← België

Arrest 256334 - Wegverkeer van goederen - 24/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.334 Rolnummer: A. 230610/IX-10172 Zaak: Arrest 256334 - Wegverkeer van goederen - 24/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-04 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 08:51 Fiche Arrest nr 256.334 van 24 april 2023 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.334 van 24 april 2023 in de zaak A. 230.610/IX-10.172 In zake: de BV VERVOER PEETERS-NOELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Zuidstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 31 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse overheid van 19 maart 2020 waarbij aan de bv Vervoer Peeters-Noels een administratieve geldboete van 800 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.172-1/13 Eerste auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 januari
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maarten De Feyter, die loco advocaat Jasper Bolle verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 29 april 2019 wordt een vrachtwagen met oplegger, die wordt bestuurd voor rekening van de verzoekende partij, door de wegeninspectie van de verwerende partij gecontroleerd op de autosnelweg A12, richting Antwerpen, ter hoogte van Berendrecht. Bij deze controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 880 kilogram (7,3%). Er wordt een proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). IX-10.172-2/13 3.
  6. De procureur des Konings te Antwerpen zendt het dossier naar het agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse overheid “tot beschikking [van] de ambtenaar belast met het opleggen van een administratieve boete”. 3.
  7. De wegeninspecteur-controleur beslist op 10 september 2019 om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 800 euro op te leggen. 3.
  8. De verzoekende partij tekent op 21 september 2019 bij de wegeninspecteur-controleur bezwaar aan tegen die beslissing. 3.
  9. Nadat een hoorzitting is georganiseerd waarop de verzoekende partij niet aanwezig of vertegenwoordigd is, maar waarvoor zij wel vooraf besluiten heeft neergelegd, beslist de wegeninspecteur-controleur op 16 december 2019 om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 800 euro op te leggen. 3.
  10. Op 1 januari 2020 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing een beroep in bij de Vlaamse Regering. 3.
  11. Na een nieuwe hoorzitting, waarop de verzoekende partij niet aanwezig of vertegenwoordigd is, maar waarvoor zij wel vooraf besluiten heeft neergelegd, beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer op 19 maart 2020 om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 800 euro op te leggen. Dat is de bestreden beslissing. IX-10.172-3/13 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel VIII.43 van het Wetboek van economisch recht (WER) en van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’. Zij betoogt dat de basiswetgeving betreffende de ijking van meetinstrumenten is opgenomen in artikel VIII.43 WER, waarvan de vierde paragraaf aan de Koning een delegatie verleent om te beslissen over het gebruik van geijkte meetwerktuigen buiten het economisch verkeer. Aangezien de asdrukweger waarmee in het huidige dossier de vaststellingen gebeurden, een automatisch weegwerktuig betreft zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meetinstrumenten’, is hij ook onderworpen aan het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’. Uit artikel 1 van dat laatstgenoemde koninklijk besluit blijkt dat indien de asdrukweger wordt gebruikt in het kader van de openbare veiligheid en openbare orde, hij onderworpen is aan ijking en technische controle. Volgens de verzoekende partij kan niet worden betwist dat een weging in het kader van de opsporing van inbreuken op de overladingswetgeving, zoals het decreet bijzonder wegtransport, een weging is in het kader van de openbare veiligheid en openbare orde en dat de asdrukweger derhalve “dient geijkt, herijkt en technisch gecontroleerd te zijn conform de diverse regelgeving […] geciteerd”. De verzoekende partij stelt vast dat “de asdrukweger in casu niet geijkt is, niet werd herijkt en ook niet voorzien is van technische controle zoals door alle wetgeving vereist is”. Zij voegt eraan toe dat het enige stuk dat kan worden voorgelegd een verslag van metrologische controle betreft, maar dat dit IX-10.172-4/13 verslag uiteraard geen ijkingsverslag is zoals voorgeschreven. De vermelding in dat verslag dat wegingen, in geval van twijfel, moeten worden uitgevoerd met een geijkt weegwerktuig, is zeer duidelijk, aldus de verzoekende partij. Volgens de verzoekende partij spreekt het voor zich dat “het niet-respect van de wettelijke ijkingsbepalingen niet zonder gevolgen kan blijven”. Een weging met een asdrukweger betreft immers “een 100% automatische technische vaststelling, waarbij de verbalisanten zelf niet vaststellen doch dit eigenlijk overlaten aan de asdrukweger en diens computer”. De weegbon is “puur het product van deze automatische weging en is het enige bewijs van de overlading”. Aangezien niet is voldaan aan de wettelijke vereisten, kunnen de weegresultaten niet als wettige resultaten worden aanvaard. De verzoekende partij besluit dat “[i]n die omstandigheden […] onmogelijk een administratieve geldboete [kan] worden opgelegd”. Beoordeling
  13. De Raad van State heeft reeds in talrijke arresten moeten vaststellen – zoals laatst in arrest nr. 250.926 van 17 juni 2021 – dat er niet is voorzien in een regeling inzake de ijking van automatische asdrukwegers die worden gebruikt met het oog op de vaststelling van inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport.
