← België

Arrest 256303 - Niet begeleide minderjarigen - 19/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.303 Rolnummer: A. 235558/VII-41562 Zaak: Arrest 256303 - Niet begeleide minderjarigen - 19/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-27 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-19 06:02 Fiche Arrest nr 256.303 van 19 april 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.303 van 19 april 2023 in de zaak A. 235.558/VII-41.562 In zake : Sher Khan ALIDINKHEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 26 januari 2022 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 24 december 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de VII-41.562-1/14 rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november 2022, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benoit Dhondt, die loco advocaat Jana Schellemans verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 21 juni 2021 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 2 februari
  5. De dienst Vreemdelingenbetwistingen uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. Op 13 juli 2021 deelt de dienst Vreemdelingenzaken aan de dienst Voogdij mee dat verzoeker voordien reeds een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Bulgarije met als identiteit D.A., geboren op 21 februari
  6. VII-41.562-2/14 Op 19 juli 2021 ondergaat verzoeker in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. 3.
  7. Op 23 juli 2021 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Verzoeker stelt een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in tegen deze beslissing. 3.
  8. Het Universitair Ziekenhuis Antwerpen verstrekt op 10 december 2021 bijkomende informatie aan de verwerende partij over het uitgevoerde leeftijdsonderzoek. Op 24 december 2021 beslist de verwerende partij op grond van deze bijkomende informatie de beslissing van 23 juli 2021 in te trekken, verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de thans bestreden beslissing. 3.
  9. Met arrest nr. 253.252 van 17 maart 2022 verklaart de Raad van State het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing van de voornoemde beslissing van 23 juli 2021 zonder voorwerp, gelet op de intrekking van die beslissing. IV. Ontvankelijkheid – taal van het inleidend verzoekschrift
  10. De verwerende partij vraagt het inleidende verzoekschrift “nietig” te verklaren op grond van artikel 53 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State omdat zij een centrale dienst is waarvan de werkkring het gehele land bestrijkt en de bestreden beslissing in het Nederlands is opgesteld. De oorsprong van het dossier bepaalt de taal waarin een dossier moet worden behandeld. VII-41.562-3/14
  11. Er bestaat niet de minste twijfel over dat verzoeker te dezen optreedt als particulier. Bijgevolg is hij niet onderworpen aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken en mag hij op grond van artikel 66, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor het ingediende verzoekschrift de taal gebruiken die hij verkiest. Artikel 53 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft enkel betrekking op de taal waarin de Raad van State de zaak behandelt en dat is het Nederlands. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  12. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 7, § 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van de rechtszekerheid, van het gewettigd vertrouwen en een kennelijke beoordelingsfout. Verzoeker voert enerzijds aan dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is gemotiveerd doordat de verwerende partij meent zich te kunnen steunen op een (onbestaand) onderzoek van de tanden en anderzijds dat de bestreden beslissing niet voldoet aan de voorwaarden voor motivering door verwijzing. Hij licht dit toe in twee middelonderdelen: VII-41.562-4/14 “Première branche Le requérant a déclaré être né le 2 février
