← België

Arrest 256332 - Penitentiair recht - 24/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.332 Rolnummer: A. 231611/IX-10055 Zaak: Arrest 256332 - Penitentiair recht - 24/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-04 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 08:51 Fiche Arrest nr 256.332 van 24 april 2023 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.332 van 24 april 2023 in de zaak A. 231.611/IX-10.055 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Koslowski kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Breedstraat 1 bus 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur van de penitentiaire inrichting te Beveren van 29 juli 2020 waarbij aan XXXX de tuchtstraf wordt opgelegd van dertig dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte van 26 juli 2020 om 22.35 uur tot 25 augustus 2020 om 22.35 uur. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. IX-10.055-1/14 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Attaché Wim Van Brussel, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is ten tijde van de feiten opgesloten in de gevangenis te Beveren. 3.
  6. Op 26 juli 2020 wordt er lastens verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld. Er wordt onmiddellijk een voorlopige maatregel opgelegd, met aanvang op 26 juli 2020 om 22.35 uur, waarbij verzoeker wordt verplicht tot verblijf in de toegewezen verblijfsruimte. 3.
  7. Op 27 juli 2020 wordt aan verzoeker meegedeeld dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart en dat hij op 29 juli 2020 om 10.00 uur zal IX-10.055-2/14 worden gehoord. Op het formulier ‘mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure’ geeft verzoeker te kennen dat hij een beroep wenst te doen op een pro deo advocaat. 3.
  8. Eveneens op 27 juli 2020 stelt de directeur van de gevangenis een schrijven op aangaande de bijstand voor verzoeker door een pro deo advocaat. 3.
  9. Op 29 juli 2020 om 10.55 uur vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats. Uit het verslag van die hoorzitting blijkt dat verzoeker niet wordt bijgestaan door een advocaat. De inhoud van de hoorzitting wordt in het verslag weergegeven als volgt: “Dir: We zitten hier in het kader van een tuchtprocedure. Bij een drugsactie van de politie lag er een substantie op tafel. Toen de beambte u vroeg de cel te verlaten, weigerde u en heeft u een dreigende beweging gemaakt met een thermosfles. Na de vraag door de directeur of u wilde meewerken, bent u vrijwillig meegegaan. Uiteindelijk is er 4.4 gram gevonden. G: Het is wat het is. Zo is het gegaan. Ik was aan het bellen met personen in Turkije en had de verkeerde reactie in huis doordat ik verschoot. Dir: Inderdaad, want zo ken ik u helemaal niet. G: Mevrouw, u weet dat ook. Een gevangenis zonder drugs bestaat niet. Negentig procent van de gedetineerden gebruikt. Dir: Ik blijf er toch naar streven. Hoe lang zit u nu op het open regime? G: Ongeveer zes maanden. Dir: 4.4 gram is niet weinig. Daarbij komt ook nog dat u de orders van het personeel niet hebt opgevolgd. G: Ik heb wel direct meegewerkt toen de directeur het is komen vragen. Dir: Ok, maar het is niet de bedoeling dat de directeur u moet komen vragen om mee te werken. U zal sowieso al terugkeren naar het gesloten regime. De sanctie wordt later vandaag meegedeeld.” 3.
