id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.380 Rolnummer: A. 232564/IX-10053 Zaak: Arrest 256380 - Wapens - 27/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-02 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-10 08:53 Fiche Arrest nr 256.380 van 27 april 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.380 van 27 april 2023 in de zaak A. 232.564/IX-10.053 In zake : de NV EASYFAIRS BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 22 oktober 2020 om de nv Easyfairs Belgium geen toelating te verlenen voor het organiseren van de beurs F.A.C.T.S. op 19 en 20 oktober 2019, 4 en 5 april 2020 en 24 en 25 oktober
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.053-1/17 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sarah Elslander, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De nv Easyfairs Belgium – voorheen gekend als de nv Easyfairs Events – is een organisator van beurzen en conventies. 3.
- Op 7 juni 2019 vraagt de verzoekende partij aan de minister van Justitie om de toelating bedoeld in artikel 19, 5°, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: de wapenwet) voor de verkoop van vrij verkoopbare wapens tijdens haar beurs op 19 en 20 oktober
- IX-10.053-2/17 De lokale politie van Gent geeft op 1 juli 2019 een ongunstig advies. Op 27 september 2019 geeft de procureur des Konings van Oost- Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, eveneens een ongunstig advies. Op 15 oktober 2019 weigert de minister van Justitie de gevraagde toelating. Tegen die beslissing van 15 oktober 2019 stelt de verzoekende partij een beroep in bij de Raad van State (zaak 229.753/XIV-38.219). Bij arrest nr. 248.791 van 29 oktober 2020 verwerpt de Raad van State dat beroep, na te hebben vastgesteld dat het zonder voorwerp is geworden ingevolge de intrekking van de beslissing van 15 oktober
- 3.
- Op 4 december 2019 vraagt de verzoekende partij aan de minister van Justitie de toelating voor de verkoop van vrij verkoopbare wapens tijdens haar beurs op 4 en 5 april
- De procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, geeft op 10 januari 2020 een ongunstig advies. De lokale politie van Gent geeft op 12 februari 2020 eveneens een ongunstig advies. Op 3 april 2020 weigert de minister van Justitie de gevraagde toelating. Tegen die beslissing van 3 april 2020 stelt de verzoekende partij een beroep in bij de Raad van State (zaak 230.890/XIV-38.365). Bij arrest nr. 249.612 van 26 januari 2021 verwerpt de Raad van State dat beroep, na te hebben vastgesteld dat het zonder voorwerp is geworden ingevolge de intrekking van de beslissing van 3 april
- IX-10.053-3/17 3.
- Op 30 juni 2020 vraagt de verzoekende partij aan de minister van Justitie de toelating voor de verkoop van vrij verkoopbare wapens tijdens haar beurs op 24 en 25 oktober
- De lokale politie van Gent geeft op 14 juli 2020 een ongunstig advies. Op 15 juli 2020 geeft de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, eveneens een ongunstig advies. Daartoe uitgenodigd, bezorgt de verzoekende partij op 28 september 2020 haar standpunt aangaande de ongunstige adviezen. Zij vult dit nog aan op 9 oktober
- 3.