  13. Sur la base de ses déclarations il était donc âgé, au moment de l’examen, de seize ans. Un doute a cependant été émis sur son âge déclaré par l’office des étrangers et un examen médical a été réalisé sous le contrôle du Service des Tutelles. Suite au résultat du test d’âge, le Service des Tutelles a pris une décision de détermination de l’âge du requérant en date du 23 juillet 2021 dans laquelle il considère que le requérant serait vraisemblablement âgé de 20,8 ans avec un écart-type de 1,7 ans. Cet avis se fonde sur deux radiographies, le requérant ne présentant pas de dents de sagesse. Le médecin spécialiste mentionne, s’agissant des radiographies des mains et poignets, que le requérant présente un squelette « mature » et serait donc âgé de plus de 19 ans, avec une variation possible d’un an et demi. Au sujet de cet examen, le rapport de la Plateforme Mineurs en Exile indique (pièce 3) : « Cette méthode consiste en une analyse de l’état de progression de la fusion des cartilages responsables de la croissance en longueur. La croissance s’achève à la disparition des zones de cartilage par ossification, quand les zones de calcification se rejoignent et fusionnent. S’il ressort à l’examen que les zones de calcification ont fusionné, on considère que l’âge osseux d’un adulte a été atteint mais on ne peut déterminer quand cet âge a été atteint. Cette méthode d’examen n’a pas été développée pour tirer des conclusions quant à l’âge réel sur base de l’âge osseux, mais pour d’autres raisons : ces tables ont été élaborées pour définir une maturation osseuse précoce ou tardive par rapport à la moyenne et ainsi déceler des retards de croissance de l’enfant ou de l’adolescent. Ces tables étaient donc destinées à évaluer l’âge du squelette en connaissant l’âge chronologique et non l’inverse. En Belgique, nous utilisons donc la méthode GP de manière inversée sans que la fiabilité de cette inversion ait été validée par les auteurs de cette méthode » (page 20). En 2007, l'institution médicale française, l'Académie nationale de Médecine, s'est prononcée sur la fiabilité des examens médicaux visant à déterminer l'âge à fins judiciaires et la possibilité d'amélioration en la matière pour les mineurs isolés. Elle avait confié à un groupe d'experts la rédaction d'un rapport répondant à la question posée. Par un avis émis le 16 janvier 2007, l'Académie nationale constate que : « (…) la lecture de l’âge osseux par la méthode de Greulich et Pyle universellement utilisée, permet d'apprécier avec une bonne approximation l'âge de développement des adolescents en dessous de seize ans. Cette méthode ne permet pas de distinction nette entre seize et dix-huit ans » L’examen des mains et poignets ne peut être considéré à lui seul comme suffisant pour fonder le constat que le requérant serait majeur. Par ailleurs, eu égard à la variation de 1,5 ans par rapport à un âge estimé de 19 ans, ce test ne permet pas en lui-même d’exclure que le requérant soit mineur, le médecin n’excluant ainsi pas que le requérant puisse avoir 17 ans et demi. 7 7 La décision attaquée, à la différence de la décision du 23 juillet 2021 qui a été implicitement retirée par la partie adverse, il est précisé : ‘Voor het hand-polsgewricht geldt dat een volledige verbening overeenkomt met een volwassen skeletale leeftijd. Voor mannen komt dit overeen met een leeftijd van 19 jaar of ouder. Bij deze test hoort een standaarddeviatie van 1,5 jaar. VII-41.562-5/14 Echter, een volwassen hand-polsgewricht kan betekenen dat deze persoon 20 jaar, 30 jaar of 60 jaar oud is. Derhalve heeft het bij mensen met een volwassen handpols-gewricht geen zin om rekening te houden met deze standaarddeviatie. In het geval van een volledig beëindigde skeletale groei van het handpolsgewricht, zal het resultaat van de handpolsradiografie daarom niet meer meetellen voor de eigenlijke leeftijdsschatting, net omdat men niet juist kan vaststellen sinds hoeveel dagen, maanden of jaren deze groei volledig beëindigd is. De resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken zijn dan determinerend. Op basis van de resultaten van het orthopantomogram en opnamen van het mediale clavicula-uiteinde kunnen we met redelijke wetenschappelijke zekerheid stellen dat [A.S.K.] op de datum van het onderzoek ouder was dan 18 jaar.’ Cet élément est repris d’un courrier, non daté, du Dr De Smet, médecin à l’hôpital universitaire d’Anvers. La motivation de la décision n’est néanmoins ni compréhensible, ni conforme aux éléments du dossier administratif. L’avis du Dr De Smet ne contredit nullement le fait que l’écart-type d’un an et demi constitue une marge d’erreur et que le résultat du test n’exclut pas un âge de 17,5 ans. Que le requérant puisse avoir trente ou soixante ans sur base des résultats de ce test n’est nullement pertinent, l’écart-type visant à déterminer, dans le cas d’espèce, la marge minimale d’appréciation de l’âge du requérant et respecter le prescrit de l’article 7, §3 du Titre XIII, chapitre 6, « Tutelles des mineurs étrangers non accompagnés » de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 qui dispose que « En cas de doute quant au résultat du test médical, l'âge le plus bas est pris en considération ». De plus, la décision attaquée, reprenant l’avis non-daté du Dr De Smet, conclut que les deux autres radiographies sont déterminantes et que sur la base de l’orthopantomogram, soit l’examen dentaire, et de l’examen de la clavicule médiale, il peut être conclu à la majorité du requérant. Cet élément est contradictoire, puisqu’aucun examen dentaire n’a pu être réalisé. Il ressort en effet de l’examen médical du 20 juillet 2021 que les dents de sagesse sont absentes et qu’il ne peut être procédé à aucune détermination de l’âge du requérant sur cette base. S’agissant de l’examen de la clavicule, le médecin constate une fusion partielle, indicatrice d’un stade
  14. Le médecin conclut, sur la base de l’étude de Schmeling, à un âge moyen de 20,8 ans avec une variation de 1,7 ans. Or, de nombreuses études ont été réalisées au sujet de l’examen de la clavicule. Certaines de ces études ont constaté une fusion partielle, comme c’est le cas du requérant, dès l’âge de 16,9 ans (pièce 4). L’âge de 20 ans, mentionné dans l’étude de Schmeling et à laquelle le médecin se réfère, constitue une moyenne. Il n’exclut nullement qu’un individu puisse présenter un stade 3 de développement de la clavicule avant 20 ans. 8 8 Ainsi, quand bien même le requérant présenterait une fusion partielle de la clavicule, celle-ci ne fait obstacle à considérer que le requérant pourrait être âgé de seize ans comme il l’invoque, des études scientifiques ayant déjà constaté un tel stade de développement auprès de personne âgée de moins de dix-huit ans. Il convient de rappeler que selon une jurisprudence constante de Votre Conseil « Lorsque plusieurs tests sont réalisés, c’est la conclusion générale de ceux-ci qui constitue le résultat du test médical visé par l’article 7 de la loi-programme précitée » (voyez notamment C.E. VII-41.562-6/14 243.923 du 12 mars 2019). En l’espèce, le médecin spécialiste ne disposait des résultats que de deux tests, dont un seul lui a permis de donner une estimation de l’âge (examen de la clavicule). L’examen des mains et poignets indiquerait que le requérant serait âgé de plus de dix-huit ans et ne permettant pas d’exclure la minorité du requérant. Ni l’examen des radiographies des mains et poignets, ni l’examen de la clavicule, interprété à la lumière des différentes études réalisées à son sujet (pièces 3 et 4) ne permettent d’établir avec certitude que le requérant ne pourrait pas être âgé de moins de 18 ans. La décision attaquée n’est par conséquent pas adéquatement motivée. Seconde branche L’article 7, § 3 du Titre XIII, chapitre 6, « Tutelles des mineurs étrangers non accompagnés » de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 dispose que : « § 1er. Lorsque le service des Tutelles ou les autorités compétentes en matière d'asile, d'accès au territoire, de séjour et d'éloignement ont des doutes concernant l'âge de l'intéressé, il est procédé immédiatement à un test médical par un médecin à la diligence dudit service afin de vérifier si cette personne est âgée ou non de moins de 18 ans. (…). §
  15. Si le test médical établit que l'intéressé est âgé de moins de 18 ans, il est procédé conformément à l'article
  16. Si le test médical établit que l'intéressé est âgé de plus de 18 ans, la prise en charge par le service des Tutelles prend fin de plein droit. Le service des Tutelles en informe immédiatement l'intéressé, les autorités compétentes en matière d'asile, d'accès au territoire, de séjour et d'éloignement, ainsi que toute autre autorité concernée. §
