsjesstraat, en niet berekent vanaf de Oostkant van de Sijsjesstraat die als openbare weg een breedte van 5 m heeft.
  3. Niet alleen gaat de betwiste beslissing voorbij aan het karakter van openbare weg van de Sijsjesstraat en beperkt men zo onwettig eveneens de uitweg van verzoekers perceel H 414 D op deze straat. Dit alles gaat des te minder op omdat op 27 maart 2015 de landmeter van de huidige aanvrager vermeldt dat de Sijsjesstraat, aangemerkt als een ‘niet aangelegde straat’, een breedte van 5 m heeft. Hi] bepaalt dat zijn ‘toegevoegd perceel’, aanpalend aan de Sijsjesstraat (ter hoogte van VII-41.239-7/13 verzoekers perceel), reikt tot aan de bedding van de Sijsjesstraat (en niet tot aan de as ervan). Als dusdanig wordt de Sijsjesstraat, al dan niet verhard, dus nu onwettig en onbehoorlijk herleid tot een bedding van 2,5 m ter hoogte van het perceel van het thans betwiste project (in plaats van een bedding met een breedte van 5m, zoals ter hoogte van het aanpalend perceel van de aanvrager).
  4. Ook in casu vergt de goede ruimtelijke ordening dat voor het hoekperceel, gelegen bij de kruising van de Rozemarijnweg en de Sijsjesstraat, de gebouwen ten aanzien van de Sijsjesstraat verwijderd zijn op minstens 5 m vanaf de Oostkant van de Sijsjesstraat die tenslotte een breedte van 5m heeft. Om de redenen, reeds opgegeven in de bezwaarschriften en ter hoorzitting en zonet ook herhaald en toegelicht, moest in graad van beroep de aanvraag tot omgevingsvergunning dus geweigerd worden. Minstens moesten de plannen worden aangepast in die zin dat voor het hoekperceel, gelegen bij de kruising van de Rozemarijnweg en de Sijsjesstraat, de verwijdering van 5 m van de nieuwe gebouwen ten aanzien van de Sijsjesstraat niet wordt berekend vanaf de as van de Sijsjesstraat, doch wel bepaald worden vanaf de Oostkant van de Sijsjesstraat die een bedding met breedte van 5 m heeft. Door er anders over te oordelen schendt de Deputatie in casu onder meer
(1)artikel 4.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening,
(2)het Gemeentelijk RUP zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doornpanne (d.d. 18 ]uni 2009),
(3)de stedenbouwkundige verordening van 20 februari 2017 van de Gemeente Koksijde voor inplanting van gebouwen,
(4)het gelijkheidsbeginsel en de regel patere legem quam ipse fecisti en
(5)de beginselen van zorgvuldigheid. (…)
  1. De schending van de goede ruimtelijke ordening blijkt ook uit de schending van het gemeentelijk ‘GRUP Zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doompanne’, hier ook lex superior. Tenslotte bepaalt dit GRUP zelf de in acht te nemen configuraties van de betrokken percelen, dit precies met oog op de goede ruimtelijke ordening. Hierbij wordt de gehele bedding van de Sijsjesstraat gewaarborgd ais gehele openbare weg met een bedding van 5 m breedte. Het POA-Verslag vermeldt het ‘GRUP Zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doornpanne’: (p. 5) De aanvraag ligt in een Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat Doornpanne, (d.d. 18/06/2009) in zone 1: zone in functie van ééngezinswoningen, zone 2: zone i.f.v. natuurontwikkeling en overgangszone naar natuurgebied. VII-41.239-8/13 Ter hoogte van perceel 414d vertoont de bouwzone dus geen enkele uittekening ten belope van de helft van de Sijsjesstraat (die overigens ook een openbare weg met een formele publieke naam is). Men moest de verwijdering, bepaald in de Gemeentelijke verordening inplanting, dus des te meer nu berekenen vanaf de grenzen van de zones, bepaald in GRUP Zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doornpanne’ . Dit zijn ook de grenzen, vermeld in de kadastrale informatie. De percelen-configuratie van het GRUP moest in acht worden genomen bij de eis van de inplanting.
  2. De omstandigheid dat een landmeter verklaart dat zijn cliënt wel nog eigenaar is van de helft van de bedding van de Sijsjesstraat, is hierbij irrelevant. De opgelegde verwijderingen moeten berekend worden vanaf de grens van de bedding van de Sijsjesstraat, en niet vanaf de as van de Sijsstraat.
