← België

Arrest 256432 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 04/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.432 Rolnummer: A. 238957/X-18381 Zaak: Arrest 256432 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 04/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-08 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-10 08:56 Fiche Arrest nr 256.432 van 4 mei 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 256.432 van 4 mei 2023 in de zaak A. 238.957/X-18.381 In zake :

  1. Jonas PEELMAN
  2. Marissa COOLS
  3. Werner DE LEENHEER
  4. Leen LAMMENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Konstantijn Roelandt en Jens Joossens kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD AALST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Herzele Dries 77 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV CAFÉ X.O. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  5. De vordering, ingesteld op 25 april 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst van 13 februari 2023 waarbij aan de bv Café X.O. toelating wordt verleend voor het organiseren van een pop-up zomerbar op percelen grond gelegen te Aalst, Affligemdreef 164, X-18.381-1/19 voor de periode van 1 juni 2023 tot en met 28 augustus 2023, met opbouw vanaf 4 mei
  6. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 28 april 2023 heeft de bv Café X.O. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 mei 2023, om 11 uur. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jens Joossens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Dirk Abbeloos en Robin Van Cauwenberghe, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten
  9. De woonpercelen van verzoekers bevinden zich op enkele tientallen meters van een terrein aan de Affligemdreef 164 te Aalst (hierna: het betrokken terrein). X-18.381-2/19 Krachtens het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst - Ninove - Geraardsbergen - Zottegem is het betrokken terrein gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 4.
  10. Met een besluit van 23 juni 2020 keurt de gemeenteraad van de stad Aalst het “Convenant Pop-up horecazaken Aalst” goed (hierna: het convenant). 4.
  11. In het convenant wordt geen openingsuur vermeld, maar wordt wel het volgende gesteld: “
  12. Sluitingsuur Alle pop-up horecazaken hebben een vast sluitingsuur. • Op weekdagen (maandag tot donderdag): 23u00 muziek af, 23u30 terrein vrij. • Op weekends en dagen voor een feestdag: 00u30 muziek af, 01u00 terrein vrij. […]
  13. Geluidsbeperking tot 85dB Geluidswaarden van pop-up horecazaken moeten voldoen aan geluidscategorie 1 en alle voorwaarden opgenomen in hoofdstuk 6.7 van Vlarem. (een maximaal geluidsdrukniveau LAS(max) kleiner of gelijk aan 92 dB(A) en een gemiddeld geluiddrukniveau LAeq,15 min kleiner of gelijk aan 85 dB(A)). […]
  14. Duidelijk parkeerplan De aanvraag moet een duidelijk parkeerplan bevatten, waarin de mogelijke impact op de omgeving en voorgestelde oplossingen worden besproken.
  15. Horeca-attest Bij ontvangst van een openingsvergunning zal ook een horeca-attest afgeleverd worden. Dit attest moet steeds zichtbaar zijn zodat bezoekers en controlediensten kunnen zien dat de zaak aan alle voorwaarden voldoet. […].”
  16. Op 31 december 2022 dient de bv Café X.O. bij de stad Aalst een aanvraag in voor het organiseren van een pop-up zomerbar op het betrokken terrein voor de periode van 1 juni 2023 tot en met 28 augustus 2023, met opbouw vanaf 4 mei
  17. X-18.381-3/19 6.
  18. Naar aanleiding van deze aanvraag brengen meerdere diensten van de stad Aalst advies uit. 6.
  19. In het advies van de dienst Ruimtelijke Ordening wordt het volgende overwogen: “Met betrekking tot de pop[-]up zomerbar Bloom dient verwezen naar het vrijstellingsbesluit […] van de Vlaamse Regering tot bepaling van (stedenbouwkundige) handelingen waarvoor geen (omgevingsvergunning) nodig is […]. Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig […]. […] Het voorstel is stedenbouwkundig gezien aanvaardbaar op deze locatie en kan gunstig geadviseerd worden onder strikte voorwaarden: De maximale duur van maximaal 4 periodes van 30 aaneengesloten dagen mag niet overschreden worden, de aanvraag dient zich bijgevolg te beperken tot maximaal 120 dagen.” 7.
