id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.451 Rolnummer: A. 236450/X-18156 Zaak: Arrest 256451 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-11 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.451 van 9 mei 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 256.451 van 9 mei 2023 in de zaak A. 236.450/X-18.156 In zake :
- Luc MATTHEWS
- John JACOBS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE OVERIJSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van “het [b]esluit van de gemeenteraad van de gemeente Overijse van 25 januari 2022 strekkende tot de definitieve vaststelling van het RUP 12 Varenslaan”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. X-18.156-1/16 Verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Toury, die verschijnt voor verzoekers, en advocaat Bert Van Cauter, die loco advocaat Filip De Preter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekers zijn eigenaars van een onbebouwd, bebost perceel, gelegen aan de Varenslaan te Overijse, aldaar kadastraal bekend als derde afdeling, sectie K, nr. 84/n7 (hierna: verzoekers’ perceel). 3.
- Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan ‘Halle-Vilvoorde-Asse’ situeert verzoekers’ perceel zich in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bij ministerieel besluit van 19 januari 2009 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg nr. 65 ‘Plateau van Overijse en Lanevallei’ van de gemeente Overijse (hierna: het BPA). Volgens het BPA is verzoekers’ perceel gelegen in een ‘bouwvrij gebied voor grondgebonden landbouw’. X-18.156-2/16 Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het BPA, met aanduiding van verzoekers’ perceel (rood omrand): Verzoekers’ perceel De memorie van antwoord toont de volgende foto (Geopunt) van verzoekers’ perceel (paars omrand) en de onmiddellijke omgeving daarvan: 3.
- Op 12 juli 2018 dagvaarden verzoekers de verwerende partij om te verschijnen voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel teneinde haar te veroordelen om over te gaan tot een actualisering/aanpassing van de bestemming van hun eigendom. Op 19 september 2019 dagvaarden verzoekers X-18.156-3/16 het Vlaams Gewest tot tussenkomst in dit geschil. Bij vonnis van 2 december 2019 (hierna: het vonnis) veroordeelt de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel de verwerende partij bij verstek tot het volgende: “Beveelt verwerende partij om over te gaan tot actualisering/aanpassing van de bestemming van het eigendom van eisers, en dit rekening houdende met de ligging van het goed aan een voldoende uitgeruste weg alsook in de onmiddellijke omgeving van andere woning[en] en de stedenbouwkundige visie van de gemeente Overijse zoals uiteengezet in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente, minstens dient de gemeente Overijse over te gaan tot realisatie van de huidige bestemming van het goed, dit alles binnen de 2 jaar vanaf datum van de betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van 250 eur/dag vertraging.” 3.
- Het vonnis wordt aan de verwerende partij betekend op 3 februari
- De verwerende partij stelt er geen hoger beroep tegen in. Het Vlaamse Gewest wel. Bij arrest van 21 juni 2022 verklaart het hof van beroep van Brussel dit beroep ontvankelijk en stelt het de zaak vast op de zitting van 3 oktober 2022 om het verdere verloop van de procedure vast te leggen. Verzoekers hebben tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld. 3.
- Teneinde uitvoering te geven aan het vonnis, stelt de verwerende partij een startnota en een procesnota op in het kader van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) 12 ‘Varenslaan’. In de startnota wordt dit GRUP afgebakend volgens de grenzen van verzoekers’ perceel, aangezien de actualisatie “een gevolg [is] van een juridisch vonnis bijgevolg beperkt de afbakening zich tot het perceel dat onderdeel uitmaakt van dit vonnis”. 3.
- Van 16 november 2020 tot en met 18 januari 2021 maken de start- en procesnota van het GRUP het voorwerp uit van een publieke raadpleging. In hun inspraakreactie voeren verzoekers aan dat er slechts rekening mag gehouden worden met de drie expliciet door de rechtbank vooropgestelde elementen en dat er geen sprake is van een vrij afwegingskader voor de gemeente. Volgens hen kan geen rekening gehouden worden met de bestaande natuurwaarde, die zij betwisten. Tevens wijzen zij erop dat het perceel gelegen is in een X-18.156-4/16 woningbouwgebied en stellen zij dat het perceel enkel kan herbestemd worden tot woongebied. 3.
