← België

Arrest 256456 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.456 Rolnummer: A. 234865/VII-41483 Zaak: Arrest 256456 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.456 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.456 van 9 mei 2023 in de zaak A. 234.865/VII-41.483 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Govaerts kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Beekstraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 26 augustus 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.483-1/7 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 3 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 april
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker wordt op 26 mei 2021 door de dienst Vreemdelingenzaken aangemeld bij de dienst Voogdij. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit en 15 jaar oud te zijn (administratieve geboortedatum: 31 mei 2006). 3.
  6. De dienst Vreemdelingenzaken informeert de dienst Voogdij dat verzoeker internationale bescherming heeft aangevraagd in Slovenië onder een andere identiteit, meer bepaald “Hedayatullah SAFI, 6 mei 2003 (…)”. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van de betrokkene. 3.
  7. In het Universitair Ziekenhuis Antwerpen ondergaat verzoeker op 25 augustus 2021 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van VII-41.483-2/7 25.08.2021 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 21.2 jaar met een standaarddeviatie van een 1.9 jaar een goede schatting is”. 3.
  8. Op 26 augustus 2021 beslist de dienst Voogdij op grond van voormeld medisch onderzoek dat verzoeker ouder dan achttien jaar is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker voert in een enig middel aan dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003) geschonden is, en dat de bestreden beslissing bovendien uitgaat van een onjuiste feitenvinding en bijgevolg onbehoorlijk is gemotiveerd, en de “materiële motiveringsplicht in bestuurshandelingen” schendt. Verzoeker voert aan dat volgens de bestreden beslissing een medische test zou hebben aangetoond dat hij ouder is dan 18 jaar. Verzoeker stelt evenwel geen kennis te hebben kunnen nemen van de gegevens of de resultaten van de bedoelde medische test. Evenmin blijkt volgens hem hoe en door wie de medische test is uitgevoerd en op welke basis de conclusie betreffende zijn beweerde leeftijd is genomen. Nochtans, zo stelt verzoeker, dient een leeftijdsonderzoek te bestaan uit drie scans, namelijk een scan van de pols, van het gebit en van het sleutelbeen. Te dezen blijkt volgens verzoeker niet of elk van deze scans is uitgevoerd en welke de afzonderlijke resultaten van deze scans zijn geweest. Verzoeker meent dan ook dat er bijgevolg nog minstens twijfel blijft bestaan over zijn juiste leeftijd en dat de minderjarigheid niet is uitgesloten. Hij meent dan ook dat de dienst Voogdij hem het voordeel van de twijfel had moeten toekennen. VII-41.483-3/7 Beoordeling
  10. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan achttien jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Overigens vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat verzoeker een kopie van de resultaten van de medisch test, waarin wordt aangegeven welke onderzoeken zijn uitgevoerd en welke deviatiemarge wordt gehanteerd, kan opvragen. Verzoeker voert niet aan noch toont hij aan dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen. Verzoeker toont geen schending aan van de formelemotiveringsplicht, zoals deze is vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
  11. Naar luid van artikel 7, § 1, van de Programmawet van 24 december 2002, ‘Titel XIII - Hoofdstuk VI : Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ (hierna: de voogdijwet) laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Uit het verslag van het medisch onderzoek blijkt overigens dat het werd uitgevoerd door dr. J.L.G. en dat de arts, waar nodig, een standaarddeviatie hanteert. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest VII-41.483-4/7 overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt uit het medisch verslag dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, te weten een drieledige test bestaande uit een radiografie van de hand en de pols, een radiografie van het sleutelbeen en een overzichtsradiografie van de tanden, waarbij elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Te dezen wordt verzoekers leeftijd op grond van de drie deelonderzoeken op 21.2 jaar met een standaarddeviatie van 1.9 jaar geschat. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 25 augustus 2021 om een leeftijd van “ouder dan 18 jaar, waarbij 21.2 jaar met een standaarddeviatie van een 1.9 jaar een goede schatting is”. Verzoeker ontkracht niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoeker maakt geen schending aannemelijk van de materiëlemotiveringsplicht.
  12. Verzoeker verduidelijkt niet in concreto op welke wijze hij artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 geschonden acht. Hoe VII-41.483-5/7 dan ook, naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. De voornoemde bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld.
  13. Het enige middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het beroep.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.483-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.483-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.456 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.