← België

Arrest 256454 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.454 Rolnummer: A. 237749/VII-41761 Zaak: Arrest 256454 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.454 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.454 van 9 mei 2023 in de zaak A. 237.749/VII-41.761 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Riad kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 25 november 2022 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij van 28 september 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-41.761-1/15 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2023, om 10u30 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annelies Nachtegaele, die loco advocaat Hind Riad verschijnt voor verzoeker en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 24 juni 2022 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit en geboren te zijn op 30 juni
  5. De dienst Vreemdelingenzaken uit aanvankelijk geen twijfels over de leeftijd van de betrokkene. VII-41.761-2/15 Met een beslissing van 18 augustus 2022 wordt een voogd voor verzoeker aangesteld. 3.
  6. Op 19 augustus 2022 brengt de dienst Vreemdelingenzaken de dienst Voogdij ervan op de hoogte dat verzoeker in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend onder een andere identiteit, meer bepaald als Zafar ARAB, geboren op 12 augustus
  7. De dienst Vreemdelingenzaken uit vervolgens twijfel over de door verzoeker voorgehouden leeftijd. 3.
  8. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 15 september 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De artsen besluiten dat verzoeker “op datum van 15-09-2022 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is”. 3.
  9. Op 28 september 2022 beslist de dienst Voogdij op grond daarvan dat verzoeker ouder is dan 18 jaar en dat een einde wordt gesteld aan de voogdij. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  10. De verwerende partij heeft de Raad van State middels een brief van 13 maart 2023 meegedeeld dat inmiddels op 21 december 2022 een nieuwe beslissing is genomen waarbij opnieuw is vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om onder de hoede van de dienst Voogdij te worden geplaatst.
  11. Vermits uit de inhoud van de voornoemde beslissing niet kan worden afgeleid of de thans bestreden beslissing wordt ingetrokken met de nieuwe beslissing, kan in de huidige stand van het geding niet worden besloten dat het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring zou zijn teloorgegaan VII-41.761-3/15 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  12. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van de artikelen 3, 8 en 12 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK), van artikel 8 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM), van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 27 en 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: het WIPR), van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ en artikel 32 van de Grondwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel, de formele en materiële motiveringsplicht evenals het hoorrecht als beginselen van behoorlijk bestuur. In een eerste middelonderdeel, afgeleid uit het “onzorgvuldig onderzoek van alle elementen van het dossier”, voert verzoeker in wezen vooreerst aan dat aanvankelijk geen twijfel werd geuit over zijn leeftijd bij de registratie van zijn verzoek om internationale bescherming en dat pas nadat de bestreden beslissing was genomen een verhoor plaatsvond en hij bijkomende Afghaanse documenten neerlegde. Hij wijst er vervolgens op dat zijn oudere broer als vluchteling is erkend bij arrest nr. é.826 van 10 maart 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat de bestreden beslissing, die erop neerkomt dat verzoeker thans als ouder wordt beschouwd dan zijn erkende broer, het gezag van VII-41.761-4/15 gewijsde van dit arrest schendt en dat de motieven van de bestreden beslissing niet toelaten te begrijpen waarom met voormeld arrest geen rekening werd gehouden. Verzoeker merkt voorts op dat de verwerende partij reeds op het ogenblik van zijn aanmelding als niet-begeleide minderjarige vreemdeling op de hoogte was van het feit dat hij over een taskara in Afghanistan beschikte en dat hij de mogelijkheid en de tijd had moeten krijgen om dit document te verkrijgen en voor te leggen, minstens om hierover te worden gehoord. Verzoeker wijst voorts op het recht op behoud van zijn identiteit (artikel 8 IVRK en artikel 8 EVRM) en het hoger belang van het kind (artikel 3 IVRK). In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de medische tests onvoldoende zijn om de bestreden beslissing op te steunen. Hij wijst