  10. De directeur beslist vervolgens op 29 juli 2020 om verzoeker de tuchtstraf op te leggen van dertig dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte van 26 juli 2020 om 22.35 uur tot en met 25 augustus 2020 om 22.35 uur wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, het bezit van of de handel in IX-10.055-3/14 door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Betrokkene werd in het kader van een drugsactie door de politie aangemaand om uit zijn cel te komen. Hij weigerde dit en staafde de weigering met een dreigende beweging met een thermos. Pas nadat de directeur hem verzocht mee te werken, besloot betrokkene mee te werken. Er werd bij betrokkene 4.4 gram verboden substantie gevonden. Op de hoorzitting gaf betrokkene de feiten toe en verklaarde hij dat negentig procent van de gedetineerden gebruikt. Gelet op het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden substanties dient een sanctie opgelegd te worden. Het is voor gedetineerden verboden om in het bezit te zijn van wettelijk verboden zaken of substanties. Betrokkene werkte pas mee na tussenkomst van de directeur. De gedetineerde moet de bevelen of de instructies opvolgen van het personeel met betrekking tot de handhaving van de orde en de veiligheid en tot de uitvoering van de reglementen. (Basiswet, art. 106 § 2) Deze inbreuken zorgen ervoor dat de directeur niet anders kan dan een strenge sanctie op te leggen.” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  11. Het eerste middel is genomen uit de schending van het recht van verdediging, artikel 6.3 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (hierna: EVRM) en artikel 144, § 4, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet). Verzoeker voert aan dat hij naar aanleiding van de tuchtrechtelijke hoorzitting om de bijstand van een raadsman heeft gevraagd. Die bijstand is niet verleend, hetgeen impliceert dat zijn recht van verdediging is geschonden. Hij verwijst in dit verband naar arrest nr. 223.363 van 2 mei 2013 waarin de Raad van State heeft overwogen dat het recht van verdediging is geschonden wanneer een gedetineerde buiten zijn toedoen geen bijstand heeft IX-10.055-4/14 gekregen van zijn advocaat, indien hij uitdrukkelijk om die bijstand heeft verzocht. Verzoeker merkt op dat hij naar aanleiding van de hoorzitting incriminerende verklaringen heeft afgelegd en dat de directie op die elementen steunt bij het nemen van de bestreden beslissing. Aangezien het recht van verdediging is miskend, moet de bestreden beslissing worden vernietigd.
  12. De verwerende partij antwoordt dat artikel 6 EVRM, volgens het Hof van Cassatie, enkel van toepassing is op vonnisgerechten en dus niet op procedures die gevoerd worden door organen van actief bestuur. In zoverre zou worden aangenomen dat artikel 6 EVRM wel kan worden toegepast op betwistingen betreffende tuchtsancties opgelegd aan gedetineerden, verwijst de verwerende partij naar de rechtspraak van de Raad van State waarin wordt gesteld dat het annulatieberoep bij de Raad van State aan de betrokkene de mogelijkheid biedt dat zijn zaak wordt behandeld op een wijze die voldoet aan artikel 6 EVRM. Voorts betoogt de verwerende partij dat verzoeker op het formulier ‘mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure’ te kennen heeft gegeven dat hij een beroep wenste te doen op een pro deo advocaat en dat er op 27 juli 2020 dan ook, via het bureau voor juridische bijstand, een pro deo advocaat werd uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting, die zou plaatsvinden op 29 juli 2020 om 10.00 uur. De gevangenisdirectie heeft echter nooit een bevestiging gekregen van de aanstelling van een advocaat. Op het moment van de voorziene aanvang van de tuchtrechtelijke hoorzitting was er uiteindelijk geen advocaat aanwezig, noch was de directie ervan op de hoogte of er al dan niet nog een advocaat zou opdagen. De directie heeft vervolgens beslist om de hoorzitting van verzoeker die dag als laatste te laten plaatsvinden. Op die manier is er maximaal gewacht op de eventuele komst van een advocaat. De directie dient immers ook de wettelijk bepaalde termijnen in het kader van een tuchtprocedure te respecteren. Uiteindelijk heeft de directie aan verzoeker meegedeeld dat er een pro deo advocaat was opgeroepen, maar dat zij hieromtrent geen verdere informatie heeft ontvangen. Op de vraag of hij ermee IX-10.055-5/14 akkoord ging om de zitting zonder de bijstand van een advocaat te laten plaatsvinden, heeft verzoeker vervolgens bevestigend geantwoord. De directie heeft dan ook alles gedaan wat redelijkerwijze van haar kon worden verwacht en aldus voldaan aan de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht. De tuchtrechtelijke hoorzitting is uiteindelijk aangevangen om 10.55 uur. Dit schendt geenszins verzoekers recht van verdediging. Verzoeker heeft immers de feiten op geen enkel ogenblik betwist of ontkend en hij heeft zich expliciet akkoord verklaard met het feit dat hij niet zou worden bijgestaan door een advocaat. Volgens de verwerende partij is de voorliggende zaak dan ook geenszins te vergelijken met de zaak die heeft geleid tot arrest nr. 223.363 van 2 mei
  13. In die zaak werd op de uitnodiging voor de tuchtrechtelijke hoorzitting een verkeerde datum vermeld, terwijl in casu de gevangenisdirectie al het nodige heeft gedaan om een pro deo advocaat te doen aanstellen. Deze kwam vervolgens niet opdagen op de voorziene dag en het meegedeelde tijdstip. Dit betreft volgens de verwerende partij een kwestie van aansprakelijkheid van de advocaat ten opzichte van zijn cliënt.
