← België

Arrest 256459 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.459 Rolnummer: A. 236590/VII-41518 Zaak: Arrest 256459 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.459 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.459 van 9 mei 2023 in de zaak A. 236.590/VII-41.518 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 18 oktober 2021 waarbij wordt beslist dat verzoeker jonger dan 18 jaar is en een voogd toegewezen krijgt tot 8 april
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.518-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2023, om 10u30 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bruno Soenen, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 6 september 2021 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit en geboren te zijn op 30 september
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over deze leeftijd. 3.
  7. Op 8 oktober 2021 vindt een medisch onderzoek in het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven plaats, teneinde na te gaan of betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar. De arts besluit in zijn rapport dat verzoeker “op datum van 08-10-2021 een leeftijd heeft van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden, dwz dat het onmogelijk is exact te bepalen of hij ouder dan wel jonger is dan 18 jaar”. 3.
  8. Op 18 oktober 2021 besluit de verwerende partij op basis van de eindconclusie van het medisch onderzoek dat verzoeker jonger is dan 18 jaar en dat hij een voogd zal toegewezen krijgen tot 8 april
  9. Dit is de bestreden VII-41.518-2/7 beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep – ambtshalve exceptie van laattijdigheid van het beroep Standpunt van verzoeker
  10. In het verzoekschrift betoogt verzoeker dat zijn beroep niet laattijdig is ingediend. Hij verantwoordt zijn standpunt als volgt: “Dat huidig verzoekschrift binnen de 60 dagen na de officiële en rechtmatige kennisgeving van de bestreden beslissing dient te worden ingediend. Dat de bestreden beslissing die genomen werd door de Dienst Voogdij op 18/10/
  11. (zie het stuk 1) Dat deze beslissing echter werd gericht aan de verzoeker die toen minderjarig was. Dat slechts op 07/12/2022 een voogd werd aangesteld om de minderjarige bij te staan. (zie het stuk 4). Dat de aanstelling van een voogd geschiedde bijna 2 maanden na de bestreden beslissing was en de minderjarige gedurende deze periode als het ware aan zijn lot werd overgelaten. Dat hij geen bijstand kende in zijn asielprocedure, noch in het dagdagelijkse reilen en zeilen. Dat dit reeds te betreuren valt. 2.
  12. Dat een leeftijdsbeslissing die gericht wordt aan een minderjarige zonder voogd en zonder advocaat evident niet aanvaard kan worden. Dat de verzoeker bovendien de Nederlandse taal niet machtig is. Dat er derhalve niet kan ingezien worden hoe zo een belangrijke beslissing met dergelijke impact op deze wijze wordt genomen. Dat verzoeker enerzijds nog minderjarig was en anderzijds de Dienst Voogdij dit alsdusdanig erkende in haar beslissing maar daar echter niet naar handelde door niet onmiddellijk een voogd aan te stellen wat wettelijk is verplicht. Dat dit tot gevolg had dat hierdoor een voogd ontbrak om de leeftijdsbeslissing te ontvangen en de impact ervan naar waarde in te schatten. (zie het stuk 1) De wet van 19 januari 1990 omschrijft een minderjarige als ‘de persoon van het mannelijk of vrouwelijk geslacht die de volle leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt’. Ook het artikel 1 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind bevestigt deze bepaling. In België zijn minderjarigen in principe wel rechtsbekwaam maar handelingsonbekwaam. Dit houdt in dat de minderjarigen rechten genieten, maar deze niets steeds kunnen uitoefenen, met name de rechtshandelingen kunnen niet worden gesteld door een minderjarige. De minderjarigen en meer bepaald de niet-begeleide minderjarigen zijn zeer kwetsbaar omdat zij meer blootgesteld zijn aan mensenhandel en diverse vormen van (seksuele of economische) uitbuiting. Dat omwille van deze kwetsbaarheid en de bijkomende onbekwaamheid een voogd wordt aangesteld, zodat de jongeren kunnen rekenen op de bijstand van een voogd voor alle stappen die verband houden met hun verblijf in België. (zie het stuk 9) Dat de minderjarige in dit geval niet kon rekenen op de bijstand van een voogd. In tegendeel een voogd werd pas bijna 2 maanden later aangesteld. VII-41.518-3/7 Er volgde dus geen officiële kennisgeving van de bestreden beslissing aan een voogd hoewel hij de voogd door de wetgever is bestemd als de wettelijke vertegenwoordiger van zijn pupil. Er kan en mag ook niet worden vastgesteld dat de verzoeker op datum van 18/10/2022 de beslissing op rechtsgeldige wijze ontving. De verzoeker was nog handelingsonbekwaam en kon de inontvangstname bij gebrek aan voogd evenmin rechtsgeldig ontvangen en ondertekenen. Hij kon deze evenmin bij gebrek aan een voogd aanvechten wat bijgevolg zijn toegang tot een rechter ontzegde. Op datum van 05/04/2022 werd een aangetekend schrijven aan de Dienst Voogdij verstuurd met een verzoek om eventueel bijkomende onderzoeken te doen. (zie het stuk 6) Hierop bleef echter enig antwoord uit. Dat de beslissing dus niet officieel aan de verzoeker werd betekend op een juridisch correcte wijze. Dat de beroepstermijn 60 dagen bedraagt maar dat omwille van hogergenoemde redenen de beroepstermijn niet is beginnen te lopen. Hoogstens zou de datum van 05/04/2022 kunnen worden weerhouden als datum van kennisname. Het verzoek is in die omstandigheden aldus tijdig en bijgevolg ontvankelijk”. Beoordeling
