id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.477 Rolnummer: A. 232767/X-17884 Zaak: Arrest 256477 - Fiscale provinciale en lokale reglementen - 09/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:58 Fiche Arrest nr 256.477 van 9 mei 2023 Fiscaliteit - Fiscale provinciale en lokale reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 256.477 van 9 mei 2023 in de zaak A. 232.767/X-17.884 In zake : 1. de BV SOLUX INVEST 2. de VOF FIEVA 3. de CVBA BELFUTURE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Romero Malaver en Bernard Van Vlierden kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86 C bus 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc De Meyere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 165 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van 18 november 2020 tot goedkeuring voor het aanslagjaar 2021 van een algemene provinciebelasting. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. X-17.884-1/13 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november 2022. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Romero Malaver en Bernard Van Vlierden, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Stijn Plas, die loco advocaat Luc De Meyere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 18 november 2020 beslist de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen om voor het aanslagjaar 2021 een algemene provinciebelasting te heffen (artikel 1). Aan de belasting zijn onderworpen: de gezinnen die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de provincie één of meerdere woningen gebruiken of tot gebruik voorbehouden, en de bedrijven die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de provincie één of meerdere vestigingen gebruiken of tot gebruik voorbehouden (artikel 2). De motivering van de belasting luidt: X-17.884-2/13 “Het is budgettair noodzakelijk een belasting te heffen die toelaat de uitgaven van de provincie in het algemeen te financieren (de verplichte en de facultatieve uitgaven). Het opzet achter het initieel invoeren van de belasting (vanaf het aanslagjaar 1988) was tevens een vereenvoudiging van de provinciale fiscaliteit (afschaffing van zestien andere provinciebelastingen). De heffing van de belasting moet zelf efficiënt en rendabel zijn. Aldus dienen de belastingopbrengsten de administratieve kosten verbonden aan de vestiging en de invordering van de belastingaanslagen te dekken. Een algemene en evenwichtige spreiding van de belastingdruk wordt nagestreefd over meer dan zeshonderdduizend belastingplichtigen, namelijk de gezinnen en de bedrijven (zelfstandigen en vennootschappen) die op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen één of meerdere woningen, respectievelijk vestigingen gebruiken of tot gebruik voorbehouden. Ten overstaan van de gezinnen bestaat het belastbaar feit uit elke woning die op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen is gelegen en die door het gezin wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden. Ten overstaan van de bedrijven bestaat het belastbaar feit uit elke vestiging die op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen is gelegen en die door het bedrijf wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden. Zowel de gezinnen als de bedrijven dienen de belasting verschuldigd te zijn afzonderlijk per woning, respectievelijk per vestiging hoe ook genoemd, die zij op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen gebruiken of tot gebruik voorbehouden. De belastbare grondslag moet eenvoudig meetbaar en controleerbaar zijn en bestaat derhalve uit de totale gebouwde en/of ongebouwde oppervlakte van het goed waarop de woning (gezinnen) of de vestiging (bedrijven) zich bevindt en die door de belastingplichtige wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden. Het oppervlaktecriterium met een daaraan gekoppelde gedifferentieerde tariefstructuur laat op adequate wijze toe om, bij benadering en in overeenstemming met het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid, de belasting vast te stellen. Het