id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.478 Rolnummer: A. 230505/XIV-38312 Zaak: Arrest 256478 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 10/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 08:58 Fiche Arrest nr 256.478 van 10 mei 2023 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 256.478 van 10 mei 2023 in de zaak A. 230.505/XIV-38.312 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL-HOOFDSTAD-ELSENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 april 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene van 30 maart 2020, waarbij een einde is gesteld aan de stage van verzoekster als stagedoend assistent, niveau C. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 248.370 van 28 september 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XIV-38.312-1/11 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoekster en advocaat Andrien Neyrinck, die loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 248.370 van 28 september
- Er wordt naar verwezen. XIV-38.312-2/11 IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen wat de exceptie inzake het belang betreft
- De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van verzoekster bij het beroep. Zij werpt op dat verzoekster intussen werkzaam is bij een andere werkgever, zodat een vernietiging van de bestreden beslissing haar geen enkel voordeel kan opleveren. Een vernietiging zou tot gevolg hebben dat verzoekster opnieuw stagiaire wordt bij de verwerende partij, terwijl zij gelet op haar nieuwe functie niet zomaar de stage kan hervatten. Bovendien getuigen agressieve mails van verzoekster van een gebrek aan motivatie om de stage te hervatten, minstens van een ernstig verstoorde verstandhouding tussen partijen. De stelling ter terechtzitting over de vordering tot schorsing dat verzoekster specifiek een betrekking bij de politie ambieert, wordt niet gestaafd, noch bevestigd door de feitelijke gegevens of het administratief dossier. Integendeel, uit haar stage-evaluatie en het stagerapport blijkt geen bijzondere ambitie of motivatie, noch een grondige kennis wat de functie betreft die verzoekster uitoefende. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij verzoeksters negatieve houding en de verstoorde relatie tussen partijen, evenals het feit dat enige motivatie of ambitie om een juridische, administratieve functie uit te oefenen op geen enkele wijze concreet wordt toegelicht of aangetoond. Voorts wijst zij erop dat verzoekster sinds mei 2020 een andere job uitoefent en op geen enkele manier aangeeft dat zij haar functie wil en kan verlaten. Aldus concludeert de verwerende partij dat verzoekster louter een vaststelling van onwettigheid van de bestreden beslissing wilt bekomen, wat geen rechtstreeks belang is.
- Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord dat zij een functie als administratief en logistiek kader in het politielandschap blijft XIV-38.312-3/11 ambiëren. Het is niet omdat zij zich verweert omtrent het onrecht dat haar is aangedaan, dat zij geen interesse meer heeft in het vervolmaken van haar stage op een ernstige manier. Haar zogenaamd gebrekkig functioneren kan niet als argument dienen, nu dit manifest wordt betwist. De bestreden beslissing maakt het voor verzoekster, gelet op de strekking van de artikelen 19, 20 en 81 van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002), onmogelijk om nog te kandideren voor een andere politionele administratie. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat het concreet voordeel dat zij bij een vernietiging van de bestreden beslissing geniet, is dat zij gebeurlijk haar stage kan hervatten en finaal effectief het beoogde statutair ambt kan uitoefenen, alsook dat zij verder ambitieus kan zijn om nog te kandideren voor een andere politionele organisatie en dit gelet op de strekking van de voornoemde bepalingen van de wet van 26 april
- Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel XIV-38.312-4/11 verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.