  3. Ex absurdo zou verweerders benadering anders overigens betekenen dat de referentie-lijn voor de te berekenen inplanting-verwijdering zou verschillen naar gelang de eigenaar van een perceel verklaart ook eigenaar te zijn van een gedeelte van de openbare weg aan dewelke zijn perceel paalt. Niet alleen zou men zo de bouwzones, bepaald en vermeld in het GRUP Zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doornpanne, vlot en ook onrechtmatig (kunnen) ontzien of vermijden. Bovendien zou dan zo een niet-uniforme minimale verwijdering ten aanzien van de bedding van de Sijsjesstraat met breedte van 5 m gelden, wat kennelijk de goede ruimtelijke ordening schendt.
  4. In het bestreden arrest dd. 7 oktober 2021 acht de Raad voor Vergunningsbetwistingen het eerste en het tweede middelonderdeel van het enig middel ongegrond met de volgende beoordeling: ‘
  5. In het eerste en het tweede middelonderdeel wordt de onverenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening opgeworpen alsook de onverenigbaarheid met de bepalingen van de gemeentelijke inplantingsverordening en het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorziet over de inplanting van gebouwen bij het betrokken perceel in artikel 3.2.12.2 het volgende: ‘... 3.2.12.2 BEBOUWINGSVOORSCHRIFTEN inplanting De afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt minimum 5 m, behoudens de bestaande toestand. ...’ VII-41.239-9/13 Artikel 3 van de gemeentelijke inplantingsverordening bepaalt het volgende: 3.1 Voor het bouwen van een eengezinswoning of koppelwoning en voor het uitbreiden van een bestaande eengezinswoning/koppelwoning moet voor het hoofdvolume een afstand van minimum 5m worden gerespecteerd ten aanzien van alle perceelsgrenzen, behalve ingeval van koppeling/aaneengesloten bebouwingen behalve indien de bestaande bebouwing/omgevende bebouwing zo is opgevat dat deze op de rooilijn is gebouwd. Zowel uit het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ais uit de gemeentelijke inplantingsverordening blijkt duidelijk dat er een afstand van 5 meter ten aanzien van de perceelsgrenzen dient behouden te worden. Van belang zijn dus de perceelsgrenzen en dit ongeacht of deze perceelsgrenzen samenvallen met de as van een (niet-aangelegde) weg. De bestreden beslissing stelt het volgende: Uit de geciteerde overwegingen blijkt, naar het oordeel van de Road, dat de verwerende partij op een correcte wijze invulling gaf aan de bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en de gemeentelijke inplantingsverordening. De verzoekende partijen kunnen niet gevolgd worden wanneer zij het artikel anders interpreteren door de as van de straat in aanmerking te nemen in plaats van de perceelsgrenzen. De bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en de gemeentelijke inplantingsverordening worden derhalve niet geschonden. De verzoekende partijen geven aan het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en de gemeentelijke inplantingsverordening een draagwijdte die niet kan worden afgeleid uit de nochtans duidelijke tekst ervan.
  6. De verzoekende partijen maken onvoldoende aannemelijk dat het deel, zoals aangeduid op het landmetersplan, van de Sijsjesstraat geen eigendom is van de tussenkomende partij noch overtuigen ze de Raad van het bestaan van een openbare weg. Uit het administratief dossier blijkt dat de Sijsjesstraat niet volledig is doorgetrokken. Net gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is slechts op beperkte delen van toepassing, de Sijsjesstraat wordt hierop niet aangeduid ais straat waarop het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan van toepassing is. Enkel het kadasterplan dat deels wordt overgenomen, duidt deze straat aan. Hier kan op zich geen juridische waarde aan worden gekoppeld. Net landmeterplan van 19 juni 2010 toont aan dat minstens een deel van de Sijsjesstraat binnen de perceelsgrenzen ligt en mee in rekening mag worden genomen om de afstand te berekenen. Ook de verwijzing naar de verkavelingsplannen overtuigen niet. Zoals de verwerende partij stelt in de bestreden beslissing is er thans geen goedgekeurde verkaveling.’
