id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.460 Rolnummer: A. 235287/VII-41492 Zaak: Arrest 256460 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.460 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.460 van 9 mei 2023 in de zaak A. 235.287/VII-41.492 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bobber Loos kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 12 oktober 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.492-1/16 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 3 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 april
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 23 augustus 2021 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart aan de dienst Vreemdelingenzaken minderjarig, meer bepaald 15 jaar en 6 maanden oud, te zijn (administratieve geboortedatum: 28 februari 2006). De dienst Vreemdelingenzaken uit evenwel twijfels over deze leeftijd. 3.
- Op 1 oktober 2021 vindt een medisch onderzoek in het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven plaats, teneinde na te gaan of betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar. De eindconclusie van dat rapport luidt dat verzoeker “op datum van 01-10-2021 een leeftijd heeft van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden, dwz dat het onmogelijk is exact te bepalen of hij ouder dan wel jonger is dan 18 jaar”. VII-41.492-2/16 3.
- Op 12 oktober 2021 besluit de verwerende partij op basis van de eindconclusie van het medisch onderzoek dat verzoeker “jonger dan 18 jaar kan zijn”, dat “het verschil van 2 jaar tussen de jongste leeftijd volgens de medische test en de leeftijd volgens [zijn] verklaring te groot is”, nu de medische test aantoont dat zijn jongste leeftijd 17 jaar en 6 maanden is en hij volgens zijn verklaring 15 jaar en 6 maanden is en hij geen authentiek document heeft om zijn leeftijd te bewijzen. De dienst Voogdij baseert zich op de jongste leeftijd van de medische test om te weten wanneer de voogdij eindigt, namelijk op 1 april
- Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van de artikelen 2 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht” vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’, van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 24.2 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2000, van artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest van 18 oktober 1961 en van de artikelen 3 en 12 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het kinderrechtenverdrag). VII-41.492-3/16 Verzoeker voert aan dat artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van toepassing is bij toepassing van het Unierecht. Aangezien hij een verzoeker om internationale bescherming is, wordt er in casu het Unierecht toegepast. Artikel 24.2 van het Handvest, artikel 3 van het kinderrechten-verdrag en artikel 22bis van de Grondwet vereisen dat bij alle maatregelen die een kind direct of indirect treffen, het hoger belang van het kind de eerste overweging is. Artikel 3, laatste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 stelt dat het medisch onderzoek niet enkel radiografisch onderzoek dient te bevatten, maar onder meer ook psycho-affectieve tests kan omvatten. De psycho-affectieve tests zijn geen verplichting voor de overheid, maar de mogelijkheid bestaat en indien het in het hoger belang van het kind is om de minderjarige aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen, kan het wel degelijk voorkomen dat de overheid niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag legt door geen gebruik te maken van die onmogelijkheid. Verzoeker wijst er ook op dat de verklaarde leeftijd van een minderjarige een essentieel onderdeel vormt van diens identiteit en integriteit, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM. Hij benadrukt dat de medische leeftijdstest ernstig bekritiseerd wordt vanuit de vakliteratuur en op supranationaal niveau. De onderzoeken zijn volgens verzoeker onvoldoende nauwkeurig en zijn volledig geijkt op een westers publiek. Met betrekking tot kinderen die in armoede zijn opgegroeid en kinderen die uit Azië komen, zijn er doorslaggevende indicaties dat de resultaten van de huidig gebruikte testen er jaren naast kunnen zitten. De Orde der Artsen wijst daar zelf ook op. Medische leeftijdstesten zoals deze die verzoeker ondergaan heeft, liggen onder vuur omdat ze niet nauwkeurig zijn en niet zouden stroken met het hoger belang van het kind. Het VN-Comité voor de Rechten van het Kind, dat toeziet op de naleving