← België

Arrest 256490 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.490 Rolnummer: A. 235980/VII-41346 Zaak: Arrest 256490 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-25 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-10 08:58 Fiche Arrest nr 256.490 van 11 mei 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.490 van 11 mei 2023 in de zaak A. 235.980/VII-41.346 In zake :

  1. Ellen DENEYS
  2. Denise LANNEAU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Croonen kantoor houdend te 1500 Halle Bergensesteenweg 54 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partij : de BV ROELS PROJECTONTWIKKELING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0490 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 24 februari 2022 in de zaak 2021-RvVb-0239-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 2 mei
  5. VII-41.346-1/21 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeksters hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bv Roels Projectontwikkeling heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 juni
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 11 oktober 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoeksters hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kris Croonen, die verschijnt voor de verzoeksters en advocaat Thomas Ryckalts, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-41.346-2/21 III. Feiten
  8. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) verleent op 3 september 2020 aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een meergezinswoning met 11 wooneenheden, een kantoorruimte en een nieuwe rooilijn na het slopen van twee woningen”.
  9. Het bestreden arrest verwerpt de vier middelen en bijgevolg het beroep van de verzoeksters tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoeksters
  10. De verzoeksters voeren de schending aan van artikel 4.7.23, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), “het hoorrecht”, “het beginsel van behoorlijke rechtsbedeling”, “het recht van verdediging”, artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet) en “het motiveringsbeginsel”: “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest stelt dat (p. 12): ‘Wanneer de verwerende partij uitspraak doet over een administratief beroep tegen een in eerste administratieve aanleg verleende of geweigerde stedenbouwkundige vergunning, dan doet zij dit als orgaan van actief bestuur en is zij niet bekleed met eigenlijke rechtspraak. In zoverre de verzoekende partijen hun middel ontlenen aan een schending van de artikelen 104 en 104bis, eerste lid 7° Provinciewet van 30 april 1836 en van artikel 54 Provinciedecreet, gaan zij uit van een verkeerde opvatting van het recht. In dezelfde zin kunnen de verzoekende partijen de onwettigheid van de bestreden beslissing evenmin steunen op een schending van artikel 779 Ger.W. VII-41.346-3/21 Met verwijzing naar artikel 393, eerste lid Omgevingsvergunningsdecreet merkt de Raad op dat de verzoekende partijen ten onrechte aannemen als zou artikel 4.7.23 VCRO zonder meer zijn opgeheven en dus niet langer van toepassing op de voorliggende zaak. Artikel 4.7.23, §1, eerste lid VCRO, in de toepasselijke versie, bepaalt dat de verwerende partij haar beslissing over het ingestelde beroep neemt op grond van het verslag van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar en nadat zij of haar gemachtigde de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord. Uit de vaststelling dat de verwerende partij een of meer personen kan machtigen om de betrokken partijen te horen, volgt noodzakelijk dat op grond van de enkele vaststelling dat niet alle leden van de verwerende partij aanwezig waren op de hoorzitting niet zonder meer tot een schending van het hoorrecht kan worden besloten. Het middel wordt verworpen.’ Terwijl het is strijdig met het hoorrecht dat een belanghebbende wordt gehoord door enkele leden van de Deputatie, terwijl andere leden, die de belanghebbende niet gehoord hebben, mee de uiteindelijke beslissing omtrent de omgevingsvergunning nemen. Of, anders verwoord, het hoorrecht betekent en noodzaakt dat de belanghebbende wordt gehoord door de leden van de Deputatie die deelnemen aan de stemming. Het bestreden arrest oordeelt dat uit de vaststelling dat een machtiging mogelijk is, noodzakelijk volgt dat niet alle leden van de Deputatie van de Provincieraad moeten aanwezig zijn bij het horen. De Deputatie heeft evenwel besloten heeft dat niet alle leden aanwezig moeten zijn aangezien er machtiging kan zijn, zonder evenwel aan te duiden dat inzake machtiging verleend werd. Dit maakt derhalve een schending uit van artikel 4.7.23, §1, VCRO, van het hoorrecht en van het beginsel van behoorlijke rechtsbedeling en van het recht van verdediging. Eisers hebben immers het recht om gehoord te worden door alle leden van de Deputatie die later beslissen over de aanvraag, tenzij machtiging werd verleend. Ingevolge de Formele Motiveringswet moeten bovendien de motieven van een individuele administratieve rechtshandeling blijken uit deze rechtshandeling. De Raad voor Vergunningsbetwistingen dient ingevolge artikel 149 van de Grondwet in zijn arresten passend te antwoorden op regelmatig bij conclusie of antwoordnota aangedragen argumenten. Eisers hadden aangegeven (wederantwoordnota van eisers p. 19 en 20) dat de volgende personen aanwezig waren bij het horen van mevrouw Deneys en haar raadsman op de zitting d.d. 03.09.2020: - gedeputeerde Tom Dehaene - gedeputeerde Ann Schevenels - gedeputeerde Bart Nevens. En dat bij het horen van mevrouw Deneys en haar raadsman dus de volgende personen niet aanwezig waren : - gedeputeerde Monique Swinnen - voorzitter Jan Spooren. VII-41.346-4/21 Terwijl bleek uit de bestreden beslissing d.d. 03.09.2020 dat gedeputeerde Monique Swinnen en voorzitter Jan Spooren wel hebben deelgenomen aan de beraadslaging en stemming van de Deputatie. Door niet te vermelden of er al dan niet machtiging werd verleend aan deze afwezigen, wordt het artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het motiveringsbeginsel geschonden”. Beoordeling
  11. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste middel van de verzoeksters waarin zij de schending hebben aangevoerd van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 104 en 104bis, eerste lid, 7°, van de Provinciewet van 30 april 1836, artikel 54 van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en “het hoorrecht” en waarin zij hebben betoogd dat artikel 4.7.23 VCRO “niet langer van toepassing [is] op de voorliggende zaak”.