- Op 22 oktober 2020 weigert de minister van Justitie de toelating voor het organiseren van de beurs F.A.C.T.S. op 19 en 20 oktober 2019, 4 en 5 april 2020 en 24 en 25 oktober
- Dat is de bestreden beslissing. De motivering ervan luidt: “De door uw advocaat vermelde dienstenrichtlijn – die tot doel heeft het vrije verkeer van diensten tussen de lidstaten te waarborgen – staat niet in de weg van de toepassing van artikel 19, 5° van de Wapenwet. In casu gaat het over een principieel verbod op de verkoop van voormelde wapens op (onder meer) beurzen. In afwijking hierop kan een toelating (geen vergunning) worden gegeven uiteraard indien hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de fundamenten van de Wapenwet, t.w. de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. In het kader van de drie voormelde aanvragen werd telkens het advies ingewonnen van zowel de lokale politie als van de procureur des Konings. Alle adviezen zijn tot op heden negatief wat betreft het toelaten van de organisatie van voormelde beurzen. In het onderzoek naar aanleiding van uw aanvraag tot toelating van een beurs vernam de Federale Wapendienst van de procureur des Konings van Oudenaarde dat NV Easyfairs Events in het kader van het proces-verbaal met nummer GE.36.LA.74029/2018, het voorwerp zal uitmaken van een dagvaarding dat gedagsteld wordt in het najaar
- In het proces-verbaal met nummer GE.36.LA.74029/2018 wordt gemeld dat tijdens de rondgang van de beurs op 29 oktober 2018 de politie geconfronteerd werd met twee standen waar verboden wapens te koop aangeboden werden. Enerzijds, door een Chinese handelaarster, die de politie het jaar voordien (anno 2017) reeds had geverbaliseerd tijdens de F.A.C.T.S beurs. Anderzijds, door een Franse handelaar die verboden IX-10.053-4/17 wapens aanbood op zijn stand. Betrokkene verklaarde nieuw te zijn op de beurs en niet te zijn ingelicht. De politie heeft respectievelijk het dossier GE.36.LA.074012/2018 d.d. 29/10/2018 en het dossier GE.36.LA074027/2018 d.d. 29/10/2018 opgesteld. De aanvraag tot toelating van een beurs F.A.C.T.S Fall anno 2020 werd ingediend door de NV Easyfairs Belgium. Uit onderzoek van het dossier blijkt evenwel dat NV Easyfairs Belgium een onderneming is die hetzelfde doel heeft als NV Easyfairs Events. De zaakvoerders van beide ondernemingen zijn eveneens dezelfde personen. Easyfairs Events NV organiseerde op 19 en 20 oktober 2019 de beurs F.A.C.T.S Fall anno
- Wat deze beurs betreft werd door de lokale politiezone Gent een proces-verbaal met nummer GE.36.LA.74029/2018 opgemaakt voor het te koop aanbieden van verboden wapens op de beurs. Ook de procureur des Konings adviseerde ongunstig wat betreft de organisatie van deze beurs, wat ertoe leidde dat de toelating door de minister van Justitie niet kon worden gegeven. Aangezien Easyfairs Events NV actueel verdacht wordt van inbreuken op de Wapenwet tijdens een voorgaande beurs wordt gevreesd voor nieuwe inbreuken bij een volgende beurs, weliswaar in hoofde van Easyfairs Belgium NV die hetzelfde doel beoogt en dezelfde bestuurders heeft als Easyfairs Events NV. De lokale politie zone Gent wees in haar mail van 12 februari 2020 met betrekking tot de beurs van 4 en 5 april 