van het Kinderrechtenverdrag, heeft gesteld dat, om een geïnformeerde inschatting van de leeftijd van een minderjarige te maken, staten gebruik moeten maken van een multidisciplinair team dat rekening houdt met de fysieke en psychologische VII-41.492-4/16 ontwikkeling van kinderen. Medische testen zouden moeten geweerd worden gelet op hun onnauwkeurigheid. Beslissingen moeten op effectieve wijze aanvechtbaar zijn in beroep. Ook het Europees Comité voor Sociale Rechten is deze visie toegedaan en meent ook dat de leeftijdstest op basis van botscans een schending uitmaakt van artikel 17, §1, van het Herziene Europees Sociaal Handvest. Het VN-Kinderrechtencomité heeft in ‘Views adopted by the Committee on the Rights of the Child under the Optional Protocol to the Convention on the Rights of the Child on a communications procedure in respect of communication No. 76/2019’ op 4 februari 2021 geoordeeld dat de inschatting van de leeftijd van een minderjarige van fundamenteel belang is, gelet op de gevolgen van die inschatting, en dat de inschatting in rechte aanvechtbaar moet zijn. Een administratief beroep waarbij niet onderzocht kan worden of het gebruik van de medische test wel proportioneel is, waarbij niet onderzocht kan worden of het niet aangewezen was om ook psycho-affectieve testen en gesprekken te laten plaatsvinden en de documenten van verzoeker samen met die verzoeker te beoordelen, en waarbij verzoeker geen bijstand van een voogd geniet, voldoet volgens verzoeker niet aan de voorwaarden van een effectief rechtsmiddel voor wat deze materie betreft. Indien er wordt geoordeeld dat het hoger belang van het kind geen toepassing vindt bij de beroepsprocedure tegen de beslissing dat een minderjarige meerderjarig zou blijken te zijn, is een uitholling van het hoger belang van het kind als recht en van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Een beroep tegen de beslissing na een leeftijdstest dient volgens verzoeker automatisch schorsend te zijn, zodat de minderjarige ook tijdens de beroepsprocedure als minderjarige behandeld wordt en het hoger belang van het kind toepassing blijft vinden. Anders oordelen komt er volgens hem op neer dat de crux van het VN-Kinderrechtenverdrag geen toepassing meer vindt zodra een administratie de beslissing neemt dat het niet om een kind gaat, met bijzonder verstrekkende gevolgen. Verzoeker wijst er nog op dat het VN-Kinderrechtencomité ook besliste dat beschikbare documenten als echt dienen te gelden tot bewijs van het tegendeel. VII-41.492-5/16 VII-41.492-6/16 Verzoeker meent dat hij de bijstand had moeten krijgen van een voogd voor hij aan de test onderworpen werd, of op dat moment al bijstand had moeten krijgen van een raadsman. Dit geldt des te meer nu na het leeftijdsonderzoek bleek dat hij wel degelijk een minderjarige is. Gelet op de onnauwkeurigheid van de medische leeftijdstest en gelet op de gezaghebbende interpretaties van onder andere het VN-Kinderrechtencomité en de richtlijnen van EASO, meent verzoeker dat het zich beperken tot een medische leeftijdstest, zonder enige motivering hierrond, niet verzoenbaar is met het hoger belang van het kind en artikel 8 van het EVRM. De impact van de beslissing over verzoekers leeftijd is erg groot en valt niet te herstellen. Het is van het grootste belang dat een dergelijke beslissing zo omzichtig mogelijk genomen wordt. In casu gebeurde dit volgens verzoeker niet. Bijkomend merkt hij op dat uit het medisch onderzoek blijkt dat hem ten onrechte niet het voordeel van de twijfel werd toegekend, en dat de verwerende partij geen rekening hield met de jongste leeftijd. Verzoeker wijst er dienaangaande op dat uit de hand/polsradiografie blijkt dat hij een leeftijd van minstens 18 jaar heeft en dat de verwerende partij op grond hiervan concludeert dat "Het onderzoek van de handpolsradiografie wijst in de richting van een persoon met matuur skelet." Het orthopantomogram geeft volgens een ‘eigen ontwikkelde techniek’ een leeftijd van 18,3 jaar. Het 95 % predictie-interval is 16,2 - 19,9 jaar met een kans van 57 % dat deze persoon ouder is dan 18 jaar. De radiografie van de sleutelbeenderen tot slot geeft een gemiddelde leeftijd van ‘rond de 18 jaar’ met een standaarddeviatie van 2 jaar aan. Op basis van deze drie onderzoeken concludeert de verwerende partij dat verzoeker een leeftijd heeft van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden, dat wil zeggen dat het onmogelijk is exact te bepalen of hij ouder dan wel jonger is dan 18 jaar. Verzoeker meent