id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.476 Rolnummer: A. 238988/IX-10244 Zaak: Arrest 256476 - Schooltucht - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-11 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 08:58 Fiche Arrest nr 256.476 van 9 mei 2023 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.476 van 9 mei 2023 in de zaak A. 238.988/IX-10.244 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Lore Gyselaers en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 12 Adite bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 29 april 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 12 Adite van het Gemeenschapsonderwijs van 25 april 2023 waarbij de beslissing van de directeur van het atheneum Russelberg te Tessenderlo om XXXX definitief uit de school te verwijderen, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.244-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2023, om 11.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Dreesen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 leerling van het tweede leerjaar B ‘Economie en organisatie – Maatschappij en welzijn’ in het atheneum Russelberg te Tessenderlo, instelling die behoort tot scholengroep 12 Adite van het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Op 3 maart 2023 is verzoeker betrokken bij een vechtpartij op de school met twee andere leerlingen. Drie leerkrachten zijn tussenbeide moeten komen en hebben volgens de verwerende partij “in de klappen gedeeld”. 3.
- De schooldirecteur beslist naar aanleiding van dat incident om verzoeker met ingang van 6 maart 2023 preventief te schorsen “en dit voor een maximum van 10 dagen (vrijdag 17 maart)”. IX-10.244-2/10 3.
- Op 14 maart 2023 adviseert de begeleidende klassenraad, in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het CLB, om verzoeker “definitief te verwijderen met ingang van 20/03/2023”. 3.
- Op 16 maart 2023 worden de ouders van verzoeker en hun raadsman gehoord door de schooldirecteur, in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het CLB. De ouders pleiten voor een mildere tuchtstraf, “met name een definitieve verwijdering vanaf 1/09/2023 om [verzoeker] de kans te geven om zijn schooljaar [in dezelfde school] af te werken”. De schooldirecteur verklaart zich bereid om dat pleidooi voor een mildere straf voor te leggen aan de begeleidende klassenraad. Daartoe verlengt zij de preventieve schorsing van verzoeker met “maximaal 10 opeenvolgende lesdagen […], dit wil zeggen van maandag 20 maart 2023 tot en met uiterlijk vrijdag 31 maart 2023”. 3.
- Op 30 maart 2023 adviseert de begeleidende klassenraad, in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het CLB, om verzoeker “definitief te verwijderen met ingang van 31/03/2023”. De begeleidende klassenraad stelt daarbij rekening te houden met het pleidooi van de ouders, de aard van de gepleegde feiten, het uiten van bedreigingen door verzoeker aan het adres van een leerling en het overtreden door verzoeker van de voorwaarden van de preventieve schorsing. 3.
- Met een brief van 30 maart 2023 deelt de schooldirecteur aan de ouders van verzoeker mede dat zij het advies van de begeleidende klassenraad volgt, “met als gevolg dat [verzoeker] definitief van [de] school wordt verwijderd met ingang van vrijdag 31 maart”. IX-10.244-3/10 3.
- Met een 31 maart 2023 gedateerd aangetekend schrijven zenden de ouders van verzoeker een beroepschrift naar de algemeen directeur van de verwerende partij. 3.
- Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de beroepscommissie van de verwerende partij op 25 april 2023 om de beslissing van de schooldirectie tot definitieve verwijdering van verzoeker uit de school te bevestigen. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering. De beroepscommissie overweegt in haar beslissing onder meer: “De school en het CLB blijven beschikbaar om [verzoeker] te begeleiden in zijn studiekeuze. De beroepscommissie wijst [verzoeker] er nogmaals op dat deze beslissing zijn overgang naar het volgend schooljaar niet hypothekeert, aangezien [verzoeker] op 1 september 2023 op basis van leeftijd naar het derde leerjaar van de arbeidsmarktgerichte finaliteit kan overgaan.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.244-4/10 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting
- Verzoeker zet in zijn inleidend verzoekschrift de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering uiteen als volgt: “
- De bestreden beslissing is onmiddellijk in werking getreden en heeft ervoor gezorgd dat verzoekende partij definitief wordt uitgesloten van de school. De bestreden beslissing heeft ook onmiskenbaar nadelige gevolgen voor verzoekende partij. Er is met name sprake van een schending van het recht op onderwijs. Verzoekende partij geeft aan les te willen volgen tot op het einde van het jaar, dit wordt hem echter onmogelijk gemaakt door de bestreden beslissing. Zo laat op het jaar een dergelijke drastische maatregel nemen met miskenning van de procedurevoorschriften en zonder gedegen motivering na een volgehouden en uitgebreide betwisting, hypothekeert niet alleen het volledige schooljaar van verzoekende partij, maar tevens zijn schoolcarrière. Door de uitsluiting in de laatste fase van het schooljaar na diverse verlengingen van de preventieve schorsing, wordt verzoekende partij onmogelijk gemaakt om zich nog in te schrijven in een nieuwe school. Hierdoor zal hij meerdere noodzakelijke vaardigheden niet aanleren waardoor hij volgend schooljaar onvermijdelijk een achterstand zal hebben op zijn medestudenten. Het kan niet ontkend worden dat dit een negatieve impact zal hebben op zijn toekomst. Daarnaast heeft de bestreden beslissing ook een grote materiële, financiële en psychische impact. De bestreden beslissing laat verzoekende partij niet toe om de normale studieloopbaan voort te zetten in de studierichting van zijn keuze. Verzoekende partij beroept zich dan ook op de vaste rechtspraak van de Raad van State die aanneemt dat in zulke omstandigheden aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan, omdat het dreigende verlies van een schooljaar niet tijdig met een gewone schorsingsprocedure ongedaan kan worden gemaakt.[…]
- Verzoekende partij treedt op met de vereiste diligentie. De bestreden beslissing dateert van 25 april 2023, de kennisgeving aan verzoekende partij gebeurde op 26 april 2023 (stuk 1).” Beoordeling
- De Raad van State heeft in zijn rechtspraak al eerder eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure ‘bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ een ernstige verstoring teweegbrengt van het normale verloop IX-10.244-5/10 van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. Niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is bovendien vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op het gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een eventueel vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. 7.
- Verzoeker doet in zijn inleidend verzoekschrift ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering vooreerst gelden dat de bestreden beslissing voor hem “onmiskenbaar nadelige gevolgen” teweegbrengt en dat er “met name” sprake is van een schending van het IX-10.244-6/10 recht op onderwijs. Hij betoogt dat de bestreden beslissing het hem onmogelijk maakt les te volgen tot het einde van het schooljaar en dat de genomen drastische maatregel “met miskenning van de procedurevoorschriften en zonder gedegen motivering” zijn volledig schooljaar en tevens zijn schoolcarrière hypothekeert. Hij voegt eraan toe dat de opgelegde uitsluiting in “de laatste fase van het schooljaar” en na de “diverse verlengingen” van de preventieve schorsing het onmogelijk maakt om nog ingeschreven te worden in een nieuwe school, waardoor hij “meerdere noodzakelijke vaardigheden” niet zal aanleren en hij volgend schooljaar onvermijdelijk een leerachterstand zal hebben ten aanzien van zijn medeleerlingen. Dat betoog van verzoeker kan evenwel niet overtuigen. Voor zover verzoeker aanvoert dat