- Ingevolge een vergissing bij het vragen van adviezen wordt de publieke raadpleging hernomen van 12 februari 2021 tot en met 12 april
- Verzoekers dienen dezelfde inspraakreactie in. De bespreking van de inspraakreacties wordt als bijlage bij de procesnota gevoegd. 3.
- Op 29 juni 2021 stelt de gemeenteraad van de verwerende partij het ontwerp van het GRUP 12 ‘Varenslaan’ voorlopig vast. Verzoekers’ perceel wordt herbestemd tot ‘zone voor bos’. 3.
- Van 15 juli 2021 tot en met 12 september 2021 vindt een openbaar onderzoek over het ontwerpplan plaats. Ten gevolge van een vergissing bij de terinzagelegging van het ontwerpplan wordt het openbaar onderzoek van 6 oktober 2021 tot en met 4 december 2021 hernomen. Er worden geen bezwaren ingediend. 3.
- Op 25 januari 2022 stelt de gemeenteraad van de verwerende partij het GRUP 12 ‘Varenslaan’ (hierna: het bestreden GRUP) definitief vast. Verzoekers’ perceel behoudt de bestemming ‘zone voor bos’. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Verzoekers voeren in een enig middel de schending aan van het gezag van gewijsde van het vonnis, van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Overijse (hierna: het GRS) en van het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij menen dat de huidige bestemming van hun perceel niet strookt met de toestand ter plaatse, nu het perceel gelegen is aan een uitgeruste weg en in de onmiddellijke omgeving van andere woningen. Verzoekers wijzen erop X-18.156-5/16 dat de gehele omgeving van hun perceel verkaveld en bebouwd is, en dat enkel hun perceel “op een onverklaarbare wijze” bestemd is als agrarisch gebied/gebied voor grondgebonden landbouw. Zij betogen dat het vonnis uitdrukkelijk bepaalt met welke drie criteria bij de opmaak van het bestreden GRUP rekening diende gehouden te worden, te weten, limitatief gesteld, de ligging van hun perceel aan een voldoende uitgeruste weg, de ligging ervan in de nabijheid van andere woningen en de stedenbouwkundige visie van de gemeente Overijse zoals uiteengezet in het GRS. Verzoekers stellen dat de herbestemming van hun perceel naar bosgebied niet overeenkomt met wat het vonnis beveelt. Er is geen rekening gehouden met de ligging van hun perceel aan een voldoende uitgeruste weg en in de onmiddellijke omgeving van andere woningen, wat volgens verzoekers de criteria voor objectieve bouwgrond zijn. Het vonnis is definitief, bij gebreke aan hoger beroep ertegen vanwege de verwerende partij. De verwerende partij gaat aan het gezag van gewijsde ervan voorbij. Zij menen dat de bebouwing in de onmiddellijke omgeving van hun perceel zonder meer het uitgangspunt diende te vormen van het bestreden GRUP. Het antwoord op hun opmerkingen dienaangaande is geenszins afdoende. Een andere bestemming dan de bestemming bosgebied is nooit op een ernstige en zorgvuldige wijze onderzocht geworden. Daarnaast betogen verzoekers dat het GRS nergens bepaalt dat een herbestemming van hun perceel naar woongebied uitgesloten zou zijn. De toelichtingsnota stelt ten onrechte dat de herbestemming tot bosgebied in lijn ligt met de stedenbouwkundige visie van de gemeente Overijse en dat het bindend gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS) hun wijk als te vergroenen woonbossen beschouwt. De Varenslaan werd door de gemeente Overijse niet geselecteerd als een “uitgestrekte verkaveling”, zodat uit het GRS niet op een bindende wijze kan volgen dat de Varenslaan als een niet te verdichten en een te vergroenen woonbos moet worden beschouwd. In tegenstelling tot wat het bestreden GRUP stelt, verzet het bosdecreet zich niet tegen het kappen van bomen op hun perceel. Een absoluut bouwverbod is geenszins aan de orde en volgt niet uit het GRS. Zelfs indien de Varenslaan en omgeving in het GRS als een niet te verdichten woonbos zou worden aangegeven, volgt hieruit geen bouwverbod. Het begrip “niet-verdichten” X-18.156-6/16 heeft immers te maken met het aantal woningen dat wordt opgericht in een bepaald gebied, doch impliceert geenszins een totale “bouwstop”. Uit het GRS volgt dat de woningdichtheden