oppervlaktecriterium wordt als berekeningsbasis redelijk en objectief beschouwd ten einde de algemene provinciebelasting te berekenen. De belasting beoogt belastingplichtigen met verschillende toestanden en die verscheidenheid moet noodzakelijkerwijs worden opgevangen in vereenvoudigde categorieën. De normen van een belasting kunnen niet worden aangepast naargelang de eigenheid van elk individueel geval. Er kan niet voor alle mogelijke soorten gezinnen en bedrijven (elk met hun eigen en meest uiteenlopende kenmerken) worden voorzien in een specifieke belastingregeling. Verschillen inzake financiële draagkracht en/of economische rentabiliteit maken redelijk verantwoorde differentiatiecriteria uit voor de toepassing van het belastingreglement en het verschil in tarifering. In het algemeen mag worden aangenomen dat de verschillen in financiële draagkracht verantwoorden dat gezinnen aan lagere tarieven worden onderworpen dan bedrijven. De activiteiten van gezinnen zijn niet gericht X-17.884-3/13 op een economische exploitatie, terwijl bedrijven bestendig een economisch rendement beogen en/of een winstoogmerk hebben. Financieel kwetsbaardere gezinnen kunnen ontheffing van de belasting bekomen op basis van objectieve voorwaarden. Deze voorwaarden houden verband met een tegemoetkoming die genoten wordt op basis van een onderzoek dat reeds door andere wettelijke bevoegde instanties werd uitgevoerd. Om nieuwe (het afgelopen jaar voor het eerst in de Kruispuntbank voor Ondernemingen ingeschreven) bedrijven in hun aanvangsfase financieel te ondersteunen, wordt voor deze bedrijven een vrijstelling van de belasting voorzien. Categorieën van bedrijven die door hun aard de grond (bodem) als natuurlijk productiemiddel of voor specifieke openluchtrecreatieve beroeps- of bedrijfsdoeleinden aanwenden en die in vergelijking met andere categorieën een lager rendement per vierkante meter oppervlakte hebben, hebben een uitzonderlijke nood aan grotere oppervlakten om een economisch leefbare (rendabele) exploitatie te kunnen realiseren. De tariefstructuur komt tegemoet aan de doelstelling van een evenwichtige spreiding in functie van de financiële draagkracht door voor deze categorieën van belastingplichtigen aangepaste tarieven te voorzien, die in overeenstemming kunnen worden beschouwd met hun financiële draagkracht. Voor gepensioneerden die nog de hoedanigheid hebben van zelfstandige en waarvan veelal mag aangenomen worden dat zij in beperktere mate verder actief zijn/blijven omwille van de behoefte om hun pensioen financieel aan te vullen, wordt de belasting per vestiging vastgesteld op een niveau dat slechts in geringe mate afwijkt van de minimumbelasting die geldt voor gezinnen. Deze personen mogen veelal hun pensioen slechts cumuleren met een activiteit binnen wettelijk vastgestelde financiële grenzen, waardoor kan aangenomen worden dat hun financiële draagkracht beperkter is dan niet-gepensioneerde bedrijven. Het heffen van minimumbelastingen is gerechtvaardigd door enerzijds de noodzaak om de administratieve kost van de belastingheffing te dekken en anderzijds doordat kan aangenomen worden dat de voorziene minimumbedragen binnen de draagkracht liggen van elke belastingplichtige.” Wat de bedrijven betreft, bepaalt artikel 14, § 1, wat volgt: “§1. De belasting wordt per vestiging als volgt vastgesteld: A. voor alle belastingplichtigen (uitgezonderd de agrarische bedrijven) met een totale belastbare gebouwde en/of ongebouwde oppervlakte
- a)tot 0,5 ha: 0,036 EUR/m² gebouwde oppervlakte, 0,017 EUR/m² ongebouwde oppervlakte, met een minimum van 120,20 EUR
- b)van meer dan 0,5 ha tot 1 ha: 0,145 EUR/m² gebouwde oppervlakte, 0,071 EUR/m² ongebouwde oppervlakte, X-17.884-4/13
- c)van meer dan 1 ha tot 10 ha: 0,285 EUR/m² gebouwde oppervlakte, 0,145 EUR/m² ongebouwde oppervlakte,