- en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een XIV-38.312-5/11 verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
- De bestreden beslissing is griefhoudend voor verzoekster. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat het concrete voordeel dat zij bij een nietigverklaring van de bestreden beslissing geniet, het feit is dat zij gebeurlijk haar stage kan hervatten en finaal effectief het beoogde statutair ambt kan uitoefenen, alsook dat zij verder ambitieus kan zijn om nog te kandideren voor een andere politionele organisatie en dit gelet op de strekking van de voornoemde bepalingen van de wet van 26 april
- Voorts wijst verzoekster in de memorie van wederantwoord terecht op artikel 20, 2° van de wet van 26 april 2002 luidens hetwelk een kandidaat niet tot de selectieproeven wordt toegelaten die eerder als stagiair is ontslagen wegens beroepsongeschiktheid, terwijl luidens artikel 19 van die wet het slagen voor de selectieproeven die toegang verlenen tot de graad waarvoor betrokkene kandideert een van de algemene toelatingsvoorwaarden is tot een betrekking in het administratief en logistiek kader, zodat de bestreden beslissing het haar “onmogelijk maakt om nog te kandideren voor een andere politionele administratie.” De kans om alsnog de geambieerde stage te hervatten en het open willen houden van de mogelijkheid tot het uitoefenen van een betrekking in het administratief en logistiek kader vormen, elk apart beschouwd, op zich een voldoende direct en persoonlijk voordeel dat verzoekster met het voorliggende beroep ambieert. Dit volstaat opdat verzoekster doet blijken van het in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste belang bij een beroep tot nietigverklaring. XIV-38.312-6/11
- De argumenten van de verwerende partij leiden niet tot een andere conclusie. In de mate dat de verwerende partij een argument put uit het feit dat verzoekster blijkbaar een andere job (buiten de geïntegreerde politie) uitoefent, betekent dit op zich niet dat verzoekster door deze carrièreswitch haar actueel belang bij het voorliggende beroep verliest. Die loopbaanwending buiten de geïntegreerde politie is immers niet het gevolg van de ambtsneerlegging door vrijwillig ontslag of handelen van verzoekster, maar wel het gevolg van de definitieve ambtsontheffing waartoe de bestreden beslissing ambtshalve en zonder opzegtermijn leidt. Voorts blijkt niet noch wordt aannemelijk gemaakt dat verzoekster door de uitoefening van een externe job, het de verwerende partij – die bij vernietiging in beginsel een nieuwe beslissing zou moeten nemen – onmogelijk maakt haar terug op te nemen als stagiair. Aldus maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat het verzoekster persoonlijk verwijtbaar is om vrijwillig een job op te nemen waarvan zij wist of moest weten dat de aanvaarding van die job haar de hiervoor nader omschreven kans ontneemt. De door de verwerende partij ervaren agressiviteit in de e-mails van verzoekster, alsook het feit dat, naar de verwerende partij betoogt, er uit haar stage-evaluatie en -rapport “geen bijzondere ambitie of motivatie, noch een grondige kennis [blijkt] wat betreft de functie die de verzoekende partij uitoefende”, maken geen verwijtbaar handelen uit waardoor de hiervoor nader omschreven beoogde kans bij de gevorderde vernietiging teloor is gegaan en zulks los van het feit dat van het standpunt van de verwerende partij geen bewijs voorligt.
- De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van het eerste middel XIV-38.312-7/11 Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert in het verzoekschrift in het eerste middel onder meer de schending aan van de artikelen V.III.11 en V.III.15 RPPol. Zij betoogt dat in toepassing van artikel V.III.11 RPPol de stage verloopt onder leiding van een stageleider. Aan verzoekster is nooit meegedeeld wie haar stageleider was. Bij de aanwerving werd enkel meegedeeld dat R. haar direct leidinggevende is en naderhand bleek bij de bespreking van de objectieven G. aanwezig te zijn daar die Nederlandstalig is. Naderhand werd, in de communicatie met verzoeksters raadsman, door de verwerende partij beweerd dat G. de stageleider was, maar dat werd verzoekster nooit duidelijk gemaakt, noch heeft zij ooit enig aanstellingsdocument gezien of ter beschikking gekregen. Wat de schending betreft van artikel 15 RPPol, blijkt niet dat een aanwijzing van een mentor is gebeurd door de korpschef. Verzoekster stelt dat zij noch van R. noch van wie ook begeleiding heeft gehad. In de memorie van wederantwoord wijst verzoekster erop dat het opvallend is dat noch inzake het eerste gesprek van 31 januari 2020, noch inzake het tussentijds evaluatieverslag van 24 maart 2020, de documenten werden ondertekend met de vermelding van de identiteiten van de stageleider en mentor, wat volgens verzoekster indiceert dat die niet waren aangesteld. Voorts wijst zij erop dat de verwerende partij niet bewijst dat een stageleider werd aangewezen. Hetzelfde zet zij uiteen wat de mentor betreft. Voorts doet het argument van de verwerende partij dat verzoekster dan maar diende na te vragen wie haar mentor en stageleider waren, niet ter zake.