gedifferentieerd moeten worden over het volledige grondgebied. Waar de gemeente Overijse, conform het vonnis, rekening moest houden met het GRS, diende de woondichtheid van het gebied bij de beoordeling betrokken te worden. De verwerende partij handelt onzorgvuldig door zonder enig onderzoek naar de aanwezige woondichtheid, op grond van het GRS te besluiten dat verzoekers’ perceel als bosgebied bestemd moet worden. Ten slotte stellen verzoekers dat de verwerende partij nog steeds bouwvergunningen verleent voor het gebied. In tegenstelling tot wat het bestreden GRUP stelt, is de stedenbouwkundige visie geenszins zo dat het gebied uitgesloten wordt van verdere bebouwing. 4.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de verwerende partij door het vonnis op een bindende wijze veroordeeld is om de bestemming van hun perceel te wijzigen en dit rekening houdende met de ligging van het perceel aan een voldoende uitgeruste weg, in de onmiddellijke omgeving van andere woningen. Zij benadrukken dat het gaat om limitatief bepaalde criteria en geenszins om een “vrije keuze”. Zij blijven verder bij hun standpunt dat de omvorming van de bestemming van hun eigendom naar een woonbestemming in overeenstemming is met de visie van het GRS. Immers dient het “niet verdichten” van de woonbossen in het bebouwd perifeer landschap in zijn spraakgebruikelijke betekenis begrepen te worden, in die zin dat kavels niet verder mogen worden opgedeeld teneinde verdere verdichting van de woonkavels tegen te gaan. Evenwel staat het GRS er niet aan in de weg dat een kavel voor bebouwing wordt aangewend. 4.
- In hun laatste memorie stellen verzoekers dat hun perceel het enige is in de wijk dat op ongemotiveerde wijze wordt bestemd tot bosgebied. Dit toont aan dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De door het vonnis opgelegde criteria kunnen “logischerwijze enkel resulteren in een bestemming van wonen”. Het GRUP brengt nergens de bebouwing in de onmiddellijke omgeving in rekening, terwijl dit gegeven juist X-18.156-7/16 bepalend is voor de nieuwe bestemming die aan hun perceel dient gegeven te worden. Beoordeling 5.
- Voor het eerst in hun laatste memorie voeren verzoekers op laattijdige wijze een schending van het gelijkheidsbeginsel aan. In zoverre is het middel onontvankelijk. 5.
- Het vonnis heeft de verwerende partij veroordeeld om “over te gaan tot actualisering/aanpassing van de bestemming van het eigendom van eisers, en dit rekening houdende met de ligging van het goed aan een voldoende uitgeruste weg alsook in de onmiddellijke omgeving van andere woning[en] en de stedenbouwkundige visie van de gemeente Overijse zoals uiteengezet in het gemeentelijk ruimtelijke structuurplan van de gemeente […]”. 5.
- Uit het middel blijkt dat verzoekers er een andere opvatting dan de verwerende partij als plannende overheid op nahouden over wat de bestemming van hun perceel moet zijn. Die bestemming moet volgens hen een woonbestemming zijn, niet bosgebied. Verzoekers gaan daarbij van het onjuiste uitgangspunt uit dat de door het vonnis opgelegde – en in het vorige randnummer geciteerde – criteria moeten resulteren in een woonbestemming en dat de herbestemming van hun perceel tot bosgebied niet overeenkomt met wat het vonnis beveelt. Wat het resultaat van de “actualisering/aanpassing van de bestemming” van verzoekers’ perceel dient te zijn, wordt door het vonnis niet bepaald. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten vermag de rechter het bestuur zijn beleidsvrijheid overigens niet te ontnemen door zich in de plaats van het bestuur te stellen. De uitkomst van een planningsproces is inherent onzeker, mede gelet op de tijdens het openbaar onderzoek geboden inspraakmogelijkheid van belanghebbenden en adviesinstanties. De uitoefening van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de plannende overheid houdt per definitie de mogelijkheid van verschillende oordelen in die, hoewel X-18.156-8/16 uiteenlopend, toch elk geacht kunnen worden binnen de grenzen van de wettigheid, inbegrepen de redelijkheid, te blijven. 5.