2020 dat zij als politiedienst niet in staat is de veiligheid te garanderen (zonder inzet van een proportioneel groot aantal politiemensen) en dat de openbare orde en veiligheid in gevaar kan komen omdat de F.A.C.T.S beurs een zeer gevarieerd publiek heeft waaronder kinderen en jongeren, al dan niet in familie- of vriendschappelijk verband. De volkstoeloop is volgens de politionele vaststellingen op bepaalde momenten zeer intens en onmogelijk te controleren. Een eerdere F.A.C.T.S Fall beurs telde bijvoorbeeld ongeveer drieëndertigduizend bezoekers. Dit brengt met zich mee dat – in geval van inbreuken – de risico’s voor de openbare orde en veiligheid meteen groot zijn en de impact desastreuze gevolgen kan hebben. De lokale politie zone Gent verwijst in haar mail van 14 juli 2020 met betrekking tot haar advies voor de beurs van 24 en 25 oktober 2020 dat degenstokken, werpsterren (‘shuriken’), verboden messen, nunchaku’s worden gekocht (verkocht) ook aan minderjarigen, die al dan niet met het openbaar vervoer de beurs verlaten. Uit de verkregen adviezen blijkt bijgevolg dat op voorgaande F.A.C.T.S beurzen inbreuken op de Wapenwet werden vastgesteld en dat bovendien - omwille van de illegale verkoop van verboden wapens op één van deze beurzen – de procureur des Konings zal overgaan tot dagvaarding. Aangezien de Wapenwet vertrekt vanuit het principe van preventie, t.w. het voorkomen van ongelukken met of misbruik van wapens, is een toelating als afwijking op een principieel verbod enkel mogelijk indien er geen indicaties zijn van potentiële problemen indien de beurs zou plaatsvinden. De Wapenwet laat de overheid immers toe om preventieve maatregelen te IX-10.053-5/17 nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden. IX-10.053-6/17 De finaliteit van de Wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van het individuele en in casu onder meer commerciële belang bij de organisatie van een beurs. Het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel verplichten een bestuurlijke overheid er voor te zorgen dat haar beslissing in verhouding staat tot de feiten waarop de beslissing is gebaseerd. Uit de adviezen van de lokale politie en van de procureur des Konings blijkt dat er ernstige indicaties zijn die wijzen op inbreuken op de Wapenwet gedurende voorgaande door u georganiseerde beurzen. Op grond hiervan wordt gevreesd dat zich ook bij een volgende beurs – die qua voorwerp en organisatie identiek is aan de voorgaande beurs waar de inbreuken werden vastgesteld – zich onregelmatigheden zullen voordoen. Indien de openbare orde en veiligheid in het gedrang dreigen te komen door de organisatie van de beurs, dan kan de toelating niet worden gegeven. De adviserende instanties wijzen op onregelmatigheden vastgesteld bij voorgaande beurzen met hetzelfde doel en organisatie. Uit onderzoek van het dossier en uit de adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings bleek bijgevolg dat werd gevreesd voor de openbare orde en veiligheid bij het plaatsvinden van de beurzen op 19 en 20 oktober 2019 en op 4 en 5 april
- Op grond van dezelfde motieven wordt ook gevreesd voor de openbare orde en veiligheid bij het plaatsvinden van de beurs op 24 en 25 oktober 2020.” 3.