  17. En cas de doute quant au résultat du test médical, l'âge le plus bas est pris en considération. » En l’espèce le requérant (ou son conseil) n’a pas eu connaissance du dossier administratif comprenant le test médical antérieurement à la prise de la décision attaquée ou concomitamment avec elle. En effet, bien qu’il soit indiqué dans la notification de l’acte attaqué (pièce 1) que la partie requérante peut obtenir toute information complémentaire relative à cette décision auprès du Service des Tutelles, il n’en demeure pas moins que la partie adverse se devait, à tout le moins, de joindre à l’acte attaqué les documents sur base desquels elle a fondé sa décision, la partie requérante n’ayant pas pu en prendre connaissance antérieurement. 9 9 En d’autres termes, même si les documents sur lesquels s’est fondé le défendeur sont versés au dossier administratif, il importait que le requérant ait pu en prendre connaissance soit par une notification simultanément à l’acte attaqué, soit par une reproduction dans l’acte attaqué, ou par une communication au tuteur lors de la désignation de celui-ci ou, encore, il aurait fallu que ces éléments soient déjà connus du requérant, ce qui n’est pas le cas en l’espèce. Or, « si les actes soumis à l'obligation de motivation formelle peuvent contenir une motivation par référence, c'est à la condition que les pièces ou l'avis auxquels il est fait référence soient reproduits dans l'acte ou annexés à celui-ci, qu'ils aient été communiqués aux intéressés et qu'ils soient eux-mêmes suffisamment et adéquatement motivés » (arrêt du Conseil d’Etat n°155621 du 27 février 2006). Une des conditions d’admissibilité d’une motivation par référence fait dès lors défaut en l’espèce. Cet élément est d’autant plus fondamental dans le cas d’espèce la décision attaquée, à la différence de la VII-41.562-7/14 décision du 23 juillet 2021 qui a été retirée, ne fait plus du tout référence à l’avis initial de son médecin conseil, que la seule pièce qui a été communiquée au conseil du requérant à la suite de la communication de la décision du 24 décembre 2021 est un courrier, non-daté, intitulé « explications complémentaires ». Ni la décision, ni ce courrier non-daté du Dr de Smet n’ont égard au fait que seuls deux tests sur trois ont pu être concluants en vue d’établir l’âge du requérant, et ne mentionne ainsi pas l’absence de dents de sagesse, élément pourtant important dans la motivation de la décision attaquée. A contrario, le document non-daté du Dr De Smet mentionne le caractère déterminant de la radiographie dentaire, alors que cela est contradictoire avec le précédent avis du 20 juillet
  18. Ainsi, les avis sur base desquels la décision a été prise sont contradictoires entre eux, s’agissant de l’examen dentaire. Une seconde condition de la motivation par référence ne semble ainsi pas réunie. Il en résulte une violation de l’obligation de motivation matérielle des actes administratifs.” Beoordeling Algemeen
  19. Verzoeker zet nergens uiteen op welke wijze hij artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel geschonden acht. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk. Eerste middelonderdeel
  20. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich hierbij evenwel tot algemene kritiek, waarbij hij verwijst naar een standpunt van het “Platform kinderen op de vlucht” en een advies van de Franse academie voor geneeskunde uit 2007, doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten VII-41.562-8/14 gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
  21. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen besluit de arts dat verzoeker “op datum van 19.07.2021 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Wat te dezen de handpolsradiografie betreft, wordt in het medisch verslag het volgende toegelicht: “Blijkt nu bij de betrokkene dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd. Op basis van de handpolsradiografie kan de skelettale leeftijd geschat worden met een redelijke zekerheid op 19 jaar of ouder. Een standaard deviatie van ongeveer 1.5 jaar dient hierbij gerespecteerd te worden, althans voor de beneden grens. Voor de bovengrens kan deze veel hoger liggen, aangezien met toenemende leeftijd er geen veranderingen meer optreden in het polsgewricht”. De voor het medisch onderzoek geconsulteerde arts heeft op 10 december 2021 hierover de volgende bijkomende informatie verstrekt, die in de bestreden beslissing is opgenomen: “Voor het hand-polsgewricht geldt dat een volledige verbening VII-41.562-9/14 overeenkomt met een volwassen skeletale leeftijd. Voor mannen komt dit overeen met een leeftijd van 19 jaar of ouder. Bij deze test hoort