  14. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’, waarop de verzoekende partij zich beroept, luidt thans: “De automatische weegwerktuigen, zoals gedefinieerd in bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten en die gebruikt worden voor het uitvoeren van meettaken uit overweging van openbaar belang, volksgezondheid, openbare veiligheid, openbare orde, milieubescherming, heffing van belastingen en andere heffingen, IX-10.172-5/13 consumentenbescherming en eerlijke handel zijn onderworpen aan herijk en technische controle. De herijk wordt om de vier jaar uitgevoerd. Automatische weegwerktuigen gemonteerd op vrachtwagens, heftrucks, bulldozers en andere voertuigen worden om de twee jaar herijkt.” Deze bepaling verwijst voor de afbakening van het toepassingsgebied van de verplichting inzake herijk en technische controle van automatische weegwerktuigen naar “[d]e automatische weegwerktuigen, zoals gedefinieerd in bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten”. Voormelde bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april 2016 ‘betreffende meetinstrumenten’ heeft, zoals bijlage MI-006 van het inmiddels opgeheven koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meetinstrumenten’ waaraan de verzoekende partij nog refereert, slechts betrekking op vijf types van automatische weegwerktuigen, namelijk: automatische vangwegers, automatische weegmachines voor afwegen (voorheen automatische doseerweegwerktuigen), discontinue totalisators (voorheen discontinu totaliserende weegwerktuigen), continue totalisators (voorheen continu totaliserende bandwegers) en automatische spoorwegweegbruggen. De verzoekende partij geeft niet aan onder welk van deze vijf types van automatische weegwerktuigen de asdrukweger die de verweten inbreuk heeft vastgesteld, zou vallen. De Raad van State kan andermaal alleen maar vaststellen dat asdrukwegers niet worden vermeld onder de voormelde specifieke types van automatische weegwerktuigen, gedefinieerd in bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april
  15. De verzoekende partij toont bijgevolg niet aan dat de gebruikte asdrukweger onder het toepassingsgebied valt van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’. IX-10.172-6/13
  16. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat, blijkens de vermeldingen in het proces-verbaal van 29 april 2019, de betrokken asdrukweger met serienummer 3036400044 op 16 juli 2018, dit is minder dan een jaar vóór de uitvoering van de weging, werd onderworpen aan een vrijwillige metrologische controle. De verzoekende partij brengt geen gegevens aan die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis uitgevoerd door een geaccrediteerde keuringsinstelling, waarvan de kunde ter zake niet in vraag wordt gesteld, voldoende zekerheid verschaft omtrent de correctheid van de uitgevoerde weging.
  17. De verzoekende partij brengt ten slotte evenmin argumenten bij waaruit een schending zou blijken van artikel VIII.43 WER, dat bepaalt dat metingen in het economisch verkeer die tot doel hebben de hoeveelheid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen, met geijkte meetinstrumenten worden verricht en dat de Koning het gebruik van geijkte meetinstrumenten ook kan opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer.