- Bij vonnis van 15 oktober 2021 van de correctionele rechtbank te Gent wordt de verzoekende partij vrijgesproken voor de tenlastelegging vermeld in het proces-verbaal GE.36.LA.74029/2018, namelijk de verkoop van namaakwapens die geen projectielen kunnen afvuren op de F.A.C.T.S. beurs van 29 en 30 september 2018 zonder de toelating van de minister van Justitie. De rechtbank is van oordeel dat de verbodsbepaling van artikel 19, 5°, van de wapenwet enkel betrekking heeft op vuurwapens en niet-vuurwapens die projectielen kunnen afschieten en dat de verkoop van niet-vuurwapens (namaakwapens) die geen projectielen kunnen afschieten niet onder het toepassingsgebied valt van de vrij verkrijgbare wapens zoals bedoeld in artikel 19, 5°, van de wapenwet. De verzoekende partij diende dan ook niet over de toelating van de minister van Justitie te beschikken voor de verkoop van de namaakwapens vermeld in het proces-verbaal GE.36.LA.74029/
- IX-10.053-7/17 IV. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen 4.
- Het vierde middel is genomen uit de schending van artikel 19, 5°, van de wapenwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het zorgvuldigheidsbeginsel, het materiëlemotiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. 4.
- De verzoekende partij voert aan dat de verwerende partij het dossier niet zorgvuldig heeft onderzocht. Zij argumenteert dat de bestreden beslissing steunt op twee ongunstige adviezen waarin vermeende inbreuken op de wapenwet worden vermeld die zijn vastgesteld tijdens een editie van het evenement in
- Uit de adviezen blijkt dat de feiten waarop de verwerende partij steunt vermeldingen betreffen in processen-verbaal. Die vermeldingen worden door de verwerende partij aangenomen zonder de feitelijke vaststellingen uit de processen-verbaal aan een eigen zorgvuldig onderzoek te onderwerpen, terwijl de verzoekende partij omtrent die vaststellingen een toelichting heeft gegeven en heeft gewezen op de maatregelen die zijn genomen na de beweerde inbreuken. Minstens blijkt dat de vaststellingen uit de processen-verbaal, op het moment dat de bestreden beslissing is genomen, niet hebben geleid tot een veroordeling van de verzoekende partij. Dit wordt bevestigd in de verleende adviezen, waarin wordt gesteld dat de vaststellingen uit slechts één van de processen-verbaal, aanleiding zouden geven tot een dagvaarding. Bij gebrek aan een veroordeling op grond van de vermelde vaststellingen, mag de verwerende partij haar beslissing niet steunen op de vermelde feiten, zonder deze aan een eigen zorgvuldig onderzoek te onderwerpen. Bovendien hebben de vastgestelde feiten betrekking op gedragingen van bepaalde standhouders en bezoekers tijdens beurzen in 2018 en
- Uit niets blijkt dat de verwerende partij heeft nagegaan of deze standhouders ook aanwezig zouden zijn op de beurs waarvoor toelating wordt gevraagd. Evenmin heeft de verwerende partij overwogen om toelating te IX-10.053-8/17 verlenen onder de voorwaarde dat bepaalde standhouders niet aanwezig mogen zijn, hoewel de verzoekende partij haar op die mogelijkheid heeft gewezen. Een dergelijke minder verregaande maatregel zou ook het beoogde resultaat hebben. In de bestreden beslissing wordt niet verduidelijkt waarom dit voorstel van de verzoekende partij niet is overwogen. Voorts hebben de adviezen betrekking op de verkoop van verboden wapens. De aangevraagde toelating beoogt echter niet verboden wapens toe te laten en het is onduidelijk, ook al omdat de bestreden beslissing op dit punt elke motivering mist, waarom een vaststelling inzake de verkoop van verboden wapens pertinent is om een aanvraag die betrekking heeft op de verkoop van vrij verkrijgbare wapens, te weigeren. Mogelijk meent de verwerende partij dat de verkoop van vrij verkrijgbare wapens hand in hand gaat met de verkoop van verboden wapens, of minstens dat de verkoop van verboden wapens wordt bedreven door standhouders die vrij verkrijgbare wapens aanbieden. Indien dit al correct zou zijn, wat niet blijkt, is het weinig vanzelfsprekend om de weigering van de toelating te beschouwen als een doeltreffende maatregel om de verkoop van verboden wapens tegen te gaan. De bestreden beslissing bevat geen enkele afdoende motivering waarom de meest verregaande maatregel – de weigering van de toelating – is aangewezen om een vermeend probleem van verkoop van verboden wapens het hoofd te bieden. In dat verband merkt de verzoekende partij ook op dat de twee vorige edities van haar beurs – op 6 en 7 april 2019 en op 19 oktober 2019 – zonder noemenswaardige incidenten zijn verlopen en dat er geen verboden wapens op de beurs werden aangetroffen. De verwerende partij heeft dit gegeven, hoewel zij ervan in kennis is gesteld, op geen enkele manier bij haar beoordeling betrokken. Nochtans worden vaststellingen die betrekking hebben op een editie uit 2018 wél bij de beoordeling betrokken zonder dat wordt gemotiveerd hoe deze vaststellingen relevant zijn voor de beoordeling van de veiligheid van het komende evenement. Vervolgens merkt de verzoekende partij op dat de verwerende partij het advies van de lokale politiezone van Gent lijkt bij te vallen dat de maatregelen die de verzoekende partij neemt om schendingen van de wapenwetgeving tegen te gaan, niet afdoende zijn om de veiligheid van de bezoekers te kunnen garanderen. Uit niets blijkt echter dat de politie het IX-10.053-9/17 aanvraagdossier van de verzoekende partij, waarin concrete voorstellen zijn gedaan ter beheersing van het vermeende probleem, concreet bij haar advisering heeft betrokken. De verzoekende partij heeft bovendien, na kennis te hebben genomen van het advies van de lokale politie van 14 juli 2020 in haar brieven van 28 september 2020 en 9 oktober 2020 uitgebreid de maatregelen toegelicht die ze naar aanleiding van het evenement op 24 en 25 oktober 2020 heeft genomen teneinde inbreuken op de wapenwetgeving te voorkomen. De verwerende partij heeft niet onderzocht of die maatregelen als afdoende kunnen worden beschouwd om eventuele risico’s op de openbare veiligheid tot een aanvaardbaar niveau in te perken. Dit klemt des te meer omdat die maatregelen het resultaat waren van intensief overleg met de verwerende partij zelf. Bovendien heeft de verzoekende partij bij de organisatie van voorgaande evenementen telkens de wijzigingen doorgevoerd die de verwerende partij in haar communicatie heeft voorgesteld, precies met oog op het optimaal verzekeren van de openbare veiligheid op deze evenementen. 4.
