← België

Arrest 256469 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.469 Rolnummer: A. 236512/VII-41442 Zaak: Arrest 256469 - Niet begeleide minderjarigen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-11 15:43 Fiche Arrest nr 256.469 van 9 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.469 van 9 mei 2023 in de zaak A. 236.512/VII-41.442 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Lauwers kantoor houdend te 2300 Turnhout Steenweg op Antwerpen 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 31 maart 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.442-1/12 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 3 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 april
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 24 maart 2022 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart van Afghaanse nationaliteit te zijn en op 31 juli 2006 te zijn geboren. De dienst Vreemdelingenzaken uit evenwel twijfels over deze leeftijd. 3.
  6. Op 30 maart 2022 vindt een medisch onderzoek plaats in het Universitair Ziekenhuis te Antwerpen teneinde na te gaan of betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar. De eindconclusie van het medisch rapport luidt dat verzoeker “op datum van 30.03.2022 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. VII-41.442-2/12 3.
  7. Op 31 maart 2022 beslist de verwerende partij op basis van de eindconclusie van het medisch onderzoek dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van “de motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel, en meer specifiek als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet), van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel en van artikel 17, § 1, van het Europees Sociaal Handvest. Hij licht dit als volgt toe: “Verzoeker werd onderworpen aan een medische test maar werd niet onderworpen aan een klinisch onderzoek, noch werd een psycho-affectieve test uitgevoerd. Het rapport aan de Koning betreffende het Koninklijk Besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 « Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen » stipuleerde nochtans dat de medische test aan de welke de minderjarige vreemdeling kan worden onderworpen ook psycho-affectieve testen moet bevatten. De Dienst Voogdij heeft echter na een zeer kort gesprek, twijfel geuit en quasi onmiddellijk/automatisch een medisch onderzoek bevolen, zonder met deze elementen rekening te houden. Het feit dat de bestreden beslissing nergens melding maakt van en waarom er twijfel is omtrent de leeftijd van verzoeker en waarom en geen volledig onderzoek is gevoerd, maakt een schending uit van de materiële motiveringsplicht Immers dient de beslissing de juridische én de feitelijke overwegingen dienen te vermelden die aan de beslissing ten gronde liggen. De motiveringsplicht is geschonden wanneer met bepaalde feitelijke gegevens geen rekening, of minstens onvoldoende rekening wordt gehouden, alsook wanneer VII-41.442-3/12 bepaalde gegevens worden vermeld, waarvan de waarachtigheid niet wordt nagegaan. (R.v.St. nr. 101.758, 12.12.2001, T. Vreemd. 2002, afl. 3, 289-293 ; R.v.St. nr. 108.321, 21.06.2002, T. Vreemd. 2004, afl. 1,1-33) Artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 22.12.2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24.12.2002 bepaalt daarenboven dat: ‘De Dienst Voogdij gaat over tot identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke (…) adults, in a language the child understands. Documents that are available should be considered genuine unless there is proof to the contrary, and statements by children and their parents or relatives must be considered. The benefit of the doubt should be given to the individual being assessed States should refrain from using medical methods based on, inter alia, bone and dental exam analysis, which may be inaccurate, with wide margins of error, and can also be traumatic and lead to unnecessary legal processes. States should ensure that their determinations can be reviewed or appealed to a suitable independent body.’ (Joint General Comment No. 4 of the CMW and No. 23 of the CRC in the context of International Migration: States parties’ obligations in particular with respect to countries of transit and destination, CRC/C/GC/23, 16 Nov 2017, §4). Vrije vertaling: Om een geïnformeerde inschatting te maken van leeftijd moeten Staten een omvattend inschatting maken van de fysieke en psychische ontwikkeling van het kind, uitgevoerde door gespecialiseerde pediaters en andere professionelen die vaardig zijn in verschillende aspecten van ontwikkeling samen te brengen. Dergelijke inschattingen moeten gebeuren in een kindvriendelijke, gender sensitieve en cultureel geschikte wijze, met inbegrip van interview van kinderen en waar toepasselijk volwassenen die hen vergezellen, in een taal die het kind begrijpt. Documenten moeten als authentiek gezien worden indien het tegendeel niet bewezen wordt en verklaringen van kinderen, ouders of verwanten moeten in rekening gebracht worden. Het voordeel van de twijfel moet gegeven worden aan het individu waarvan de leeftijd wordt geschat. Staten moeten zich onthouden van het gebruik van medische methodes, zoals beenderonderzoek en tandenonderzoek, gezien dit onnauwkeurig kan zijn, met grote foutenmarges, en onnodig traumatiserend kan zijn en kan leiden tot onnodige juridische procedures. Staten moeten verzekeren dat hun beslissingen kunnen aangevochten worden voor een geschikt onafhankelijk lichaam. Het VN Kinderrechtencomité heeft reeds vastgesteld dat de leeftijdstest die in België wordt uitgevoerd intrusief en onnauwkeurig is (Commitee on the Right of the Child, Concluding observations on the Combined Fifth and Sixth periodic Reports of Belgium, CRC/C/BEL/CO/5-6, 28 februari 2019, §§41-42). Het Europees Comité voor Sociale Rechten meent dat de leeftijdstest op basis van botscans een schending uitmaakt van artikel 17§& van het Handvest : Artikel