- d)van meer dan 10 ha: 0,429 EUR/m² gebouwde oppervlakte, 0,216 EUR/m² ongebouwde oppervlakte. Voor openluchtrecreatieve bedrijven wordt – naast de gewone taxatie voor de gebouwde oppervlakte – de ongebouwde oppervlakte belast tegen 0,017 EUR/m², met dien verstande dat steeds de minimumbelasting van 120,20 EUR verschuldigd is. Belastingplichtigen die door hun aard en voor de uitvoering van hun bedrijvigheid ook effectief teeltgronden en/of serres voor landbouw en/of tuinbouw gebruiken, worden – naast de gewone taxatie voor de andere belastbare gebouwde en/of ongebouwde oppervlakten – voor bedoeld areaal belast tegen het tarief voor agrarische bedrijven. B. voor agrarische bedrijven: - forfaitair: 120,20 EUR tot 20 ha landbouwoppervlakte en 5 ha tuinbouwoppervlakte in openlucht en 3000 m² tuinbouwoppervlakte in serres; - meer dan 20 ha landbouwoppervlakte en/of 5 ha tuinbouwoppervlakte in openlucht en/of 3000 m² tuinbouwoppervlakte in serres: 120,20 EUR, vermeerderd met: o 10,75 EUR per bijkomende ha of gedeelte van ha boven de 20 ha landbouwoppervlakte; o 32,18 EUR per bijkomende ha of gedeelte van ha boven de 5 ha tuinbouwoppervlakte in openlucht; o 0,064 EUR per bijkomende m² of gedeelte van m² boven de 3000 m² tuinbouwoppervlakte in serres.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van verzoeksters 4. Verzoeksters voeren in een enig middel de schending aan van het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel. Meer bepaald genieten agrarische bedrijven en ook openluchtrecreatieve bedrijven voordeliger tarieven. Daarnaast worden hogere tarieven gehanteerd naarmate de belastbare oppervlakte een bepaalde grens overschrijdt, waarbij de belastbare oppervlakte integraal tegen het hogere tarief belast wordt. Het enige doel van de bestreden belasting bestaat in de financiering van de uitgaven van de provincie Oost-Vlaanderen. Een louter budgettaire motivering volstaat evenwel niet als een afdoende objectieve en X-17.884-5/13 redelijke verantwoording voor het gemaakte onderscheid met land- en tuinbouwbedrijven. Het belastingreglement verantwoordt het gemaakte onderscheid voorts door redenen van economische rentabiliteit. Indien echter de rentabiliteit het onderscheidende criterium is, zouden de oppervlaktes die niet gebruikt worden en niet rendabel zijn, aan een onderscheiden regeling onderworpen moeten worden. Tevens is deze verantwoording van economische rentabiliteit niet redelijk en objectief. Immers hebben ook verzoeksters nood aan grote oppervlakten om economisch rendabel te zijn. Hun activiteit is bij uitstek gebonden aan de beschikbare oppervlakte. Fotovoltaïsche installaties moeten steeds het nodige zonlicht kunnen opvangen. Hiervoor kan louter de (grond)oppervlakte gebruikt worden. Bovendien geldt dat hoe groter de fotovoltaïsche installatie is, des te kleiner de kosten per kWh zijn. Een en ander wordt, aldus verzoeksters, door de rechtspraak bevestigd. De verwerende partij heeft in de motivering van de bestreden belasting geen objectieve elementen opgenomen inzake de rentabiliteit van agrarische en openluchtrecreatieve bedrijven in vergelijking met alle andere bedrijven. Aangenomen dat het oppervlaktecriterium een gepast criterium zou zijn, moet de belasting, om in overeenstemming te zijn met het gelijkheidsbeginsel, in een verlaagd tarief voorzien “voor alle bedrijven die, gezien de aard van hun activiteit, duidelijk nood hebben aan grotere oppervlakten om een economisch leefbare onderneming te kunnen exploiteren”. De verwerende partij gaat ervan uit dat de rentabiliteit van een onderneming recht evenredig is met de oppervlakte ervan. Die veronderstelling sluit niet aan bij de economische realiteit, wat de bestreden belasting zelf aantoont door voor agrarische en openluchtrecreatieve bedrijven in een verlaagd tarief te voorzien. Er wordt aan voorbijgegaan dat tal van bedrijven een lager rendement per vierkante meter in vergelijking met een doorsnee bedrijf genereren. Als de verwerende partij effectief wil streven naar een algemene en evenwichtige spreiding van de belastingdruk, dan dient zij “rekening [te] houden met de rentabiliteit die door ondernemingen per vierkante meter wordt gerealiseerd”. X-17.884-6/13 In de hypothese dat verzoeksters geacht moeten worden zich toch niet in eenzelfde situatie te