  20. Op 13 februari 2023 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst het bestreden besluit. 7.
  21. In het bestreden besluit wordt het volgende gesteld: “Motivering De volgende adviezen werden gegeven […]: Evenementencel: 25 januari 2023:  Voldoende parking: terrein naast zomerbar + terrein balboogschutters is ook beschikbaar. […] Ruimtelijke Ordening: Met betrekking tot de pop[-]up zomerbar Bloom dient verwezen naar het vrijstellingsbesluit […] van de Vlaamse Regering tot bepaling van (stedenbouwkundige) handelingen waarvoor geen (omgevingsvergunning) nodig is […]. Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig […]. Bevolking: Gunstig m.b.t. het schenken van sterke dranken Economie: Positief advies […] Evenementenloket: De regelgeving moet gevolgd worden […] Besluit Het college van burgemeester en schepenen beslist: Artikel 1 Met inachtname van de voorwaarden van het convenant Pop-up Horecazaken Aalst, de toestemming te verlenen aan Café XO […] voor de organisatie • van: Zomerbar Bloom X-18.381-4/19 […] • datum: van 1 juni 2023 tot en met 28 augustus 2023 o opbouw: 4 mei 2023 o einde afbraak: 31 augustus 2023 op voorwaarde dat: • de openbare orde, -rust, en veiligheid bewaard wordt. • de dranken niet geserveerd worden in wegwerpverpakkingen tenzij 95% ervan gescheiden wordt door recyclage. • geen alcohol verkocht, geschonken of aangeboden wordt aan -16-jarigen en geen sterke drank aan -18-jarigen. volgende adviezen worden opgevolgd: • de buurtbewoners tijdig op de hoogte stellen van het evenement • de doorgang voor de hulpdiensten te allen tijde verzekeren • voldoende parking voorzien • na opstelling een evenementenkeuring laten gebeuren door een erkende firma o.a[.] voor de tenten. Het attest ervan moet voor aanvang van de activiteit via evenementenloket@aalst.be bezorgd worden • het weer monitoren; bij slecht weer wordt de zomerbar gesloten • de wettelijke termijnen respecteren: 4 x30 dagen is toegelaten met opbouw en afbouw inbegrepen. Het terrein moet volledig vrij zijn na de afbouw • indien de 2 uitzonderingen nodig zijn per maand voor afwijking van de geluidsnormen: moeten deze tijdig aangevraagd worden (6 weken op voorhand) Artikel 2 Aan de organisator de toelating te geven voor het schenken van sterke dranken tijdens de openingsuren van de zomerbar.” 8.
  22. Verzoekers stellen dat de tussenkomende partij op 4 april 2023 hun buren hebben getelefoneerd om mee te delen dat de toelating voor de zomerbar verleend werd. Met een mailbericht van dezelfde dag hebben zij de verwerende partij verzocht om hen die toelating over te maken. 8.
  23. Met een mailbericht van 17 april 2023 maakt de verwerende partij het bestreden besluit over aan verzoekers. IV. Tussenkomst
  24. De bv Café X.O., houder van de bestreden toelating, verzoekt om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dit verzoek in te willigen. X-18.381-5/19 V. Voorwaarden van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  25. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing. VI. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Standpunt van de partijen 11.
  26. In het eerste middel voeren verzoekers onder meer de schending aan van het zorgvuldigheids- en het legaliteitsbeginsel. 11.
  27. Verzoekers lichten toe dat het betrokken terrein gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het gewestplan. De zomerbar heeft overduidelijk geen agrarisch karakter, zodat toepassing moest worden gemaakt van hetgeen de Raad van State gesteld heeft in het – te dezen “bijzonder toepasselijk” – arrest Duffeler, nr. 254.324 van 12 augustus 2022: om na te gaan of de vergunde pop-up ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan diende het college van burgemeester en schepenen te onderzoeken of het gaat om het in artikel 4.4.4, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) bedoelde sociaal-cultureel of recreatief medegebruik dat door zijn beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt. Te dezen heeft deze toets niet plaatsgevonden. Noch de planologische, noch de esthetische toets in relatie met X-18.381-6/19 de vereiste vrijwaring van de schoonheidswaarde van dit openruimtegebied, is doorgevoerd. Volgens verzoekers blijkt uit niets dat de exploitatie van de zomerbar de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet in het gedrang zou brengen.