  12. Het middel komt niet op tegen de hoofdreden voor de verwerping door de RvVb van het eerste middel van de verzoeksters: “Wanneer de verwerende partij uitspraak doet over een administratief beroep tegen een in eerste administratieve aanleg verleende of geweigerde stedenbouwkundige vergunning, dan doet zij dit als orgaan van actief bestuur en is zij niet bekleed met eigenlijke rechtspraak. In zoverre de verzoekende partijen hun middel ontlenen aan een schending van de artikelen 104 en 104bis, eerste lid 7° Provinciewet van 30 april 1836 en van artikel 54 Provinciedecreet, gaan zij uit van een verkeerde opvatting van het recht. In dezelfde zin kunnen de verzoekende partijen de onwettigheid van de bestreden beslissing evenmin steunen op een schending van artikel 779 Ger.W.”.
  13. Het middel komt enkel op tegen de bijkomende opmerking van de RvVb dat: - anders dan de verzoeksters dat zagen, artikel 4.7.23, § 1, VCRO wel toepasselijk is, - artikel 4.7.23, § 1, VCRO in zijn toepasselijke versie bepaalt dat de deputatie haar beslissing over het ingestelde beroep neemt nadat zij of haar gemachtigde de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord, VII-41.346-5/21 - op grond van de enkele vaststelling dat niet alle leden van de deputatie aanwezig waren op de hoorzitting niet zonder meer tot een schending van het hoorrecht kan worden besloten.
  14. Het middel is niet gericht tegen het bestreden arrest en is derhalve niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de beslissing van de deputatie: - dat niet alle leden aanwezig moeten zijn aangezien er een machtiging kan zijn, “zonder evenwel aan te duiden dat inzake machtiging werd verleend”, artikel 4.7.23, § 1, VCRO, het hoorrecht, het beginsel van behoorlijke rechtsbedeling en het recht van verdediging schendt, - door niet te vermelden of er al dan niet machtiging werd verleend aan deze afwezigen, artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet schendt.
  15. Het middel, in zoverre ontvankelijk, mist feitelijke grondslag in zoverre het aanvoert dat het bestreden arrest “oordeelt dat uit de vaststelling dat een machtiging mogelijk is, noodzakelijk volgt dat niet alle leden van de deputatie van de provincieraad moeten aanwezig zijn bij het horen”.
  16. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoeksters
  17. De verzoeksters voeren de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), VCRO, “artikel 3.1.3 (alsook de ministeriële omzendbrief van 10.09.1965, gewijzigd op 25.06.1970 betreffende de afritten van beneden de begane grond gelegen garages), en van artikel 4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van de gemeente Roosdaal”, artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het motiveringsbeginsel: VII-41.346-6/21 “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest vooreerst vermeldt dat de wettelijke bepalingen voorzien dat de hellingsgraad van de toegang tot de ondergrondse parking niet meer dan 4% mag bedragen en verwijst naar het feit dat hiervan kan afgeweken kan worden, maar dat de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel vereisen dat de beslissing op dit punt des te concreter en zorgvuldiger gemotiveerd wordt. Dat zij verder enkel en alleen verwijst naar het argument van verwerende partij dat het negatieve advies van het gemeentelijke veiligheidsoverleg aangaande de hellingsgraad berust op een misverstand, waarna de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat uit niets zou blijken dat de hellingsgraad problematisch zou zijn en dat in elk geval uit dit advies van het gemeentelijke veiligheidsoverleg niet kan afgeleid worden dat de ‘veiligheid van de fietsers’ op een kennelijk onredelijke of onzorgvuldige manier werd beoordeeld. […] Terwijl eisers hadden aangetoond dat de toegangen tot de garages of parkeerplaatsen onder het straatpeil een helling hebben van meer dan 4% en dus conform artikel 4.3.1, §1, eerste lid, 1°, a) VCRO de vergunning moest worden geweigerd aangezien het aangevraagde onverenigbaar was met stedenbouwkundige voorschriften van artikel 3.1.3 (alsook de ministeriële omzendbrief van 10.09.1965, gewijzigd op 25.06.1970 betreffende de afritten van beneden de begane grond gelegen garages), artikel 3.1.4 en van artikel 4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening. Terwijl bovendien, ingevolge de Formele Motiveringswet de motieven van een individuele administratieve rechtshandeling moeten blijken uit deze rechtshandeling. De Raad voor Vergunningsbetwistingen dient ingevolge artikel 149 van de Grondwet in zijn arresten passend te antwoorden op regelmatig bij conclusie of antwoordnota aangedragen argumenten. […] Verder