bevinden als agrarische en openluchtrecreatieve bedrijven, wordt, naar hun mening, het gelijkheidsbeginsel alleszins geschonden door hen op een gelijke wijze te behandelen als ondernemingen die, in tegenstelling tot hen, geen nood hebben aan grote oppervlakten om een rendabele onderneming te kunnen exploiteren, bijvoorbeeld een financiële instelling. Wat ten slotte de tariefstructuur betreft, doen verzoeksters gelden dat het belastingtarief afhankelijk is van de gebruikte oppervlakte, waarbij deze oppervlakte integraal wordt belast tegen het tarief dat voor die oppervlakte van toepassing is. Daaruit volgt dat de verschuldigde belasting significant stijgt naarmate de oppervlakte groter is, aangezien de oppervlakte in haar totaliteit wordt onderworpen aan het hogere tarief. Verzoeksters zien niet in “op welke wijze kan worden verantwoord dat [zij] integraal aan dit hogere tarief worden belast, terwijl een agrarisch bedrijf slechts een fractie aan provinciebelastingen dient te betalen”. Beoordeling 5. Zoals in haar motivering wordt aangegeven, strekt de bestreden belasting ertoe de provincie, die eerder zestien provinciebelastingen afschafte, in staat te stellen haar uitgaven in het algemeen te financieren. Daarbij wil zij de belasting op een evenwichtige manier spreiden over de meer dan zeshonderdduizend gezinnen en bedrijven die op het grondgebied van de provincie een woning of vestiging gebruiken of tot gebruik voorbehouden. Als belastbare grondslag hanteert de bestreden belasting de totale oppervlakte, gebouwd en ongebouwd, van het goed waarop de woning of de vestiging zich bevindt die de belastingplichtige gebruikt of tot zijn gebruik voorbehoudt. 6. Met de verwerende partij, in de motivering van de bestreden belasting, wordt aangenomen dat het oppervlaktecriterium het voordeel biedt eenvoudig meetbaar en controleerbaar te zijn. Ook, en niet het minst, mag het X-17.884-7/13 geacht worden, in principe, een adequaat criterium te zijn dat toelaat de belasting overeenkomstig “het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid” te heffen. Meer bepaald is de gebouwde en ongebouwde oppervlakte waarover een gezin of bedrijf kan beschikken in beginsel een objectieve en redelijk verantwoorde maatstaf voor hun financiële draagkracht. 7. Dat dit slechts op een benaderende wijze is, is onvermijdelijk en niet bezwaarlijk. Zoals in de motivering van de bestreden belasting wordt overwogen, kan het niet anders dan dat de verscheidenheid onder de beoogde belastingplichtigen wordt opgevangen in vereenvoudigende categorieën. Het is niet praktisch mogelijk om voor alle denkbare soorten gezinnen en bedrijven te voorzien in een specifieke, eigen belastingregeling. 8. Het voorgaande staat er niettemin niet aan in de weg dat voor één of meer bepaalde categorieën van belastingplichtigen een verschillende tarifering van toepassing is, op voorwaarde dat die categorieën en het verschil in tarief in redelijkheid verantwoord kunnen worden door het doel van de belasting. Gelet op dat doel, zijnde een algemene en evenwichtige heffing ter financiering van de uitgaven in het algemeen van de provincie, motiveert de bestreden belasting terecht dat “[v]erschillen inzake financiële draagkracht en/of economische rentabiliteit[…] redelijk verantwoorde differentiatiecriteria uit[maken] voor de toepassing van het belastingreglement en het verschil in tarifering”. 9. Precies om tegemoet te komen aan het doel van een evenwichtige spreiding, die rekening houdt met de financiële draagkracht, voorziet de bestreden belasting in aangepaste, verminderde tarieven ten voordele van “[c]ategorieën van bedrijven die door hun aard de grond (bodem) als natuurlijk productiemiddel of voor specifieke openluchtrecreatieve beroeps- of bedrijfsdoeleinden aanwenden en die in vergelijking met andere categorieën een lager rendement per vierkante meter oppervlakte hebben”. Die categorieën van bedrijven “hebben een uitzonderlijke nood aan grotere oppervlakten om een economisch leefbare (rendabele) exploitatie te kunnen realiseren”. Concreet X-17.884-8/13 beoogt de verwerende partij daarmee de agrarische en de openluchtrecreatieve bedrijven. Het uitzonderlijke aan de nood aan grotere oppervlakte van die bedrijven is dat hun rendement per vierkante meter zo gering is dat de exploitatie alleen maar voldoende oplevert om voortgezet te kunnen worden als ze op grotere oppervlakten gebeurt. Het zijn bedrijven waarvan de grotere oppervlakte niet een grotere financiële draagkracht reflecteert. 