  28. De verwerende partij wijst op het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is’ (hierna: het besluit van 16 juli 2010). Zoals blijkt uit artikel 1.4 van het besluit van 16 juli 2010, ressorteren handelingen die strijden met een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg niet onder de vrijstellingen vervat in dit besluit. De vrijstellingen gelden daarentegen wél in zowel de hypothese dat de handelingen in overeenstemming zijn met de gewestplanbestemming als in de hypothese dat de handelingen met de gewestplanbestemming klemmen. Het convenant gaat uit van de premisse dat een aanvraag die voldoet aan het convenant onder de vrijstellingsregeling van het besluit van 16 juli 2010 ressorteert, zodat niet inzichtelijk kan worden gemaakt dat bovenop een toetsing aan het convenant, de verwerende partij nog bijkomend zou moeten toetsen aan het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: het inrichtingsbesluit) of aan een decretale afwijkingsgrond zoals de regeling inzake sociaal-cultureel of recreatief medegebruik van artikel 4.4.4 VCRO. De verwerende partij vraagt de rechtspraak van het arrest Duffeler te dezen niet te volgen, aangezien de strekking van dit arrest klemt met de premisse waarvan het convenant voor tijdelijke horecazaken uitgaat, met name dat horecazaken die onder het convenant ressorteren, onder de vrijstelling van een omgevingsvergunning vallen.
  29. De tussenkomende partij wijst op de in artikel 7.2 van het besluit van 16 juli 2010 voorziene mogelijkheid van het tijdelijk oprichten van constructies zonder omgevingsvergunning. Zoals bevestigd wordt in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, is het duidelijk dat in artikel 1.4 van het besluit van 16 juli 2010 een strijdigheid met het gewestplan niet wordt vermeld als uitsluitingsgrond om aanspraak te kunnen maken op een vrijstelling. Anders X-18.381-7/19 dan wat verzoekers poneren, kan de strijdigheid van de vrijgestelde constructie met de onderliggende gewestplanbestemming niet worden ingeroepen om het besluit van 16 juli 2010 buiten toepassing te verklaren. Beoordeling 14.
  30. Het inrichtingsbesluit stelt: “Artikel 11 - De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para- agrarische bedrijven. […] Artikel 15 - 4.
  31. Voor landelijke gebieden kunnen volgende nadere aanwijzingen worden gegeven: 4.6.
  32. De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. […].” Artikel 4.4.4 VCRO stelt: “§
  33. In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen.” Het besluit van 16 juli 2010 stelt: “[…] Art. 1.
  34. - De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, voor zover deze handelingen niet strijdig zijn met de voorschriften van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, bijzondere plannen van aanleg of minder dan vijftien jaar oude verkavelingsvergunningen of minder dan vijftien jaar oude omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die niet opgenomen zijn in de gemeentelijke lijst, opgemaakt in toepassing van artikel 4.4.1, § 3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. […] X-18.381-8/19 Art. 7.
  35. - Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de tijdelijke plaatsing van constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden voldaan is : 1° op hetzelfde goed wordt een maximale duur van vier periodes van dertig aaneengesloten dagen per kalenderjaar niet overschreden. Op de eerste dag van de plaatsing van de constructie begint de periode van dertig dagen te lopen, ongeacht of de constructie de volle dertig dagen geplaatst blijft. De periodes van dertig dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet; 2° de plaatsing gebeurt niet in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied; 3° de constructies brengen de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang; 4° de plaatsing gaat niet gepaard met een ontbossing, een wijziging van vegetatie of kleine landschapselementen, een aanmerkelijke reliëfwijziging of een wijziging van waterlichamen.” 14.
  36. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens te inventariseren en met de gepaste nauwgezetheid te beoordelen. 14.