hadden eisers aangehaald dat deze beslissing van de Deputatie een schending uitmaakte van de motiveringsplicht, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. […] In de bestreden beslissing wordt enkel en alleen verwezen naar het argument van verwerende partij dat het negatieve advies van het gemeentelijke veiligheidsoverleg aangaande de hellingsgraad berust op een misverstand en wordt geoordeeld dat uit niets zou blijken dat de hellingsgraad problematisch zou zijn en dat in elk geval uit dit advies van het gemeentelijke veiligheidsoverleg niet kan afgeleid worden dat de ‘veiligheid van de fietsers’ op een kennelijk onredelijke of onzorgvuldige manier werd beoordeeld. Hiermee wordt niet geantwoord op het argument van eisers in cassatie dat het terrein in een helling ligt en een aanzienlijk niveauverschil kent (met verwijzing naar de stuk 10, blz. 3/12, stuk 21, blz. 3/15 en stuk 28, blz. 8/21) VII-41.346-7/21 en uit de bouwplannen niet alleen blijkt dat de afstand tussen de inrit van de ondergrondse garage en de straat uitermate klein is, maar ook dat de bouwheer tot drie meter in de ondergrond wenst te gaan voor de constructie van deze ondergrondse garage, zodat dient te worden vastgesteld dat het realiseren van deze ondergrondse constructie onmogelijk kan voldoen qua hellingsgraad aan het stedenbouwkundig voorschrift in artikel 3.1.3 van de Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake garages en parkeerruimten. Eisers in cassatie namen zelfs in hun nota van wederantwoord een vergelijking van schetsen in de bouwplannen op (met verwijzing naar stuk 12), om aan te tonen dat de afstand tussen de inrit van de ondergrondse garage en de straat uitermate klein is en de Deputatie zich op verkeerde feiten baseerde. Integendeel dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing helemaal niets vermeld wordt over de argumentatie omtrent de bouwplannen en de stukken waarnaar verwezen werd door eisers in cassatie om aan te tonen dat de hellingsgraad meer dan 4% bedroeg. Noch wordt door de bestreden beslissing geantwoord op de argumentatie van eisers in cassatie in hun wederantwoordnota dat het aan de aanvrager van het project is om te bewijzen dat het project voldoet aan de stedenbouwkundige voorschriften en dat de Deputatie de helling en de hellingsgraad in elk geval niet zelf heeft onderzocht en dat de Deputatie hierdoor haar motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Ook wordt door de bestreden beslissing niet geantwoord op de argumentatie van eisers in cassatie in hun wederantwoordnota dat de Deputatie niet heeft gemotiveerd waarom

(1)het ongunstig advies van het intern veiligheidsoverleg niet wordt gerespecteerd en/of nader onderzocht,
(2)waarom dit advies zou berusten op een misverstand en
(3)de hellingsgraad in geen geval meer dan 4% zou bedragen, terwijl in de bestreden beslissing wel wordt aangehaald dat de Deputatie ‘afwijkingen die door de vergunningverlenende overheid worden toegestaan steeds duidelijk, moeten worden gemotiveerd’ en dat, indien de Deputatie ‘in haar beoordeling afwijkt van het ongunstig advies over de verenigbaarheid van de aanvraag met de stedenbouwkundige voorschriften, de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat ze haar beslissing op dit punt des te concreter en zorgvuldiger motiveert, omdat ze in die omstandigheden een niet-evidente beslissing neemt, waardoor grotere eisen kunnen worden gesteld aan haar verplichting tot formele motivering en zorgvuldigheid’. Uit het verzoekschrift tot nietigverklaring dat eisers in cassatie hebben ingediend en de wederantwoordnota, blijkt zeer duidelijk dat eisers in cassatie zich beklaagd hebben over het feit dat in het besluit van de deputatie niet wordt geduid waarom
(1)het ongunstig advies van het intern veiligheidsoverleg niet wordt gerespecteerd en/of nader onderzocht,
(2)waarom dit advies zou berusten op een misverstand en
(3)de hellingsgraad in geen geval meer dan 4% zou bedragen Eisers in cassatie viseerden de materiële en formele motivering van het weigeringsbesluit van de Deputatie”. VII-41.346-8/21 Beoordeling
  1. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
  2. Het middel dat niet uiteenzet op welke wijze het bestreden arrest artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), VCRO, “artikel 3.1.3 (alsook de ministeriële omzendbrief van 10.09.1965, gewijzigd op 25.06.1970 betreffende de afritten van beneden de begane grond gelegen garages), en van artikel 4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van de gemeente Roosdaal”, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het motiveringsbeginsel schendt, is niet ontvankelijk.