10. Met dergelijke bedrijven zijn niet gelijk te stellen de bedrijven waarvan de activiteiten, wegens hun aard, een grotere oppervlakte vereisen, maar die geen lager rendement per vierkante meter behalen dan andere bedrijven, zodat wat hen betreft de oppervlakte een geschikte berekeningsbasis is en blijft voor een belasting die in overeenstemming met het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid wil zijn. Evenmin mag de bedoelde “uitzonderlijke nood aan grotere oppervlakten” worden verward met de nood aan grotere oppervlakten van bedrijven wier rendement per vierkante meter niet lager is dan dat van andere bedrijven, maar waarvoor geldt dat hoe groter hun oppervlakte is des te groter het rendement per vierkante meter zal zijn. 11. Wat het lagere rendement per vierkante meter oppervlakte betreft van agrarische bedrijven betoogt de verwerende partij dat dit vanzelfsprekend en manifest is, en verwijst zij naar een studie van J. Spruijt (Application Centre for Renewable Resources van Wageningen UR) – een studie waaraan verzoeksters ook zelf refereren in hun verzoekschrift. Overigens betwisten verzoeksters niet wezenlijk dat agrarische bedrijven, in het algemeen beschouwd, een lager rendement per vierkante meter hebben, waardoor zij nood hebben aan grotere oppervlakten opdat hun exploitatie economisch leefbaar is. Integendeel merken verzoeksters bij herhaling op dat niet is aangetoond dat agrarische bedrijven “als enige soort van belastingplichtigen” X-17.884-9/13 nood hebben aan grotere oppervlakten om een rendabele onderneming te kunnen exploiteren. 12. In zoverre verzoeksters menen in een gelijke situatie te verkeren als agrarische bedrijven en, meer bepaald, menen evenzeer een uitzonderlijke nood te hebben aan grotere oppervlakten om economisch leefbaar te zijn, laten zij in het verzoekschrift essentieel gelden dat zij bij uitstek gebonden zijn aan de beschikbare oppervlakte, dat voor het opvangen van het zonlicht alleen de (grond)oppervlakte kan worden gebruikt, dat zij dan ook over grote oppervlakten moeten kunnen beschikken zodat meer fotovoltaïsche installaties kunnen worden geplaatst, en dat hoe groter de fotovoltaïsche installatie is, des te kleiner de kosten per kWh zullen zijn. Het mag waar zijn, maar is onvoldoende. Als de bestreden belasting in een onderscheiden tarief voorziet voor agrarische bedrijven, dan is dat omdat de grotere oppervlakten waarover die bedrijven beschikken, in tegenstelling tot wat normaal geacht mag worden het geval te zijn, geen adequate indicatie vormen van een grotere financiële draagkracht. De reden daarvoor is dat ze in vergelijking met andere categorieën van bedrijven een lager rendement per vierkante meter hebben. 13. Dat dit ook zou gelden voor verzoeksters, is voor de Raad van State niet concreet aannemelijk gemaakt. Ook niet in de memorie van wederantwoord of de laatste memorie. In de memorie van wederantwoord beperken verzoeksters zich er wezenlijk toe om de verwerende partij tegen te werpen dat háár berekening van het rendement van de uitbating van een zonneweide niet overeenstemt met de realiteit en om tegen die berekening een paar zeer ruime, globale en niet gestaafde schattingen in te brengen. Evenmin verschaffen verzoeksters in de laatste memorie de precieze cijfergegevens waarover zij beschikken. Nochtans konden zij in het auditoraatsverslag lezen dat zij er niet in slagen aan te tonen “dat zij zich als X-17.884-10/13 professionele exploitanten van zonnepanelenparken in een feitelijk vergelijkbare situatie bevinden als agrarische bedrijven, in het licht van de doelstelling om een lager belastingtarief op te leggen aan bedrijven die door hun aard een lager rendement per vierkante meter oppervlakte hebben en een uitzonderlijk nood aan grotere oppervlakten om een economisch leefbare (rendabele) exploitatie te kunnen realiseren”. 