- De plannende overheid motiveert haar beslissing om verzoekers’ perceel tot bosgebied te bestemmen als volgt in de toelichtingsnota: “Op grond van het vonnis dient de gemeente over te gaan tot actualisatie/aanpassing van de bestemming en dit rekening houdende met de ligging van het goed aan een voldoende uitgeruste weg alsook in onmiddellijke omgeving van andere woningen en de stedenbouwkundige visie van de gemeente Overijse zoals uiteengezet in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente (of tot realisatie van de huidige bestemming van het goed). Een herbestemming tot bosgebied ligt alvast in de lijn met de stedenbouwkundige visie van de gemeente Overijse, zoals uiteengezet in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Noch de aanwezigheid van andere woningen in de onmiddellijke omgeving, noch het gegeven dat een voldoende uitgeruste weg aanwezig is, nopen tot het voorzien van een andere bestemming die bebouwing toelaat (zoals een woonbestemming). Vooreerst zou dit in strijd zijn met het bindend gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, dat de wijk beschouwt als een niet te verdichten, maar wel te vergroenen woonbossen. De gemeente mag er niet van afwijken, gelet op het bindend karakter. Vervolgens zou dit in strijd zijn met de richtinggevende bepaling van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, in het bijzonder deze inzake het zoveel mogelijk behouden van de verschillende bosgebieden als aaneengesloten gehelen en van het onbebouwd karakter van de bestaande openruimte fragmenten. Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. Dergelijke motieven liggen niet voor. Tot slot doen noch de aanwezigheid van andere woningen, noch de uitrustingsgraad anders besluiten. Het plangebied ligt op de grens tussen een openruimtegebied en een woonwijk die door het gewestplan als woonpark is bestemd. Woonparken zijn gebieden met een geringe woondichtheid en een verhoudingsgewijs grote oppervlakte van groene ruimten. De aanwezigheid van beboste percelen binnen de woonwijk of palend aan de woonwijk maakt deel uit van de ruimtelijke kwaliteit van deze woonwijk. Dit geldt des te meer nu het gaat om biologisch zeer waardevol gebied en om een Ferrarisbos. Het is geen onlogisch[e] noch onredelijke optie om het onbebouwd en bebost karakter van het plangebied te behouden. Dit draagt zelfs bij tot de X-18.156-9/16 woonkwaliteit van de bestaande woningen, en van het karakter als woonbos. Inzake de uitrustingsgraad dient gezegd dat, indien het perceel bestemd zou zijn geweest als woonpark, de uitrustingsgraad van de weg mogelijk geen beletsel zou zijn geweest voor bebouwing. De uitrustingsgraad van een weg vormt evenwel op zich geen reden om een bestaande bestemming waar geen bebouwing mogelijk is, te wijzigen naar een bestemming waar wél bebouwing mogelijk is. Op grond van artikel 4.3.5 VCRO is de aanwezigheid van een voldoende uitgeruste weg een noodzakelijk voorwaarde voor bebouwing. Het is evenwel geen voldoende voorwaarde. De uitrustingsgraad van een weg is hoogstens een element dat een rol zou kunnen spelen in een globale afweging, samen met andere factoren (de aanwezigheid van bestaande natuurwaarden, ontsluitingsmogelijkheden via openbaar vervoer e.d.). Waar zuinig ruimtegebruik een verantwoording zou kunnen vormen om voor goed ontsloten percelen zonder belangrijke natuurwaarden langsheen een zeer goed uitgeruste weg een herbestemming te overwegen als daar nood aan is, is dit in het voorliggend geval niet het geval. Het perceel ligt binnen een niet te verdichten woonkern of ruime afstand van voorzieningen waaronder hoogwaardig openbaar vervoer (de mobiscore bedraagt 4,8). De uitrustingsgraad van de weg is bovendien eerder beperkt. Ter hoogte van de bouwplaats gaat het over een smalle weg die bestaat uit een verdichting van de ondergrond in combinatie met steenslag. De weg heeft een kleinschalig karakter. Noch het bestaan van die weg, noch de uitrustingsgraad ervan verantwoorden een bestemmingswijziging om bebouwing die nu nog niet mogelijk is, op het perceel toe te laten.” 5.