  14. In zoverre de verwerende partij stelt dat de gevangenisdirectie op 27 juli 2020 een schrijven heeft gericht aan het bureau voor juridische bijstand waarin een pro deo advocaat is uitgenodigd om de tuchtrechtelijke hoorzitting bij te wonen, repliceert verzoeker dat die brief gericht is aan “Meester (PRO DEO)” en dus niet aan het bureau voor juridische bijstand van Sint-Niklaas. Voorts merkt hij op dat geen bewijs van verzending, een verzendrapport of dergelijke wordt voorgelegd en dat evenmin een bevestiging wordt voorgelegd waaruit de aanstelling van een raadsman blijkt. Volgens verzoeker heeft de gevangenisdirectie onvoldoende inspanningen geleverd om een bevestiging te krijgen dat een advocaat aanwezig zou zijn. De directie had immers contact kunnen opnemen met het aanspreekpunt van de permanentie, maar uit niets blijkt dat zij zich deze moeite heeft getroost. Verzoeker benadrukt dat de bijstand van een raadsman een essentieel recht is waar de gedetineerde een beroep op kan doen en dat dit recht op onvoldoende wijze is gevrijwaard. IX-10.055-6/14 Verzoeker betwist ook dat hij bevestigend zou hebben geantwoord op de vraag om de zitting zonder bijstand van een advocaat te laten plaatsvinden. Hij merkt op dat in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting nergens melding wordt gemaakt van een dergelijke vraag, noch van een bevestigend antwoord. Volgens verzoeker is hem gewoon meegedeeld dat de zitting zonder bijstand zou plaatsvinden. Ten slotte stelt verzoeker dat de argumentatie van de verwerende partij dat hij niet kan verwijzen naar arrest nr. 223.363 van 2 mei 2013 evenmin kan worden bijgevallen. De directie is tekortgeschoten in haar zorgvuldigheidsplicht. Uit niets blijkt dat het bureau voor juridische bijstand daadwerkelijk werd gecontacteerd. Evenmin blijkt dat de directie zich ervan heeft vergewist of er een raadsman aanwezig zou zijn. Zij heeft ook niet gevraagd of hij ermee akkoord ging om de tuchtzitting zonder raadsman te laten plaatsvinden.
