id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.453 Rolnummer: A. 236430/VII-41413 Zaak: Arrest 256453 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.453 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.453 van 9 mei 2023 in de zaak A. 236.430/VII-41.413 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benoit Dhondt kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2005)on the treatment of unaccompanied and separated children outside their country of origin, the Committee recommends that the State party: (a) Develop a uniform protocol on age-determination methods that is multidisciplinary, scientifically-based, respectful of children’s rights and used only in cases of serious doubt about the claimed age and in consideration of documentary or other forms of evidence available, and ensure access to effective appeal mechanisms;’ Het VN-Kinderrechtencomité heeft in ‘Views adopted by the Committee on the Rights of the Child under the Optional Protocol to the Convention on the Rights of the Child on a communications procedure in respect of communication No. 76/2019’ op 4 februari 2021 geoordeeld dat de inschatting van de leeftijd van een minderjarige van fundamenteel belang is gelet op de gevolgen van die inschatting, en dat de inschatting in rechte aanvechtbaar moet zijn. Een administratief beroep waarbij niet onderzocht kan worden of het gebruik van de medische test wel proportioneel is, waarbij niet onderzocht kan worden of het niet aangewezen was om ook psycho-affectieve testen en gesprekken te laten plaatsvinden en de documenten van de verzoeker samen met die verzoeker te beoordelen, en waarbij de verzoeker geen bijstand van een voogd geniet, voldoet niet aan de voorwaarden van een effectief rechtsmiddel voor wat deze materie betreft. Gelet op het feit dat de medische leeftijdstest ook een onderzoek in de zin van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn inhoudt voor een verzoeker internationale bescherming dient er ook gewezen te worden op artikel 46 van de Procedurerichtlijn dat een volledig en ex nunc onderzoek vereist qua daadwerkelijk rechtsmiddel, van zowel de feitelijke als juridische gronden, dus ook wat betreft de vaststelling van de leeftijd: ‘Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.’ Indien er wordt geoordeeld dat het hoger belang van het kind geen toepassing vindt bij de beroepsprocedure tegen de beslissing dat een minderjarige meerderjarig zou blijken te zijn is een uitholling van het hoger belang van het kind als recht, en van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Een beroep tegen de beslissing na een leeftijdstest dient automatisch schorsend te zijn, zodat de minderjarige ook tijdens de beroepsprocedure als minderjarige behandeld wordt en het hoger belang van het kind toepassing blijft vinden. Anders oordelen komt erop neer dat de crux van het VN-Kinderrechtenverdrag geen toepassing meer vindt zodra een administratie de beslissing neemt dat het niet om een kind gaat, met bijzonder verstrekkende gevolgen. Het VN-Kinderrechtencomité beslist in ‘Views adopted by the Committee on the Rights of the Child under the Optional Protocol to the Convention on the Rights of the Child on a communications procedure in respect of communication No. 76/2019’ op 4 februari 2021 dat tijdens de beroepsprocedure de minderjarige het voordeel van de twijfel moet genieten, en behandeld dient te worden als VII-41.413-10/23 minderjarige en dat het hoger belang van het kind een eerste overweging moet zijn tijdens het ganse proces van de leeftijdsbepaling: ‘8.3 The Committee notes that the determination of the age of a young person who claims to be a minor is of fundamental importance, as the outcome determines whether that person will be entitled to or excluded from national protection as a child. Similarly, and this point is of vital importance to the Committee, the enjoyment of the rights contained in the Convention flows from that determination. It is therefore imperative that there be due process to determine a person’s age, as well as the opportunity to challenge the outcome through an appeals process. While that process is under way, the person should be given the benefit of the doubt - that is, presumed to be and treated as a minor. The Committee emphasizes, in that respect, that the best interests of the child should be a primary consideration throughout the age determination process. (…)’ Gezien de beroepsprocedure bij de Raad van State door het VN-kinderrechtencomité als niet-effectief wordt beschouwd, gelet op het feit dat de Nederlandstalige Raad van State zelden tot nooit een dergelijke beslissing van de Dienst Voogdij vernietigt, en gezien het beroep niet schorsend werkt en de procedure meer dan een jaar in beslag kan nemen, kan er niet gesteld worden dat verzoeker over een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 46 van de Procedurerichtlijn, artikel 47 van het Handvest en artikel 27 van de Dublin III Verordening beschikt tegen de beslissing van de Dienst Voogdij of hij in aanmerking komt voor de bijstand van een voogd, en dit onder meer bepaalt of artikel 8 van de Dublin III Verordening kan toegepast worden en of verzoeker na het verkrijgen