- Ui voormeld citaat blijkt dat de plannende overheid wel degelijk rekening heeft gehouden met de ligging van het perceel aan een voldoende uitgeruste weg en in de onmiddellijke omgeving van andere woningen. Met hun stelling dat “de gehele omgeving van het eigendom van verzoekers is verkaveld en bebouwd, en enkel het perceel van verzoekers op een onverklaarbare wijze bestemd is geworden als agrarisch gebied/gebied voor grondgebonden landbouw door het BPA van de gemeente Overijse” gaan verzoekers eraan voorbij dat hun perceel volgens het gewestplan gelegen is in landschappelijk waardevol gebied, en niet alleen grenst aan een residentieel woonpark maar tevens aan een openruimtegebied bestaande uit landbouw en bossen, hetgeen blijkt uit de hiervoor hernomen motieven van het bestreden GRUP. X-18.156-10/16 Evenmin kunnen verzoekers gevolgd worden waar zij voorhouden dat het GRUP “nergens de bebouwing in de onmiddellijke omgeving in rekening brengt” . Uit de hiervoor geciteerde motieven blijkt het tegendeel. Het feit dat het perceel grenst aan een woonpark wordt wel degelijk bij het onderzoek naar de herstemming betrokken. Er wordt geoordeeld dat het behoud van het onbebouwd en bebost karakter van het perceel bijdraagt tot de woonkwaliteit van de bestaande woningen en van het karakter als woonbos, waarbij wordt benadrukt dat het gaat om biologisch zeer waardevol gebied en om een Ferrarisbos. 5.
- Verzoekers betogen dat “het vonnis bepaalt dat zowel de aanwezigheid van andere woningen in de onmiddellijke omgeving als het feit van de ligging van het perceel aan een voldoende uitgeruste weg, het uitgangspunt dient te zijn bij het bepalen van de nieuwe bestemming”. Uit het vonnis blijkt evenwel dat ook de stedenbouwkundige visie van de gemeente Overijse, zoals uiteengezet in het GRS, als een in aanmerking te nemen criterium geldt. Uit het vonnis blijkt nergens dat dit criterium ondergeschikt zou zijn aan de andere twee criteria. 5.
- De bindende bepaling 11 van het GRS luidt: “
- Niet te verdichten woonbossen in bebouwd perifeer landschap De gemeente selecteert de uitgestrekte verkavelingen rond Jezus-Eik en Maleizen in het bebouwd perifeer landschap als niet te verdichten en te begroenen woonbossen.” Deze bindende bepaling gaat terug op de richtinggevende bepalingen van het GRS. Aangaande de elementen van de gewenste ruimtelijk-natuurlijke structuur leest men daar (punt 1.3, p. 17): “Te versterken bossen De verschillende bosgebieden in de gemeente blijven zoveel mogelijk behouden als aaneengesloten gehelen. Om verdere versnippering tegen te gaan en geïsoleerde bosgebiedjes beter in de ruimtelijk-natuurlijke structuur te integreren, is het wenselijk bestaande bossen te versterken en te verbinden. Bebossing van geschikte, tussenliggende percelen is daarvoor wenselijk. De historische bosstructuur kan hier als leidraad gebruikt worden. Naast het uitbreiden en verbinden van bosstructuren, is het aangewezen om populier- en naaldhoutaanplantingen op termijn te vervangen door X-18.156-11/16 gebiedseigen loofhoutsoorten. Specifieke aandachtsgebieden voor bosversterking zijn: − de noordelijke en zuidelijke randen van het plateau van Overijse − omgeving Lindaal − omgeving Welriekende dreef en domein Ter Blok − domein Sparrenlaan − domein Ter Deck − omgeving Ter Holst − omgeving Marnixbos tot tegen de woonbossen van Jezus-Eik.” Hierbij wordt verwezen naar kaart 3, die volgend beeld geeft ter hoogte van het plangebied (bij benadering aangeduid met een rode cirkel): Met betrekking tot de elementen van de gewenste nederzettingsstructuur (punt 2.3, p. 28 e.v.) is er in de richtinggevende bepalingen van het GRS tevens een punt gewijd aan de ‘Niet te verdichten woonbossen in het bebouwd perifeer landschap’, waar