  18. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  19. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 3, tweede lid, 17 en volgende van het decreet bijzonder wegtransport, “juncto artikel 6 EVRM”, omdat “er […] niet [is] voldaan aan de constitutieve elementen van het misdrijf: zowel het materieel als het moreel element werd niet afdoende vastgesteld”. Zij betoogt dat artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport een misdrijf bepaalt dat kan worden bestraft “via de strafrechter, dan wel bestuurlijk met een bestuurlijke geldboete van penale aard”, zodat “zowel het materieel als het moreel element van het misdrijf onomstotelijk vast [dient] te IX-10.172-7/13 staan”. Volgens de verzoekende partij is het moreel element van het misdrijf bij haar niet aanwezig. Zij wijst erop dat de lading bestond uit “een treincontainer voorbeladen met paletten plastic korrels” en dat zij bij de lading, die werd uitgevoerd door een derde onderneming, niet aanwezig was, noch inspraak had in de wijze waarop ze gebeurde. Op het ogenblik van het ophalen van de container was deze reeds voorgeladen. Uit de CMR-vrachtbrief bleken alvast geen elementen om aan te nemen dat er zich een overlading zou voordoen. De verzoekende partij verwijst naar eigen richtlijnen van de wegeninspectie waarin kan worden gelezen dat ten aanzien van een chauffeur wordt aanvaard dat hij er redelijkerwijze op mag vertrouwen dat alles correct is verlopen wanneer de lading wordt uitgevoerd door een centrale of dispatching van de eigen firma. Dit geldt volgens haar des te meer wanneer de lading wordt uitgevoerd door een derde onderneming. Beoordeling
  20. In de mate dat de verzoekende partij beweert dat het materieel element van het misdrijf niet afdoende is vastgesteld, licht zij dit op geen enkele wijze toe. Het middel is in zoverre dan ook niet ontvankelijk.
  21. Met betrekking tot het moreel element van de inbreuk wordt in de bestreden beslissing onder meer overwogen: “[…] De gemaakte redenering is niet correct. Een chauffeur dient net extra voorzichtig te zijn indien het voertuig niet door de eigen firma wordt geladen; Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; Er dient echter te worden opgemerkt dat de administratieve geldboete werd opgelegd aan de transportonderneming Vervoer Peeters-Noels bvba. Het is aldus zo dat het morele element in hoofde van deze firma dient bewezen te worden; […] ln casu bestaat er geen twijfel over het feit dat de chauffeur handelde in naam en voor rekening van de rechtspersoon en het misdrijf aldus voor rekening van de rechtspersoon is gepleegd; IX-10.172-8/13 Opdat het misdrijf kan worden aangerekend aan de rechtspersoon, moet er niet enkel een intrinsieke band zijn tussen het misdrijf en de rechtspersoon, er moet in hoofde van rechtspersonen ook een moreel element aanwezig zijn (Parl.St. Senaat 1998-99, nr. 1217/1, 5.); Wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals in casu het geval is, bestaat de schuld uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij in casu niet deed (Cass. 8 oktober 2002, www.cass.be.); Eenieder die een voertuig gebruikt (De bewoordingen ‘gebruiken’ kan zowel op een natuurlijke als op een rechtspersoon slaan.), moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, www.cass.be.); Op de rechtspersoon rust de wettelijke plicht om de nodige en gepaste maatregelen te nemen opdat de chauffeur in zijn dienst, geen hem toevertrouwd voertuig in het verkeer op de openbare weg bezigt dat overladen is (Cass. 12 september 2006, www.cass.be.). Het moreel element bestaat in casu dan ook uit het nalaten om maatregelen te nemen die de naleving van de geldende regelgeving inzake toegelaten massa’s van voertuigen mogelijk maken (Cass. 17 februari 1997, www.cass.be; Cass. 28 september 1999, www.cass.be.). Gelet op het rechtstreeks verband tussen beschadiging van het wegdek enerzijds en de overlading anderzijds kan worden gesteld dat het nalaten om maatregelen te nemen die de naleving van de geldende regelgeving inzake toegelaten massa’s van voertuigen mogelijk maken, eveneens voor gevolg heeft dat er een inbreuk wordt gepleegd op artikel 3 van het decreet; Behoudens wanneer de overtreder, met een zekere graad van geloofwaardigheid, de naleving van de voor hem geldende algemene zorgvuldigheidsplicht kan aantonen, door bijvoorbeeld met succes een grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aan te voeren, kan de schuld worden afgeleid uit het materiële feit van de overtreding (Cass. 8 oktober 2002, www.cass.be.); Gelet op het feit dat enerzijds uit het dossier niet blijkt dat er middelen ter beschikking waren om de massa van het voertuig te controleren en anderzijds de overtreder niet op een andere wijze aantoont dat er desondanks toch afdoende maatregelen genomen waren om overladingen te vermijden moet worden geoordeeld dat appellanten geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk [maken]; De schuld van de overtreder vloeit voort uit zijn kennis van de opdracht van zijn chauffeur om een hem toevertrouwd voertuig in het verkeer op de openbare weg te brengen (Cass. 12 september 2006, www.cass.be.); Dat de lading door een derde gebeurde, doet geen afbreuk aan de bepaling in het decreet dat ‘het verboden is het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder een van de assen het toegestane maximum, met meer dan 5 procent overschrijdt’ (artikel 3, 2e lid van het decreet 3 mei 2013). IX-10.172-9/13 Het opzet in hoofde van de overtreder is bewezen.”