  9. Recht van kinderen en jeugdige personen op sociale, wettelijke en economische bescherming Teneinde de doeltreffende uitoefening te waarborgen van het recht van kinderen en jeugdige personen op te groeien in een omgeving die de volledige ontwikkeling van hun persoonlijkheid en van hun fysieke en geestelijke capaciteiten bevordert, verbinden Partijen zich, hetzij rechtstreeks, hetzij in samenwerking met openbare of particuliere instanties, alle passende en noodzakelijke maatregelen te nemen die beogen: VII-41.442-4/12 •
  10. o a. te waarborgen dat kinderen en jeugdige personen, met inachtneming van de rechten en plichten van hun ouders, beschikken over de verzorging, de ondersteuning, het onderwijs en de opleiding die zij nodig hebben, in het bijzonder door te zorgen voor de oprichting of instandhouding van instellingen en diensten die voor dit doel toereikend en voldoende zijn; o b. kinderen en jeugdige personen te beschermen tegen verwaarlozing, geweld of uitbuiting; o c. bescherming en bijzondere ondersteuning van overheidswege te geven aan kinderen en jeugdige personen die tijdelijk of definitief de steun van hun gezin moeten ontberen; ‘
  11. In conclusion, the Committee considers that medical age assessments as currently applied can have serious consequences for minors and that the use of bone testing to determine the age of unaccompanied foreign minors is inappropriate and unreliable. The use of such testing therefore violates Article 17§1 of the Charter.’ (ECSR, European Committee for Home-Based Priority Action for the Child and the Family (EUROCEF) v. France, complaint no. 114/2015, 24/01/2018). Vrije vertaling: Concluderend beschouwt het Comité dat medische leeftijdstesten zoals momenteel toegepast ernstige gevolgen kunnen hebben voor minderjarigen en dat het gebruik van bottesten om de leeftijd te bepalen van NBMV’s ongepast en onbetrouwbaar is en bijgevolg art. 17, §1 van het Handvest schendt. In de doctrine kan men evenmin vertrouwen opbrengen in de leeftijdstesten. W. DE BONDT hekelt het feit dat er geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid een psycho-affectief onderzoek te voeren, en dat er voorbij wordt gegaan aan het feit dat de tests geen eenduidig beeld geven over de leeftijd van personen tussen de 15 en de 23 jaar oud: ‘Het medisch onderzoek wordt desgevallend uitgevoerd door een arts en bestaat uit een drievoudige radiografie van gebit, sleutelbeen en pols. Hoewel het mogelijk is om de medische onderzoeken aan te vullen met een psycho-affectief onderzoek wordt dat in ons land meestal niet gedaan. Dat er in de medische wereld discussie is over de betrouwbaarheid van deze radiologische onderzoeken, is intussen genoegzaam bekend. Eigenlijk is het betreurenswaardig dat er geen initiatieven worden genomen om meer betrouwbare onderzoeksmethoden te ontwikkelen, met ais specifiek doel om de chronologische leeftijdsbepaling van minderjarigen mogelijk te maken. Het is hoogst problematisch dat vandaag methoden worden gebruikt die bij de ontwikkeling nooit bedoeld zijn voor een leeftijdsbepaling van minderjarigen. Erger nog, waarvan de ontwikkelaars en andere wetenschappers duidelijk aangaven dat ze niet betrouwbaar zijn. Bij elk van de drie onderzoeksmethoden moeten belangrijke kanttekeningen worden gemaakt. Wat betreft de analyse van de pols, werd bij de ontwikkeling van de atlas die gebruikt wordt als referentiemateriaal, al aangegeven dat de atlas beperkingen heeft Zo werd onderstreept dat er afwijkingen kunnen zijn binnen eenzelfde leeftijdsgroep, al dan niet veroorzaakt door de herkomst van de jongere. Wat betreft de analyse van het gebit, gaven de auteurs van het onderzoek aan dat de steekproef gebeurde onder blanke Belgen en dat een leeftijdsbepaling voor jongeren tussen 15,7 en 23,3 jaar altijd problematisch blijft. Ook andere auteurs gaven voorheen al aan dat een precieze leeftijdsbepaling aan de hand van een onderzoek van het gebit onmogelijk is, omdat hierbij onder meer ook het socio-economische kader en de voedingsgewoontes meespelen. Wat betreft de analyse van het sleutelbeen, worden gelijkaardige vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid ervan voor de beoordeling van de leeftijd van de betrokkene, omdat ook deze test ontwikkeld werd op basis van een RvV X - Pagina 15 blanke bevolking. Dat zelfs de Orde van VII-41.442-5/12 Geneesheren de behoefte voelt om haar bedenkingen op papier te zetten, mag dan ook niet zomaar naast zich worden neergelegd. Het UNHCR beveelt in dat verband trouwens aan om — met het oog op de bescherming van NBMV — alles in het werk te stellen om te waarborgen dat de leeftijdsbepaling deel uitmaakt van een volledige evaluatie, rekening houdend met zowel het voorkomen van de NBMV, parameters van fysieke aard, als de psychologische maturiteit van de persoon. Precies omwille van de problemen met de betrouwbaarheid van de medische onderzoeken staat de leeftijdsbepaling op gespannen voet met het recht van de NBMV om bij elke beslissing die op hem betrekking heeft, zijn belang als eerste overweging te nemen.’ (W. DE BONDT, ‘De rechtspositie van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in België: naar het stapsgewijs erkennen van bekwaamheid en het breder invullen van het overwegen van diens belang’, in E. DESMET, J. VERHELLEN, S. BOUCKAERT, Migratie- en migrantenrecht 18, Rechten van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in België, Die Keure, mei 2019, 139-140). Tal van gezaghebbende bronnen uiten dus zeer gefundeerde kritiek op de leeftijdstest zoals die in België wordt uitgevoerd en zoals die ook in geval van verzoeker werd uitgevoerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft deze argumentatie reeds gevolgd in een arrest van 5 februari 2020 (arrest nr 232 244 in de zaak RvV 242 630/VIII): ‘Verder is het zo dat de tests bijzonder onnauwkeurig en onbetrouwbaar zijn en een schending uitmaken van het hoger belang van het kind en het recht op een privéleven in de zin van artikel 8 EVRM maar ook artikel 3 EVRM schendingen met zich kunnen meebrengen. Een dergelijke test is niet betrouwbaar en maakt een schending uit van artikel 17, §1 van het Herziene Europees Sociaal Handvest. Het feit dat men enkel gebruik maakt van de onnauwkeurige leeftijdstest en niet van de mogelijkheid om verzoeker aan psycho-affectieve tests te voorzien, hem te horen, zijn neven te horen en men de taskara niet gebruikt als aanwijzing van zijn minderjarigheid maakt een schending uit van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het feit dat verzoeker door de bijlage 26quater de uitkomst van het beroep tegen de leeftijdsbeslissing niet kan afwachten, een niet schorsende procedure die volgens het VN Kinderrechtencomité sowieso al effectiviteit mist, maakt een schending uit van zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zoals voorzien door artikel 27 van de Dublin III Verordening, artikel 8 en 3 juncto artikel 13 van het EVRM, artikel 24 juncto artikel 47 van het Handvest van Grondrechten van de Unie.’ Het is dan ook niet in het ‘hoger belang’ van de minderjarige om enkel het resultaat van een dubieuze en onvolledige medische test in overweging te nemen en geen psycho-affectieve test te voorzien, terwijl er daarenboven ook andere coherente elementen aanwezig zijn die het tegendeel bewijzen. Het staat derhalve vast dat met belangrijke gegevens geen rekening werd gehouden, niet de nodige onderzoeken werden uitgevoerd en niet de nodige inlichtingen werden gevraagd en dat de Dienst Voogdij zich enkel gefixeerd heeft op het resultaat van de medische test die onterechte wordt bestempeld als ‘ultiem’ bewijsmiddel. De leeftijdsbeslissing heeft vergaande gevolgen, niet enkel wordt men als meerderjarige beschouwd in het kader van de asielprocedure en in het kader van de opvang (geen aangepaste begeleiding meer), maar ook wordt de geboortedatum op de bijlage 26 en in het administratief dossier aangepast aan het resultaat van de medische test zodat een compleet artificiële geboortedatum wordt weerhouden. In de hypothese dat verzoeker wordt erkend als vluchteling of het statuut van subsidiaire bescherming verkrijgt, betekent dit dat op zijn verblijfsdocumenten deze artificiële geboortedatum zal vermeld worden en deze totaal niet zal overeenkomen met de geboortedatum die hij volgens zijn verklaring heeft en die voorkomt op VII-41.442-6/12 documenten die vaak later in de procedure worden bijgevoegd. De Dienst Voogdij springt dus zeer lichtzinnig om met leeftijdsbepaling in het kader van asielprocedures hetgeen voor verzoeker echter verregaande gevolgen heeft. In die zin werd er, zoals hierboven uiteengezet, geen rekening gehouden met het hoger belang van de minderjarige, en is er naast de schending van de motiveringsplicht, tevens schending van het zorgvuldigheidbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Om deze redenen dient de bestreden beslissing te worden nietig verklaard”. Beoordeling
  12. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker op 30 maart 2022 een leeftijd had “van ouder dan 18 jaar waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. Het is niet vereist dat wordt aangegeven waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken noch dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoeker werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Verzoeker toont niet aan en beweert ook niet dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van dat verslag. Het enige middel is ongegrond wat betreft de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht, zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet.