te lezen staat dat het behoud van de kwaliteit van de woonbossen – die in sterke mate bepaald wordt door hun geringe X-18.156-12/16 bebouwingsdichtheid, de aanwezigheid van bossen, bosrestanten en parkgebieden (met kastelen) en van bouwkundig erfgoed in de vorm van kastelen, (vierkants)hoeves en villa’s uit het interbellum – belangrijk is. Verder leest men er: X-18.156-13/16 “Voor de nog aanwezige bouwreserves langs uitgeruste wegen in dit gebied dient elke ontwikkeling rekening te houden met deze ecologische en landschappelijke kwaliteiten en is verdere verdichting niet aangewezen.” Kaart 4, die betrekking heeft op de gewenste nederzettingsstructuur, duidt de niet te verdichten woonbossen in bebouwd perifeer landschap aan. Dit geeft volgend beeld ter hoogte van het plangebied (bij benadering aangeduid met een rode cirkel): Dezelfde vaststelling blijkt uit kaart 13, waar in de omgeving van het plangebied bos/park, open ruimte en niet te verdichten woonbossen zijn aangeduid. 5.
- In het licht van de bepalingen van het GRS kan bezwaarlijk ontkend worden dat een verdichting in het kwestieuze woonbos niet gewenst is. Dat er geen onderzoek zou zijn gedaan naar de woningdichtheid, is niet correct. Men leest immers in de toelichtingsnota bij het bestreden GRUP dat woonparken gebieden zijn met een geringe woondichtheid en een verhoudingsgewijs grote oppervlakte van groene ruimten en dat de aanwezigheid van beboste percelen binnen de woonwijk of palend aan de woonwijk deel uitmaakt van de ruimtelijke kwaliteit van deze woonwijk. Gesteld wordt dat het geen onlogische noch onredelijke optie is om het onbebouwd en bebost karakter van het plangebied te behouden, temeer daar dit bijdraagt tot de woonkwaliteit van de bestaande woningen en van het karakter als woonbos. 5.
- Verzoekers’ betoog dat “een andere bestemming dan de bestemming bosgebied nooit op een ernstige en zorgvuldige wijze onderzocht is X-18.156-14/16 geworden” kan evenmin bijval vinden. Een herbestemming tot woongebied wordt wel degelijk afdoende onderzocht en getoetst aan het in het GRS vooropgestelde ruimtelijk beleid, waarbij de plannende overheid tot de conclusie komt dat dit alternatief niet in overeenstemming is met de in het GRS opgenomen beleidsvisie. Een en ander wordt in de toelichtingsnota afdoende uiteengezet. 5.
- Verzoekers hebben hun standpunt dat hun eigendom enkel kan herbestemd worden als woongebied aangevoerd tijdens de inspraakprocedure over de startnota. In antwoord op hun opmerkingen verwijst de plannende overheid op goede gronden naar artikel 1.1.4 VCRO, en stelt zij dat het vonnis geen afbreuk doet aan deze bepaling en de daarin opgenomen verplichting om een gelijktijdige onderlinge afweging van verschillende maatschappelijke activiteiten te maken. Er wordt aan herinnerd dat het de gemeenteraad toekomt om ter zake een afweging te maken en er wordt op gewezen dat verzoekers’ perceel deel uitmaakt van de open ruimte. In hun verzoekschrift betogen verzoekers dat dit antwoord “geenszins als afdoende kan worden beschouwd”, maar komen zij met hun kritiek niet verder dan het opnieuw herhalen dat het vonnis de eerste twee daarin vermelde criteria “op een bindende wijze als uitgangspunt voorop [heeft gesteld]”. De onwettigheid van het bestreden GRUP wordt aldus niet aangetoond. 5.
- Er blijkt evenmin enige onwettigheid uit verzoekers’ – niet concreet toegelichte – bewering dat het bosdecreet zich niet tegen het kappen van bomen op hun perceel verzet. 5.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-18.156-15/16
- Verzoekers worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, op een bijdrage van 22 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.156-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div