van een internationale beschermingsstatus recht heeft op gezinshereniging met zijn ouders of niet. De beroepsprocedure tegen de beslissing van de Dienst Voogdij met betrekking tot het recht hebben op een voogd bij de Raad van State is niet schorsend en werd door het VN Kinderrechtencomité niet-effectief genoemd. Het is geen effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 27 van de Dublin III Verordening, artikel 46 van de Procedurerichtlijn of artikel 47 van het Handvest van Grondrechten. Dit maakt ook een schending uit van artikel 3 en 8 EVRM juncto artikel 13 van het EVRM. Gelet op de implicaties van de bestreden beslissing voor verzoekers rechten voor wat betreft zijn verzoek internationale bescherming, de Dublin III Verordening en de Gezinsherenigingsrichtlijn, meent verzoeker dat hij recht heeft op een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 47 van het Handvest van Grondrechten. De staat van personen raakt de openbare orde. De verklaarde leeftijd van verzoeker is een essentieel onderdeel van zijn identiteit en persoonlijk integriteit en wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest. De staat van persoon wordt voor verzoeker beheerst door het Afghaanse recht, niet het Belgische recht. Artikel 34, §1 van het WIPR stelt: ‘Behalve in aangelegenheden waar deze wet anders bepaalt, worden de staat en de bekwaamheid van een persoon beheerst door het recht van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft.’ Artikel 8 van het EVRM bepaalt:
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. VII-41.413-11/23 Het VN-Kinderrechtencomité heeft in ‘Views adopted by the Committee on the Rights of the Child under the Optional Protocol to the Convention on the Rights of the Child on a communications procedure in respect of communication No. 76/2019’ op 4 februari 2021 geoordeeld dat de inschatting van de leeftijd van een minderjarige van fundamenteel belang is gelet op de gevolgen van die inschatting. Het VN-Kinderrechtencomité beslist in voornoemde zaak dat tijdens de procedure de minderjarige het voordeel van de twijfel moet genieten, en behandeld dient te worden als minderjarige en dat het hoger belang van het kind een eerste overweging moet zijn tijdens het ganse proces van de leeftijdsbepaling: ‘8.3 The Committee notes that the determination of the age of a young person who claims to be a minor is of fundamental importance, as the outcome determines whether that person will be entitled to or excluded from national protection as a child. Similarly, and this point is of vital importance to the Committee, the enjoyment of the rights contained in the Convention flows from that determination. It is therefore imperative that there be due process to determine a person’s age, as well as the opportunity to challenge the outcome through an appeals process. While that process is under way, the person should be given the benefit of the doubt - that is, presumed to be and treated as a minor. The Committee emphasizes, in that respect, that the best interests of the child should be a primary consideration throughout the age determination process. 6’ In een third party intervention bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in de zaak Darboe en Camara t. Italië, nr. 5797/17 […], laten het Aire Centre, VluchtelingenWerk Nederland en ECRE gelden dat leeftijdstesten een artikel 8 EVRM schending kunnen uitmaken of zelfs een artikel 3 EVRM schending met zich kunnen meebrengen: ‘Age assessment should never be undertaken as a routine practice and may only be resorted to where there are serious doubts about the claim of minor age and only after the principle of the benefit of the doubt has been applied. Where the individual circumstances of a particular case require an age assessment, a holistic, safe and dignified procedure should be carried out by qualified experts with due respect to material and procedural safeguards under Articles 3 and 8 ECHR. Medical methods should be avoided due to their low evidential value, intrusiveness and a risk of a disproportionate interference in the child’s private life that may lead to a violation of Article 8 ECHR’ Ze wijzen op het gebrek aan nauwkeurigheid en de kritiek die binnen de medische wereld op de tests geuit wordt. De test zoals die in België georganiseerd wordt schiet te kort en slaagt er vooral niet in de leeftijd voor de doelgroep tussen 15 en 20 jaar oud correct aan te geven: ‘
- The interveners wish to draw the Court’s attention to the fact that currently, no method of age assessment exists that can determine a person’s age with certainty.(…) This is particularly crucial with regard to medical examinations performed to assess the age, which have sparked severe criticism amongst medical experts.(…) It has been recognised that a number of age assessment methods have been criticised for a lack of scientific, empirical basis and reliability, producing a high risk of arbitrary results.(…) Importantly, it has also been noted that a number of age assessment methods are invasive and may cause physical or mental harm to the person subject to them.(…) Further, the UNHCR bas cautioned States on the use and implications of age assessments in the asylum context.