een standaarddeviatie van 1,5 jaar. Echter, een volwassen hand-polsgewricht kan betekenen dat deze persoon 20 jaar, 30 jaar of 60 jaar oud is. Derhalve heeft het bij mensen met een volwassen handpolsgewricht geen zin om rekening te houden met deze standaarddeviatie. In het geval van een volledig beëindigde skeletale groei van het handpolsgewricht, zal het resultaat van de handpolsradiografie daarom niet meer meetellen voor de eigenlijke leeftijdsschatting, net omdat men niet juist kan vaststellen sinds hoeveel dagen, maanden of jaren deze groei volledig beëindigd is. De resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken zijn dan determinerend. Op basis van de resultaten van het orthopantomogram en opnamen van het mediale clavicula-uiteinde kunnen we met redelijke wetenschappelijke zekerheid stellen dat ALIDINKHEL Sher Khan op de datum van het onderzoek ouder was dan 18 jaar.” Wat het onderzoek op basis van het orthopantogram betreft, wordt in het verslag van het medisch onderzoek van 13 juli 2021 vastgesteld: “Radiologisch onderzoek toont dat alle tanden exclusief de wijsheidstanden volledig afgevormd zijn. De wijsheidstanden zijn afwezig. Gezien dit gegeven bekomt men volgens Olze (Olze et al., 2004 Int J Legal Med 118: 170 173) en Mesotten (Mesotten et al., 2003 Forensic Sci Int 136:52-57) geen leeftijdsbepaling.” Wat het onderzoek op basis van de radiografie van het sleutelbeen betreft, blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat de arts bij zijn onderzoek vaststelde dat de mesiale epipyse van beide sleutelbeenderen overeenstemt met het rijpingsstadium type 3 van de ossificatie van het kraakbeen van het sleutelbeen, hetwelk luidens het overgelegde verslag, volgens het onderzoek van Schmeling en anderen, overeenstemt met een gemiddelde leeftijd van rond de 20.8 jaar met een standaarddeviatie van 1.7 jaar.
  22. Volgens verzoeker is de bestreden beslissing tegenstrijdig met de bijkomende uitleg van Dr. D.S. van 10 december 2021 en wordt niet uitgesloten dat er sprake kan zijn van een minimumleeftijd van 16,9 of 17,5 jaar. VII-41.562-10/14 Uit de bijkomende uitleg van de arts blijkt dat, gelet op de volwassen skelettale groei van het handpolsgewricht, de twee andere radiologische onderzoeken dan determinerend zijn. Uit de handpolsradiografie blijkt de biologische maturiteit van de betrokkene, Zoals de arts toelicht in haar nadere uitleg van 10 december 2021, geeft deze test geen uitsluitsel over de eigenlijke leeftijd, net omdat hieruit te dezen enkel de minimumleeftijd (19 jaar met een standaarddeviatie van 1,5 jaar) kan worden afgeleid, terwijl de werkelijke leeftijd veel hoger kan liggen, zodat de resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken determinerend zijn. De handpolsradiografie maakt aldus onderdeel uit van het meervoudig onderzoek. Uit het medisch verslag blijkt verder, hetgeen niet wordt betwist, dat op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat de wijsheidstanden niet aanwezig zijn en dat op basis van de aanwezige tanden, die allemaal volledig afgevormd zijn, de radiografie van de tanden geen relevant leeftijdsresultaat geeft. Aldus is het resultaat van de radiografie van het sleutelbeen, die resulteert in een leeftijd van 20,8 jaar met een standaarddeviatie van 1,7 jaar, doorslaggevend voor de eigenlijke leeftijdsschatting, die ondersteund wordt door de handpolsradiografie, die aangaf dat verzoeker minstens 19 jaar is (met een standaarddeviatie van 1,5 jaar naar beneden toe). De leeftijdsschatting steunt derhalve op twee van de drie gebruikelijke testen om de leeftijd te bepalen. De resultaten van die twee testen zijn niet in strijd met elkaar, noch met het eindresultaat van het leeftijdsonderzoek. Verzoeker maakt derhalve niet aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of hij meer dan achttien jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, noch dat de verwerende partij de haar voorliggende gegevens heeft beoordeeld in strijd met enig aangevoerd algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De dienst Voogdij heeft zich dus terecht gebaseerd op de jongste leeftijd zoals afgeleid uit de conclusie van het medisch onderzoek om te besluiten dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn VII-41.562-11/14 eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag.