  37. Zoals onder meer bevestigd wordt in ’s Raads arresten nrs. 34.062 en 34.063 van 15 februari 1990, nr. 84.402 van 23 december 1999, nr. 195.864 van 9 september 2009, nr. é.390 van 5 januari 2016, nr. 242.572 van 9 oktober 2018, nr. 254.297 van 27 juli 2022 en nr. 254.432 van 9 september 2022, moet iedere individuele overheidsbeslissing kunnen worden ingepast in de bestaande regelgeving, zijnde niet alleen de rechtsregels die zijn uitgewerkt door de overheid die de beslissing heeft genomen, maar ook de verordenende bepalingen die uitgaan van andere bestuurlijke overheden. Dit is – zoals is toegelicht in de twee eerstgenoemde arresten – het gevolg van het feit dat de zekerheid en de vastheid in het rechtsverkeer in een rechtsstaat betekenen dat elke rechtsonderhorige, en ook iedere overheid, gehouden is door het legaliteitsbeginsel, dat gebiedt te handelen binnen de wet en volgens de wet, hieronder verstaan het geheel van de normenhiërarchie.
  38. Voorshands wordt aangenomen dat uit het zorgvuldigheids- en het legaliteitsbeginsel volgt dat een zorgvuldig handelend lokaal bestuur dient na X-18.381-9/19 te gaan of een bij haar aangevraagde pop-up inrichting op een terrein dat in een bestemmingsgebied van het gewestplan ligt, past binnen de gewestplanvoorschriften.
  39. Te dezen kwam het op het eerste gezicht aan de verwerende partij toe om na te gaan of de door de tussenkomende partij aangevraagde pop-up ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften voor landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het gewestplan. Daar niet in te zien valt dat deze pop-up landbouw in de zin van artikel 11 van het inrichtingsbesluit zou betreffen, diende zij prima facie te onderzoeken of het gaat om het in artikel 4.4.4, § 1, VCRO bedoelde sociaal- cultureel of recreatief medegebruik dat door zijn beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet in het gedrang brengt.
  40. Prima facie gaat de verwerende partij er ten onrechte van uit dat er zich te dezen geen probleem inzake de laatstgenoemde impact stelt omdat de aanvraag voldoet aan het convenant dat geldt voor de gevallen waarin er krachtens het besluit van 16 juli 2010 geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is. Op het eerste gezicht kan de verwerende partij niet overtuigen van de juistheid van haar uitgangspunt nu de vraag of bepaalde handelingen al dan niet vrijgesteld zijn van dergelijke vergunning los lijkt te staan van het in het in randnummer 14.3 in herinnering gebrachte legaliteitsbeginsel. Bovendien legt artikel 7.2 van het besluit van 16 juli 2010 als uitdrukkelijke voorwaarde om vrijgesteld te zijn van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen op dat “de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang [wordt gebracht]”. In het licht van het voorgaande, lijkt het in randnummer 16 gestelde geenszins neer te komen op het buiten toepassing verklaren van het besluit van 16 juli
  41. X-18.381-10/19
  42. Zoals eerder is gesteld in ’s Raads arrest nr. 254.297 van 27 juli 2022, dient het uit te voeren onderzoek bij het toelaten van een pop-up in een landbouwgebied van het gewestplan op het eerste gezicht uit twee stappen te bestaan. Eerst dient de overheid nauwkeurig te inventariseren welk gebruik er van het betrokken terrein zal worden gemaakt om te kunnen uitmaken of dit effectief sociaal-cultureel of recreatief is. Vervolgens dient de overheid na te gaan of dit gebruik daadwerkelijk een beperkte impact heeft zodat het de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt. Bij beide stappen van de vereiste beoordeling moet op het eerste gezicht terdege rekening worden gehouden met wat over artikel 4.4.4, § 1, VCRO is gesteld in de parlementaire voorbereiding: “De impact kan beperkt zijn door (niet limitatief): – het beperkte ruimtebeslag (dat geldt bijvoorbeeld voor lijnvormige infrastructuren, zoals wandelwegen, ruiterpaden en fietspaden of infrastructuur met een kleine oppervlakte, zoals een picknicktafel, een zitbank, een informatiebord); – de tijdelijkheid van de ingreep (zoals bij een occasionele motorcross in agrarisch gebied, die bijvoorbeeld maximaal 3 keer per jaar wordt gehouden); – de afwezigheid van weerslag op het terrein (zoals bij het overvliegen van een agrarisch gebied met modelvliegtuigen, of het waterskiën op een zone voor waterweg). […] Een evaluatie geval per geval is nodig. Enkele voorbeelden van zaken die onder het toepassingsgebied vallen, zijn: – het plaatsen van een zitbank in agrarisch gebied, bosgebied of natuurgebied; – het plaatsen van een vogelkijkhut in natuurgebied; – het aanleggen van een fietspad of wandelpad in agrarisch gebied, bosgebied of natuurgebied; – het plaatsen van een fit-o-meter in bosgebied; – het organiseren van een eenmalig jaarlijks popfestival in agrarisch gebied, waarbij de periode vanaf de voorbereiding tot aan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand slechts enkele weken duurt; – het organiseren van een festival in parkgebied (voor zover dit al niet als bestemmingsconform kan worden geacht gezien de sociale functie die het [inrichtingsbesluit] toeschrijft aan de parken); – het tijdelijk en occasioneel opzetten van een tentenkamp van een jeugdbeweging in agrarisch gebied; – het organiseren van een eenmalige karting in open lucht op de parking van een fabriek in industriegebied; X-18.381-11/19 – het organiseren van een mountainbikewedstrijd in agrarisch gebied of bosgebied; – het organiseren van een occasionele motorcross in agrarisch gebied na de oogst van de landbouwgewassen […].” (Parl.St. Vl.Parl. 2004-2005, nr. é/1, 11-12).