er enerzijds op dat ernstige vragen kunnen worden gesteld bij deze medische onderzoeken, die onvoldoende betrouwbaar zijn, en hij citeert dienaangaande diverse commentaren, adviezen en observaties. Hij stelt anderzijds dat er ook “specifieke mankementen” aan het medisch verslag zijn. Zo wordt nergens melding gemaakt van de specifieke competenties van de artsen die het verslag van het medisch onderzoek hebben ondertekend en blijkt dat één van de artsen het verslag, dat werd opgesteld op 15 september 2022, pas op 19 september 2022 heeft ondertekend, zodat er “ernstige twijfels zijn of zij het rapport mee heeft opgesteld”. Verzoeker wijst er ten slotte op dat er “geen toegang (wordt) verleend aan het resultaat van het onderzoek van het gebit van verzoeker maar enkel een samenvatting van de uitgevoerde radiografie”, waardoor hij niet nuttig kan nagaan of dit in overeenstemming is met het medisch verslag. Beoordeling Eerste middelonderdeel
  13. Verzoeker stelt onder meer dat de bestreden beslissing enkel gebaseerd is op de resultaten van het medisch onderzoek doch geen rekening houdt met een aantal essentiële elementen voor de bepaling van zijn leeftijd, zoals het feit VII-41.761-5/15 dat aanvankelijk bij zijn registratie geen twijfel werd geuit over zijn leeftijd, het administratief dossier van zijn broer en de door hem voorgelegde taskara. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Te dezen impliceert de zorgvuldigheidsplicht dat de arts(en) bij het uitvoeren van het in artikel 7, § 1, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) bepaalde medisch onderzoek zorgvuldig te werk moeten gaan in de zin als hiervoor is gesteld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Voorts heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te achterhalen, doch enkel uitsluitsel te krijgen dat de betrokkene al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Uit de fiche ‘niet-begeleide minderjarige vreemdeling’ blijkt dat aan verzoeker inlichtingen werden gevraagd omtrent zijn afkomst en leeftijd en dat hij eventuele identiteitsdocumenten kon voorleggen. Wanneer de bevoegde diensten na onderzoek van die gegevens nog twijfel koesteren omtrent de verklaarde minder- of meerderjarigheid, heeft de wetgever het medisch onderzoek als bewijskrachtig middel ingesteld om uitsluitsel te bieden over de al dan niet VII-41.761-6/15 meerderjarigheid van de betrokkene. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt niet aangetoond. Dat door de dienst Vreemdelingenzaken aanvankelijk geen twijfel werd geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd, neemt niet weg dat daaraan naderhand wel kan worden getwijfeld indien, zoals te dezen, uit ingewonnen informatie blijkt dat verzoeker elders onder een andere identiteit en geboortedatum een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Het feit dat nader onderzoek wordt verricht, getuigt precies van zorgvuldig onderzoek door de autoriteiten. Verzoeker stelt dat de verwerende partij aldus verwijst naar een eerder verzoek om internationale bescherming in Bulgarije maar dat hij zich daar niet op heeft kunnen verweren. Verzoeker werd bij diens aanmelding bij de dienst Voogdij gehoord. Hij kon op dat ogenblik alle nuttige informatie en elementen naar voor brengen. Hij was eveneens in de mogelijkheid om een kopie bij te brengen van zijn eigen taskara en desgevallend die van zijn familieleden, hetgeen hij evenwel naliet te doen. Bovendien vormt de uitslag van het leeftijdsonderzoek een motief dat de bestreden beslissing op zich kan dragen en blijkt verzoekers kritiek tegen dit motief, uit wat volgt, ongegrond te zijn. Ten overvloede kan worden vermeld dat verzoeker thans niet de minste argumentatie aanvoert waaruit de onwettigheid van de verwijzing naar het eerdere verzoek om internationale bescherming kan blijken, bijvoorbeeld dat deze verwijzing op onjuiste feitelijke gegevens zou zijn gesteund of onredelijk zou zijn. Voorts houdt de hoorplicht niet in dat verzoeker diende te worden gehoord over de reden van de twijfel alvorens tot een medisch onderzoek werd overgegaan en de bestreden beslissing op grond daarvan werd genomen. VII-41.761-7/15 Ook uit het feit dat verzoeker pas werd gehoord nadat de bestreden beslissing was genomen en nadat hij “bijkomende Afghaanse documenten” heeft voorgelegd, blijkt geen onzorgvuldigheid. Het blijkt immers niet dat de verwerende partij reeds over dit stuk beschikte bij het nemen van de bestreden beslissing. Er kan derhalve geen rekening mee worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. De verwerende partij is ook geenszins ertoe gehouden verzoeker te horen alvorens een beslissing inzake diens voorgehouden leeftijd te nemen.
