← België

Arrest 256466 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.466 Rolnummer: A. 236203/VII-41505 Zaak: Arrest 256466 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 08:57 Fiche Arrest nr 256.466 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.466 van 9 mei 2023 in de zaak A. 236.203/VII-41.505 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elisabeth Van der Haert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 54, bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 19 april 2022 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van 8 september 2021 “[waarin]verwerende partij [heeft] besloten dat verzoeker jonger is dan 18 jaar en heeft […] besloten om aan verzoeker een andere geboortedatum te geven dan de opgegeven geboortedatum op basis van de jongste leeftijd van de medische test, namelijk 1 maart 2004”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-41.505-1/10 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 3 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 april
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker verklaart in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming van Afghaanse nationaliteit te zijn en 15 jaar oud te zijn (administratieve geboortedatum: 31 augustus 2006). 3.
  6. In het Universitair Ziekenhuis Antwerpen ondergaat verzoeker op 1 september 2021 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de VII-41.505-2/10 leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 01.09.2021 een leeftijd heeft ouder dan 18 jaar, waarbij 19 jaar met een standaarddeviatie van een 1.5 jaar een goede schatting is.”. 3.
  7. Op 8 september 2021 beslist de dienst Voogdij dat de medische test aantoont dat verzoeker “jonger dan 18 jaar kan zijn” en dat zijn voogdij eindigt op 1 maart
  8. 3.
  9. Nadat zijn voogd de dienst Voogdij observatieverslagen van verzoekers school, het opvangcentrum waar hij verblijft en haar eigen observatieverslag betreffende de verklaarde leeftijd bezorgde, heeft de dienst Voogdij op 9 december 2021 een gesprek met verzoeker in aanwezigheid met zijn voogd. 3.
  10. Op 16 februari 2022 beslist de dienst Voogdij dat uit de medische test blijkt dat verzoekers jongste leeftijd op 1 september 2021 17,5 jaar is, terwijl hij volgens zijn verklaringen en de observatieverslagen 15 of 15,5 jaar is en dat dit verschil van 2,5 te groot is, zodat de beslissing van 8 september 2021 behouden blijft. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 3, 6 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van VII-41.505-3/10 administratieve bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder andere het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de verplichting rekening te houden met alle elementen van het dossier”. Hij licht dit als volgt toe: “Verzoeker is in België aangekomen en heeft verklaard te zijn geboren op 31 augustus
  12. Hij is dus, volgens zijn eigen verklaringen, vandaag nog minderjarig. De Dienst vreemdelingenzaken heeft echter een twijfel geuit over zijn minderjarigheid. Wanneer een twijfel geuit wordt door de Dienst voogdij of andere overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering, wordt et overgegaan tot een medisch onderzoek teneinde na te gaan of de betrokkene al dan niet minderjarig is, in overeenstemming met artikelen 3 en 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Artikel 3, §2 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen voorziet dat de Dienst voogdij met de volgende taken belast is: (…) Artikel 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bepaalt dat: (...) Artikel 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 voorziet: (…) Uit deze wetsbepalingen vloeit voort dat de medische test, zoals voorzien in artikel 7 van de Programmawet van 24 december 2002, als enige doel heeft om ‘na te gaan of deze persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar’ en bijgevolg om de twijfel die geuit werd door de Dienst vreemdelingenzaken betreffende de minderjarigheid te bevestigen of te ontkrachten. In het onderhavige geval heeft het uitgevoerde medisch onderzoek het niet mogelijk gemaakt om vast te stellen dat verzoeker ouder was dan achttien jaar, en evenmin om de twijfel te bevestigen van de Dienst vreemdelingenzaken betreffende de leeftijd van verzoeker. Integendeel, het medisch onderzoek stelt vast dat verzoeker, zoals hij dit ook verklaard heeft bij aankomst in België alsook gedurende zijn onderhoud bij de Dienst voogdij, jonger was dan 18 jaar op het moment van het medisch onderzoek. Artikel 6, §2 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bepaalt de procedure en bevoegdheden van de Dienst voogdij wanneer de Dienst in kennis gesteld wordt van de aanwezigheid aan de grens of op het grondgebied van een persoon die er jonger uitziet dan 18 jaar of verklaart jonger dan 18 jaar te zijn: (…) De bevoegdheid die aan de Dienst Voogdij wordt toevertrouwd door de VII-41.505-4/10 artikelen 3, §2, 6, §2 en 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en door artikel 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002, om over te gaan tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige en om zijn verklaringen na te gaan betreffende zijn leeftijd, strekt zich niet uit tot het vaststellen van een nieuwe geboortedatum, die zou verschillen van de opgegeven geboortedatum. Op basis van deze wetsbepalingen heeft de verwerende partij dus geen bevoegdheid om de opgegeven geboortedatum te vervangen door een fictieve geboortedatum die afgeleid zou zijn uit het medisch onderzoek. Dit medisch onderzoek evalueert enkel een biologische leeftijd en heeft enkel als doel om de betrokken persoon als minder-of meerderjarig te identificeren. Dit medisch onderzoek is niet bedoeld om de leeftijd van de minderjarige te wijzigen. Noch artikel 3, §2, noch artikel 6, §2, noch artikel 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen geven dus aan de Dienst voogdij de bevoegdheid om de geboortedatum van de betrokken persoon te wijzigen op basis van de resultaten van het uitgevoerde medisch onderzoek. Wanneer de hoedanigheid van minderheid wordt vastgesteld, is het niet vereist dat de Dienst voogdij bij de aanstelling van de voogd uitdrukkelijk de duur van de ondersteuning van de minderjarige bepaalt. Het einde van de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt immers bepaald door de wet zelf. Artikel 24, §1, van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bepaalt de gevallen wanneer de voogdij van rechtswege vervalt, o.a. de hypothese ‘wanneer de minderjarige achttien jaar wordt’. Krachtens paragraaf 3 van dit artikel is het op dat moment dat de Dienst voogdij het einde vaststelt van de voogdij en dat de Dienst voogdij de voogd, de gewezen pupil, de vrederechter, en indien grond daartoe bestaat, de overheden met welke de voogd contact had in verband met de betrokken minderjarige hiervan op de hoogte stelt per brief. Bijgevolg, door te beslissen dat aan verzoeker een nieuwe geboortedatum dient gegeven te worden op basis van de jongste leeftijd van de medische test, namelijk 1 maart 2004, en door aldus een andere, noodzakelijkerwijs fictieve, geboortedatum vast te leggen dan de opgegeven geboortedatum, heeft de tegenpartij een beoordelingsfout begaan en haar bevoegdheid om niet-begeleide minderjarige vreemdelingen te identificeren overschreden. Verder legt de verwerende partij ook niet uit in de bestreden beslissing waarom de opgegeven geboortedatum niet aanvaardt wordt en waarom aan verzoeker een nieuwe, fictieve, geboortedatum gegeven moet worden, ondanks het feit dat de wet aan de Dienst voogdij geen bevoegdheid toekent om de geboortedatum van (niet-begeleide) minderjarige vreemdelingen te wijzigen wanneer zij als minderjarig werden verklaard na een medisch onderzoek. Verzoeker wijst er tenslotte op dat het medisch verslag niet werd gevoegd met de beslissing. Verzoeker kan onmogelijk achterhalen op welke manier de aangestelde dienst(en) tot hun conclusie zijn gekomen. De beslissing is niet afdoende gemotiveerd en schendt artikelen 2 en 3 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. VII-41.505-5/10 Verzoekende partij verwijst naar de volgende arresten van Uw Raad om haar betoog te staven : Raad van State, arrest nr. 244.030 van 26 maart 2019, arrest nr. 242.623 van 11 oktober 2018 en arrest nr. 241.990 van 28 juni
  13. Verder dient er opgemerkt te worden dat de medische onderzoeken die uitgevoerd werden op verzoeker, met name een tandheelkundig onderzoek, een sleutelbeenradiografie en een handpolsradiografie zowel wetenschappelijk als politiek gezien twijfelachtig en dubieus zijn wanneer zij gebruikt worden om een leeftijd te schatten. Zo heeft de Académie nationale des médecins van Frankrijk op 16 januari 2007 een rapport aangenomen waarin duidelijk staat dat: (…) In een artikel van 14 november 2014, dat in het Frans nieuwsblad Liberation werd gepubliceerd, leest men: (…) Ook de Belgische Orde der Artsen stelt dat de interpretatie van een röntgenfoto ‘geen onfeilbare methode om de leeftijd van een persoon te bepalen’ is. De bewijskracht van deze testen, in het bijzonder om een leeftijd in te schatten, moet dus gerelativeerd worden. Bijgevolg, door de resultaten van het medisch onderzoek te gebruiken om een fictieve geboortedatum te geven aan verzoeker, ondanks zijn opgegeven geboortedatum, heeft verwerende partij een manifeste beoordelingsfout begaan en schendt haar het zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de verplichting rekening te houden met alle elementen van het dossier.” Beoordeling
