← België

Arrest 256302 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.302 Rolnummer: A. 235765/VII-41317 Zaak: Arrest 256302 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-27 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-17 21:30 Fiche Arrest nr 256.302 van 19 april 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.302 van 19 april 2023 in de zaak A. 235.765/VII-41.317 In zake : de BV RENTAL INVEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Jef Goffings kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 23 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0338 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 13 januari 2022 in de zaak 1920-RvVb-0696-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 maart 2022. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.317-1/8 Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 26 augustus 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2023. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laetitia Louis, die loco advocaat Elias Gits verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jef Goffings, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Het Vlaamse Gewest weigert op 13 mei 2020 aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor “1) de aanleg van een CNG box en tankunit en hoogspanningscabine; 2) het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor verhuur van voertuigen, een garagewerkplaats en een brouwerij”. VII-41.317-2/8 4. Het bestreden arrest verwerpt het middel en bijgevolg het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van het Vlaamse Gewest. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de verzoekende partij 5. De verzoekende partij voert aan: “Het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen is strijdig met de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, door het begrip ‘economische activiteit’ uit de stedenbouwkundige voorschriften van het sectoraal-BPA Zonevreemde bedrijven van de gemeente Anzegem aldus in te vullen dat er verschillende economische activiteiten toegelaten zijn als ze verricht worden door één bedrijf, maar dat diezelfde activiteiten niet toegelaten zijn wanneer deze worden verricht door verschillende bedrijven van dezelfde bedrijvengroep.” en “24. ‘Economische entiteit’ = ‘bedrijf’. De Raad voor Vergunningsbetwistingen is uitgegaan van de premisse dat ‘economische entiteit’ en ‘bedrijf’ als synoniemen moesten beschouwd worden. Aangezien ‘bedrijf’ wordt omschreven als het geheel aan economische activiteiten, moest volgens de Raad voor Vergunningsbetwistingen ‘bedrijf’ gelijkgesteld worden met ‘economische entiteit’ in de zin van het betrokken BPA. Dergelijke gelijkstelling valt echter niet rechtstreeks af te leiden uit het BPA zelf, des te meer omdat de term ‘bedrijf wordt gelijkgesteld aan economische activiteit’ en niet aan ‘economische entiteit’. De activiteit slaat echter in de gewone betekenis op de bedrijvigheid / werkzaamheid zelf, terwijl entiteit eerder op een fysieke aanwezigheid duidt. Een ‘entiteit’ betekent in de gewone betekenis hetgeen, dat juridisch als een eenheid wordt beschouwd, zoals bijvoorbeeld een moederbedrijf en haar dochterbedrijven die door de ficus als één beschouwd kunnen worden. In die betekenis hadden de deelbedrijven op de site wel degelijk als een economische entiteit beschouwd kunnen worden. 25. Verschillende economische activiteiten door éénzelfde bedrijf toegestaan. VII-41.317-3/8 De gelijkstelling tussen het begrip ‘economische entiteit’ en ‘bedrijf’ heeft tot gevolg dat, volgens de interpretatie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, het toegestaan is om verschillende economische activiteiten (zoals het uitbaten van een brouwerij, garage en CNG-station) te exploiteren wanneer dit door één bedrijf (lees: dezelfde rechtspersoon) gebeurt, maar niet wanneer dit gebeurt door verschillende bedrijven. In casu, is de Raad voor Vergunningsbetwistingen van oordeel dat er verschillende bedrijven aanwezig zouden zijn op de site. Dat het gaat om deelbedrijven die deel uitmaken van de Delrue Group brengt de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet tot een ander besluit. Dit is nu net het punt waar de motivering in het arrest wringt. Echter wanneer deze verschillende activiteiten (zoals het uitbaten van een brouwerij, garage en CNG-station) dus ondergebracht zouden worden onder één vennootschap / bedrijf dan zou er zich geen enkel probleem stellen volgens de interpretatie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, terwijl de effecten op de omgeving en de ruimtelijke draagkracht dezelfde blijven. Dit wordt echter uitdrukkelijk door de Raad voor Vergunningsbetwistingen geëxpliciteerd: ‘Wanneer in het betrokken voorschrift dan uitdrukkelijk wordt gesteld dat slechts één economische entiteit binnen de zone voor bedrijvigheid mag worden gevestigd, betekent dit dat het loutere feit dat er ter plekke verschillende economische activiteiten worden uitgeoefend, geen beletsel kan zijn, doch enkel wanneer deze verschillende economische activiteiten door één bedrijf worden uitgebaat.’ [eigen aanduiding] 26. Schending gelijkheidsbeginsel. Er is sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, (

