id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.354 Rolnummer: A. 230208/X-17689 Zaak: Arrest 256354 - Fiscale provinciale en lokale reglementen - 26/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-03 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 08:53 Fiche Arrest nr 256.354 van 26 april 2023 Fiscaliteit - Fiscale provinciale en lokale reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 256.354 van 26 april 2023 in de zaak A. 230.208/X-17.689 In zake : de BV ALERIS ALUMINIUM DUFFEL, thans de BV ALVANCE ALUMINIUM DUFFEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Mallien kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE DUFFEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Maus kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Duffel van 9 december 2019 om een belasting op bedrijven te heffen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. X-17.689-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 oktober
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaten Mario Deketelaere en Werner Vandenbruwaene, die loco advocaat Pascal Mallien verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Thomas De Jonckheere, die loco advocaat Michel Maus verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 9 december 2019 keurt de gemeenteraad van Duffel een belasting op bedrijven goed voor een termijn van zes jaar, van 1 januari 2020 tot en met 31 december
- De motivering luidt: “Deze belasting beoogt een bijdrage van zelfstandigen, beoefenaars van een vrij beroep en ondernemingen in de algemene bestuurlijke uitgaven van de gemeente. De verscheidenheid in tarifering houdt rekening met het verschil in invloed van de belastingplichtigen op de gemeentelijke uitgaven, onder meer wat betreft infrastructuur en algemene dienstverlening. Het is noodzakelijk om een verminderd tarief voor zowel de agrarische als de openlucht-recreatieve sector te voorzien gelet op de specifieke eisen van deze sectoren. Deze sectoren dienen voor hun activiteiten noodgedwongen te beschikken over een grote bedrijfsoppervlakte om economisch rendabel te zijn. X-17.689-2/14 De belasting op bedrijven is gebaseerd op een eenvoudig meetbare grondslag, namelijk de oppervlakte die bedrijven, zelfstandigen of beoefenaars van een vrij beroep gebruiken of ter beschikking hebben. Het heffen van een minimumbelasting is gerechtvaardigd doordat mag aangenomen worden dat de voorziene minimumbedragen van dien aard zijn dat ze binnen ieders draagkracht liggen. De financiële toestand van de gemeente.” Belastingplichtige is, volgens artikel 2, elke natuurlijke persoon die in hoofd-of bijberoep een zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefent en die voor de uitoefening van de zelfstandige beroepswerkzaamheid op het grondgebied van de gemeente een vestiging heeft, gebruikt of tot gebruik voorbehoudt; elke rechtspersoon onderworpen aan de vennootschapsbelasting die op het grondgebied van de gemeente een vestiging heeft, gebruikt of tot zijn gebruik voorbehoudt; en elke rechtspersoon die niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting maar een winstoogmerk heeft en die op het grondgebied van de gemeente een vestiging heeft, gebruikt of tot zijn gebruik voorbehoudt. Artikel 3 bepaalt dat de belasting verschuldigd is per afzonderlijke vestiging en dat een belastbare vestiging elke oppervlakte is die voor beroeps- of bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, is bestemd of wordt voorbehouden. Artikel 4 bevat de belastingtarieven. Tot en met een oppervlakte van 200 m² is 89 euro verschuldigd. Daarna geldt voor vier volgende oppervlakteschijven een degressief tarief van respectievelijk 0,60 euro per m², 0,50 euro per m², 0,45 euro per m² en 0,40 euro per m². Artikelen 5 en 6 voorzien in verminderde tarieven voor agrarische bedrijven, respectievelijk openluchtrecreatieve bedrijven. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel X-17.689-3/14
- Verzoekster noemt het bestreden besluit in een eerste middel “strijdig met de inhoud van het beginsel van de gemeentelijke fiscale autonomie (artikel 41, 162 en 170, § 4 Grondwet), aangezien aan de door het kwestieus belastingreglement ingevoerde differentiatie in bijdrageplicht niet-fiscale doeleinden ten grondslag liggen”. Toegelicht wordt dat het bestreden besluit ten onrechte laat uitschijnen dat het een louter fiscaal doel heeft. Meer bepaald “lijkt de verwerende partij een nevendoel na te streven dat erin bestaat het ter beschikking hebben van grote terreinen (d.i. met een aanzienlijke oppervlakte) bijkomend financieel te viseren en te ‘sanctioneren’, aangezien de toenemende oppervlakte van de terreinen die een bedrijf ter beschikking heeft (bebouwd en/of onbebouwd) geenszins in bijkomende mate een impact heeft op de gemeentelijke uitgaven voor infrastructuur en algemene dienstverlening”. De verwerende partij heeft “hoofdzakelijk een niet-fiscaal nevenresultaat voor ogen […], in casu het onredelijk viseren en ‘sanctioneren’ van ‘grote bedrijven’”. Beoordeling
- Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 van de Grondwet beschikken de gemeenten over een grondwettelijk gewaarborgde fiscale autonomie, die hen toelaat om, binnen de grenzen van de door de wetgever opgelegde beperkingen en onder controle van de toezichthoudende overheid, gelijk welke materie aan een belasting te onderwerpen. Van die autonomie gebruik makend, heeft de verwerende partij, om haar algemene dienstverlening te financieren, met het bestreden besluit een bijdrageplicht ingesteld ten laste van welbepaald de “bedrijven” – elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefent, elke rechtspersoon onderworpen aan de vennootschapsbelasting en elke rechtspersoon die een winstoogmerk heeft maar niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is – omdat ze een impact hebben op de gemeentelijke uitgaven, zoals onder meer wat infrastructuur en algemene dienstverlening betreft. X-17.689-4/14
- Die impact is een motief dat het invoeren van de bijdrageplicht om aan de financiële behoefte van de gemeente tegemoet te komen, redelijkerwijze kan verantwoorden. De belasting die de bijdrageplicht op grond van dat motief verantwoordt, streeft een fiscaal doel na. Dit fiscaal motief en doel worden niet ontkracht alleen doordat de belasting gebeurlijk niet-fiscale neveneffecten heeft.
- Dat de verwerende partij met de bestreden belasting “hoofdzakelijk een niet-fiscaal nevenresultaat” en “een niet aanvaardbaar niet-fiscaal doel” zou beogen, leidt verzoekster af uit de berekeningsgrondslag. Volgens die berekeningsgrondslag is de belasting verschuldigd per afzonderlijke vestiging, zijnde elke oppervlakte die voor beroeps- of bedrijfsdoeleinden gebruikt wordt of tot gebruik is voorbehouden. Dit “oppervlaktecriterium”, “zonder enig plafond”, is, zo meent verzoekster, niet objectief en redelijk verantwoord nu niet wordt aangetoond dat “grote bedrijven” in grotere of bijkomende mate een invloed hebben op de gemeentelijke uitgaven.
- De Raad van State deelt niet die zienswijze. Naar zijn oordeel is het niet onredelijk om ervan uit te gaan dat de oppervlakte gebruikt of bestemd voor een bedrijf, een adequate indicatie vormt van de mate waarin de gemeentelijke dienstverlening genoten wordt. Voorts mag de verwerende partij dan geen belastingplafond hebben ingesteld, zij is er kennelijk toch wel van uitgegaan dat de impact van bedrijven op de gemeentelijke uitgaven voor de dienstverlening niet zonder meer recht evenredig toeneemt met de oppervlakte ervan. In de motivering van het bestreden besluit expliciet rekening houdend met “het verschil in invloed van de belastingplichtigen op de gemeentelijke uitgaven”, belast zij de eerste oppervlakteschijf – tot en met 200 m² – aan, vast, 89 euro, om voor de respectieve volgende schijven – van 200 tot 400 m² oppervlakte, van 400 tot 1.000 m² oppervlakte, van 1.000 tot 20.000 m² oppervlakte, en van meer dan 20.000 m² oppervlakte – te voorzien in een belastingtarief dat van 0,60 euro per m², over 0,50 en 0,45 euro per m², zakt naar 0,40 euro per m². X-17.689-5/14
- Concluderend, wordt niet bijgevallen dat de bestreden belasting strekt tot het realiseren van een niet-fiscaal doel en dat de verwerende partij met de belasting de fiscale bevoegdheid te buiten is gegaan waarover zij op grond van de artikelen 41, 162 en 170 van de Grondwet beschikt. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van “het gelijkheidsbeginsel, opgenomen in de artikelen 10, 11 en 172, 1° van de Gecoördineerde Grondwet”. Uiteengezet wordt vooreerst dat de bestreden belasting gelijkaardige situaties op een verschillende wijze behandelt, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Ook particuliere burgers en gezinnen doen een beroep op, en maken gebruik van, de gemeentelijke infrastructuur en genieten de algemene dienstverlening van de gemeente. Er wordt niet uitgelegd waarom zij worden vrijgesteld van de belasting, noch wordt uitgelegd wat de specifieke invloed van de geviseerde belastingplichtigen op de “algemene bestuurlijke uitgaven” van de gemeente is en waarom deze invloed groter is dan de impact van de niet-belastingplichtige particuliere burgers en gezinnen. Het gehanteerde onderscheidingscriterium is niet pertinent en de argumentatie in de preambule van het belastingreglement is niet afdoende. Voorts verbaast het verzoekster dat het belastingreglement in verminderde tarieven voorziet voor de agrarische en openluchtrecreatieve sector. Heel wat landbouwbedrijven, zoals varkensfokkerijen en pluimveehouderijen, zijn niet “grondgebonden” en kunnen toch economisch rendabel werken. Bovendien is niet in te zien waarom industriële bedrijven, zoals verzoekster, “niet nood- gedwongen zouden moeten kunnen beschikken over een grote bedrijfsoppervlakte X-17.689-6/14 om economisch rendabel te zijn”: “Het is evident dat het uitbaten van een aluminium walserij enkel kan plaatsvinden op een grote bedrijfsoppervlakte om economisch rendabel te kunnen zijn, rekening houdend met de op te stellen machines, motoren en installaties, noodzakelijke opslagruimte voor grondstoffen, afgewerkte producten, voorraden, rollend materieel, productieruimten, kantoren, enz.” De gehanteerde verminderde tarieven voor welbepaalde sectoren zijn discriminerend aangezien ze steunen op een niet pertinent en niet redelijk verantwoord onderscheidingscriterium. Ten slotte wordt volgens verzoekster het gelijkheidsbeginsel bijkomend geschonden doordat “grote” industriële bedrijven die grondgebonden zijn op dezelfde wijze worden behandeld als andere “grote” bedrijven, die hun bedrijvigheid kunnen uitoefenen op een beperktere oppervlakte aangezien zij niet of veel minder grondgebonden zijn, bijvoorbeeld financiële en zakelijke dienstverleners, energiebedrijven, overheden, enz. De beide categorieën van “grote” bedrijven bevinden zich in een verschillende situatie, wat betekent dat ze ook verschillend behandeld moeten worden. Beoordeling
- Overwegende dat de in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vervatte regels met betrekking tot de gelijkheid en de niet-discriminatie inzake belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, althans voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Die verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de belasting. De gelijkheidsregel is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
- De bestreden belasting is er een waarbij, om tegemoet te komen aan de financiële behoefte van de gemeente, een bijdrageplicht wordt ingevoerd specifiek ten laste van de bedrijven die in de gemeente een vestiging hebben, die ze voor hun activiteit gebruiken of kunnen gebruiken. X-17.689-7/14 Een verschil in behandeling tussen, eensdeels, wie in de gemeente een bedrijf voert of een zelfstandig beroep uitoefent, en in beginsel aan de heffing onderworpen is, en, anderdeels, wie er geen bedrijf voert en er geen zelfstandig beroep uitoefent, en niet aan de heffing is onderworpen, berust op een objectief criterium. Dat criterium – het al dan niet uitoefenen in de gemeente van een economische activiteit – is ook relevant. Het ligt in de rede dat wie deze economische activiteit in de gemeente uitoefent een aparte, bijzondere invloed heeft op de algemene bestuurlijke uitgaven en er speciaal baat uit haalt, bijvoorbeeld qua infrastructuur. Het criterium is redelijk verantwoord in het licht van het doel van de belasting.
- Blijkens artikel 5 en 6 van het bestreden besluit gelden voor agrarische, respectievelijk openluchtrecreatieve bedrijven, afwijkende, gunstigere belastingtarieven. Dat wordt in de aanhef aldus gemotiveerd: “Het is noodzakelijk om een verminderd tarief voor zowel de agrarische als de openlucht-recreatieve sector te voorzien gelet op de specifieke eisen van deze sectoren. Deze sectoren dienen voor hun activiteiten noodgedwongen te beschikken over een grote bedrijfsoppervlakte om economisch rendabel te zijn.” Dat niet alle landbouwbedrijven zonder uitzondering over veel grond moeten beschikken om economisch rendabel te zijn, mag waar zijn, maar volstaat niet om de tariefvermindering voor die categorie van bedrijven onwettig te bevinden. Het is op zich niet onredelijk dat de verwerende partij gebruik maakt van categorieën die alleen maar op een vereenvoudigende en benaderende wijze met de werkelijkheid overeenstemmen. Van haar kan niet worden verwacht, en de gelijkheidsregel vereist niet, dat zij bij de bepaling van wie al dan niet een tariefvermindering geniet, rekening houdt met de individuele, concrete situatie van elke belastingplichtige.