  15. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de uitnodiging van een pro deo advocaat wel degelijk is verzonden naar het bureau voor juridische bijstand te Sint-Niklaas. Ter staving verwijst zij naar een e-mail van 27 juli 2020 gericht aan ‘bjbsintniklaas@skynet.be’ waarmee de uitnodiging is verstuurd. Voorts beklemtoont de verwerende partij dat verzoeker zich wel degelijk expliciet ermee akkoord heeft verklaard om de zitting te laten plaatsvinden zonder de bijstand van een advocaat. Dienaangaande merkt zij op dat uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting niet blijkt dat verzoeker zich heeft verzet tegen het laten plaatsvinden van de zitting of dat hij om uitstel heeft gevraagd. De zitting kende integendeel een gemoedelijk verloop. Volgens de verwerende partij betekent het feit dat de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat zijn aanwezigheid niet op voorhand heeft bevestigd en uiteindelijk zelfs niet is komen opdagen op de voorziene dag en het meegedeelde tijdstip, niet dat de gevangenisdirectie niet alles zou hebben gedaan wat IX-10.055-7/14 redelijkerwijze van haar kon worden verwacht om verzoekers recht op bijstand door een advocaat te vrijwaren. Zij stelt dat de Raad van State reeds eerder heeft geoordeeld dat het voor de verwerende partij volstaat om de datum en het tijdstip van de tuchtzitting de werkdag ervoor per fax mee te delen opdat het recht op bijstand door een advocaat zou zijn gewaarborgd. Geen enkele norm bepaalt dat ook nog telefonisch contact moet worden opgenomen met een advocaat. Zelfs wanneer er een automatische reply op een uitnodigingse-mail volgt, moet de gevangenisdirectie geen andere methode hanteren om de aanwezigheid van een advocaat op de zitting te verzekeren. Wanneer de nodige stappen zijn ondernomen om ervoor te zorgen dat verzoeker toegang heeft tot een raadsman, zoals in casu het geval is, is er bovendien geen verplichting om de zitting uit te stellen. Ten slotte benadrukt de verwerende partij dat verzoeker zijn standpunt ten aanzien van de feiten heeft kunnen doen gelden en dat hij daadwerkelijk tegenspraak heeft kunnen voeren over de tenlastelegging. Zij merkt daarbij op dat verzoeker niet concretiseert welk element zijn raadsman nog had kunnen aanvoeren om een gunstigere beslissing te verkrijgen. De verwerende partij besluit dat zij door het uitnodigen van een pro deo advocaat per e-mail aan haar verplichtingen heeft voldaan en dat zij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het feit dat aan die uitnodiging geen gevolg is gegeven.
  16. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat het argument van de verwerende partij dat niet wordt geconcretiseerd welk argument zijn raadsman nog had kunnen aanvoeren om een gunstigere beslissing te verkrijgen, kant noch wal raakt. Hij stelt dat het aan de verwerende partij toevalt om aan te tonen dat in gelijk welke omstandigheden de tuchtzitting steeds tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid, hetgeen zij niet doet. En zelfs indien de verwerende partij dit zou kunnen aantonen, is dit volgens verzoeker irrelevant aangezien het recht op bijstand van een advocaat zoals voorzien in artikel 144, § 4, van de basiswet een essentieel element is van de rechtsstaat dat losstaat van de uitkomst van de procedure. IX-10.055-8/14 In zoverre de verwerende partij stelt dat zij wel aan haar verplichtingen heeft voldaan en ter staving daarvan verwijst naar een e-mail van 27 juli 2020 gericht aan ‘bjbsintniklaas@skynet.be’, repliceert verzoeker dat geen verzendrapport of leesbevestiging van deze e-mail wordt voorgelegd en dat het juiste e-mailadres van het bureau voor juridische bijstand te Sint-Niklaas bovendien ‘bjbsintniklaas@baliedendermonde.be’ is. De verwerende partij toont met andere woorden nog steeds niet aan dat die e-mail daadwerkelijk is verstuurd en indien die e-mail al is verstuurd, dan moet worden vastgesteld dat hij naar een verkeerd e-mailadres is verzonden. Voorts meent verzoeker dat de argumentatie van de verwerende partij niet opgaat dat indien een fax wordt verstuurd of een automatisch antwoord op een e-mail wordt ontvangen, de directie geen andere methode moet hanteren om de aanwezigheid van een advocaat op de zitting te verzekeren. In geval van een faxbericht had de verwerende partij minstens een verzendrapport kunnen voorleggen – wat bij de e-mail in casu niet het geval is – noch legt zij een automatisch antwoord voor waaruit zou blijken dat de e-mail daadwerkelijk is verstuurd. Verzoeker besluit dat de verwerende partij haar verplichtingen niet is nagekomen. Beoordeling 9.