  7. Door aldus te beslissen schendt de Raad voor Vergunningsbetwistingen evenwel de bepalingen en beginselen, opgegeven in de aanhef van het middel, en hierbij onder meer :
(1)artikel 4.3.1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 23, 29, 62 en 63 van het decreet van 25 april 2014 betreffen de Omgevingsvergunning en artikel 56 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw VII-41.239-10/13
(2)het ‘Gemeentelijk Ruimtelijk uitvoeringsplan zonevreemde constructies GRUP 2 Corridor Schipgat — Doompanne’ (d.d. 18 juni 2009), - hierna: GRUP -
(3)de bewijskracht van de akten — zijnde in casu dit GRUP met inbegrip van de Detailplannen nr. 11, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikelen 8.17 en 8.18 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek — Boek VIII : Bewijs, ingevoerd door de wet van 13 april 2019,
(4)de ‘stedenbouwkundige verordening van 20 februari 2017 van de Gemeente Koksijde voor inplanting van gebouwen’, inzonderheid artikel 9.2-9.3,
(5)het decreet van 3 mei 2019 (van de Vlaamse overheid) houdende de gemeentewegen en het decreet van 28 januari 1977 (van de Vlaamse overheid) tot bescherming van de namen van de openbare wegen en pleinen.” Beoordeling
  1. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.3.1 VCRO en de artikelen 23, 29, 62 en 63 van het omgevingsvergunningendecreet, zonder uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen worden geschonden, is niet ontvankelijk.
  2. Het gemeentelijk RUP en de verkavelingsvergunning bevatten reglementaire bepalingen. De uitlegging ervan door de RvVb kan geen aanleiding geven tot miskenning van de bewijskracht. Het middel dat de miskenning van de bewijskracht van het gemeentelijk RUP en de verkavelingsvergunning aanvoert, kan niet tot cassatie leiden.
  3. Het middel dat aanvoert dat: – het antwoord van de RvVb op de door verzoeker aangevoerde schending van de gemeentelijke inplantingsverordening en de goede ruimtelijke ordening, ongegrond is, – het niet volstond om de duidelijke tekst van het gemeentelijk RUP aan te halen ter afwijzing van verzoekers middel, VII-41.239-11/13 – het bestreden arrest het gemeentelijk RUP niet onjuist kon toepassen en naast zich neerleggen gelet op de voorschriften van de artikelen 9.2 en 9.3 van de gemeentelijke inplantingsverordening, – de gegrondheid van verzoekers grief wordt bevestigd door de toelichting in het gemeentelijk RUP, – de RvVb ten onrechte overweegt dat verzoeker niet overtuigt van het bestaan van een openbare weg “(wat betreft de Sijsjesstraat)”, – de stelling van de RvVb dat het landmeterplan van 19 juni 2010 aantoont dat minstens een deel van de Sijsjesstraat binnen de perceelsgrenzen ligt en mee in rekening mag worden genomen om de afstand te berekenen en dat de verwijzing naar de verkavelingsplannen niet overtuigt, – de bijzondere overweging in het bestreden arrest dat het gemeentelijk RUP slechts op beperkte delen van toepassing is, de Sijsjesstraat niet als straat wordt aangeduid op het gemeentelijk RUP maar wel op het kadasterplan waaraan geen juridische waarde kan worden gekoppeld, ongegrond is of geen geldige reden om aan de aanpalende Sijsjesstraat “de kwalificatie van openbare weg te ontnemen”, verplicht de Raad van State de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. De Raad van State is hiertoe als cassatierechter niet bevoegd (randnummer 8). Het middel dat de schending aanvoert van het gemeentelijk RUP, de inplantingsverordening, het voormelde decreet 3 mei 2019, het voormelde decreet van 28 januari 1977, artikel 56 van voormelde wet van 29 maart 1962, en de verkavelingsvergunning van 25 februari 1986 is onontvankelijk.
  4. Het bestreden arrest overweegt dat zowel uit het gemeentelijk RUP als uit de gemeentelijke inplantingsverordening duidelijk blijkt dat een afstand ten aanzien van de perceelsgrenzen moet worden behouden zodat de perceelsgrenzen van belang zijn “ongeacht of deze perceelsgrenzen samenvallen met de as van een (niet-aangelegde) weg”. VII-41.239-12/13 Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest “stelt dat dit GRUP een verwijdering van 5 m t.a.v. de Sijsjesstraat […] voorschrijft”, mist feitelijke grondslag. Het middel dat de schending aanvoert van het gemeentelijk RUP kan niet tot cassatie leiden.
  5. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  6. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.239-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.