id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:
§ 3
, van het Mestdecreet van 22 december 2006, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, per uitbating, voor alle meststoffen die vanuit de uitbating vertrekken: 1° de exploitatie of de uitbating waar de meststoffen geproduceerd werden en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater als de betrokken meststoffen niet op de uitbating zelf geproduceerd zijn; 2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd; 3° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld; 4° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die vanuit de uitbating vertrokken is en de soort meststoffen die vanuit de uitbating vertrokken is. Als de meststoffen op verschillende plaatsen gelost zijn, wordt voor elke losplaats vermeld hoeveel meststoffen er gelost zijn; Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, §
§ 3
, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, per uitbating, voor alle meststoffen die op de uitbating worden ontvangen: VII-41.127-8/18 1° de exploitatie of de uitbating waar de ontvangen meststoffen geproduceerd werden en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater; 2° de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer en het adres van de aanbieder van de meststoffen als de aanbieder van de meststoffen niet de persoon, vermeld in punt 1°, is; 3° de laadplaats of, als de meststoffen op verschillende plaatsen geladen zijn, de laadplaatsen; 4° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld; 5° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die ontvangen is en de soort ontvangen meststoffen; Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, §
§ 3
, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens voor elke import van meststoffen: 1° de exploitatie of de uitbating van waar de meststoffen afkomstig zijn en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater; 2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd; 3° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld; 4° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die geïmporteerd is en de aard en de vorm van de geïmporteerde meststoffen. Als de meststoffen op verschillende plaatsen gelost zijn, wordt voor elke losplaats vermeld hoeveel meststoffen er gelost zijn; Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, §
§ 3
, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, voor elke export van meststoffen: 1° de exploitatie of de uitbating van waar de meststoffen afkomstig zijn en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater; 2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam en het landbouwernummer of het uitbatingsnummer van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd; 3° de laadplaats of, als de meststoffen op verschillende plaatsen geladen zijn, de laadplaatsen; 4° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld; 5° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die geëxporteerd is en de soort geëxporteerde meststoffen; VII-41.127-9/18 In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid wordt, voor de identificatie van de aanbieder, de producent of de ontvanger van meststoffen die niet over een landbouwernummer of uitbatingsnummer beschikt, in het register het ondernemingsnummer van de aanbieder, de producent of de ontvanger van meststoffen in kwestie genoteerd”. VII-41.127-10/18 IV. Onderzoek van het vierde middel Standpunten van de partijen 4. De verzoekende partij voert de schending aan van “de verplichting tot het voorafgaand inwinnen van adviezen, inzonderheid artikel III.94, § 2 van het Bestuursdecreet en de artikelen 36, lid 4 en 57, lid 1,
- c)van Verordening EU/2016/679 (hierna: AVG)”. Zij betoogt: “4.4.2. Tweede onderdeel: de artikelen 1, 2 en 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2021 kwamen tot stand met miskenning van de adviesverplichting neergelegd in de artikelen 36, lid 4 en 57, lid 1,
- c)van Verordening EU/2016/679 (AVG) 4.4.2.1. De geschonden bepalingen 51. Artikel 36, lid 4 van Verordening EU/2016/679 (AVG)(…) luidt als volgt: De lidstaten raadplegen de toezichthoudende autoriteit bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel die betrekking heeft op verwerking […]. De taken van de toezichthoudende autoriteit worden omschreven in artikel 57 van Verordening EU/2016/679 (AVG) en omvat krachtens het eerste lid,