  1. i)wanneer gelijkaardige situaties (
  2. ii)ongelijk worden behandeld en (iii) indien daarvoor geen gegronde of objectieve reden voor bestaat. De interpretatie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van het begrip ‘economische entiteit’ schendt het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij in cassatie verklaart zich nader: 27. Gelijkaardige situaties (i). De huidige situatie van exploitatie door de verzoekende partij in cassatie waarbij op de site een tankstation, een brouwerij en een garage (en dus verschillende economische activiteiten) worden uitgebaat onder verschillende vennootschappen van de Delrue Group, verschilt in feite niet van de situatie waarbij het tankstation, de brouwerij en de garage (en dus verschillende economische activiteiten) worden uitgebaat zou worden door één en dezelfde vennootschap / bedrijf. De feitelijke situatie verschilt niet aangezien de impact op de ruimtelijke draagkracht in de beide gevallen dezelfde is. Nochtans blijkt uit de toelichting bij het BPA dat de vrijwaring van de ruimtelijke draagkracht wel aan de grondslag ligt ervan, des te meer aangezien de verschillende zonevreemde bedrijven opgedeeld zijn in verschillende categorieën en nu de bedrijfssite van verzoekende partij in cassatie ingedeeld is in categorie 5 waarbij er naar toekomstige activiteiten geen bijkomende beperkingen werden opgelegd in tegenstellig tot andere categorieën. VII-41.317-4/8 VII-41.317-5/8 28. Ongelijke behandeling (ii). Er kan alleen maar vastgesteld worden dat de ruimtelijke impact dezelfde is, in de gevallen waarbij: - het uitbaten van een brouwerij, garage en CNG-station gebeurt onder de vorm van één vennootschap - het uitbaten van een brouwerij, garage en CNG-station gebeurt onder de vorm van meerdere vennootschappen die deel uitmaken van een bedrijvengroep Onder de interpretatie die de Raad voor Vergunningsbetwistingen geeft aan het begrip ‘economische entiteit’ zou het eerste geval in overeenstemming zijn met de bestemmingsvoorschriften van het BPA, maar het tweede geval niet, terwijl de feitelijke toestand en ruimtelijke impact in de beide gevallen identiek zouden zijn. 29. Pertinent criterium (iii). Om een onderscheid tussen gelijkaardige situaties te kunnen rechtvaardigen moet er sprake zijn van een objectief en pertinent criterium. Het gehanteerde criterium, namelijk 1 of meerdere bedrijven, kan dan wel een objectief criterium zijn. Toch is het geen dienend criterium die verband houdt met de doelstelling van de regelgever, in de betekenis die er door de Raad voor Vergunningsbetwistingen aan werd gegeven.3 Het criterium is niet pertinent nu er geen implicaties zijn naar de ruimtelijke draagkracht, die niet mag overschreden worden door de aanwezige zonevreemde bedrijvigheid. Echter zorgt het criterium ‘één economische entiteit’ (volgens de interpretatie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen waarbij één bedrijf ook tal van economische activiteiten verrichten) er niet voor dat de ruimtelijke draagkracht wordt gevrijwaard, aangezien het geen beoordeling inhoudt van de ruimtelijke impact van de bedrijvigheid. Zo kunnen meerdere kleine (deel)bedrijven een gelijkaardige impact hebben als de aanwezigheid van een groter bedrijf.” Beoordeling 6. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet bepalen respectievelijk : “Art. 10 Er is in de staat geen onderscheid van standen. De Belgen zijn gelijk voor de wet; zij alleen zijn tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld. De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd”, en VII-41.317-6/8 “Art. 11 Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden. Te dien einde waarborgen de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden”. 7. Deze grondwetsbepalingen zijn gericht tot de wetgevende en de uitvoerende macht. De rechter moet de hem voorgelegde geschillen beslechten aan de hand van de bestaande rechtsregelen en algemene rechtsbeginselen. Het middel roept niet de schending in door de bestreden uitspraak van een andere rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel dan de ingeroepen grondwetsbepalingen. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.317-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.317-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.302 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.