- Voorts voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing niet steunt op motieven die feitelijk of juridisch als afdoende kunnen worden beschouwd. Zij argumenteert dat de verwerende partij stelt dat geen toelating kan worden verleend omwille van het feit dat het parket de feiten waarvoor een proces-verbaal is opgesteld ernstig genoeg vindt om de verzoekende partij te dagvaarden “in het najaar 2020”. Eind 2020 heeft de verzoekende partij nog steeds geen weet van enige dagvaarding en de feiten hebben in elk geval nog niet geleid tot een veroordeling, waardoor ze bezwaarlijk afdoende grond kunnen vormen om een weigering op te steunen. Voorts is de verzoekende partij ook van oordeel dat vaststellingen met betrekking tot vorige evenementen geen afdoende motieven kunnen vormen om de weigeringsbeslissing te dragen. De verwerende partij wordt geacht in te schatten in welke mate de maatregelen, genomen voor het evenement waarvoor de toelating wordt gevraagd, toelaten de openbare orde te vrijwaren en de risico’s te dekken die kunnen ontstaan door het toelaten van handel in vrij verkrijgbare IX-10.053-10/17 wapens op de beurs. De vermelde vaststellingen hebben echter geen betrekking op de maatregelen die de verzoekende partij heeft voorgesteld. 4.
- Ten slotte voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet doorstaat. Dienaangaande argumenteert zij dat zij in het kader van haar aanvraag heeft gewezen op het belang dat zij hecht aan het verkrijgen van de toelating voor het verkopen van vrij verkoopbare wapens op haar beurs namelijk omdat de verkoop van deze attributen bijdraagt aan de volledige beleving die zij aan haar bezoekers wil aanbieden. De verwerende partij dient dit belang af te wegen tegen de vrijwaring van de openbare orde en publieke veiligheid. Uit niets blijkt dat deze afweging is gebeurd, wat de bestreden beslissing reeds onwettig maakt. En indien de afweging wel wordt gemaakt, beschikt de verwerende partij niet enkel over de mogelijkheid om op basis van het resultaat daarvan de aangevraagde toelating toe te kennen of te weigeren, maar ook om de gevraagde toelating te verlenen onder bepaalde voorwaarden. Dergelijke voorwaarden zouden toelaten de risico’s voor de openbare orde en veiligheid tot een aanvaardbaar niveau te beperken, zonder buitensporig negatieve gevolgen voor de verzoekende partij te veroorzaken. De verwerende partij heeft echter geen dergelijke voorwaarden opgelegd en zij heeft zelfs niet onderzocht en gemotiveerd of de openbare belangen eveneens konden worden gevrijwaard door het opleggen van de door de verzoekende partij voorgestelde of andere voorwaarden. 5.
- De verwerende partij antwoordt dat de adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings geen informatie bevatten over de concrete personen die tijdens een voorgaande beurs verboden wapens hebben verkocht, noch over de personen die zouden worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank. De mededeling van die namen zou het geheim van het onderzoek kunnen schenden en zou geen bijzonder gegeven toevoegen aan de vaststellingen dat de voorgaande beurs moeilijkheden opleverde inzake de toepassing van de wapenwetgeving. IX-10.053-11/17 5.
- Vervolgens merkt de verwerende partij op dat het niet aan haar toevalt om het openbaar ministerie te ondervragen over zijn vervolgingsbeleid en evenmin om te speculeren over de reden waarom nog geen dagvaarding is uitgebracht. Het volstaat dat blijkens de verklaringen van de procureur des Konings de vaststellingen in de strafdossiers van die aard zijn dat er daadwerkelijk zal worden vervolgd. 5.
- De verwerende partij wijst er ook op dat het beursreglement van de verzoekende partij dat haar ontslaat van enige verantwoordelijkheid voor de gedragingen van een standhouder, niet haar plicht beperkt om de nodige maatregelen te nemen om te verhinderen dat er misdrijven worden gepleegd die de openbare orde en veiligheid fundamenteel schenden. De verzoekende partij stelt eenvoudigweg dergelijke verantwoordelijkheid te verwerpen. Deze houding heeft tot gevolg gehad dat in het verleden niet door de beursorganisator of door de standhouders om een machtiging is verzocht overeenkomstig artikel 19, 5°, van de wapenwet en op de beurs niet alleen vrij verkrijgbare wapens zonder machtiging konden worden aangeboden, maar tevens verboden wapens. De verzoekende partij stelt weliswaar nauw te hebben samengewerkt met de Gentse politie maar deze samenwerking blijkt niet te hebben geleid tot het verijdelen van de schendingen van de wapenwet. Uit het verweerschrift van 11 oktober 2019 van de verzoekende partij blijkt het in casu te gaan om zes standen waar “potentiële wapens” zouden worden aangeboden. Het inzicht in de eigen tekortkoming volstaat dus niet om de vaststelling te ontkrachten dat de eigen organisatie in het verleden heeft gefaald. Vast staat dat als de kwestieuze wapens wel worden aangeboden ze ook effectief worden verkocht. Vraag en aanbod kunnen zich dus gemakkelijk vinden. 5.