- c)van dit artikel de volgende taak: Zij verleent overeenkomstig het recht van de lidstaat, advies aan het nationale parlement, de regering, en andere instellingen en organen over wetgevingsinitiatieven en bestuursmaatregelen in verband met de bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen op het gebied van verwerking. 4.4.2.2. Toetsing van de bestreden bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2021 52. In het digitale kunstmestregister, zoals dit is uitgewerkt in het nieuwe artikel 2.2.1.4 van VLAREME, zoals dit is ingevoerd door artikel 1 van het bestreden Besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2021, zullen ook persoonsgegevens van natuurlijke personen worden verwerkt. Zo voorziet het betreffende artikel onder meer in een registerplicht voor leveringen aan particulieren (zie supra, nr. 15). Ook artikel 2 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2021, met wijzigingsbepalingen van artikel 2.2.3.1 van VLAREME, heeft potentieel betrekking op de verwerking van persoonsgegevens, nl. door het opleggen van de verplichting ‘de identificatie van de aanbieder, de producent of de ontvanger van meststoffen die niet over een landbouwernummer of uitbatingsnummer beschikt’ in het register op te nemen (zie supra, nr. 16). VII-41.127-11/18 Ook artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2021, dat in VLAREME een nieuw artikel 2.2.4.1 toevoegt omtrent het kunstmestregister voor landbouwers (zie supra, nr. 17), kan betrekking hebben op persoonsgegevens. Het ontwerp dat heeft geleid tot voormelde bestreden bepalingen werd nooit voor advies voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit, waardoor de artikelen 36, lid 4 en 57, lid 1,
- c)van Verordening EU/2016/679 (AVG) worden geschonden. In dit verband kan eveneens worden verwezen naar het advies van de Afdeling Wetgeving van Uw Raad van State bij het ontwerp dat heeft geleid tot het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2021. Dit advies luidt (stuk I.8 verzoekster): 4. Artikel 36, lid 4, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)’ (hierna: AVG), gelezen in samenhang met artikel 57, lid 1, c), en overweging 96 van die verordening, voorziet in een verplichting om de toezichthoudende autoriteit, in dit geval de Gegevensbeschermingsautoriteit bedoeld in de wet van 3 december 2017 ‘tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit’, te raadplegen bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel door een regering in verband met verwerking van persoonsgegevens. Op de vraag of, gelet op de artikelen 3 en 5 van het ontwerp die de verwerking van persoonsgegevens betreffen, het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit is ingewonnen, heeft de gemachtigde laten weten dat het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit niet werd ingewonnen aangezien het advies van de Vlaamse Toezichtcommissie werd gevraagd. In advies 61.267/2/AV van 27 juni 2017 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 3 december 2017, heeft de algemene vergadering van de afdeling Wetgeving uiteengezet dat noch de AVG, noch de bevoegdheidsverdelende regels eraan in de weg staan dat in eenzelfde lidstaat meerdere toezichthoudende autoriteiten worden opgericht. In dat advies wordt gesteld dat de gemeenschappen en gewesten autoriteiten kunnen oprichten die toezicht houden op de naleving van de ‘specifieke’ regels die de deelstaten ter uitvoering van de AVG hebben vastgesteld inzake de verwerking van persoonsgegevens in het kader van activiteiten die onder hun bevoegdheid vallen. Het verlenen van de bevoegdheid aan die autoriteiten om adviezen te geven, teneinde te voldoen aan de verplichting die voortvloeit uit de in opmerking 5.1 aangehaalde verordeningsbepalingen, hoort daar ook onder. Zoals echter eveneens in het voormelde advies is uiteengezet, is het de Gegevensbeschermingsautoriteit die belast is met het toezicht op de naleving van de ‘algemene’ regels inzake de verwerking van persoonsgegevens, met inbegrip van de algemene regels die de federale overheid ter uitvoering van de AVG heeft vastgesteld. Daaronder valt ook VII-41.127-12/18 de bevoegdheid om, wat die regels betreft, advies te geven teneinde te voldoen aan de voormelde adviesverplichting. De conclusie is dan ook dat het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit alsnog moet worden ingewonnen vooraleer het ontwerp doorgang kan vinden […]. Dit advies van de Afdeling Wetgeving van Uw Raad werd niet gevolgd en het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit werd niet ingewonnen, waardoor de artikelen 1, 2 en 3 van het bestreden Besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2021 strijdig zijn met Verordening EU/2016/679 (AVG).” 5. De verwerende en de tussenkomende partij repliceren: “112. In het tweede middelonderdeel werpt verzoekende partij op dat de artikelen 1, 2 en 3 van het bestreden besluit tot stand kwamen met miskenning van de adviesverplichting neergelegd in de artikelen 36, §4 en 57, §1,
- c)van de AVG-Verordening. Volgens de artikelen 1, 2 en 3 van het bestreden besluit zouden persoonsgegevens in het digitale kunstmestregister kunnen worden verwerkt. Bijgevolg beweert verzoekende partij dat – ondanks de aanbeveling in het advies van de Afdeling Wetgeving van Uw Raad van State – het ontwerp van het bestreden besluit nooit voor advies is voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit, waardoor artikelen 36, §4 en 57, §1,