  3. De rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. VII-41.346-9/21
  4. Het middel, in zoverre ontvankelijk, gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste onderdeel van het tweede middel van de verzoeksters waarin zij “in essentie [hebben aangevoerd] dat de artikelen 3.1.3 en 3.1.4 van de [gemeentelijke stedenbouwkundige] verordening werden geschonden. In strijd met deze verordening zou de hellingsgraad van de toegang tot de ondergrondse parking meer dan 4% bedragen [...]”.
  5. Het bestreden arrest overweegt dat: - de deputatie tegen het advies van het gemeentelijk veiligheidsoverleg in gesteld heeft dat de helling zeer beperkt is en in geen geval meer dan 4% bedraagt waardoor de veiligheid voor de fietsers en de zichtbaarheid naar de openbare weg geen gevaar vormt; - de helling zich bovendien op voldoende afstand van de rijpoort zou bevinden zodat de helling aanvaardbaar wordt geacht; - uit het uittreksel uit het intern veiligheidsoverleg van de gemeente blijkt dat de hellingsgraad van de inrit weliswaar als problematisch wordt bestempeld maar dat uit niets blijkt waarom dit het geval is, en dat “los van de vraag of dit advies daadwerkelijk op een misverstand zou berusten”, daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de deputatie de “veiligheid van de fietsers” op een kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze heeft beoordeeld en evenmin dat de beoordeling in de bestreden vergunningsbeslissing feitelijk onjuist is.
  6. Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat aanvoert dat: - het bestreden arrest “enkel en alleen verwijst naar het argument van [de deputatie] dat het negatieve advies van het gemeentelijke veiligheidsoverleg aangaande de hellingsgraad berust op een misverstand”, - de verzoeksters “hadden […] aangehaald dat deze beslissing van de deputatie een schending uitmaakte van de motiveringsplicht, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”, - het bestreden arrest “helemaal niets vermeldt […] over de argumentatie omtrent de bouwplannen en de stukken waarnaar verwezen werd door [de verzoeksters] om aan te tonen dat de hellingsgraad meer dan 4% bedroeg”, VII-41.346-10/21 - het bestreden arrest niet antwoordt op de argumentatie van de verzoeksters dat de aanvrager moet bewijzen dat het project voldoet aan de stedenbouwkundige voorschriften en dat de deputatie in elk geval de hellingsgraad “niet zelf heeft onderzocht”, mist feitelijke grondslag.
  7. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de verzoeksters
  8. De verzoeksters voeren de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), VCRO, “artikel 3.1.4 en artikel 4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van de gemeente Brasschaat”, “het gezag van gewijsde”, de artikelen 23 en 27 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en “het motiveringsbeginsel”: “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest vermeldt dat de toepasselijke wettelijke bepalingen een bouwdiepte van woonhuizen op maximaal 15 meter ‘op het gelijkvloers’ en op maximaal 12 meter ‘op de verdieping’ toestaan, doch dat er een afwijkende bouwdiepte mag bestaan en bij de beoordeling van de afwijking beslist dat blok A en B apart moeten beoordeeld worden bij de berekening van deze bouwdiepte, zo niet zou dit volgens haar in strijd zijn met het gezag van gewijsde van het arrest van 28.04.2020 (nr. RvVb-A-1920-0794). De Raad oordeelt in haar bestreden beslissing dat de toegelaten afwijking omstandig gemotiveerd werd. Omtrent blok B voegt de Raad in de bestreden beslissing hieraan toe dat zij van oordeel is dat er niet wordt aangetoond dat de verwerende partij foutief of kennelijk onredelijk oordeelde. […] Terwijl ten eerste, blok A en B niet apart moeten beoordeeld worden bij de berekening van de bouwdiepte, aangezien het gaat om één project, één constructie, één gebouw (met een ondergrondse garage verbonden), één bouwfysisch geheel met één fundering, waarbij ook er slechts één stedenbouwkundige aanvraag is voor één meergezinswoning (‘het bouwen van een meergezinswoning met 11 wooneenheden’), zoals ook eisers in hun antwoordnota hadden aangehaald. VII-41.346-11/21 In de bestreden beslissing is de enige motivatie om blok A en B samen beoordelen dat dit in strijd zou zijn met het gezag van gewijsde van het arrest van 28.04.2020 (nr. RvVb-A-1920-0794). Het bestreden arrest geeft echter niet aan uit welke vermelding juist het gezag van gewijsde van het arrest 28.04.2020 zou blijken om beide blokken niet samen te beoordelen, uitgezonderd de vage vermelding dat het arrest van 28.04.2020 heeft bepaald ‘dat blok