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord wat de grief betreft dat artikel V.III.11 RPPol is geschonden, dat die bepaling niet stelt dat de aanwijzing van een stageleider moet gebeuren door middel van een formele aanstellingsbeslissing, noch dat een formeel aanstellingsdocument aan verzoekster moet worden meegedeeld. Volgens haar werd G. in overeenstemming met de voornoemde bepaling aangewezen als stageleider. Dit werd aan XIV-38.312-8/11 verzoekster meegedeeld op het ogenblik dat zij in dienst trad. Uit het gegeven dat G. de objectieven van de functie met verzoekster heeft besproken, verschillende voorbeelden en modellen heeft bezorgd en verzoekster heeft opgevolgd en geëvalueerd, kan ook duidelijk worden afgeleid dat G. optrad als stageleider. Eenzelfde verweer voert de verwerende partij wat de aangevoerde schending betreft van artikel V.III.15 RPPol inzake de aanstelling van R. als mentor. Ook dat werd verzoekster op het ogenblik dat zij in dienst trad meegedeeld en uit het gegeven dat R. de objectieven van de functie met verzoekster heeft besproken, kan ook worden afgeleid dat zij optrad als mentor. Tot slot doet de verwerende partij gelden dat, indien verzoekster geen kennis zou hebben gehad van de identiteit van haar stageleider en mentor, of indien deze voor haar niet duidelijk zouden zijn geweest, dan mocht van haar worden verwacht dat zij een opmerking in die zin tijdens haar stage zou hebben gemaakt. Nu zij dat niet heeft gedaan, mag ervan worden uitgegaan dat zij wist wie haar stageleider en mentor waren. In haar laatste memorie herneemt de verwerende partij haar argumenten. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van het eerste middel op grond van de volgende overwegingen: “
- Met verzoekster wordt vastgesteld: - nergens uit blijkt dat [G.] door de korpschef werd aangewezen als stageleider van verzoekster; dat zelfs indien artikel V.III.11 RPPol niet vereist dat een formeel aanstellingsdocument aan de stagiair wordt overgemaakt, toch minstens uit het administratief dossier moet blijken dat de korpschef heeft beslist dat [G.] zou optreden als stageleider voor verzoekster; te dezen ontbreekt elk dergelijk bewijs; - evenmin nergens uit blijkt dat [R.] door de korpschef werd aangewezen als mentor van verzoekster; dat zelfs indien artikel V.III.15 RPPol niet vereist dat een formeel aanstellingsdocument aan de stagiair wordt overgemaakt, toch minstens uit het administratief dossier moet blijken dat de korpschef heeft beslist dat [R.] zou optreden als mentor voor verzoekster; te dezen ontbreekt elk dergelijk bewijs; - dat de verwerende partij weliswaar stelt (adm. doss., stuk 11) dat aan verzoekster bij haar indiensttreding werd meegedeeld dat [G.] haar stageleider zou zijn en [R.] haar mentor, met de daaraan verbonden respectievelijke taakverdeling, en dat die XIV-38.312-9/11 verschillende rollen werden herhaald tijdens het gesprek d.d. 31 januari 2020, doch dat het verslag van het gesprek d.d. 31 januari 2020 geen enkele melding maakt van die aanstellingen, noch van die taakverdeling (adm. doss., stuk 5); derhalve blijft het ter zake bij een loutere bewering van de verwerende partij; het loutere feit dat [R.] met verzoekster de objectieven van de functie besprak, volstaat hoegenaamd niet voor verzoekster om daaruit af te leiden dat [R.] als mentor optrad: bij dat gesprek op 31 januari 2020 was immers ook [G.] aanwezig en uit het verslag blijkt geenszins wie welke rol op zich nam (adm. doss., stuk 6);”
- De verwerende partij betwist deze overwegingen maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het hernemen en parafraseren van de argumenten uiteengezet in de memorie van antwoord. Zij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. Voorts kan uit het enkele gegeven dat verzoekster geen opmerkingen maakte tijdens haar stage inzake de aanwijzing van de stageleider en mentor, niet worden afgeleid dat ervan mag worden uitgegaan dat verzoekster wist wie haar stageleider en mentor waren. Op de verwerende partij rust immers de plicht om de rechtmatigheid van de stageprocedure te bewaken en om, desgevallend, zonder initiatief van verzoekster, de administratieve procedurele onregelmatigheden recht te zetten. Verzoekster van haar kant, mag integendeel uitgaan van het vermoeden dat het overheidsoptreden ter zake in overeenstemming is met het recht en mag aldus aannemen dat de overheid die haar stage regelt, zulks doet overeenkomstig de ter zake geldende regelgevende bepalingen zonder dat zij daartoe enig initiatief moet nemen of uit haar stilzwijgen enige impliciete instemming of goedkeuring van die procedure mag blijken. In het licht van het voorgaande en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING XIV-38.312-10/11
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het politiecollege van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene van 30 maart 2020, waarbij een einde is gesteld aan de stage van verzoekster als stagedoend assistent, niveau C.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan verzoekster.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.312-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.478 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.