  13. Waar verzoeker in het middel onder meer voorhoudt dat met bepaalde feitelijke gegevens geen of onvoldoende rekening is gehouden, werpt hij een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de VII-41.442-7/12 administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, wordt de bestreden beslissing gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2, van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische VII-41.442-8/12 leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 30 maart 2022 om een leeftijd van “20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar”. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Hij toont derhalve niet aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel wat dat betreft met de bestreden beslissing is geschonden. Verzoeker maakt geen schending aannemelijk van artikel 7 van de voogdijwet of van de materiëlemotiveringsplicht of de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorts is de verwijzing naar het arrest nr. 232.244 van 5 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen niet dienstig om de volgende redenen. Ten eerste is het door verzoeker in het onderhavige middel VII-41.442-9/12 aangehaalde citaat slechts een uittreksel uit het door de verzoekende partij in voormelde zaak ontwikkelde middel en is het geenszins de weergave van een oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf over de waarde van de medische leeftijdstest. Ten tweede heeft het voormelde arrest betrekking op een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten en oordeelt de Raad voor Vreemdelingen-betwistingen slechts het volgende: “Verzoekers leeftijd werd op 27 augustus 2019 aldus op 20 jaar bepaald met een standaarddeviatie van 2 jaar. Voor de toepassing van de Dublin III-verordening is echter de datum van het indienen van het beschermingsverzoek en de situatie op dat tijdstip, in casu 9 augustus 2019, beslissend. Gelet op de standaarddeviatie kan niet worden uitgesloten dat verzoeker op de datum van het indienen van zijn beschermingsverzoek bij de Belgische overheden, dit is 9 augustus 2019, mogelijk jonger dan 18 jaar was. Verzoeker betoogt immers terecht dat het ‘[zou] kunnen zijn dat verzoeker exact 18 jaar was op het moment van het onderzoek’. Er is daardoor geen absolute zekerheid dat de verzoeker op het moment van het indienen van het beschermingsverzoek reeds 18 jaar of ouder was. Indien hierover gerede twijfel is en verzoeker op het ogenblik van het indienen van zijn beschermingsverzoek mogelijks minderjarig was, dan dient toepassing te worden gemaakt van het beginsel in dubio pro minore. (…)”. In voormeld arrest wordt het uitvoeren van medische testen om de leeftijd te bepalen aldus absoluut niet bekritiseerd, maar wel het feit dat uit de medische testen geen eenduidig meerderjarige leeftijd kon worden afgeleid op het ogenblik dat de betrokkene zijn verzoek om internationale bescherming indiende. De feiten in verzoekers zaak zijn evenwel geenszins vergelijkbaar, vermits het medisch onderzoek op datum van 30 maart 2022 een leeftijdsschatting van 20,8 jaar aangeeft, met een standaarddeviatie van 1,7 jaar en hij hoe dan ook op dat ogenblik en op het ogenblik van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming meerderjarig was. Het enige middel is in die mate ongegrond. VII-41.442-10/12
  14. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch de materiëlemotiveringsplicht is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Het enige middel is in die mate ongegrond.
  15. Artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest bevat een algemeen geformuleerde sociale doelstelling tot het nastreven en verwezenlijken waarvan de lidstaten zich hebben verbonden. Het gaat niet om een voldoende nauwkeurig omschreven recht waarop de burgers zich kunnen beroepen. Derhalve heeft deze bepaling geen rechtstreekse werking in de Belgische interne rechtsorde. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk.
  16. Het enige middel is, voor zover het ontvankelijk is, ongegrond. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.442-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.442-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.