A een hoekgebouw met twee voorgevels is met één voorgevel langs de Kraanstraat en één voorgevel langs de Pastoriestraat’. Uit deze beslissing in het arrest van 28.04.2020 kan echter helemaal niet afgeleid worden dat blok A en B niet samen moeten beoordeeld worden om de bouwdiepte te bepalen, zodat de bestreden beslissing het arrest van 28.04.2020 iets laat zeggen wat helemaal niet vermeld wordt. Dit maakt een schending uit van het gezag van gewijsde van het arrest 28.04.2020 (nr. RvVb-A-1920-0794). Het middel is derhalve gegrond. Ten tweede, antwoordt de bestreden beslissing niet op de motivatie van eisers. Eisers hadden immers aangegeven in hun antwoordnota (p. 35) dat de Deputatie zelf de twee blokken als één geheel zag qua ontwerp, terwijl zij voor de bouwdiepte deze blokken apart beschouwde. De Deputatie had de redenering van de PSA dat de twee blokken als één samenhangend geheel ontworpen zijn, overgenomen (stuk 28, blz. 14/21): ‘De twee blokken zijn als één samenhangend geheel ontworpen en hebben dan ook voor wat betreft de bouwdiepte geen negatieve impact op elkaar. (…)’. Eisers hadden aangehaald in hun wederantwoordnota (p. 35) dat de Deputatie verkeerd en tegenstrijdig redeneerde en motiveerde. Ondanks het feit dat de aanvraag één meergezinswoning betreft, beschouwde zij voor de bouwdiepte de blokken A en B apart om vervolgens te overwegen dat ze ontworpen waren als één samenhangend geheel waardoor ze, volgens de Deputatie, geen negatieve impact op elkaar zouden hebben. De bestreden beslissing antwoordt niet op het argument van eisers omtrent deze tegenstrijdige motivatie van de Deputatie en schendt alzo haar motiveringsplicht. Ook om deze reden is het middel gegrond. Ten derde, schendt de bestreden beslissing het gezag van gewijsde van de vroegere beslissing van 28.04.2020 in zoverre in deze beslissing geoordeeld werd (p. 30, punt 4.3) dat ‘de bestreden beslissing negeert, met het motief dat het volume van blok A niet als een bouwdiepte wordt ‘ervaren’, het verordenende karakter van de reglementaire voorschriften in de verordening.’ De bestreden beslissing oordeelt immers dat de Deputatie de toegelaten afwijking omstandig motiveert en verwijst daarbij naar de beslissing van de Deputatie waarin deze stelt dat voor wat betreft blok A, de grotere bouwdiepte ‘geen negatieve impact heeft langs haar zuidelijk zijde, gelet op de aanwezigheid van de Kraanstraat, waarbij deze gevel eerder als brede ‘voorgevel’ wordt ervaren in plaats van als diepe ‘zijgevel’. De VII-41.346-12/21 zogenaamde ‘achtergevel’ wordt hier ervaren als een ‘zijgevel’ die op voldoende afstand blijft van de perceelsgrens.’ (bestreden beslissing p. 41 en 42, punt 4.2). De Raad had dus in haar vroegere beslissing van 28.04.2020 geoordeeld dat het besluit van de Deputatie d.d. 18.10.2018, door te stellen dat het volume van blok A niet als een bouwdiepte wordt ‘ervaren’, het verordende karakter van de reglementaire voorschriften in deze verordeningen negeerde. Nochtans wordt dit ‘ervaringsmotief’ hernomen in het besluit d.d. 03.09.2020 (stuk 28) van de Deputatie. In haar wederantwoordnota hadden eisers dan ook terecht opgeworpen dat de Deputatie ten onrechte geen rekening hield met de eerdere beslissing van de Raad in dit opzicht. Ten onrechte herhaalt de bestreden beslissing opnieuw deze argumentatie (p. 49) en stelt hierbij dat eisers niet verduidelijken op welk punt de verwerende partij tekort zou zijn geschoten aan haar motiveringsplicht. De verwerende partij is tekort geschoten door geen rekening te houden met haar vroegere beslissing en door niet te antwoorden op de argumentatie van eisers. Dit is niet alleen een schending van het gezag van gewijsde van de beslissing van 28.04.2020, maar maakt ook een schending uit van de motiveringsplicht. Een rechter moet duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzettend die hem ertoe brengt de aangebrachte beroepsgrieven te verwerpen, en derhalve zijn beslissing te nemen. De rechterlijke motiveringsplicht houdt in dat de bodemrechter moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden, maar worden afgewezen (Rvs Longueville, nr 223.066, 28.03.22013; RvS Kops, nr.235177,21.06.2016;RvS Rodenbach, nr 12.399(c), 20.04.2017)”. Beoordeling
  9. Het middel dat niet uiteenzet op welke wijze het bestreden arrest artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), VCRO, “artikel 3.1.4 en artikel 4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van de gemeente Brasschaat”, de artikelen 23 en 27 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en “het motiveringsbeginsel” schendt, is niet ontvankelijk.