- Omtrent de stelling van de verzoekende partij dat tijdens de laatste beurs geen overtredingen zijn vastgesteld, merkt de verwerende partij op dat zij hierover weinig kan stellen. Zo is het niet geweten of de standhouders die werden geverbaliseerd het daaropvolgende jaar aanwezig waren of niet. Evenmin is bewezen dat een en ander het gevolg is van inspanningen van de verzoekende IX-10.053-12/17 partij zelf. Omtrent de controle van de standhouders en hun activiteiten door de organisator van de beurs bevat het dossier weinig of geen informatie. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat daaromtrent maatregelen werden genomen en voorgesteld, andere dan de eerder formele maatregelen die de verwerende partij heeft opgelegd, moet het middel worden verworpen. 6.
- De verzoekende partij repliceert dat het loutere feit dat het parket beslist te vervolgen geenszins volstaat om de aanvraag te weigeren. Zij argumenteert dat de beslissing dient te worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken uit de beslissing of uit het administratief dossier. Processen-verbaal waarvan de inhoud geheim wordt gehouden door het parket om het strafonderzoek te kunnen voeren, kunnen derhalve geen rechtsgeldige motieven vormen om tot een zorgvuldige beslissing te komen. Bovendien volgt uit het loutere feit dat het parket beslist om te vervolgen niet automatisch dat de processen-verbaal strafbare feiten bevatten die aan de verzoekende partij kunnen worden verweten. Dit geldt des te meer daar de verzoekende partij de feiten betwist, zoals zij ook doet voor de correctionele rechtbank. Tijdens de aanvraagprocedure zijn de processen-verbaal dan aan de verzoekende partij bezorgd, waarna zij op de vaststellingen heeft gereageerd. De verwerende partij heeft echter nagelaten de inhoud van de vaststellingen bij de besluitvorming te betrekken en te motiveren waarom de reactie van de verzoekende partij niet kan overtuigen om de gevraagde toelating te verlenen. 6.
- Voorts stelt de verzoekende partij dat de beoordeling van haar beursreglement niet in de bestreden beslissing aan bod komt en bijgevolg een motivering post factum is. Zij wijst erop dat haar beursreglement is voorgelegd aan de federale wapendienst en diens goedkeuring heeft gekregen, zodat de verwerende partij bezwaarlijk in dit stadium van de procedure kan stellen dat de inhoud van het reglement een van de redenen is om de aanvraag te weigeren. Bovendien kan het reglement geenszins worden gelezen als een poging van de verzoekende partij om haar verantwoordelijkheden te ontlopen. Het reglement bevat een afzonderlijk hoofdstuk over de wapenregelgeving en het beoogt precies IX-10.053-13/17 om inbreuken op de wapenwet te vermijden en maakt de standhouders attent op hun verplichtingen. De verzoekende partij vraagt uitdrukkelijk van haar standhouders om kennis te nemen van het reglement en het te aanvaarden. Er is dan ook geen enkel causaal verband tussen het beursreglement van de verzoekende partij en vermeende inbreuken op eerdere beurzen. 6.
- Ten slotte stelt de verzoekende partij dat de beoordeling van het gebrek aan incidenten tijdens de laatste edities van het evenement eveneens een post factum motivering betreft. Zij merkt daarbij op dat de verwerende partij de aanvraag weigert omwille van vermeende inbreuken in 2018, maar vervolgens stelt zij uit een gebrek aan vergelijkbare vaststellingen op latere edities van het evenement niet te kunnen afleiden dat de geplande editie veilig zal verlopen. Indien vaststellingen uit het verleden door de verwerende partij worden gebruikt om het risico op incidenten op het geplande evenement in te schatten, dient een afwezigheid aan dergelijke vaststellingen op gelijkwaardige wijze op de besluitvorming te wegen. De verwerende partij stelt ook ten onrechte dat het dossier weinig informatie zou bevatten over de maatregelen die de verzoekende partij heeft genomen en zal nemen om de naleving van de wapenregelgeving te verzekeren. Na het indienen van haar aanvraag heeft de verzoekende partij herhaaldelijk met de verwerende partij gecommuniceerd en de bijkomende veiligheidsmaatregelen uitgebreid toegelicht. De verwerende partij heeft echter nagelaten deze maatregelen aan een zorgvuldig onderzoek en een gemotiveerde beoordeling te onderwerpen en zij kan dan ook bezwaarlijk thans voor de Raad van State betwisten dat de maatregelen een gunstig effect hebben op de veiligheid van de evenementen waarop geen incidenten zijn vastgesteld. Beoordeling 7.