echter dat de verwerende partij te kort door de bocht gaat. Om te beginnen negeert zij de radiografie van de sleutelbeenderen, die als minimumleeftijd 16 jaar aangeeft (‘rond de 18 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar’). Verzoeker stelt vast dat hem het voordeel van de twijfel niet wordt toegekend en dat de verwerende partij nalaat om rekening te houden met de jongste leeftijd, namelijk 16 jaar. Ook bij de interpretatie van het orthopantomogram laat VII-41.492-7/16 de verwerende partij volgens verzoeker na om rekening te houden met de jongste leeftijd. Zij geeft aan dat verzoeker met 95 % zekerheid tussen de 16,2 en 19,9 jaar oud is en negeert hierbij de jongste leeftijd die uit het onderzoek blijkt, namelijk 16,2 jaar. In zoverre dat de verwerende partij vervolgt dat uit het orthopantomogram blijkt er een kans van 57 % bestaat dat verzoeker ouder is dan 18 jaar, volgt hier volgens verzoeker logischerwijze ook uit dat er een kans van 41 % bestaat dat hij jonger is dan 18 jaar. Verzoeker stelt vast dat de verwerende partij omtrent het orthopantomogram desalniettemin concludeert dat hij 18,3 jaar oud is, op basis van een ‘eigen ontwikkelde techniek’ die niet verder geduid wordt. Verzoeker meent dan ook dat hem ten onrechte het voordeel van de twijfel niet toegekend wordt, terwijl een kans van 41 % niet marginaal is. Verzoeker wijst er bovendien op dat zijn verklaarde leeftijd op het moment van het leeftijdsonderzoek (15 jaar en 7 maanden) zeer dicht ligt bij de minimumleeftijd die uit 2 van de 3 tests blijkt. Verzoeker meent dan ook dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met zijn verklaringen en met de benedengrens die blijkt uit twee van de drie leeftijdsonderzoeken. Verder blijkt volgens hem ook nergens hoe de verwerende partij uitkomt bij de leeftijd van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden, hetgeen zowel een onzorgvuldige werkwijze als een schending van de motiveringsplicht inhoudt. Verzoeker stelt dan ook compleet in het duister te tasten over hoe de verwerende partij tot deze leeftijd komt op basis van twee onderzoeken die respectievelijk 16 jaar en 16,2 jaar als ondergrens geven, en een derde onderzoek dat ‘wijst in de richting van een persoon met een matuur skelet’. Ook hier wordt volgens hem geen rekening gehouden met het voordeel van de twijfel en wordt ten onrechte de minimumleeftijd die blijkt uit maar liefst 2 van de 3 onderzoeken genegeerd. Verzoeker stelt dat de verwerende partij dan ook onzorgvuldig tewerk ging door enkel en alleen en prioritair gebruik te maken van de medische test, zonder te overwegen en te motiveren waarom er geen psycho-affectieve test wordt afgenomen en zonder andere informatie in oogmerk te nemen. Het getuigt volgens hem eveneens van onzorgvuldigheid dat bij de test niet alle relevante criteria werden gebruikt, zoals zijn afkomst, etnie, VII-41.492-8/16 socio-economische geschiedenis en voedingspatroon. Ten slotte ging de verwerende partij volgens verzoeker onzorgvuldig tewerk door geen rekening te houden met de jongste leeftijd die bleek uit het leeftijdsonderzoek en door hem het voordeel van de twijfel niet toe te kennen. Volgens verzoeker werd ook de motiveringsplicht geschonden doordat niet wordt gemotiveerd waarom geen psycho-affectieve tests werden afgenomen, waarom niet voor de jongste leeftijd werd gekozen en hoe de verwerende partij uitkomt bij een leeftijd van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden. Verzoeker wijst er nogmaals op dat het hoger belang van het kind zoals vervat in artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten, de eerste overweging zou moeten vormen. Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt volgens hem tot een miskenning van het hoger belang van het kind. Er had immers veel zorgvuldiger kunnen omgesprongen worden met verzoekers minderjarigheid, de gebreken van de tests en de interpretatie van de resultaten ervan. Beoordeling
- Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van het medisch onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker “op datum van 01-10-2021 een leeftijd heeft van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden, dwz dat het onmogelijk is exact te bepalen of hij ouder dan wel jonger is dan 18 jaar (…)”. Het medisch onderzoek met een standaarddeviatie van 6 maanden greep meer dan 6 maanden geleden plaats. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. VII-41.492-9/16 Het enige middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ betreft.
- Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiële-motiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Te dezen vermeldt de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” dat verzoeker het document dat hem informeert over het verloop van de leeftijdstest heeft ontvangen en dat hij zich niet verzet tegen de uitvoering van een leeftijdstest. Uit het verslag van het leeftijdsonderzoek blijkt dat verzoeker op 1 oktober 2021 was vergezeld van ”mevrouw [K. E.] van de dienst Voogdij van de Federale Overheidsdienst Justitie”. Ook toen heeft verzoeker zich niet verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich hierbij eerst tot algemene kritiek, door onder meer te verwijzen naar niet bindende adviezen, doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. VII-41.492-10/16 Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 21 oktober 2021 om “een leeftijd […] van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Verzoeker kreeg tot de datum van 1 april 2022 een voogd toegewezen, waardoor de jongste leeftijd van 17 jaar en 6 maanden in acht is genomen. Verzoeker bekritiseert voorts ook de concrete testresultaten. Te dezen blijkt het verslag van het door een college van twee artsen uitgevoerde medische onderzoek op omstandige wijze de onderzoeksmethodiek en het verloop van het deskundig onderzoek te beschrijven. Inzonderheid wordt de wetenschappelijkheid van de door hen gebruikte meervoudige test als onderzoeksmethode toegelicht, met inbegrip van de beperkingen van elk der deelonderzoeken waaruit die bestaat, alsook de correctiefactoren of standaarddeviaties die hieraan wetenschappelijk tegemoet komen. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Verzoeker toont niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de voornoemde vaststellingen, vermits op basis van de hand/polsradiografie een “biologisch matuur skelet” blijkt, wat neerkomt “op een VII-41.492-11/16 leeftijd van minstens 18 jaar”. In het medisch verslag wordt overigens duidelijk aangegeven, wat de hand/polsradiografie betreft, dat wanneer de skeletale groei beëindigd is, het individu biologisch gezien matuur is en het voor jongens over een persoon ouder dan 18 jaar gaat. Bovendien wordt duidelijk aangegeven dat “In het geval van een volledig beëindigde skeletale groei opgemerkt ter hoogte van het handpolsgewricht, (…) het resultaat van de handpolsradiografie niet meer (zal) meetellen voor de eigenlijke leeftijdsschatting, net omdat men niet juist kan vaststellen sinds hoeveel dagen, maanden of jaren deze groei volledig beëindigd is”. Met andere woorden, uit de hand/polsradiografie blijkt de biologische maturiteit van de betrokkene, doch deze test geeft geen uitsluitsel over de eigenlijke leeftijd, precies omdat deze enkel bevestigt of de betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, zodat “De resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken (…) dan determinerend (zijn)”. De hand/polsradiografie maakt aldus onderdeel uit van het meervoudig onderzoek, maar is dus enkel duidend en niet determinerend voor de eigenlijke leeftijdsschatting aangezien enkel kan worden vastgesteld of de betrokkene minstens 18 jaar oud is, hetgeen te dezen het geval is. Aldus wordt duidelijk uiteengezet waarom de hand/polsradiografie niet wordt meegerekend bij de schatting van de leeftijd. Met betrekking tot de resultaten op basis van de radiografie van de tanden wordt in het medisch verslag aangegeven dat een kort klinisch tandheelkundig onderzoek, waarvan wordt gesteld dat het om een “eerste impressie” gaat, wijst op een “individu ouder dan 18 jaar” en dat de wijsheidstanden de laatste tanden zijn die afgevormd worden en die op de leeftijd van 16 tot 23 jaar de enige tanden zijn die nog in ontwikkeling zijn. Op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat alle tanden volledig afgevormd zijn en dat dit, gelet op het stadium waarin de aanwezige wijsheidstanden zich bevinden, resulteert in “een leeftijd van 18,3 jaar. Het 95% predictie-interval is 16,2 – 19,9 jaar met een kans van 57% dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Naast de hand/polsradiografie bevestigde ook de radiografie