  43. Prima facie kunnen noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij er van overtuigen dat te dezen het hiervoor bedoelde onderzoek naar de impact van de vergunde pop-up op de verwezenlijking van de algemene bestemming van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied is uitgevoerd.
  44. In zoverre de schending wordt aangevoerd van het zorgvuldigheids- en het legaliteitsbeginsel is het middel ernstig. B. Het tweede middel Standpunt van de partijen 21.
  45. In het tweede middel voeren verzoekers de schending aan van “het legaliteitsbeginsel, paterelegembeginsel en het motiveringsbeginsel door de miskenning van het eigen convenant”. 21.
  46. Verzoekers lichten toe dat het convenant uitdrukkelijk voorschrijft dat de aanvraag “een duidelijk parkeerplan” dient te bevatten. Te dezen ontbreekt dergelijk parkeerplan in de aanvraag. Nochtans verwacht men volgens de aanvraag op piekmomenten 500 personen, met alle mogelijke mobiliteitsproblemen tot gevolg. Dit heeft men niet onderzocht noch ernstig genomen, meer zelfs het is volstrekt onduidelijk waar de auto’s geparkeerd zullen worden.
  47. De verwerende partij stelt dat het betoog van verzoekers dat zij niet zouden weten waar de auto’s zullen parkeren allerminst geloofwaardig is. Zoals bij de editie 2021 en 2022, maken bezoekers van de pop-up bar immers X-18.381-12/19 gebruik van de grote bestaande, openbare parking aan de Zandberg (Jeugdcentrum voetbalclub Eendracht Aalst) en van de bestaande openbare parking aan de Affligemdreef ter hoogte van het terrein van de balboogschutters. Verzoekers kunnen bezwaarlijk ernstig voorhouden onwetend te zijn waar deze parkings zich bevinden. Dat in die context in de aanvraag geen parkeerplan voor de autoparkeerplaatsen is opgenomen, is dan logisch. De opname van een dergelijk plan is voorzien voor de gevallen waarbij voor de oprichting van een tijdelijke pop-up bar ook een tijdelijke parkeerzone moet worden ingericht. Deze situatie is te dezen evenwel niet voorhanden aangezien de tijdelijke zomerbar zich situeert in de nabijheid van de openbare parking aan de Zandberg, die ruimschoots voldoende parkeerplaatsen omvat voor de bezoekers van de zomerbar op een ogenblik dat het voetbalseizoen overigens ook stil ligt. Ten overvloede tonen verzoekers evenmin afdoende aan over het vereiste belang bij het middel te beschikken. Immers, hoe kunnen zij ernstig voorhouden van de kwestieuze parkings daadwerkelijk enige overlast te kunnen ondervinden indien zij na de edities 2021 en 2022 klaarblijkelijk nog niet weten dat de bezoekers van de pop-up bar parkeren op de openbare parkings aan de Zandberg en aan het terrein van de balboogschutters?