- Naar verzoekster uiteenzet, heeft ook zij nood aan een grote bedrijfsoppervlakte. Dat kan grif geloofd worden. Naar eigen zeggen is X-17.689-8/14 verzoekster immers één van de grootste aluminiumwalserijen in Europa, is zij uitgerust met geavanceerde technologie, heeft zij klanten wereldwijd, en telt zij een duizendtal werknemers. De omstandigheid dat verzoekster, gelet op deze bedrijvigheid te Duffel, een grote bedrijfsoppervlakte nodig heeft, laat evenwel nog niet toe haar qua oppervlaktebehoefte op één lijn te plaatsen met agrarische en openlucht- recreatieve bedrijven. Het verminderd tarief voor die agrarische en openlucht- recreatieve bedrijven wordt immers wezenlijk verantwoord doordat de opbrengst per m² van die aard is dat de exploitatie ervan alleen voldoende oplevert om leefbaar te zijn – met andere woorden, om voortgezet te kunnen worden – indien ze op een grote oppervlakte wordt uitgeoefend. Wat, in het geval van verzoekster, de winstgevendheid van haar vestiging te Duffel is, uitgedrukt per m² bedrijfsoppervlakte, is de Raad van State niet meegedeeld. Evenmin is dan ook aannemelijk gemaakt dat verzoeksters vestiging in een vergelijkbare situatie verkeert als een agrarisch of openlucht- recreatief bedrijf en ten onrechte niet hetzelfde verminderde tarief kan genieten.
- Inderdaad leidt de toepassing van de oppervlakte als belastbare basis ertoe dat, zoals verzoekster betoogt, “‘grote’ bedrijven” die veel oppervlakte gebruiken, zoals haar bedrijf, en zogenaamde “‘grote’ bedrijven” die hun bedrijvigheid kunnen uitoefenen op een beperktere oppervlakte, meer belasting verschuldigd zijn dan die laatste “‘grote’ bedrijven”. Maar dat is inherent aan de gekozen belastbare basis, terwijl de betrokken keuze redelijkerwijze als adequaat mag worden beschouwd (zie sub 8) en – zoals hierna sub 19 en 27 zal worden vastgesteld – geen aanleiding blijkt te geven tot onevenredige gevolgen voor verzoekster.
- Het tweede middel wordt verworpen. X-17.689-9/14 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Een derde middel noemt het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel geschonden. Verzoekster betoogt dat de ernst van het financiële nadeel dat de belasting voor haar veroorzaakt, niet in verhouding staat met het doel van de belasting. Het is onredelijk en niet evenredig om een bedrijf om reden van de gebruikte of ter beschikking staande bedrijfsoppervlakte te onderwerpen aan een belasting van ettelijke tienduizenden euro per jaar, (in de memorie van wederantwoord) begroot op 237.000 euro. Het belastingreglement is uitgewerkt “als een ‘prohibitieve’ belasting voor grote bedrijven”. Verzoekster wordt er alleszins disproportioneel door getroffen. Beoordeling
- Hiervoor is al geoordeeld dat het niet onredelijk is om ervan uit te gaan dat de oppervlakte van een bedrijf een indicatie geeft van de mate waarin de gemeentelijke dienstverlening genoten wordt.
- In het middel staaft verzoekster het onevenredig groot nadeel dat de belasting haar zou berokkenen uitsluitend met het bedrag van de belasting dat zij verschuldigd is. Vermits de oppervlakte van haar vestiging niet minder dan 589.467 m² beslaat, bedraagt de belasting bijna 237.000 euro. Anders dan verzoekster klaarblijkelijk meent, wijst dit geenszins ipso facto uit dat bijgevolg de belasting voor verzoekster een prohibitief effect heeft.
