← België

Arrest 256457 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.457 Rolnummer: A. 235573/VII-41520 Zaak: Arrest 256457 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.457 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.457 van 9 mei 2023 in de zaak A. 235.573/VII-41.520 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Done Dagyaran kantoor houdend te 1000 Brussel Dageraadstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 28 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 6 december 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.520-1/6 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 3 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 april
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is België binnengekomen en wordt door de dienst Vreemdelingenzaken op 9 november 2021 aangemeld bij de dienst Voogdij. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 20 februari
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. 3.
  7. In het Algemeen Ziekenhuis Sint-Jan Brugge-Oostende AV ondergaat verzoeker op 1 december 2021 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “ouder [is] dan 18 jaar, vermoedelijk 23,65 jaar met een standaarddeviatie van 1,90 jaar”. 3.
  8. Op 6 december 2021 beslist de dienst Voogdij op grond van het resultaat van de medische test dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Dit is de bestreden beslissing. VII-41.520-2/6 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK) en van “artikel 61/14 e.v. Verblijfswet” iuncto de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen’. Verzoeker voert aan dat het volstrekt onduidelijk is op basis van welke testen tot de leeftijdsbepaling is beslist. Verzoeker stelt dat het medisch onderzoek om te bepalen of de betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar, gebeurt op basis van botscans van de pols, het sleutelbeen en de tanden, doch dat botscans niet betrouwbaar zijn en het resultaat een grote impact heeft op de toekomst van de jongere, nu de leeftijd die wordt toegekend bepalend is voor zowel de asielprocedure als het recht op onderwijs en de strafrechtelijke aansprakelijkheid. Dit houdt volgens hem een schending in van artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag. Hij wijst erop dat het UNHCR, de VN Vluchtelingenorganisatie, Unicef, het International Rescue Center en Vluchtelingenwerk verklaren dat er nood is aan een breder multidisciplinair onderzoek, meer bepaald een medisch, sociaal, cultureel en psychologisch onderzoek. Volgens verzoeker is een medisch onderzoek op basis van botscans onvoldoende en focust dit niet op het belang van het kind. Beoordeling
  10. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Dit medisch onderzoek is door de wet zelf als ultiem bewijsmiddel ingesteld om de VII-41.520-3/6 leeftijd van een verzoeker te achterhalen in geval van twijfel omtrent de door hem opgegeven leeftijd. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. Uit de ontwikkeling van het middel blijkt overigens dat verzoeker op de hoogte is van welke onderzoeken uitgevoerd werden. De formelemotiveringsplicht vereist evenmin dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. De resultaten van het medisch onderzoek bevinden zich overigens in het administratief dossier en blijkens de bestreden beslissing kon verzoeker er een afschrift van vragen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen. Verzoeker toont dan ook geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juni 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Waar verzoeker zich afvraagt in hoeverre de leeftijdsonderzoeken betrouwbaar zijn omdat er veel bezwaar en kritiek op is, betreft dit kritiek die geen uitstaans heeft met de schending van de formelemotiveringsplicht.
  11. Naar luid van artikel 7, § 1, Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. De wet zelf heeft dus het medisch onderzoek als bewijsmiddel ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat. Verzoeker beperkt zich tot een algemene en niet onderbouwde kritiek op het medisch onderzoek. Nog daargelaten de vaststelling dat deze kritiek geen uitstaans heeft met de door hem ingeroepen bepalingen, toont hij niet concreet aan dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige VII-41.520-4/6 wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. Overigens heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen over het feit of de betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt of niet. Uit het medisch onderzoek blijkt dat de arts op basis van de door hem uitgevoerde onderzoeken besluit dat verzoeker een leeftijd heeft van 23,65 jaar en dat een standaarddeviatie van 1,9 jaar wordt gehanteerd om de ondergrens van de geschatte leeftijd te bepalen. Verzoeker toont met zijn algemeen geformuleerde twijfel omtrent de onderzoeksmethode geen onwettigheid van de bestreden beslissing aan. In de mate dat verzoeker thans een kopie van een taskara voorlegt waaruit zijn voorgehouden minderjarigheid zou moeten blijken, blijkt niet dat de verwerende partij reeds over dit stuk beschikte bij het nemen van de bestreden beslissing. Er kan derhalve geen rekening mee worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing.
  12. Verzoeker geeft niet aan op welke wijze artikel 61/14 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, dat slechts enkele definities bevat, zou zijn geschonden met de bestreden beslissing, laat staan dat hij aantoont op welke wijze hij de volgende artikelen van voormelde wet geschonden acht door de bestreden beslissing.
  13. Daargelaten de vraag naar de directe werking van artikel 3 van het IVRK in het Belgische recht, blijkt uit de bestreden beslissing dat verzoeker meer dan 18 jaar is. Verzoeker toont de onwettigheid van deze vaststelling niet aan, zodat hij zich niet op die verdragsbepaling kan beroepen.
  14. Het enige middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. VII-41.520-5/6 BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het beroep.
  16. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.520-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.457 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.