  10. Het middel, in zoverre ontvankelijk, gaat terug op de verwerping door de RvVb van het tweede onderdeel van het tweede middel van de verzoeksters waarin zij “in essentie [hebben aangevoerd] dat de artikelen 3.1.3 en 3.1.4 van de [gemeentelijke stedenbouwkundige] verordening werden geschonden. In strijd met deze verordening [...] werden de bouwdieptes overschreden [...]”. VII-41.346-13/21
  11. Het eerste middelonderdeel voert de schending aan van het gezag van gewijsde van het arrest van 28 april 2020 met nummer RvVb-A-1920-0794 van de RvVb dat volgens het bestreden arrest overweegt dat “blok A en B wel degelijk apart [dienen] beoordeeld te worden bij de berekening van de bouwdiepte”. De verzoeksters betogen dat het bestreden arrest “het arrest van 28.04.2020 iets laat zeggen wat helemaal niet vermeld wordt” maar zetten niet concreet uiteen dat de aangehaalde overweging van het bestreden arrest het gezag van gewijsde van voormeld arrest van 28 april 2020 zou schenden. Het eerste middelonderdeel is niet ontvankelijk.
  12. Het bestreden arrest overweegt wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel van de verzoeksters onder meer: “Anders dan de verzoekende partijen aanvoeren, dienen blok A en B wel degelijk apart beoordeeld te worden bij de berekening van de bouwdiepte. Hier anders over oordelen zou in strijd zijn met het gezag van gewijsde van het arrest van 28 april 2020 met nummer RvVb-A-1920-
  13. Het arrest bepaalt dat blok A ‘een hoekgebouw met twee voorgevels’ is met één voorgevel ‘langs de Kraanstraat’ en één voorgevel ‘langs de Pastoriestraat’”.
  14. Het tweede middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest niet antwoordt op het argument van de verzoeksters omtrent de “tegenstrijdige motivatie van de deputatie” die enerzijds “de twee blokken als één geheel” ziet en anderzijds “voor de bouwdiepte deze blokken apart beschouwde”, mist feitelijke grondslag.
  15. Het gezag van gewijsde van een arrest van de RvVb geldt enkel voor datgene waarop de beslissing, met betrekking tot de betwisting die voor de RvVb is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, berust. VII-41.346-14/21
  16. De door de verzoeksters uit het arrest van de RvVb van 28 april 2020 aangehaalde overweging gaat over de beoordeling door de RvVb van de door de verzoeksters bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie van 18 oktober
  17. De door de verzoeksters in het derde middelonderdeel bekritiseerde ongegrondverklaring door de RvVb van het tweede onderdeel van hun tweede middel gaat over de beoordeling door de RvVb van de door de verzoeksters bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie van 3 september 2020 en derhalve niet van de beoordeling van voormelde vergunningsbeslissing van de deputatie van 18 oktober
  18. Het derde middelonderdeel kan niet tot cassatie leiden. D. Vierde middel Standpunt van de verzoeksters
  19. De verzoeksters voeren de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), VCRO, “artikel 3.1.4 en artikel 4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van de gemeente Brasschaat”, artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en “het motiveringsbeginsel”: “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest vermeldt dat andere dakvormen dan daken met twee dakvlakken enkel toegelaten worden mits het voorleggen van een uitgewerkt straataanzicht volgens artikel 3.1.4 van de verordening en oordeelt dat, los van de vraag of het dossier een uitgewerkt straataanzicht bevat, dit artikel onder strikte voorwaarden een afwijkende dakvorm toelaat. […] Terwijl de bestreden beslissing een afwijkende dakvorm toelaat, maar niet vaststelt of er zich al dan niet een uitgewerkt straataanzicht in het dossier bevindt, minstens niet oordeelt dat de Deputatie ten onrechte niet heeft vastgesteld of er een uitgewerkt straataanzicht in het dossier bevindt. VII-41.346-15/21 Alzo worden artikel 3.1.4 en 4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van de gemeente Roosdaal geschonden, dat uitdrukkelijk voorziet in de aanwezigheid van een uitgewerkt straataanzicht. Eisers hadden nochtans gewezen in hun wederantwoordnota op de wettelijke verplichting van de aanwezigheid van een uitgewerkt straataanzicht en geargumenteerd dat er in het dossier geen uitgewerkt straataanzicht voorlag (p.46). Bovendien schendt de bestreden beslissing alzo het artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel, aangezien niet geantwoord werd op het middel van eisers dat er geen uitgewerkt straataanzicht voorlag, terwijl dit determinerend is voor het toestaan van een afwijkende dakvorm”. Beoordeling
  20. Het middel dat niet uiteenzet op welke wijze het bestreden arrest artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), VCRO schendt, is niet ontvankelijk.
  21. De motiveringsplicht die door de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aan de besturen worden opgelegd, geldt niet voor de bestuursrechter. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het deze bestuurlijke motiveringsplicht aanvoert.