- Indeed, experts within the field recognise that medical examinations - such as the use of X-rays to examine skeletal (bone) and dental maturity, the use of other methods of imaging bone development (MRI) and physical examination - are not able to determine the age of a person with sufficient precision, since they disregard environmental, socioeconomic and ethnographic factors that can play an important VII-41.413-12/23 role in bone and dental growth. (…) These methods are particularly unreliable for persons between 15 and 20 years of age given the lack of official valid reference data for people from non-Western countries with different ethnic backgrounds. (…) Experts assert that hand-wrist X-rays are not at all informative; the MRI dental and wrist scans present risks for children being misclassified as adults and overall more than one third of assessments are wrong. (…) These methods ‘were simply not designed to assess disputed chronological age—they were prepared for medical use in diagnosing and monitoring disorders of growth’. (…) Moreover, the use of medical examinations to perform age assessment involves strong ethical concerns, particularly relating to the free and informed consent of the person subject to the age assessment procedure as well as the use of radiation without any medical purpose or benefit. (…)
- It is the interveners’ submission that the State Parties should ensure that the age assessment procedure as a whole, including procedural safeguards and the methods used to assess age, guarantees respect for the child’s private life under Article 8 ECHR. Construed in light of the best interest of the child and benefit of the doubt principles, the interveners submit that age assessment procedures concerning asylum-seeking children should not be contemplated as routine measures and should satisfy the necessity and proportionality test under Article 8 ECHR in order to achieve the legitimate aim pursued. The requirements underpinning Article 8 cannot be fulfilled where non-holistic and intrusive medical age assessment methods are used as they have a low evidential value and a detrimental effect on children’s rights, including respect for moral and physical integrity. (…)’ In de EASO richtlijnen voor leeftijdsinschattingen[…] wordt er gewezen op de voorrang die psycho-sociale tests genieten op medische tests […], en wordt erop gewezen dat volgens Schmeling e.a., om accuraatheid na te streven een test moet voldoen aan deze minimumvoorwaarden […]: - Voldoende grote vergelijkingsgroep - Vastgestelde leeftijden van geteste personen - Uniforme verdeling van leeftijden, - Scheiding per geslacht - Details van onderzoeksdatum - Duidelijke definitie van bestudeerde karakteristieken - Exacte beschrijving methodologie - Details van de referentie populatie bepaald op genetisch geografische oorsprong - Socio-economische status - Gezondheid - Etc. Details van de referentie populatie bepaald op genetisch geografische oorsprong, socio-economische status zijn niet meegenomen in de medische leeftijdstest waar verzoekster aan onderworpen werd. Zij werd ook niet onderworpen aan psycho-affectieve tests. In de doctrine kan men evenmin vertrouwen opbrengen in de leeftijdstesten. W. De Bondt hekelt het feit dat er geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid een psychoaffectief onderzoek te voeren, en dat er voorbij wordt gegaan aan het feit dat de tests geen eenduidig beeld geven over de leeftijd van personen tussen de 15 en de 23 jaar oud: ‘Het medisch onderzoek wordt desgevallend uitgevoerd door een arts en bestaat uit een drievoudige radiografie van gebit, sleutelbeen en pols(…). Hoewel het mogelijk is om de medische onderzoeken aan te vullen met een psychoaffectief onderzoek(…), wordt dat in ons land meestal niet gedaan. Dat er in de medische wereld discussie is over de betrouwbaarheid van deze radiologische onderzoeken, is intussen genoegzaam bekend(…). Eigenlijk is het betreurenswaardig dat er geen initiatieven worden genomen om meer betrouwbare onderzoeksmethoden te VII-41.413-13/23 ontwikkelen, met als specifiek doel om de chronologische leeftijdsbepaling van minderjarigen