id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.465 Rolnummer: A. 235862/VII-41558 Zaak: Arrest 256465 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.465 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.465 van 9 mei 2023 in de zaak A. 235.862/VII-41.558 In zake XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gaétan Vaerewyck kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Antwerpsesteenweg 165 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 11 januari 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van VII-41.558-1/8 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 3 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 april
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is België binnengekomen en wordt door de dienst Vreemdelingenzaken op 1 december 2021 aangemeld bij de dienst Voogdij als niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Hij verklaart alsdan van Iraakse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 20 september
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. 3.
- In het Universitair Ziekenhuis Antwerpen ondergaat verzoeker op 5 januari 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd VII-41.558-2/8 van achttien jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 05.01.2022 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. 3.
- Op 11 januari 2022 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van de ‘Voogdijwet’, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële- motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij acht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden omdat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de resultaten van het medisch onderzoek, terwijl deze resultaten hem niet samen met de beslissing werden betekend en terwijl hem geen redelijke termijn geboden werd om opmerkingen op de bevindingen van deze resultaten te formuleren nu de beslissing reeds zes dagen na de datum van het onderzoek werd genomen. Verzoeker voert voorts aan dat de bestreden beslissing louter verwijst naar de conclusie van het medisch onderzoek zonder enige vermelding van de inhoud van dit onderzoek. Bij gebrek aan betekening van het onderzoek zelf en van een motivering omtrent de inhoud van dit onderzoek is het voor hem onmogelijk om na te gaan op welke gronden de beslissing steunt. Evenmin is het volgens verzoeker mogelijk om na te gaan of het medisch onderzoek met de nodige deskundigheid plaatsvond. Bovendien wijst hij erop dat hij zelf aangaf ongeveer een jaar ouder te zijn dan wat op het door hem voorgelegde document staat vermeld, maar dat dit nog steeds inhoudt dat hij minderjarig is. Tot slot verwijst de bestreden beslissing volgens verzoeker niet naar de wettelijke bepalingen waarop ze steunt. Verzoeker meent dan ook dat de bestreden beslissing om de voormelde redenen gebrekkig is gemotiveerd. VII-41.558-3/8 Beoordeling
- Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. De materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel vereisen evenmin dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Het medisch verslag bevindt zich overigens in het administratief dossier en in de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk vermeld dat verzoeker een kopie van de resultaten van de medische test kan vragen. Verzoeker toont geenszins aan dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het medisch verslag. Het enige middel is in de aangegeven mate ongegrond.
- Naar luid van artikel 7, § 1, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. De wet zelf heeft dus het medisch onderzoek als bewijsmiddel ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat. Verzoeker acht de zorgvuldigheidsplicht geschonden omdat hem een redelijke termijn diende te worden gegeven om opmerkingen te formuleren op de resultaten van het medisch onderzoek, en hij meent dat hem aldus de mogelijkheid tot tegenspraak werd ontnomen. Het recht op verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, is in beginsel enkel van toepassing in straf- en tuchtzaken. Geen wettelijke of reglementaire bepaling breidt het recht VII-41.558-4/8 van verdediging uit tot administratieve beslissingen in het kader van de voogdijwet, zoals de bestreden beslissing. In de mate dat verzoeker aanvoert dat hem tevens de mogelijkheid werd ontnomen om opmerkingen te formuleren op de bevindingen in het medisch verslag, dient erop te worden gewezen dat de hoorplicht inhoudt dat het bestuur, bij afwezigheid van een formele regeling ter zake, niemand een voordeel kan weigeren dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, noch hem dergelijk voordeel kan ontnemen noch hem een sanctie met een voldoende ernstig karakter kan opleggen zonder dat de betrokkene vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Aan dit beginsel is voldaan wanneer de aanvrager in zijn aanvraag alle nuttige elementen kan laten gelden. Te dezen blijkt uit de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” dat verzoeker op de hoogte werd gebracht van de twijfel van de dienst Vreemdelingenzaken over de ingeroepen minderjarigheid, dat hij documenten heeft ontvangen met informatie over het verloop van de leeftijdstest en dat hij zich niet verzette tegen de uitvoering van de leeftijdstest. De hoorplicht houdt niet in dat de dienst Voogdij verzoeker eerst op de hoogte moest brengen van de uitslag van het medisch onderzoek alvorens de bestreden beslissing te nemen. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist evenmin dat de dienst Voogdij een medische tegenexpertise moet laten uitvoeren of de betrokkene de mogelijkheid voor een tegenexpertise moet geven alvorens de beslissing te nemen omtrent het verval of de toekenning van de voogdij. In de mate dat verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing louter verwijst naar de conclusie van het medisch onderzoek zonder enige vermelding van de inhoud daarvan zodat het hem onmogelijk is om na te gaan op welke grond de beslissing steunt, dient erop te worden gewezen dat de resultaten van dit medisch onderzoek zich in het administratief dossier bevinden en wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeld dat verzoeker een kopie van deze resultaten kan vragen. Er blijkt geenszins en verzoeker toont niet aan dat hij VII-41.558-5/8 niet in de mogelijkheid was een dergelijke kopie aan te vragen en geen kennis heeft kunnen nemen van de resultaten van het medisch onderzoek. In zoverre dat verzoeker stelt dat hij niet kan nagaan of het medisch onderzoek met de nodige deskundigheid is uitgevoerd, blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek, dat zich in het administratief dossier bevindt en waarvan verzoeker niet aantoont dat hij er geen kennis kon van nemen, dat het onderzoek werd uitgevoerd door dokter J. L. G. van de dienst radiologie van het UZ Antwerpen. Verzoeker beperkt zich tot het louter in vraag stellen van de deskundigheid waarmee het medisch onderzoek is uitgevoerd, doch toont daarmee geenszins een schending aan van de zorgvuldigheidsplicht of van de materiële- motiveringsplicht. Hij toont immers niet concreet aan dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op VII-41.558-6/8 datum van 5 januari 2022 om een leeftijd van “ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. Anders dan wat verzoeker voorhoudt, wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwezen naar de wettelijke basis waarop ze is gesteund, meer bepaald onder “
- Wettelijke basis” van de beslissing, waarbij gewezen wordt op artikel 7, §§1-3, van de voogdijwet. Verzoeker maakt geen schending aannemelijk van artikel 7 van de voogdijwet noch van de zorgvuldigheids- en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.558-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.558-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div