14. Wel besteden verzoeksters er veel aandacht aan en leggen zij er de nadruk op dat hun rendement lager zou zijn dan dat van één welbepaald onderdeel van de agrarische bedrijvigheid, namelijk de teelt van aardbeien en (sommige) groenten in (verwarmde) serres. Precies bij gebrek aan nauwkeurige gegevens over het rendement per vierkante meter van de bedrijven van verzoeksters is het niet mogelijk de juistheid hiervan na te gaan. Voorts is het op zich niet onredelijk dat de verwerende partij bij de vaststelling van aangepaste tarieven opdat de belasting in overeenstemming kan worden geacht met de financiële draagkracht van de belastingplichtigen, gebruik maakt van categorieën die alleen maar op een vereenvoudigende en benaderende wijze met de werkelijkheid overeenstemmen. Overigens heeft zij bij het vaststellen van het voordeligere belastingtarief ten voordele van de categorie van de agrarische bedrijven expliciet rekening gehouden met de verschillen tussen landbouw en tuinbouw in serres. 15. Wat de tariefstructuur van de bestreden belasting aangaat, betreft de kritiek van verzoeksters niet de progressiviteit ervan op zich, wel de omstandigheid dat de belasting niet schaalsgewijze progressief is, maar oploopt volgens de totale belastbare oppervlakte en op heel de belastbare oppervlakte van toepassing is. Deze vorm van progressiviteit is niet uit zichzelf onwettig. Als gezien, beoogt de belasting een evenwichtige spreiding volgens “het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid” en is de gebouwde en ongebouwde oppervlakte waarover een bedrijf kan beschikken in beginsel een objectieve en redelijk verantwoorde maatstaf voor diens financiële draagkracht. Het is hiermee in X-17.884-11/13 overeenstemming om in onderscheiden – oplopende – belastingtarieven te voorzien voor vestigingen met een totale oppervlakte tot 0,5 ha, van meer dan 0,5 ha tot 1 ha, van meer dan 1 ha tot 10 ha, en van meer dan 10 ha. Terecht merken verzoeksters op dat agrarische bedrijven minder zwaar belast worden. Zoals hiervoor evenwel gebleken, bestaat er een toereikende verantwoording om agrarische bedrijven anders te behandelen dan bedrijven zoals die van verzoeksters. Tevens overtuigen verzoeksters er niet van dat het verschil qua belastingtarieven hen een onevenredig groot nadeel toebrengt. 16. Rest de claim van verzoeksters dat zij als belastingplichtigen die nood hebben aan grote oppervlakten om een rendabele onderneming te kunnen exploiteren, in strijd met de gelijkheidsregel gelijk worden behandeld als ondernemingen die geen nood hebben aan een grote oppervlakte om een rendabele onderneming te kunnen exploiteren. De claim berust op een uitgangspunt waar verzoeksters niet de juistheid van doen aannemen. Is het weliswaar plausibel dat de bedrijven van verzoeksters meer rendabel zijn naarmate hun oppervlakte groter is, niét is aangetoond dat ze per se een grote oppervlakte behoeven om rendabel of leefbaar te zijn. Voor het overige weze herhaald dat de oppervlakte van een bedrijf een adequaat criterium is om de bestreden belasting overeenkomstig “het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid” te heffen, dat de gelijkheidsregel niet vereist dat de overheid bij de vaststelling van een belasting rekening houdt met de individuele, concrete situatie van elke belastingplichtige, en dat het voor de Raad van State niet gebleken is dat de aangevochten belasting tot onevenredige gevolgen aanleiding geeft voor verzoeksters. 17. Het enige middel wordt in zijn geheel verworpen. X-17.884-12/13 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden, elk voor een derde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, op een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.884-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.477 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div