  17. In beginsel betreft de penitentiaire geschillenbeslechting geen bepaling van de gegrondheid van een tegen de betrokkene ingestelde “vervolging” in de zin van het penale luik van artikel 6 EVRM. Artikel 6 EVRM zal derhalve enkel van toepassing zijn in het penitentiair tuchtrecht indien die straf voldoet aan de eis van strafvervolging. Om analoge redenen als die welke de Raad van State heeft uiteengezet in de arresten nr. 240.617 van 30 januari 2018 en nr. 240.913 van 6 maart 2018 en die hij in de voorliggende zaak bijvalt, kan worden besloten dat de aan verzoeker opgelegde afzondering in de aan hem toegewezen verblijfsruimte gedurende dertig dagen in het licht van de toetsing aan de drie zogenaamde Engel-criteria (zie in het bijzonder EHRM (Grote Kamer), 8 juni 1976, Engel e.a. t. Nederland, punten 80‑82), moet worden IX-10.055-9/14 beschouwd als een sanctie van tuchtrechtelijke aard en derhalve niet valt binnen de werkingssfeer van het geschonden geachte artikel 6.3 EVRM. 9.
  18. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 6.3 EVRM, faalt het naar recht. 10.
  19. Verzoeker voert ook de schending aan van het recht van verdediging, evenals van artikel 144, § 4, van de basiswet. 10.
  20. Het recht van verdediging in tuchtzaken houdt in dat een tuchtstraf pas kan worden opgelegd nadat de betrokkene kennis heeft gekregen van de hem ten laste gelegde feiten en in de gelegenheid is gesteld om zich op behoorlijke wijze te verdedigen ten aanzien van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Het recht van verdediging impliceert het recht van de gedetineerde om zich te laten bijstaan door een raadsman. De gedetineerde dient aldus de mogelijkheid te hebben om een beroep te doen op een advocaat bij het tuchtverhoor. Dit geldt des te meer nu artikel 144, § 4, van de basiswet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat. 10.
  21. In casu heeft verzoeker op het formulier ‘mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure’ op 27 juli 2020 te kennen gegeven dat hij een beroep wenst te doen op een pro deo advocaat. 10.
  22. De verwerende partij stelt dat zij het nodige heeft gedaan om een pro deo advocaat uit te nodigen. Ter staving verwijst zij naar een op 27 juli 2020 door de gevangenisdirecteur opgestelde brief waarmee een pro deo advocaat wordt uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van verzoeker. IX-10.055-10/14 Het blijkt echter dat deze brief gericht is aan “Meester (PRO DEO)” en dus niet aan het bureau voor juridische bijstand te Sint-Niklaas, noch aan een welbepaalde advocaat. Er wordt voorts geen enkel bewijs van verzending, verzendrapport of dergelijke voorgelegd. De verwerende partij verwijst wel naar een e-mail van 27 juli 2020 gericht aan ‘bjbsintniklaas@skynet.be’ waarmee de uitnodiging zou zijn verstuurd, maar met verzoeker moet worden vastgesteld dat geen verzendrapport of leesbevestiging van deze e-mail wordt voorgelegd en dat het juiste e-mailadres van het bureau voor juridische bijstand te Sint-Niklaas bovendien ‘bjbsintniklaas@baliedendermonde.be’ is. De verwerende partij legt ook geen bevestiging voor waaruit de aanstelling van een raadsman blijkt. In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de verwerende partij het nodige heeft gedaan om verzoekers recht op bijstand door een advocaat te garanderen. 10.
  23. Verzoeker blijkt vervolgens te zijn gehoord zonder bijstand van een advocaat. Verzoeker heeft aldus buiten zijn toedoen om geen bijstand gekregen van zijn advocaat, hoewel hij hier uitdrukkelijk om heeft verzocht. Dat volstaat opdat zijn recht van verdediging zou zijn geschonden. 11.
  24. De argumenten van de verwerende partij leiden niet tot een andere conclusie. 11.
  25. Vooreerst is het niet relevant of de verwerende partij al van bij de aanvang van de tuchtrechtelijke hoorzitting op 29 juli 2020 te goeder trouw was, omdat de vaststelling van een schending van het recht van verdediging in tuchtzaken geen kwaad opzet in hoofde van de tuchtoverheid vereist. Er kan ook IX-10.055-11/14 tot een schending van het recht van verdediging worden besloten ingevolge het onzorgvuldig handelen van de verwerende partij. 11.