mogelijk te maken. Het is hoogst problematisch dat vandaag methoden worden gebruikt die bij de ontwikkeling nooit bedoeld zijn voor een leeftijdsbepaling van minderjarigen. Erger nog, waarvan de ont wikkelaars en andere wetenschappers duidelijk aangaven dat ze niet betrouwbaar zijn(…). Bij elk van de drie onderzoeksmethoden moeten belangrijke kanttekeningen worden gemaakt. Wat betreft de analyse van de pots, werd bij de ontwikkeling van de atlas die gebruikt wordt als referentiemateriaal, al aangegeven dat de atlas beperkingen heeft(…). Zo werd onderstreept dat er afwijkingen kunnen zijn binnen eenzelfde leeftijdsgroep, al dan niet veroorzaakt door de herkomst van de jongere(…). Wat betreft de analyse van het gebit, gaven de auteurs van het onderzoek aan dat de steekproef gebeurde onder blanke Belgen en dat een leeftijdsbepaling voor jongeren tussen 15,7 en 23,3 jaar altijd problematisch blijft(…). Ook andere auteurs gaven voorheen al aan dat een precieze leeftijdsbepaling aan de hand van een onderzoek van het gebit onmogelijk is, omdat hierbij onder meer ook het socio-economische kader en de voedingsgewoontes meespelen(…). Wat betreft de analyse van het sleutelbeen, worden gelijkaardige vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid ervan voor de beoordeling van de leeftijd van de betrokkene, omdat ook deze test ontwikkeld werd op basis van een blanke bevolking(…). Dat zelfs de Orde van Geneesheren de behoefte voelt om haar bedenkingen op papier te zetten(…), mag dan ook niet zomaar naast zich worden neergelegd. Het UNHCR beveelt in dat verband trouwens aan om - met het oog op de bescherming van NBMV - alles in het werk te stellen om te waarborgen dat de leeftijdsbepaling deel uitmaakt van een volledige evaluatie, rekening houdend met zowel het voorkomen van de NBMV, parameters van fysieke aard, als de psychologische maturiteit van de persoon(…). Precies omwille van de problemen met de betrouwbaarheid van de medische onderzoeken staat de leeftijdsbepaling op gespannen voet met het recht van de NBMV om bij elke beslissing die op hem betrekking heeft, zijn belang als eerste overweging te nemen.’ (W. DE BONDT, ‘De rechtspositie van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in België: naar het stapsgewijs erkennen van bekwaamheid en het breder invullen van het overwegen van diens belang’, in n E. DESMET, J. VERHELLEN, S. BOUCKAERT, Migratie- en migrantenrecht 18, Rechten van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in België, Die Keure, mei 2019, 139-140) Het is duidelijk dat er effectief gerede twijfel bestaat over de nauwkeurigheid van de testen en dat de resultaten er jaren van kunnen zitten. Op zijn minst dient verzoekers socio-economische achtergrond, nutritioneel niveau en zijn etnische herkomst mee in rekening gebracht te worden om tot een nauwkeuriger resultaat te komen. Gelet op de onnauwkeurigheid van de medische leeftijdstest, en gelet op de gezaghebbende interpretaties van onder andere het VN-Kinderrechtencomité, en de richtlijnen van EASO, dient er gesteld te worden dat het zich beperken tot een medische leeftijdstest, zonder enige motivering hierrond, niet verzoenbaar is met het hoger belang van het kind, en artikel 8 EVRM. De impact van de beslissing over verzoekers leeftijd is erg groot en valt niet te herstellen. Zo krijgt verzoeker geen voogd toegewezen en dient hij in het centrum te verblijven met volwassenen. Het is van het grootste belang dat een dergelijke beslissing zo omzichtig mogelijk genomen worden. Verder werd ook de motiveringsplicht geschonden doordat er geen motivering werd opgenomen over waarom er geen psycho-affectieve tests werden afgenomen. Het hoger belang van het kind zoals vervat in artikel 24.2 van het EU Handvest, dat de eerste overweging zou moeten vormen. Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het KB van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt eveneens tot een miskenning van het hoger belang van het kind. Er had immers veel zorgvuldiger kunnen omgesprongen worden met VII-41.413-14/23 verzoeksters minderjarigheid, de gebreken van de tests, en de interpretatie van de resultaten ervan. III.