- c)van de AVG-Verordening worden geschonden. […] (B) Tweede middelonderdeel (I) In hoofdorde: het middelonderdeel is onontvankelijk bij gebrek aan belang 123. De verzoekende partij is een belangenorganisatie voor de meststoffensector. Er valt niet in te zien hoe een gebeurlijke onwettigheid op het vlak van het bekomen van een advies betreffende de verwerking van personengegevens, aan haar een waarborg zou hebben ontnomen. De verzoekende partij maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat haar positie door de afwezigheid van het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zou zijn geraakt. Aldus heeft zij geen belang bij het middelonderdeel. 124. Bovendien is vast te stellen dat in het tweede middelonderdeel een rechtstreekse toetsing aan een Europese richtlijn wordt gevraagd. Een rechtszoekende kan zich slechts op de rechtstreekse werking van een Europese richtlijn beroepen, indien zij aantoont dat de richtlijn niet tijdig of niet correct in intern recht is omgezet. Verzoekende partij voert hierover geen enkele argumentatie. Zij maakt de directe werking en/of onvolledige omzetting van deze richtlijnen in de Vlaamse regelgeving aldus niet aannemelijk, zodat het middel in de aangegeven mate ook om die reden onontvankelijk is. 125. Besluit: het tweede middelonderdeel middel is onontvankelijk. (II) In ondergeschikte orde: het middelonderdeel is ongegrond 126. In de mate dat verzoekende partij zich op ontvankelijke wijze kan beroepen op een schending van artikel 36, lid 4 van de AVG-Verordening, quod non, is vast te stellen dat er geen schending van die bepaling voorligt. VII-41.127-13/18 Luidens artikel 36, lid 4 dient een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel of een uitvoeringsbesluit, dat betrekking heeft op verwerking, aan de toezichthoudende autoriteit te worden voorgelegd. Dat is in casu gebeurd: een advies van de Vlaamse Toezichtscommissie voor de verwerking van persoonsgegevens (hierna: ‘VTC’) is ingewonnen. De VTC werd bij artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer opgericht. Het is een autonome dienst met rechtspersoonlijkheid en is als toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 36, lid 4, van de AVG-Verordening verantwoordelijk voor het toezicht op de toepassing van de AVG-Verordening door de Vlaamse instanties. Ingevolge artikel 51, lid 1, van de AVG-Verordening kan immers elke lidstaat één of meer onafhankelijke overheidsinstanties, verantwoordelijk voor het toezicht op de toepassing van deze verordening, oprichten. Aldus ligt een advies van een toezichthoudende autoriteit voor. Dit advies volstaat, zo blijkt uit het artikel 10/1, §1, eerste lid, van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, gelezen samen met artikel 36.4 van de AVG-Verordening.(…) Ook Uw Raad oordeelde in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Vlaamse Regering dat de Vlaamse Regering de VTC had moeten raadplegen. Dat dit niet gebeurde, tastte de wettigheid van het besluit van de Vlaamse Regering aan. In casu ligt een advies van de VTC wel voor, zodat er geen sprake kan zijn van een onwettigheid.” 6. De verzoekende partij dupliceert: “89. Wat betreft het beweerd gebrek aan belang bij het middelonderdeel, kan andermaal worden verwezen naar de rechtspraak van Uw Raad omtrent middelen van openbare orde (zie supra, nrs. 32-33). De regels inzake het verplicht in te winnen advies van de gegevensbeschermingsautoriteit raken de openbare orde, waardoor verzoekster geen persoonlijk belang dient aan te tonen bij het inroepen van dit middelonderdeel. Uw Raad heeft bovendien recent reeds geoordeeld dat een particuliere verzoekende partij belang heeft bij een middel ontleend aan de schending van de verplichte voorafgaande raadpleging van de gegevensbeschermingsautoriteit zoals voorzien in de AVG. […] 90. Ten gronde reageert verwerende partij niet op de terechte kritiek geuit door de Afdeling Wetgeving van de Raad van State (zie supra, nr. 86). Verwerende partij wijst er op dat het advies van Vlaamse Toezichtscommissie werd ingewonnen, maar gaat er aan voorbij dat ook het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit was vereist.” VII-41.127-14/18 Beoordeling 7. Luidens artikel 14, § 1, tweede lid, van de RvS-wet geeft een onregelmatigheid “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkene(