  22. Het middel, in zoverre ontvankelijk, gaat terug op de verwerping door de RvVb van het vierde onderdeel van het tweede middel waarin de verzoeksters “in essentie [hebben aangevoerd] dat de artikelen 3.1.3 en 3.1.4 van de verordening werden geschonden. In strijd met deze verordening [...] werd de meergezinswoning afgewerkt met een plat dak”.
  23. De verzoeksters hebben in het vierde onderdeel van hun tweede middel enkel de schending van artikel 3.1.4 van voormelde gemeentelijke stedenbouwkundige verordening aangevoerd. VII-41.346-16/21 Het middel dat thans voor het eerst de schending van artikel 4 van dezelfde gemeentelijke stedenbouwkundige verordening aanvoert, is derhalve nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
  24. De RvVb motiveert de verwerping van het vierde onderdeel van het tweede middel als volgt: “Tot slot verduidelijkte het vernietigingsarrest van 28 april 2020 reeds dat daken minstens twee dakvlakken moeten hebben waarvan de helling ligt tussen 25° en 45° afwaarts tot op de buitenmuren die volledig eigendom van de bouwheer moeten zijn. Andere dakvormen worden enkel toegelaten mits het voorleggen van een uitgewerkt straataanzicht waaruit blijkt dat de gewenste woning met afwijkende dakvorm zich integreert binnen zijn onmiddellijke omgeving (tweede lid van artikel 3.1.4 ‘Garabiet’ van de verordening). De verzoekende partijen herhalen dat het dossier geen ‘uitgewerkt straataanzicht’ bevat. De Raad blijft erbij dat, los van de vraag of het dossier ‘een uitgewerkt straataanzicht bevat’ het tweede lid van artikel 3.1.4 ‘Gabariet’ van de verordening onder strikte voorwaarden een ‘afwijkende dakvorm’ toelaat. De verwerende partij kon redelijk oordelen dat het gebruik van een plat dak verantwoord wordt door de aanwezigheid van gebouwen in de directe omgeving die eveneens zijn afgewerkt met een plat dak”.
  25. De verzoeksters die “de aanwezigheid van gebouwen in de directe omgeving die eveneens zijn afgewerkt met een plat dak” niet betwisten, zetten niet concreet uiteen op welke wijze het bestreden arrest met deze overweging artikel 3.1.4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening schendt.
  26. Het bestreden arrest is met redenen omkleed.
  27. Het middel wordt verworpen. VII-41.346-17/21 E. Vijfde middel Standpunt van de verzoeksters
  28. De verzoeksters voeren de schending aan van de artikelen 1.1.4, 4.3.1, § 1, 1° en 4.3.1, § 2, VCRO, “het gezag van gewijsde”, de artikelen 23 en 27 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het motiveringsbeginsel: “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest vermeldt de verwerende partij in haar beoordeling van de inpasbaarheid van het project in de bestaande omgeving ook rekening moet houden met de bijdrage van het aangevraagde project aan de verhoging van het ruimtelijk rendement, waarbij geldt dat de rendementsverhoging de ruimtelijke kwaliteit van de woon- en leefomgeving niet in het gedrang mag brengen en dat de rendementsverhoging binnen die betrokken omgeving verantwoord is. Zij bevestigt dat het toepassen van de mogelijkheid tot het verhogen van het ruimtelijk rendement vereist dat, in de beoordeling van de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening, rekening wordt gehouden met de concrete kenmerken van de omgeving, om te bepalen of het bouwperceel een zwaar bouwprogramma toelaat (bijvoorbeeld grotere dichtheid, grotere bouwhoogte, andere functies) dan wel een minder zwaar bouwprogramma (bijvoorbeeld ruimte voor groen, minder grote dichtheid, lagere bouwhoogte, behoud van waardevolle gebouwen). Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest dat de verwerende partij met de herstelbeslissing is tegemoet gekomen aan de op haar rustende strengere motiveringsplicht, aangezien de verwerende partij verduidelijkt waarom ze met dit project tot een andersluidend oordeel is gekomen en in welk opzicht het project, dat in 2017 werd geweigerd, verschilt met het thans vergunde project. De Raad verwijst hierbij naar de bestreden beslissing die stelt dat de aanvraag ruimtelijk positief beoordeeld wordt door de aanpassingen inzake bouwdiepte, de afstanden tot de perceelsgrenzen, de gewijzigde invulling van handel naar kantoor en de aangepaste vloerpeilen met gewijzigde profielen, ook al blijft het aantal woonentiteiten behouden. […] Terwijl de Deputatie evenwel haar oordeel heeft geveld zonder rekening te houden met de beslissingen van het arrest van 28.04.2020 en zonder rekening te houden met de nadelige impact van het project op de bouwdichtheid en de draagkracht, de mobiliteitsimpact en de verkeersveiligheid en zonder de