  14. Verzoeker betoogt voorts dat uit het arrest van 10 maart 2020, waarbij verzoekers broer door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als vluchteling werd erkend, blijkt dat deze broer geboren is op 31 december 2000 en dus 21 jaar oud en bijgevolg ouder dan verzoeker is, dat de bestreden beslissing in strijd is met het gezag van gewijsde van voormeld arrest is en dat de motieven van de bestreden beslissing niet toelaten te begrijpen waarom geen rekening werd gehouden met voormeld arrest. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat het gezag van gewijsde steunt op de noodzakelijkheid te beletten dat eenzelfde betwisting altijd zou blijven duren. Dit gezag brengt onder meer met zich mee dat een door de rechter genomen bindende beslissing achteraf niet meer in vraag mag worden gesteld door de in het geding betrokken partijen. Anders dan hoe verzoeker het ziet, is hij, wat het arrest waarbij zijn broer als vluchteling werd erkend, geenszins een “in het geding betrokken partij” zodat hij zich op het gezag van gewijsde van dit arrest niet kan beroepen. Bovendien houdt voormeld arrest met betrekking tot de erkenning als vluchteling van zijn broer op geen enkele wijze een uitspraak in over de leeftijd van verzoeker. Voorts wordt elk dossier individueel behandeld en belet niets de dienst Voogdij om aan de door verzoeker voorgehouden leeftijd te twijfelen, ook niet wanneer aan de leeftijd van diens broer niet zou zijn getwijfeld. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing voorts formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in VII-41.761-8/15 die beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan achttien jaar oud is. De dienst Voogdij diende in de bestreden beslissing dan ook niet te motiveren waarom hij op grond van het medisch onderzoek, dat als ultiem bewijsmiddel is ingesteld om te achterhalen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, tot de conclusie komt dat verzoeker ouder dan 18 jaar is. Hoe dan ook blijkt uit het arrest met betrekking tot de erkenning als vluchteling van verzoekers broer slechts dat daarin de identiteit, nationaliteit en origine van zijn broer niet ter discussie staan, doch spreekt dit arrest zich geenszins uit over de identiteit en de (waarachtigheid van de voorgehouden) leeftijd van verzoeker.
  15. Anders dan hetgeen verzoeker voorhoudt, beschikte hij voorts van bij de aanvang van zijn verzoek om internationale bescherming over de mogelijkheid om authentieke stukken uit Afghanistan voor te leggen. Gelet op het feit dat de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, diende de verwerende partij verzoeker hoe dan ook, alvorens de bestreden beslissing te nemen, niet de tijd te geven om alsnog zijn taskara voor te leggen. Verzoeker licht overigens niet toe waarom hij pas zijn taskara zou hebben kunnen voorleggen vanaf het ogenblik dat twijfel werd geuit over zijn leeftijd. Anders dan hoe verzoeker het voorts ziet, moet de dienst Voogdij een buitenlands identiteitsbewijs hoe dan ook niet laten primeren op de resultaten van het medisch leeftijdsonderzoek. Hiervoor kan onder meer worden gewezen op artikel 28, § 2 van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten met alle middelen mag worden aangebracht. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel en verzoekers kritiek daartegen is ongegrond bevonden. Zoals reeds hoger is uiteengezet, heeft de wet zelf immers het medisch onderzoek als bewijsmiddel ingesteld en heeft verzoeker geen documenten, laat staan authentieke documenten, voorgelegd alvorens de bestreden beslissing werd genomen. VII-41.761-9/15 Ook artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de informatie uit de overgelegde documenten wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds meermaals is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Het vormt op zich evenmin een schending van artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit of van de zorgvuldigheidsplicht om de uitslag van een leeftijdsonderzoek te laten primeren op de door verzoeker overgelegde documenten. Zoals reeds meermaals werd opgemerkt had verzoeker op het ogenblik van de bestreden beslissing echter nog geen stukken bezorgd aan de verwerende partij, zodat deze laatste er a fortiori ook geen rekening mee kon of moest houden.