  26. Anders dan de verwerende partij het ziet, kan in casu niet worden aangenomen dat de gevangenisdirectie het nodige heeft gedaan om het recht van verzoeker op bijstand van een advocaat te vrijwaren nu er geen bewijs voorligt van een daadwerkelijke verzending van het schrijven van 27 juli 2020 naar het bureau voor juridische bijstand, noch een bevestiging van de effectieve aanstelling van een pro deo advocaat. Evenmin blijkt dat de gevangenisdirectie, toen er geen advocaat opdaagde, op enige wijze contact zou hebben opgenomen met de permanentie om een en ander te verifiëren. Zij blijkt zonder meer de hoorzitting, 55 minuten na het geplande aanvangsuur, te hebben laten plaatsvinden. Ook het feit dat de gevangenis te Beveren nooit een bevestiging heeft gekregen van de effectieve aanstelling van een advocaat, zoals de verwerende partij erkent in haar memorie van antwoord, noopte veeleer tot voorzichtigheid. 11.
  27. In zoverre de verwerende partij opmerkt dat verzoeker ermee zou hebben ingestemd om de zitting zonder bijstand van een advocaat te laten plaatsvinden, dient te worden vastgesteld dat dit door verzoeker in de memorie van wederantwoord wordt betwist en dat van een dergelijke vraag of instemming alleszins geen spoor terug te vinden is in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Bovendien doet het feit dat verzoeker zich op de tuchtrechtelijke zitting niet zou hebben verzet tegen het horen zonder bijstand van zijn advocaat, niet ervan blijken dat hij heeft verzaakt aan het recht waarop hij zich uitdrukkelijk had beroepen wanneer niet blijkt dat verzoeker bij de aanvang van het tuchtverhoor op de hoogte was van het feit dat zijn raadsman mogelijk niet rechtmatig was opgeroepen. IX-10.055-12/14 11.
  28. Evenmin kan het standpunt van de verwerende partij worden aangenomen dat verzoekers recht van verdediging niet is geschonden nu hij de feiten op geen enkel ogenblik zou hebben betwist of ontkend. Het is immers niet uitgesloten dat de bijstand van een advocaat tot een voor verzoeker gunstigere beslissing zou hebben geleid. 11.
  29. In de mate dat de verwerende partij voorts nog opwerpt dat de directie maximaal heeft gewacht op de eventuele komst van een advocaat nu zij ook de wettelijk bepaalde termijnen in het kader van een tuchtprocedure dient te respecteren, valt op te merken dat artikel 144, § 5, van de basiswet inderdaad bepaalt dat indien de gedetineerde het voorwerp uitmaakt van een in artikel 145 bedoelde voorlopige maatregel, hij wordt gehoord binnen tweeënzeventig uur nadat deze in werking is getreden. Artikel 144, § 5, van de basiswet voorziet evenwel niet in een sanctie indien de voormelde termijn van tweeënzeventig uur niet wordt gerespecteerd. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat het over een vervaltermijn gaat. Deze vaststelling vindt ook steun in de parlementaire voorbereidingen van de wet van 2 maart 2010 ‘tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden’. Met artikel 12 van die wet is de termijn bedoeld in artikel 144, § 5, tweede lid, van de basiswet opgetrokken van vierentwintig uur tot tweeënzeventig uur, waarbij de bedoeling voorlag de hoorzitting op een meer soepele wijze te organiseren, met waarborgen voor de rechten van verdediging (Parl.St. Kamer 2008-09, nr. 52-2122/001, 7).
  30. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  31. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur van de penitentiaire inrichting te Beveren van 29 juli 2020 waarbij aan XXXX de IX-10.055-13/14 tuchtstraf wordt opgelegd van dertig dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte van 26 juli 2020 om 22.35 uur tot 25 augustus 2020 om 22.35 uur.
  32. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
  33. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.055-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.