  48. De tussenkomende partij stelt dat verzoekers om de beweerde mobiliteitshinder te staven louter vermoedens opwerpen. Nochtans hebben zij gedurende de voorgaande jaren ruim voldoende de tijd gehad de nodig concrete vaststellingen te doen om de aangevoerde mobiliteitshinder minstens aannemelijk te maken in de voorliggende procedure. Dit laatste laten zij volkomen na, hoewel zij zeer goed op de hoogte zijn van de succesvolle parkeerregeling. Beoordeling
  49. Noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij beweert dat de aanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid een in het convenant bedoeld “parkeerplan” zou bevatten. Prima facie is de door het convenant opgelegde voorwaarde dat de aanvraag “een duidelijk parkeerplan” dient te bevatten miskend. X-18.381-13/19 Dat er geen onduidelijkheid zou bestaan over waar er geparkeerd zal worden, wordt op het eerste gezicht tegengesproken door de overwegingen van het bestreden besluit waarin gesteld wordt dat de “Voldoende parking” in de eerste plaats voorzien is op het “terrein naast zomerbar”. Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij erkennen ter terechtzitting dat met de woorden “terrein naast zomerbar” niet verwezen wordt naar de openbare parkings aan de Zandberg en aan het terrein van de balboogschutters, die immers beide gelegen zijn op meer dan honderdvijftig meter van het betrokken terrein.
  50. De omstandigheden die de verwerende partij en de tussenkomende partij uit de zomerbaredities van 2021 en 2022 afleiden, kunnen op het eerste gezicht geen afbreuk doen aan hetgeen in het vorige randnummer is vastgesteld. De verwerende partij lijkt er evenmin in te slagen om aannemelijk te maken dat verzoekers geen belang zouden hebben bij het middel, al was het maar omdat zij er aan voorbijgaat dat dit middel ook het “terrein naast zomerbar” viseert.
  51. Het tweede middel is ernstig. VII. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
  52. In het verzoekschrift wordt uiteengezet dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een gewone procedure tot schorsing, daar deze procedure onvermijdelijk te laat zou komen om schadelijke gevolgen voor verzoekers te voorkomen. Verzoekers benadrukken dat de vergunde pop-up van 1 juni tot 28 augustus 2023 open zal zijn van acht uur ’s morgens tot één uur ’s nachts. De X-18.381-14/19 openluchtdiscotheek vlakbij de woningen van verzoekers zal hun leefomgeving aantasten en brengt onmiskenbaar een ernstig risico op overlast mee. Het feit dat de zomerbar ook reeds voor de schoolvakantie, en meer in het bijzonder tijdens de examenperiode van juni, de nodige overlast zal genereren is bijzonder hinderlijk.
  53. De verwerende partij wijst er vooreerst op dat verzoekers vertrekken van het uitgangspunt dat de zomerbar op 1 juni 2023 zal opengaan. Zij gaan er echter aan voorbij dat de horecavergunningsaanvraag van de tussenkomende partij nog lopende is, en dat de tussenkomende partij dus nog niet over de vereiste horecavergunning beschikt. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is dan ook voorbarig. Voorts is het volgens de verwerende partij volkomen onterecht dat verzoekers gewag maken van een openluchtdiscotheek. De bestreden beslissing heeft immers betrekking op een zomerbar, en betreft dus de organisatie van een pop-up eet- en drinkgelegenheid waar enkel akoestische achtergrondmuziek is voorzien. De verwerende partij vervolgt dat het in tijden van smartphones zeer gemakkelijk is om beeld- en geluidmateriaal te verzamelen, maar dat verzoekers opvallend genoeg geen concreet bewijsmateriaal bijbrengen dat zou aantonen dat zij bij de edities 2021 en 2022 van de zomerbar enige geluids- of mobiliteitshinder ondervonden zouden hebben. Bovendien ligt er tussen het betrokken terrein en de woonpercelen van verzoekers een groot magazijn dat een geluidsbuffer vormt. Enige mobiliteitshinder wordt volgens de verwerende partij niet inzichtelijk gemaakt. Alle voertuigen parkeren op de bestaande openbare parkings aan de Zandberg en aan de Affligemdreef. Een bewijs van onherroepelijke schadelijke gevolgen ligt te dezen geenszins voor. Tot slot wijst de verwerende partij er op dat de bestreden beslissing al van 13 februari 2023 dateert. Opvolgen of, na een editie in 2021 en in 2022, voor de nieuwe editie van 2023 een toelating zou worden verleend, is X-18.381-15/19 een koud kunstje daar wekelijks op de website van de verwerende partij aangekondigd wordt welke nieuwe besluiten er worden genomen. Ook de besluitenlijst van de vergadering van het college van burgemeester en schepenen van 13 februari 2023 is gepubliceerd op de website van de verwerende partij. In deze lijst is ook het volgende agendapunt 98 vermeld: “Klantencontacten […] 98 2023_CBS_00978 Evenementenloket - Zomerbar Bloom – Beslissing Goedgekeurd.” Verzoekers – die de procedure van het convenant zeer goed blijken te kennen – hebben dit niet opgemerkt en maken volgens de verwerende partij dan ook niet inzichtelijk met de vereiste diligentie te hebben gehandeld.