  13. Artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 bepaalt onder meer: “De aanvragen, moeilijkheden, beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16, 1° tot 8°, kunnen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang en worden schriftelijk ingediend bij de afdeling in de vormen en binnen de termijn door de Koning bepaald. De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis werd gebracht. De verjaringstermijn voor de cassatieberoepen bedoeld in artikel 14, § 2, neemt alleen een aanvang op voorwaarde dat de kennisgeving door het administratief rechtscollege van de in laatste aanleg gewezen beslissing in betwiste zaken, het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijn vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan neemt de verjaringstermijn een aanvang vier maanden nadat aan de betrokken partijen de in laatste aanleg gewezen beslissing in betwiste zaken ter kennis werd gebracht.] (…)” Artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad VII-41.518-4/7 van State’, bepaalt onder meer: “§
  14. De eisen bedoeld in artikel 11 van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen na de schriftelijke kennisgeving van de beslissing houdende afwijzing van het verzoekschrift tot vergoeding. Indien de administratieve overheid verzuimt een beslissing te nemen, bedraagt de termijn van verjaring drie jaar te rekenen van de datum van dat verzoekschrift. Wanneer een rechtsvordering strekkende tot hetzelfde voorwerp is ingesteld binnen termijnen voorzien bij de eerste alinea, gaan de termijnen van zestig dagen en van drie jaar slechts in met het einde van de rechtsgedingen. De beroepen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3 van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. De overige aanvragen en beroepen moeten, op straffe van onontvankelijkheid, ingediend worden binnen de termijnen door de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen vastgesteld (…)”. Bovendien stelt artikel 16 van de programmawet (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen van 24 december 2002: “§
  15. Aan de voogd wordt kennis gegeven van alle oproepingen, beslissingen of verzoeken om inlichtingen betreffende de niet-begeleide minderjarige. De beroepstermijnen gaan in op het tijdstip van de kennisgeving aan de voogd. De betekeningen en kennisgevingen in het kader van een gerechtelijke procedure betreffende een niet-begeleide minderjarige vreemdeling geschieden overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. De termijnen voor het verrichten van de gerechtelijke proceshandelingen zijn onderworpen aan de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Tegelijk met kennisgeving aan de voogd wordt een afschrift bezorgd aan de verblijfplaats van de minderjarige en aan de dienst Voogdij. §
  16. Met het oog op de toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de voogd verondersteld woonplaats te hebben gekozen bij de dienst Voogdij, tenzij hij kennis geeft van een andere woonplaats”.
  17. Op 7 december 2021 werd een beslissing genomen tot aanwijzing van de heer [W. R.] als voogd van verzoeker. In de brief dienaangaande. staat het volgende te lezen: “De dienst Voogdij identificeerde [verzoeker], in de leeftijdsbeslissing van 18 oktober 2021 geboren op 8 april 2004 te Bar Shamshapoor, Afghaans, als niet-begeleide minderjarige vreemdeling. De dienst Voogdij wijst u aan als voogd VII-41.518-5/7 van [verzoeker]. Uw voogdijschap begint te lopen vanaf 7 december 2021 en zal ten laatste beëindigd worden op 8 april 2022 (…)”.
  18. Ter terechtzitting betwist verzoekers voogd dat hij met de beslissing van 7 december 2021 in kennis werd gesteld van de leeftijdsbeslissing van 18 oktober 2021 en benadrukt enerzijds dat hij “herhaaldelijk” naar de betreffende beslissing heeft geïnformeerd en anderzijds dat hij na aandringen pas op 7 maart 2022 kennis kreeg van het medisch verslag. De ter terechtzitting overgemaakte e-mail van 11 december 2021 van verzoekers voogd gericht aan de dienst Voogdij, waarin staat te lezen dat “(o)p basis van de datum van de test en de standaarddeviatie van 6 maanden (…) zijn geboortedatum (werd) bepaald op 08 04 2004.”, doet vermoeden dat verzoekers voogd op dat ogenblik kennis had van de leeftijdsbeslissing, temeer nu expliciet uit de e-mail van 7 april 2022 blijkt dat de voogd reeds op 23 december 2021 heeft verzocht om de leeftijdsbeslissing te herzien. Uit deze vraag tot herziening blijkt ontegensprekelijk dat verzoeker en zijn voogd op dat ogenblik kennis hadden van de bestreden beslissing tot leeftijdsbepaling, nu een vraag tot herziening zonder dergelijke kennis als weinig aannemelijk voorkomt. Het gegeven dat de voogd pas op 7 maart 2022 kennis kreeg van het medisch verslag doet geen afbreuk aan voorgaande vaststelling laat staat dat op grond van deze kennisgeving aannemelijk wordt gemaakt dat het beroep tot nietigverklaring dat werd ingesteld op 3 juni 2022 vooralsnog tijdig zou zijn.
  19. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk. VII-41.518-6/7 BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep.
  21. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.518-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.459 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.