ten gevolge van de bestreden beslissing zijn recht op onderwijs in het gedrang komt, moet erop worden gewezen dat de bestreden beslissing verzoeker definitief uitsluit uit het atheneum Russelberg te Tessenderlo, maar niet eraan in de weg staat dat hij zijn schoolloopbaan voortzet in een andere onderwijsinstelling. Verzoekers recht op onderwijs komt dan ook niet in het gedrang. Evenmin kan derhalve zonder meer worden aangenomen dat het volledige schooljaar van verzoeker en tevens zijn schoolcarrière door de bestreden beslissing zijn gehypothekeerd. Verzoeker maakt voorts niet concreet aannemelijk dat, zoals hij beweert, het onmogelijk zou zijn om alsnog een inschrijving in een andere school te verkrijgen. Hij legt geen enkel bewijs neer waaruit blijkt dat hij zich daarvoor tevergeefs bij een andere onderwijsinstelling heeft aangeboden. Bovendien laat hij in het ongewisse welke “meerdere noodzakelijke vaardigheden” hij daardoor concreet zou missen, waardoor hij “achterstand” zou oplopen. Voor zover verzoeker stelt dat de “drastische maatregel” werd genomen met “miskenning van de procedurevoorschriften en zonder gedegen motivering” refereert hij aan de beweerde onwettigheid van de bestreden IX-10.244-7/10 beslissing. Een dergelijke onwettigheid staat evenwel los van het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering, die ze op zich niet kan aantonen. In de mate dat verzoeker zich gegriefd acht door “diverse verlengingen” van de preventieve schorsing – op het eerste gezicht is er overigens slechts één verlenging geweest – moet worden vastgesteld dat die “verlengingen” niet het voorwerp uitmaken van een door verzoeker bij de Raad van State ingestelde vordering of beroep. Ze stonden er bovendien niet aan in de weg dat verzoeker, geconfronteerd met het advies van de begeleidende klassenraad tot het opleggen van een definitieve verwijdering bij tuchtmaatregel, proactief de mogelijkheid van een inschrijving in een andere onderwijsinstelling onderzocht. 7.
- Verzoeker maakt voorts gewag van een “negatieve impact” van de bestreden beslissing op “zijn toekomst” en van “een grote materiële, financiële en psychische impact”. Hij komt daarmee evenwel niet verder dan een loutere bewering, die hij niet in het minst nader toelicht en concreet aannemelijk maakt. 7.
- Verzoeker stelt ten slotte dat de bestreden beslissing hem niet toelaat om “de normale studieloopbaan voort te zetten in de studierichting van zijn keuze”. Hij beroept zich “dan ook” op “de vaste rechtspraak van de Raad van State die aanneemt dat in zulke omstandigheden aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan”. Ook wat dat argument betreft, moet verzoeker worden tegengesproken. De bestreden beslissing houdt immers de definitieve verwijdering van verzoeker uit het atheneum Russelberg te Tessenderlo in, maar staat, zoals hiervóór sub 7.1 reeds is vermeld, de voortzetting van zijn studieloopbaan in een andere onderwijsinstelling niet in de weg. IX-10.244-8/10 In dat verband wijst de bestreden beslissing er overigens uitdrukkelijk op dat verzoeker “op 1 september 2023 op basis van leeftijd naar het derde leerjaar van de arbeidsmarktgerichte finaliteit kan overgaan”. Deze overweging lijkt steun te vinden in artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’, naar luid waarvan de leerlingen die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar de leeftijd van vijftien jaar bereiken, (in beginsel) als regelmatige leerlingen tot het eerste leerjaar van de tweede graad van de arbeidsmarktfinaliteit – bso worden toegelaten. Verzoeker laat helemaal na dit gegeven te betrekken bij zijn verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering. 7.
- Verzoeker doet terecht gelden dat hij diligent heeft gehandeld doordat hij zijn thans voorliggende vordering reeds op 29 april 2023 bij de Raad van State heeft ingesteld, terwijl de bestreden beslissing hem op 26 april 2023 ter kennis was gebracht. Een dergelijk diligent handelen is weliswaar een noodzakelijke voorwaarde, maar echter geen voldoende voorwaarde, opdat het uiterst dringende karakter van de vordering zou kunnen worden aangenomen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering niet aantoont.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.244-9/10
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-10.244-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.476 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.543 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.540 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div