  16. Verzoeker stelt ten slotte dat de bestreden beslissing verregaande gevolgen heeft voor zijn recht op privé-leven en een “fundamentele wijziging van zijn identiteit” inhoudt. Met de bestreden beslissing wordt verzoekers identiteit dan wel zijn geboortedatum niet bepaald en er wordt geen uitspraak gedaan over zijn minder- of meerderjarigheid, die in zijn geval wordt bepaald door het Afghaanse recht. Met de bestreden beslissing wordt immers enkel bepaald dat de medische test aantoont dat verzoeker “ouder dan 18 jaar” is, “waarbij 23,0 een minimumleeftijd is” die waarschijnlijk nog hoger ligt. De bestreden beslissing houdt dan ook geen “fundamentele wijziging van zijn identiteit” in vermits het enkel gaat om een leeftijdsschatting om na te gaan of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker voert nog aan dat de verwerende partij in strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 8 van het IVRK heeft gehandeld door enkel en alleen op grond van de resultaten van de medische test de bestreden beslissing te nemen zonder hem de mogelijkheid te bieden om authentieke stukken uit Afghanistan voor te leggen. Wat de door verzoeker opgeworpen schending van artikel 8 van VII-41.761-10/15 het EVRM betreft, valt het niet in te zien op welke wijze artikel 8 van het EVRM zou zijn geschonden nu verzoeker niet de onwettigheid aantoont van de bestreden beslissing waarmee zijn leeftijd op datum van 15 september 2022 op ouder dan 18 jaar wordt geschat. Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat het onderzoek of een vreemdeling die op grond van zijn eigen verklaarde leeftijd een niet-begeleide minderjarige vreemdeling zou zijn, toch niet ouder is dan 18 jaar wanneer twijfel wordt geuit over zijn verklaarde leeftijd, wel degelijk kan worden beschouwd als noodzakelijk in een democratische samenleving omwille van onder meer de openbare orde. Tweede middelonderdeel
  17. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Verzoeker weidt uit over de (on)betrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling en verwijst in het bijzonder naar standpunten van internationale organismen en de kritiek erop vanuit de medische wereld. Zoals hoger herhaaldelijk werd opgemerkt, is het medisch onderzoek door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Verzoeker VII-41.761-11/15 beperkt zich tot algemene kritiek omtrent de betrouwbaarheid van dergelijk medisch onderzoek zonder evenwel in te gaan op de concrete vaststellingen van dat onderzoek. Hij toont evenmin aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Het medisch verslag bevat een uitgebreide uiteenzetting betreffende de gebruikte methodologie. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoekers kritiek dat nergens melding wordt gemaakt van de competenties van de artsen om het medisch onderzoek uit te voeren, is niet dienstig. Te dezen blijkt dat de onderzoeken zijn uitgevoerd door dr. G. W., gerechtsdeskundige van de afdeling Orthodontie en Forensische Tandheelkunde, en dr. H. S. kliniekhoofd Radiologie. Verzoeker maakt geenszins aannemelijk dat de gerechtsdeskundige van de afdeling Orthodontie en Forensische Tandheelkunde en het kliniekhoofd van de dienst radiologie niet competent zouden zijn om op grond van de bevindingen in het medisch verslag tot een leeftijdsschatting te komen. De omstandigheid dat het medisch verslag van 15 september 2022 pas enkele dagen later zou zijn ondertekend door één van de twee artsen, doet, anders dan hoe verzoeker het ziet, geenszins twijfel rijzen of zij het rapport wel mee heeft opgesteld. De ondertekening door de tweede arts, ongeacht of dit op een latere datum gebeurde, houdt immers in dat zij de inhoud van dit verslag volledig onderschrijft en dat zij het verslag bijgevolg tot het hare maakt. VII-41.761-12/15 Uit het administratief dossier blijkt ten slotte geenszins dat verzoeker geen toegang zou zijn verleend tot het resultaat van het onderzoek van het gebit. In het verslag van het medisch onderzoek wordt overigens aangegeven tot welke vaststellingen de radiografie van de tanden heeft geleid. Het gaat niet om motieven maar om elementen waarop de motieven van het medisch verslag, en vervolgens van de bestreden beslissing, zijn gesteund. Deze stukken behoren tot het medisch dossier van de betrokkene zelf. Verder behoort de beoordeling van de bronnen en de medische elementen tot de discretionaire bevoegdheid van de artsen en het bestuur. Het komt de Raad van State niet toe zich wat dat betreft in de plaats van de artsen of het bestuur te stellen.
  18. Het enige middel is ongegrond. VI. Over de vordering tot schorsing
  19. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep.
  21. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.761-13/15 VII-41.761-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.761-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.454 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.