  23. Het eerste onderdeel van het enige middel is ongegrond. Tweede middelonderdeel
  24. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van het medisch onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen wordt in de bestreden beslissing verwezen naar de beslissing van 23 juli 2021 die verzoeker had ontvangen (en aangevochten) en waarin reeds de conclusie van het leeftijdsonderzoek werd weergeven, namelijk dat op basis van het medisch onderzoek van 19 juli 2021 kan worden besloten “met een redelijke wetenschappelijke zekerheid dat [verzoeker] op datum van 19.07.2021 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. Verder wordt in de bestreden beslissing de door de geconsulteerde arts op 10 december 2021 meegedeelde informatie weergegeven, met als besluit dat “op basis van de resultaten van het orthopantomogram en opnamen van het mediale clavicula-uiteinde […] we met redelijke wetenschappelijke zekerheid [kunnen] stellen dat [verzoeker] op de datum van het onderzoek ouder was dan 18 jaar (…)”. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont evenmin aan dat hij er geen kennis van kon nemen. In de uiteenzetting van het middel vermeldt verzoeker immers ook de bevindingen van het medisch onderzoek van 19 juli
  25. Het administratief dossier met het oorspronkelijk medisch VII-41.562-12/14 onderzoek van 19 juli 2021 werd aan verzoeker overgemaakt in het kader van de (nadien ingetrokken) beslissing van 23 juli 2021, op een ogenblik dat de thans bestreden beslissing nog niet was genomen. Verzoeker werd dus in kennis gesteld van het administratief dossier. Dat hij dit niet opnieuw zou ontvangen hebben in het kader van de thans bestreden beslissing, doet hieraan geen afbreuk. Verzoekers stelling dat de stukken waarnaar de bestreden beslissing verwijst tegenstrijdig zijn, kan, zoals bij de behandeling van het eerste middelonderdeel reeds werd geoordeeld, evenmin worden gevolgd vermits de bijkomende uitleg van de arts van 10 december 2021 net aangeeft waarom de radiografie van het sleutelbeen doorslaggevend is. Verzoeker toont niet aan dat de resultaten van die bijkomende uitleg niet gelijk zijn aan de resultaten van het medische onderzoek van 19 juli
  26. Van enige tegenstrijdigheid in de motivering is aldus geen sprake.
  27. Het tweede onderdeel van het enige middel is ongegrond. VI. Vordering tot schorsing
  28. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. VII. Kosten – rechtsplegingsvergoeding
  29. Ter terechtzitting vraagt verzoeker, in ondergeschikte orde, dat hij niet zou worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verwerende partij. Naar luid van artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een rechtsplegingsvergoeding worden toegekend die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van “de in VII-41.562-13/14 het gelijk gestelde partij”. Op grond van artikel 30/1, § 2, tweede lid van die gecoördineerde wetten wordt de rechtsplegingsvergoeding ten laste van de in het ongelijk gestelde partij die juridische tweedelijnsbijstand geniet, zoals te dezen verzoeker, beperkt tot het minimumbedrag van 140 euro, zoals overigens gevraagde door de verwerende partij. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  31. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  32. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.562-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.303 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.