  54. De tussenkomende partij stelt dat verzoekers in hun verzoekschrift vervallen in algemene en weinigzeggende bewoordingen. De eventuele hinder die kan verwacht worden van de zomerbar verschilt in geen opzicht van deze van de twee eerdere edities, integendeel worden er bijkomende maatregelen genomen teneinde elke vorm van overlast te vermijden. Bovendien kunnen de vermeende hinderaspecten zich pas vanaf 1 juni 2023 manifesteren. De vordering is voorbarig, te meer daar verzoekers de mogelijkheid hebben om later, als de aangehaalde hinderaspecten zich effectief zouden voordoen, alsnog de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen. Beoordeling
  55. Terecht merken verzoekers op dat de behandeling van hun zaak in een gewone procedure tot schorsing onvermijdelijk te laat zou komen om de door hen gevreesde schadelijke gevolgen te voorkomen.
  56. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor ernstige nadelen, of minstens voor schade van enig belang, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. X-18.381-16/19
  57. Niet zonder overtuigingskracht wijzen verzoekers op de lange duurtijd van de rustverstoring die het bestreden besluit dreigt te veroorzaken. Vanaf 1 juni 2023 mogen er immers op het betrokken terrein gedurende twaalf aaneengesloten weken, zeven dagen op zeven, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat honderden mensen worden bijeengebracht waarbij tijdens alle exploitatie- uren gebruik mag worden gemaakt van elektronisch versterkte muziek met het door het convenant voorziene maximaal geluiddrukniveau van 92 dB en een gemiddeld geluiddrukniveau van maximaal 85 dB.
  58. Dat er zich tussen het betrokken terrein en de woonpercelen van verzoekers een magazijn bevindt en dat de tussenkomende partij de bedoelding heeft om het evenement kleinschalig te houden en maximaal rekening te houden met de buren, neemt niet weg dat de vrees voor de laatstgenoemde rustverstoring voldoende ernstig is om een onmiddellijke beslissing wenselijk te maken. Terecht merken verzoekers op dat zij niet aan de hand van processen-verbaal en andere overtuigingsstukken moeten bewijzen dat de edities 2021 en 2022 van de zomerbar overlast hebben veroorzaakt, maar dat het volstaat dat zij – zoals zij hebben gedaan – aannemelijk maken dat de editie van 2023 voor hen ernstige nadelen kan meebrengen.
  59. Voorts blijkt niet dat de vordering te voorbarig zou zijn ingesteld. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat verzoekers de afgifte van het horeca-attest hadden moeten afwachten, al was het maar omdat zij ter terechtzitting erkent dat deze afgifte eerstdaags zal gebeuren.
  60. Tot slot brengt het feit dat verzoekers er toe gehouden zijn diligent op te treden niet mee dat van hen kan worden verwacht dat zij elke week de besluitenlijst van het college van burgemeester zouden nagaan om te controleren welke agendapunten dit college heeft goedgekeurd.
  61. De conclusie is dat er voldaan is aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. X-18.381-17/19 X-18.381-18/19 BESLISSING
  62. Het verzoek van de bv Café X.O. tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  63. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst van 13 februari 2023 waarbij aan de bv Café X.O. toelating wordt verleend voor het organiseren van een pop-up zomerbar op percelen grond gelegen Affligemdreef 164 voor de periode van 1 juni 2023 tot en met 28 augustus 2023, met opbouw vanaf 4 mei
  64. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, staatsraad, wnd. voorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.381-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.432 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.429 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.