- De testuitslagen van de bestreden beslissing Wat betreft de eigenlijke testuitslagen dient het volgende opgemerkt te worden. Eén van de testen die werd uitgevoerd is de radiografie van het sleutelbeen. Er wordt besloten tot het stadium type 3: ‘Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van rond de 20,8 jaar met een standaarddeviatie van 1,7 jaar.’ In andere medische leeftijdstesten leidt stadium type 3 tot een andere leeftijd. Zo wordt er ook geformuleerd dat stadium type 3 overeenstemt met een gemiddelde leeftijd van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Er wordt in de medische test verder niet uitgelegd waarom het stadium type 3 nu overeenstemt met 20,8 jaar met een standaarddeviatie van 1,7 jaar en waarom [h]et in andere medische testen overeenstemt met 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Hiermee wordt de onbetrouwbaarheid van deze leeftijdstesten nogmaals aangetoond. Bovendien is het opmerkelijk gezien alle relevante literatuur er op wijst dat stadium 3 voor jongens vanaf 16 of 16,9 jaar begint: ‘Stadium 3 is ‘zichtbaar vanaf 16 jaar voor beide geslachten’.1 Een ander onderzoek geeft aan dat fase III begint op 16,9 jaar’ 1 F. Gabioud, Des méthodes d’évaluation de l’âge d’un être humain. Doctoraatsthersis; Universiteit van Genève, 2009, no. Med 10599 2 S. Schmidt, M. Mühler, A. Schmeling, W. Reisinger, R. Schulz, ‘Magnetic resonance imaging of the clavicular ossification’, Int J Legal Med, 121
(4), 2007, 321-324’ ‘De huidige referentiestudies over de bepaling van de graad van ossificatie van het kraakbeen van de mediale claviculaire epifyse d.m.v. verschillende beeldvormingtechnieken melden een minimumleeftijd voor stadium II tussen 11 en 17 jaar, voor stadium III op 16 jaar en voor stadium IV tussen 19 en 23 jaar. Radiologische evaluatie van de pols en de clavicula ter bepaling van de skeletleeftijd De minimum leeftijd bepaald bij autopsie correspondeert met deze leeftijdsgrenzen.[Schmidt et al., 2007;Schmeling et al., 2004;Schulz et al., 2005;Schulze et al., 2006;Kreitner et al., 1998;Cardoso, 2008;Kellinghaus et al., 2009;Schulz et al., 2008b]’[…] Verzoeker zou bijgevolg ook zestien jaar kunnen zijn volgens deze test. Indien we dan nog in rekening brengen dat er bij deze testen, waaronder de handspols-radiografie, er afwijkingen mogelijk zijn van tot en met 3 jaar voor jongens, zeker waar geen rekening werd gehouden met etnische origine, sociaaleconomische afkomst en voedingspatroon, zitten we met onnauwkeurige resultaten, waarbij er sterke indicaties zijn dat verzoeker zijn verklaarde leeftijd heeft. Er werden geen relevante criteria gebruikt die rekening houden met verzoekers afkomst, etnie, socio-economische geschiedenis en voedingspatroon om te besluiten dat verzoeker meerderjarig is. Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het KB van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht. Tot slot werd ook artikel 7 van Titel XIII , hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de Programmawet van 24 december 2002 geschonden. Dit artikel bepaalt immers dat in geval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, er met de jongste leeftijd rekening wordt gehouden. In casu biedt het medisch onderzoek geen zekerheid omtrent de meerderjarigheid van verzoeker, waardoor verwerende partij de jongste leeftijd van verzoeker had moeten aanhouden. De bestreden beslissing dient te worden nietig verklaard.” VII-41.413-15/23 Beoordeling Eerste middelonderdeel
- Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen wordt in de bestreden beslissing vermeld dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en wordt de conclusie van het leeftijdsonderzoek weergegeven, waaruit blijkt dat verzoeker “op datum van 08.03.2022 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van 1.7 jaar een goede schatting is”. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Verzoeker toont niet aan dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het verslag van het medisch onderzoek, nu in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt vermeld dat hij een kopie van de resultaten van de medische test kan vragen en nu het verslag ook deel uitmaakt van het administratief dossier. De bestreden beslissing blijkt dus te zijn gesteund op de resultaten van het medisch onderzoek, dat een dragend en afdoend motief vormt zodat, zoals verder zal blijken, de verwerende partij er zich wettig op vermocht te steunen. In de bestreden beslissing wordt de op 1 maart 2022 door de dienst Vreemdelingenzaken geuite twijfel aan de door verzoeker opgegeven leeftijd vermeld. Net omwille van het objectief medisch verslag is een nadere motivering waarom werd getwijfeld aan verzoekers leeftijd, niet vereist in het licht van de formelemotiveringsplicht. Verzoeker toont geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. VII-41.413-16/23
- Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32/EU van het Europese Parlement en de Raad van 26 juli 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. In de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling”, die deel uitmaakt van het administratief dossier, staat overigens aangegeven dat wordt getwijfeld over de ingeroepen minderjarigheid omwille van verzoekers fysiek voorkomen en dat verzoeker werd geïnformeerd over de geuite twijfel. Uit deze “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” betreffende verzoeker blijkt tevens dat verzoeker aangaande de geuite twijfel verklaarde dat hij in de landen die hij op weg naar België doorkruist heeft, telkens als minderjarige werd aanzien en derhalve niet begrijpt waarom thans aan zijn minderjarigheid wordt getwijfeld. Verzoeker kan derhalve bezwaarlijk voorhouden niet op de hoogte te zijn van de redenen van de geuite twijfel. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32/EU, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide VII-41.413-17/23 minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Te dezen staat in de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” betreffende verzoeker vermeld dat hij het document dat hem informeert over het verloop van de leeftijdstest heeft ontvangen en dat hij zich niet verzet tegen de uitvoering van een leeftijdstest. Uit het verslag van het leeftijdsonderzoek blijkt dat verzoeker op 8 maart 2022 was “vergezeld van de heer [A. C.] van de dienst Voogdij”. Ook toen heeft verzoeker zich niet verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Omwille van deze elementen blijkt dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32/EU niet werden gerespecteerd. Voor zover artikel 25.5 van richtlijn 2013/32/EU op ontvankelijke wijze kan worden ingeroepen, blijkt dan ook geen schending van deze bepaling. Tweede middelonderdeel
- Verzoeker stelt dat hij per e-mail van 13 mei 2022 zijn taskara, het Afghaans identiteitsdocument, een geboorteakte en een vaccinatiekaart overmaakte aan de verwerende partij waaruit zijn voorgehouden minderjarigheid zou moeten blijken. Het blijkt echter niet dat de verwerende partij reeds over deze stukken beschikte bij het nemen van de thans bestreden beslissing. Daargelaten de vraag naar de bewijswaarde van dergelijke stukken kan er geen rekening mee worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van artikel 25.5 van de richtlijn 2013/32, blijkt niet dat verzoeker op het ogenblik van het medisch onderzoek documenten heeft voorgelegd die zijn leeftijd konden aantonen, zodat zijn argument, afgeleid uit de verwijzing naar voormeld artikel, niet dienstig is. VII-41.413-18/23 Het middelonderdeel is niet-ontvankelijk. Derde middelonderdeel
- Overeenkomstig artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, en dit ongeacht de reden van de twijfel, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich hierbij tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, VII-41.413-19/23 van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 8 maart 2022 om een leeftijd van “20.8 jaar met een standaarddeviatie van 1.7 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Bovendien wordt in het medisch verslag met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd”. Voor wat de orthopantomogram betreft, wordt vastgesteld “dat alle tanden inclusief de wijsheidstanden volledig afgevormd zijn”, hetgeen overeenkomt met een leeftijd van 22,5 jaar met een standaarddeviatie van 1,7 jaar en waarbij er een kans van 75% bestaat dat het individu ouder is dan 21,4 jaar. Wat de radiografie van het sleutelbeen betreft, wordt vastgesteld dat het onderzoek aantoont “dat de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen verbeend is, met partiële beenderige overbrugging”, hetgeen overeenkomt “met stadium type 3”, wat overeenstemt “met een gemiddelde leeftijd van 20.8 jaar met een standaarddeviatie van 1.7 jaar”. De drie testen wijzen derhalve alle op een leeftijd van ouder dan 18 jaar. Zoals hoger werd opgemerkt, is de eindconclusie op grond van de verschillende deelonderzoeken van belang voor het bepalen van de jongste leeftijd. Verzoeker ontkracht niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Het enige middel is ongegrond wat de schending van artikel 7 van de voogdijwet en van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht als VII-41.413-20/23 algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreft.
- Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Gezien hetgeen supra is gesteld over het medisch onderzoek als door de wet ingesteld bewijsmiddel bij twijfel over de opgegeven leeftijd, was de dienst Voogdij er evenmin toe gehouden andere vormen van onderzoek te voeren. Het enige middel is in die mate ongegrond.
- Daargelaten de vraag naar de directe werking van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind in het Belgische recht, blijkt uit het medisch onderzoek en de bestreden beslissing dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Verzoeker toont de onwettigheid van deze vaststelling niet aan, zodat hij zich niet kan beroepen op die verdragsbepaling. Dit laatste geldt eveneens voor wat artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreft. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
- Verzoeker merkt op dat de beroepsprocedure bij de Raad van State tegen de bestreden beslissing niet schorsend werkt en meer dan een jaar in beslag kan nemen, waardoor ze geen effectief rechtsmiddel zou vormen. Verzoeker gaat voorbij aan de mogelijkheden om een schorsing van de tenuitvoerlegging en voorlopige maatregelen te vragen, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Bovendien is VII-41.413-21/23 de vraag naar het bestaan van een schorsend rechtsmiddel te dezen niet relevant, gelet op het feit dat het in de lijn van de redelijke verwachting ligt dat over de onderhavige zaak uitspraak zal worden gedaan over verzoekers beroep tot nietigverklaring voordat verzoeker volgens zijn eigen verklaring de leeftijd van 18 jaar zou hebben bereikt. Uit de behandeling van het middel blijkt dat verzoekers kritiek tegen de leeftijdsschatting ongegrond is. Verzoeker toont dan ook geen schending aan van de artikelen 3 en 8 iuncto 13 van het EVRM, die hij koppelt aan de voormelde kritiek. Het enige middel is in die mate ongegrond.
- In zoverre dat verzoeker de schending opwerpt van artikel 34 van het WIPR omdat de staat van de persoon voor hem beheerst wordt door het Afghaanse recht, wordt met de bestreden beslissing verzoekers geboortedatum niet bepaald en wordt er geen uitspraak gedaan over verzoekers minder- of meerderjarigheid, die in zijn geval inderdaad wordt bepaald door het Afghaanse recht. De bestreden beslissing houdt dan ook geen verband met de “staat en de bekwaamheid van een persoon” in de zin van artikel 34 van het WIPR vermits het enkel gaat om een leeftijdsschatting om na te gaan of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Bovendien kan gewezen worden op artikel 28, § 2, van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten met alle middelen mag worden aangebracht. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling, waarop de bestreden beslissing is gesteund, vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Het middelonderdeel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond.
- Tot slot dient te worden benadrukt dat, zoals reeds bij de bespreking van het tweede middelonderdeel werd opgemerkt, verzoeker op het VII-41.413-22/23 ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, geen documenten blijkt te hebben voorgelegd, zodat de verwerende partij er ook geen rekening heeft kunnen mee houden.
- Het enige middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.413-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div