- Het derde middel wordt verworpen. X-17.689-10/14 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster doet in een vierde middel gelden dat de bestreden belasting artikel 464, 1°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (hierna: “WIB 92”) en het non bis in idem-beginsel schendt. De bestreden belasting viseert duidelijk het eigendom. Het ter beschikking hebben van de grond volstaat, het is niet vereist dat de grond ook effectief wordt gebruikt. Een belasting waaraan het louter bezitten van oppervlakte als belastbaar feit ten grondslag ligt, vormt een inbreuk op de ratio legis van artikel 464, 1°, WIB
- Uit die bepaling leidt het Hof van Cassatie het verbod af om een lokale belasting te stoelen op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van een inkomstenbelasting bepalen. De eigenaar die gronden aanwendt voor bedrijfsdoeleinden wordt met betrekking tot dezelfde belastbare grondslag geraakt door de onroerende voorheffing, de provinciale en gemeentelijke opcentiemen en de bestreden belasting op bedrijven. Daar komt nog bij dat de belasting moet worden voldaan door middel van inkomsten die al door de staat belast worden. Beoordeling
- Krachtens artikel 464, 1°, WIB 92 zijn onder meer de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft. Niet alleen mogen aldus de gemeenten geen opcentiemen op de inkomstenbelastingen heffen, ze mogen ook geen gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen heffen. Verboden is dus eveneens elke gemeentebelasting die de grondslag of het bedrag van een inkomstenbelasting gebruikt als belastbaar feit of berekeningsbasis. X-17.689-11/14
- Te dezen is de aanleiding tot het heffen van de bestreden belasting het hebben en gebruiken van een bedrijfsvestiging op het grondgebied van de gemeente, waarbij de belasting is vastgesteld rekening houdend met de oppervlakte van het goed waarop de vestiging zich bevindt. De belasting maakt aldus noch van het bedrag van een inkomstenbelasting gebruik, noch van de grondslag die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de inkomstenbelastingen. De omstandigheid dat de bestreden belasting wordt betaald met inkomsten die door de staat belast worden, verandert dat niet.
- Het vierde middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Een vijfde middel leidt verzoekster af uit de schending van “het non bis in idem beginsel en het recht op eigendom zoals gewaarborgd in artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Protocol EVRM”. Verzoeker licht toe dat het non bis in idem-beginsel inhoudt dat dezelfde belastbare grondslag in hoofde van dezelfde persoon voor eenzelfde jaar door eenzelfde overheid geen tweemaal mag worden belast uit hoofde van eenzelfde belasting of belastingen met hetzelfde doel. Op 9 december 2019 voerde de verwerende partij niet alleen de bestreden belasting in, maar vernieuwde zij ook de belasting op motoren van ondernemingen. Het is voor verzoekster duidelijk dat de doelstelling van beide belastingen dezelfde is: ze worden geheven vanwege het uitoefenen van een beroepsactiviteit. Dat de belastbare materie formeel gezien verschilt – de kracht van motoren en de oppervlakte in eigendom – neemt niet weg dat het geheel een bovenmatige, prohibitieve last inhoudt. Dat is des te meer zo aangezien bij de vernieuwing van het belastingreglement op motoren, de aanslagvoet quasi verdubbeld werd ten opzichte van de vorige bestuursperiode. X-17.689-12/14 Beoordeling
- De bestreden belasting voert met het oog op de financiering van de algemene dienstverlening een specifieke bijdrageplicht in ten laste van de bedrijven om reden van hun invloed op de gemeentelijke uitgaven wat onder meer de infrastructuur en de algemene dienstverlening betreft. De belasting op motoren daarentegen stelt een bijdrageplicht ten laste van de bedrijven in, naar de verwerende partij uiteenzet en verzoekster niet tegenspreekt, wegens de milieuvervuiling die door de motoren wordt veroorzaakt. Niet alleen gaat het aldus om belastingen met een verschillend doel, ook treffen ze een verschillende belastbare grondslag. In het geval van de bestreden belasting is die grondslag de vestiging of de oppervlakte die voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt of is bestemd, in het geval van de belasting op motoren is dat de motorkracht die wordt gebruikt. Van een schending van het non bis in idem-beginsel is in de gegeven omstandigheden geen sprake.
- Dat de cumulatie van de beide belastingen voor verzoekster “een bovenmatige – prohibitieve – last inhoudt” of “excessive burden” zou uitmaken, is voor de Raad van State niet gebleken. Ook nog nadat verzoekster in het auditoraatsverslag kon lezen dat zij dit niet aantoont, blijft zij in gebreke de buitensporige, prohibitieve weerslag die de belasting voor haar specifieke, individuele situatie zou hebben, in concreto te staven. Het volstaat daartoe niet om in het algemeen te betogen dat “[d]e individuele bovenmatige last moet worden beoordeeld in het concreet, lokaal kader waarbinnen de belastingheffende overheid, de gemeente Duffel, opereert”.
- Het vijfde middel wordt verworpen. X-17.689-13/14 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.689-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div