  22. Zoals de Raad van State eveneens al meermaals heeft geoordeeld, onder meer in het reeds vermelde arrest nr. 250.926 van 17 juni 2021, is wat de inbreuk betreft bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport, niet vereist dat deze wetens en willens werd begaan. De schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.
  23. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij het moreel bestanddeel van de inbreuk aanwezig acht, omdat de verzoekende partij niet de nodige maatregelen heeft genomen om de inbreuk te voorkomen. Eenieder die een geladen vrachtvoertuig op de openbare weg brengt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa op de assen niet meer bedragen dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij het voertuig niet zelf geladen. Van een professionele vervoerder mag bovendien worden verwacht dat hij ervan op de hoogte is dat het feit dat uit de CMR-vrachtbrief niet onmiddellijk blijkt dat er zich een overlading zou kunnen voordoen, niet uitsluit dat er toch sprake kan zijn van een overlading op één van de assen wanneer de lading onvoldoende wordt verdeeld. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zij de nodige maatregelen heeft genomen om de overlading van het voertuig te vermijden, door bijvoorbeeld aan haar chauffeur de middelen te verstrekken om het gewicht van de lading op de verschillende assen vast te stellen.
  24. In de mate dat de verzoekende partij verwijst naar “de eigen richtlijnen van de Wegeninspectie zelf”, toont zij de relevantie daarvan niet aan. De geciteerde passus uit deze “richtlijnen” betreft immers het geval waarin een IX-10.172-10/13 transport wordt geladen door de firma van de chauffeur, wat in casu niet zo was, zoals de verzoekende partij overigens zelf aanvoert.
  25. De verzoekende partij toont dan ook niet aan dat de bestreden beslissing niet op goede gronden besluit tot de aanwezigheid van het moreel element van de vastgestelde inbreuk.
  26. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  27. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van artikel 19, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en het algemeen rechtsbeginsel van fair trial, “in het bijzonder de behandeling van de zaak door dezelfde aangewezen ambtenaar”. Zij betoogt dat de geschonden geachte bepalingen en het geschonden geachte beginsel inhouden dat de ambtenaar die de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete neemt, ook aanwezig dient te zijn bij de hoorzitting. In dit geval was de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer, die de bestreden beslissing heeft genomen, niet aanwezig op de hoorzitting in graad van beroep, zodat hij, aldus de verzoekende partij, geen rechtsgeldige beslissing kon nemen. Beoordeling
  28. De verzoekende partij werd uitgenodigd voor een hoorzitting in het kader van het door haar ingestelde beroep op 9 maart 2020, ter gelegenheid waarvan zij besluiten heeft neergelegd. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij niet aanwezig of vertegenwoordigd was op de hoorzitting. Dit IX-10.172-11/13 wordt door de verzoekende partij niet betwist. Het valt dan ook niet in te zien welk belang zij zou hebben bij haar kritiek op het feit dat zij op de hoorzitting niet door de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer is gehoord, nu zij zelf niet aanwezig was op de hoorzitting.
  29. Het derde middel is niet ontvankelijk.
  30. Vermits korte debatten volstaan om te komen tot de hiervóór vermelde conclusies, kan de zaak met toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ definitief worden beslecht. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het beroep.
  32. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.172-12/13 Tiny Temmerman Bert Thys IX-10.172-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.