- In de bestreden beslissing wordt aan de verzoekende partij de gevraagde toelating geweigerd omdat uit de adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings blijkt dat er ernstige indicaties zijn die wijzen op inbreuken op de wapenwet gedurende voorgaande beurzen, op grond waarvan IX-10.053-14/17 wordt gevreesd dat ook bij een volgende beurs – die qua voorwerp en organisatie identiek is aan de voorgaande waar de inbreuken zijn vastgesteld – zich onregelmatigheden zullen voordoen, zodat de openbare orde en veiligheid in het gedrang dreigen te komen. 7.
- Het auditoraat stelt in zijn verslag (ambtshalve) dat artikel 19, 5°, van de wapenwet verkeerd is toegepast en dat het materiëlemotiveringsbeginsel is miskend aangezien de correctionele rechtbank van Gent bij vonnis van 15 oktober 2021 heeft geoordeeld dat de verzoekende partij moet worden vrijgesproken voor de tenlastelegging vermeld in proces- verbaal nr. GE.36.LA.74029/2018 waarnaar in de bestreden beslissing en de adviezen wordt verwezen. Volgens het auditoraat wordt in de bestreden beslissing derhalve ten onrechte uitgegaan van overtredingen op de wapenwet die toelaten te oordelen dat mag worden gevreesd dat die inbreuken zich in de toekomst zullen herhalen. Dat er een potentieel gevaar bestaat voor de openbare orde en veiligheid wegens het hoge bezoekersaantal is volgens het auditoraat een gevolgtrekking die niet mag worden gemaakt. 7.
- Dat standpunt wordt niet bijgevallen. Vooreerst is het pas nadat de bestreden beslissing is genomen, dat is gebleken dat de verzoekende partij moet worden vrijgesproken voor de tenlastelegging vermeld in een proces-verbaal waarnaar wordt verwezen in de bestreden beslissing en de adviezen waarop ze steunt. Op het moment van de bestreden beslissing kon de verwerende partij, mede op grond van dat proces- verbaal, oordelen dat er ernstige indicaties zijn die wijzen op inbreuken op de wapenwet gedurende voorgaande beurzen. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de bestreden beslissing immers niet beoogt te bestraffen maar wel een preventief oogmerk heeft. In casu bestond er een proces-verbaal op basis waarvan tot strafrechtelijke vervolging is overgegaan. Dat volstond om het bestaan van een realistische kans op inbreuken op de wapenwet te onderkennen. IX-10.053-15/17 Bovendien steunt het oordeel van de verwerende partij dat er ernstige indicaties zijn die wijzen op inbreuken op de wapenwet gedurende voorgaande beurzen niet enkel en alleen op het bewuste proces-verbaal nr. GE.36.LA.74029/2018 waarvoor de verzoekende partij nadien is vrijgesproken, maar ook op andere vaststellingen inzake inbreuken op de wapenwetgeving. Zo wijst bijvoorbeeld de lokale politie er in haar advies van 14 juli 2020 op dat tijdens voorgaande beurzen is vastgesteld dat “degenstokken, werpsterren (‘shuriken’), verboden messen, nunchaku’s worden gekocht (verkocht) ook aan minderjarigen”. Het betreft verboden wapens (artikel 3 van de wapenwet), die sowieso niet verhandeld mogen worden op een beurs. Het voorgaande noopt tot het besluit dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing kon oordelen dat er ernstige indicaties zijn die wijzen op inbreuken op de wapenwet gedurende voorgaande beurzen waardoor er mag worden gevreesd dat ook bij een volgende beurs zich onregelmatigheden zullen voordoen, zodat de openbare orde en veiligheid in het gedrang dreigen te komen.
- Het auditoraat heeft het onderzoek van de zaak beperkt tot een bespreking van de voormelde ambtshalve invulling van het vierde middel. Er is dan ook reden om het auditoraat te belasten met een aanvullend onderzoek van de zaak. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. IX-10.053-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig april tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.053-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.380 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.637 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div