- n)een waarborg heeft ontnomen of als gevolg heeft de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het vereiste van een belang bij het middel in een annulatieberoep tegen een reglementair besluit, gaat niet zo ver dat de vernietiging van het bestreden besluit aan de verzoekende partij een onmiddellijk tastbaar voordeel moet opleveren. De omstandigheid dat de verzoekende partij als gevolg van het annulatiemiddel en de eruit voortvloeiende vernietiging van het besluit opnieuw een kans zou verkrijgen dat haar situatie in een gunstiger zin wordt geregeld, volstaat om haar belang bij het middel te verantwoorden. In dit geval heeft de verzoekende partij er belang bij om een schending van de verplichte voorafgaande raadpleging van de toezichthoudende autoriteit aan te voeren. De voorgeschreven raadpleging is immers niet louter gericht aan de bevoegde nationale wet- en regelgevers, maar strekt ertoe “ervoor te zorgen dat de voorgenomen verwerking strookt met [de voornoemde] verordening, en met name om de risico’s daarvan voor betrokkenen te beperken” (overweging 96 AVG). De “betrokkenen” zijn de geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen van wie persoonsgegevens worden verwerkt (artikel 4, 1), AVG). De raadpleging van de toezichthoudende autoriteit op grond van artikel 36.4 AVG is dan ook niet louter in het belang van de bevoegde nationale wet- en regelgevers, maar ook – in casu – van de “leden en van de minerale meststoffenindustrie”, waarvan de behartiging de verzoekende partij zich statutair tot doel heeft gesteld. De conclusie is dat de verwerende en de tussenkomende partij ten onrechte aanvoeren dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het tweede VII-41.127-15/18 middelonderdeel omdat “haar positie” niet zou zijn geraakt “door de afwezigheid van het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit”. 8. Ten onrechte voeren de verwerende en de tussenkomende partij ook aan “dat in het tweede middelonderdeel een rechtstreekse toetsing aan een Europese richtlijn wordt gevraagd”. De verzoekende partij voert immers de schending aan van de artikelen 36, lid 4 en 57, lid 1,
- c)van de Verordening EU/2016/679. De Verordening is rechtstreeks van toepassing in de lidstaten, zoals bepaald in artikel 288 VWEU en heeft dus principieel directe werking. 9. De excepties van de verwerende en de tussenkomende partij worden verworpen. 10. De Gegevensbeschermingsautoriteit werd niet geraadpleegd. De Vlaamse toezichtscommissie werd wel geraadpleegd maar die commissie kan niet geacht worden een bevoegde toezichthoudende autoriteit te zijn in de zin van art. 36, vierde lid, AVG. 11. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in arrest nr. 26/2023 van 16 februari 2023: “B.30.7. Om te voldoen aan de vereisten van de AVG dienen de in België op grond van de interne bevoegdheidsverdeling ingestelde toezichthoudende autoriteiten te worden aangemeld bij de bevoegde instellingen van de Europese Unie, moet één dezer toezichthoudende autoriteiten worden aangewezen die de verschillende toezichtautoriteiten in het Europees Comité voor gegevensbescherming moet vertegenwoordigen en dient de procedure te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de andere autoriteiten de regels in verband met het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme naleven. B.30.8. Uit geen enkel gegeven blijkt dat de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens is aangemeld bij de bevoegde instellingen van de Europese Unie en dat er een procedure is vastgesteld om ervoor te zorgen dat zij de regels in verband met het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme naleeft. Uit de publiek beschikbare gegevens blijkt dat de federale Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) de onderscheiden Belgische autoriteiten vertegenwoordigt in het Europees Comité voor gegevensbescherming (https://edpb.europa.eu/about-edpb/about-edpb/members_nl#member-be), VII-41.127-16/18 naast de GBA, het Vast Comité I (VCI) dat bevoegd voor de operationele gegevensverwerkingen bij de Inlichtingendiensten, het Vast Comité P dat samen met het VCI bevoegd voor de verwerkingen bij het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD) en het Controleorgaan op de Politionele Informatie (COC) dat bevoegd is voor alle verwerkingen uitgevoerd door de Geïntegreerde Politie https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/de-autoriteit/ander e-autoriteiten De Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens kan bijgevolg niet worden geacht een bevoegde toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 36, lid 4, van de AVG te zijn en het door die commissie gegeven advies kan bijgevolg niet worden beschouwd als een raadpleging in de zin van die bepaling.” 12. De conclusie is dat, anders dan de verwerende en de tussenkomende partij aanvoeren, geen advies van een toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 36, lid 4, van de AVG voorligt. Het tweede onderdeel van het vierde middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse regering van 19 maart 2021 ‘tot wijziging van de VLAREME van 28 oktober 2016, wat betreft de aangifte en het register voor kunstmest en de bemesting’. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.127-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.127-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.326 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div