van de tanden derhalve de conclusie van het klinisch onderzoek dat verzoeker minstens 18 jaar oud is. VII-41.492-12/16 Wat het onderzoek op basis van de radiografie van het sleutelbeen betreft, blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat de arts bij zijn onderzoek vaststelde dat de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen nog niet verbeend is, zelfs niet partieel, wat volgens het onderzoek van Schmeling en anderen overeenstemt met stadium type 2 en met een gemiddelde leeftijd van rond de 18 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Gelet op het resultaat van het klinisch onderzoek, waarbij een eerste impressie wijst op “een individu van ouder dan 18 jaar”, op het resultaat van de handpolsradiografie die wijst op “een leeftijd van minstens 18 jaar”, op de orthopantomogram die wijst op “een leeftijd van 18,3 jaar” met “een kans van 57% dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”, besluiten de artsen in dit concrete geval dat 6 maanden volstaan als standaarddeviatie voor de leeftijdsschatting. Verzoeker geeft weliswaar een eigen feitelijke beoordeling van de wetenschappelijke en deskundige waarde van de deelonderzoeken, maar hij maakt hiermee niet aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of hij meer dan achttien jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, noch dat de verwerende partij aldus op onzorgvuldige wijze de haar voorliggende gegevens heeft geapprecieerd. De dienst Voogdij heeft zich dus terecht gebaseerd op de jongste leeftijd zoals afgeleid uit de conclusie van het medisch onderzoek om te besluiten dat de jongste leeftijd van verzoeker 17 jaar en 6 maanden is. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Het enige middel is ongegrond wat de voorgehouden schending van artikel 7 van de voogdijwet en van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreft. VII-41.492-13/16
- Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de informatie uit de overgelegde documenten wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Gezien hetgeen supra is gesteld over het medisch onderzoek als door de wet ingesteld bewijsmiddel bij twijfel over de opgegeven leeftijd, was de dienst Voogdij er evenmin toe gehouden andere vormen van onderzoek te voeren of te motiveren waarom zij geen psycho-affectieve test uitvoert. Het enige middel is in die mate ongegrond.
- Daargelaten de vraag naar de directe werking van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind in het Belgische recht, blijkt uit het medisch onderzoek en de bestreden beslissing dat verzoeker tot 1 april 2022 als jonger dan 18 jaar oud werd beschouwd en betwist hij niet dat hij tot aan deze datum alle waarborgen heeft genoten die een minderjarige volgens de door hem ingeroepen bepalingen dient te genieten. Verzoeker toont de onwettigheid van de vaststelling dat hij op 1 april 2022 als meerderjarig dient te VII-41.492-14/16 worden beschouwd niet aan, zodat hij zich vanaf die datum niet langer kan beroepen op die verdragsbepaling. Dit laatste geldt eveneens voor wat artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie betreft. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
- Artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest bevat een algemeen geformuleerde sociale doelstelling tot het nastreven en verwezenlijken waarvan de lidstaten zich hebben verbonden. Het gaat niet om een voldoende nauwkeurig omschreven recht waarop de burgers zich kunnen beroepen. Derhalve heeft deze bepaling geen rechtstreekse werking in de Belgische interne rechtsorde. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- Volgens verzoeker moeten bepaalde ‘gegevens’, op hun echtheid worden onderzocht of moet hem het voordeel van de twijfel worden gegeven. Welke gegevens verzoeker heeft aangeboden wordt niet verduidelijkt, zodat er derhalve geen noodzaak is om de argumenten dienaangaande te beoordelen. Het enige middel is ook in die mate ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.492-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.492-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.460 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div