  14. Verzoeker voert in wezen aan dat de medische test enkel tot doel heeft na te gaan of de betrokkene al dan niet jonger is dan achttien jaar, dat het medisch onderzoek het in onderhavig geval niet mogelijk maakte vast te stellen dat hij ouder dan achttien jaar is en dat de dienst Voogdij dan ook niet de bevoegdheid heeft om op basis van dit medisch verslag een nieuwe geboortedatum vast te stellen. Verzoeker formuleert vervolgens nog algemene kritiek op het gebruik van de medische testen. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het VII-41.505-6/10 feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Anders dan hoe verzoeker het ziet, kan uit artikel 7 van de voogdijwet echter niet worden afgeleid dat de dienst Voogdij, indien de betrokkene volgens het medisch onderzoek jonger zou kunnen zijn dan achttien jaar, uit dit onderzoek geen andere conclusie zou mogen afleiden dan dat de betrokkene jonger is dan achttien jaar en dat zijn voorgehouden leeftijd in dergelijk geval als vaststaand zou dienen te worden beschouwd. Artikel 7 van de voogdijwet stelt het medisch onderzoek immers in om te bepalen of de betrokkene “al dan niet” jonger is dan 18 jaar. Deze bewoordingen houden geenszins in dat de dienst Voogdij uit de conclusie van het medisch onderzoek, te dezen dat verzoeker “een leeftijd heeft ouder dan 18 jaar, waarbij 19 jaar met een standaarddeviatie van een 1.5 jaar een goede schatting is”, uitsluitend zou mogen afleiden dat hij jonger is dan achttien jaar en dat de door hem opgegeven geboortedatum de enige juiste is. Gelet op het feit dat volgens artikel 7 van de voogdijwet het medisch onderzoek ertoe strekt na te gaan of de betrokkene “al dan niet jonger is dan 18 jaar” en te dezen blijkt dat verzoeker volgens het medisch verslag “een leeftijd heeft ouder dan 18 jaar, waarbij 19 jaar met een standaarddeviatie van een 1.5 jaar een goede schatting is”, blijkt uit de door de artsen opgegeven standaarddeviatie dat verzoeker aldus een leeftijd heeft die ligt tussen de 17,5 jaar en 20,5 jaar en hij aldus op datum van 1 september 2021 zowel minderjarig als meerderjarig kon zijn. Anders dan wat verzoeker meent, wordt met de bestreden beslissing verzoekers geboortedatum niet bepaald of gewijzigd, doch gaat het enkel om een leeftijdsschatting om na te gaan of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat en uit artikel 7 van de voogdijwet geenszins kan worden afgeleid dat de dienst Voogdij de voorgehouden leeftijd dient te laten primeren op de door het medisch onderzoek VII-41.505-7/10 vastgestelde (jongste) leeftijd indien daarin wordt vastgesteld dat de betrokkene ook minderjarig zou kunnen zijn, dient de dienst Voogdij de door de betrokkene verklaarde leeftijd geenszins te laten primeren op de in het medisch verslag vastgestelde leeftijd. Er kan dan ook niet worden besloten dat de dienst Voogdij zijn bevoegdheid te buiten zou zijn gegaan door op grond van de conclusie van het medisch verslag een einddatum van de voogdij op te nemen in de bestreden beslissing. In zoverre dat verzoeker aanvoert dat de medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling “zowel wetenschappelijk als politiek gezien twijfelachtig en dubieus zijn”, beperkt hij zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
  15. Wat de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht betreft, is de bestreden beslissing, wat het medisch onderzoek betreft, formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker “een leeftijd heeft ouder dan 18 jaar, waarbij 19 jaar met een standaarddeviatie van een 1.5 jaar een goede schatting is”. Op grond daarvan beslist de dienst Voogdij dat verzoeker minderjarig kan zijn en dat hem daarom een voogd wordt toegewezen, die eindigt op 1 maart
  16. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Overigens blijkt niet dat verzoeker geen kennis van het verslag van het medisch onderzoek heeft kunnen nemen, vermits in de bestreden beslissing uitdrukkelijk VII-41.505-8/10 vermeld staat dat hij er een afschrift kan van bekomen. Anders dan hoe verzoeker het ziet, motiveert de verwerende partij in de bestreden beslissing waarom de door hem opgegeven geboortedatum niet wordt aanvaard, meer bepaald omdat uit de medische test blijkt dat “[zijn] jongste leeftijd 17,5 jaar is op 1 september 2021” en hij volgens zijn verklaringen en de observatieverslagen 15 of 15,5 jaar is, en dit verschil van 2,5 jaar te groot bevonden wordt. In zoverre dat de verwerende partij uit de voormelde conclusie van het medisch verslag (meer bepaald dat verzoeker op 1 september 2021 “een leeftijd heeft ouder dan 18 jaar, waarbij 19 jaar met een standaarddeviatie van een 1.5 jaar een goede schatting is”) afleidt dat de voogdij over verzoeker een einde neemt op 1 maart 2022, betoogt verzoeker ten onrechte dat de bestreden beslissing hem niet in staat stelt om te achterhalen op welke concrete elementen de verwerende partij zich baseert om deze datum als uitgangspunt te nemen voor het beëindigen van de voogdij. Overeenkomstig artikel 7, § 3, van de voogdijwet is immers de eindconclusie van het medisch onderzoek bepalend voor de in het voornoemde artikel bedoelde “jongste leeftijd”. Te dezen betekent dit dat de jongste leeftijd voor verzoeker op datum van 1 maart 2022 volgens het medisch verslag 18 jaar is, zodat hij vanaf die datum aldus meerderjarig is. Verzoeker toont dan ook geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’.
  17. Het enige middel is ongegrond. VII-41.505-9/10 V. Over de vordering tot schorsing
  18. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep.
  20. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  21. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.505-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.466 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.