strengere motiveringsplicht te respecteren. Ten eerste, het argument van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28.04.2020 dat het motief dat met de aanpassingen binnen de aanvraag op VII-41.346-18/21 een heel deel punten tegemoet is gekomen aan de vorige weigering, geen voldoende concreet en precies onderzoek impliceert, alleen al op het feit dat binnen de aanvraag het aantal wooneenheden ongewijzigd blijft, geldt dan ook nog steeds. Hierdoor wordt het gezag van gewijsde van de beslissing van 28.04.2020 geschonden. Ten tweede is de Raad voor Vergunningsbetwistingen van oordeel dat de herstelbeslissing de strengere motiveringsplicht heeft gerespecteerd door de verschillen tussen het initiële project en de thans voorliggende aanvraag aan te duiden, met name ‘de aanpassingen inzake bouwdiepte, de afstanden tot de perceelsgrenzen, de gewijzigde invulling van handel naar kantoor en de aangepaste vloerpeilen met gewijzigde profielen’. Dit is echter slechts een klein deel van de door eisers aangehaalde bezwaren, terwijl aan de essentie niets gewijzigd werd: de woningdichtheid van het nieuwe project was nog altijd 44 woningen per hectare en het enorm hoge aantal woonentiteiten van 11 bleef behouden. Het nieuwe project is immers niet fundamenteel gewijzigd. De Raad voor Vergunningsbetwistingen haalt verder in haar beslissing aan (p. 90) dat de herstelbeslissing vermeldt dat er twee andere projecten in de buurt zijn in de onmiddellijke nabijheid langs de Kraanstraat met drie en vier woonentiteiten. Nochtans is er helemaal geen gelijkenis tussen 3 of 4 woonentiteiten en de 11 woonentiteiten van de nieuwe aanvraag. Dit vergelijken is totaal onredelijk. Ook is er geen enkel project in de buurt met een woondichtheid van 44 woningen per hectare of meer en blijft dit een te grote afwijking van de gemiddelde dichtheid in de nog landelijke kern van Borchtlombeek. Zodoende oordeelde de herstelbeslissing ten onrechte dat het nieuwe project bij de omgeving aansloot en ruimtelijk positief werd beoordeeld en voldoet zij niet aan de strengere en precieze motiveringsplicht. Door alzo te oordelen dat er voldaan wordt aan de ruimtelijke draagkracht en de goede ruimtelijke ordening, schendt deze beslissing de artikelen 4.3.
  29. § 1, 1° en 4.3.
  30. § 2, alsook artikel 1.1.
  31. VCRO. Ten derde, haalt de Raad voor Vergunningsbetwisting ten onrechte aan dat er tegemoet gekomen is aan het door de Raad gemaakte oordeel in het vernietigingsarrest van 28.04.2020 dat uit de motieven van de eerste beslissing niet blijkt of er ruimte is voorzien waar met de wagen kan gewacht worden of dat het gebeurlijk uitwerken van een voorrangsregeling aangewezen is. De Raad haalt aan (p. 93) dat er wordt voorzien in een lichtensysteem ter hoogte van de inrit naar de parkeergarage en er wordt voorzien in een ruimte waar met de wagen kan gewacht worden bij een rood licht. Evenwel hadden eisers aangehaald dat uit de plannen (stuk 12) bleek dat er voor de inrijdende wagen geen plaats voorzien is om te wachten en dat dit tot gevolg zou hebben dat de ‘wachtende wagen’ vervolgens zou moeten manoeuvreren over het fietspad en de rijweg, zodat dit een zeer onveilige situatie was (p. 67 wederantwoordnota). Eisers hadden hieraan toegevoegd dat ‘het tegendeel beweren’ strijdig was met de bouwplannen en dat er door Roels Projectontwikkeling enkel een afbeelding bijgebracht werd op pagina 36 van haar schriftelijke VII-41.346-19/21 uiteenzetting waaruit zou blijken dat op het eigen terrein ruimte voorzien is voor een wachtende auto, wat echter niet uit deze afbeelding bleek. Eisers vermelden in hun wederantwoordnota dat de bewijslast i.v.m. de wachtplaats bij Roels Projectontwikkeling lag, doch dat zij enkel konden vaststellen dat Roels Projectontwikkeling haar bewering niet staafde, noch aantoonde (p. 67 wederantwoordnota). Eisers besloten derhalve dat de administratieve overheid opnieuw tot een kennelijk onredelijk besluit was gekomen. Het was immers opmerkelijk dat het negatief advies inzake de verkeersveiligheid nog steeds niet werd gevolgd. De Raad voor Vergunningsbetwisting antwoordt echter niet op dit argument en stelt slechts dat ‘er wordt anderzijds voorzien in een ruimte waar met de wagen kan gewacht worden bij een rood licht’. Er werd niet aangeduid waaruit dit zou blijken, noch dat deze betwiste feitelijkheden zouden bewezen zijn. Hierdoor wordt het artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het motiveringsbeginsel geschonden. Een rechtsprekende instantie moet duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzetten die haar er toe brengt de aangebrachte beroepsgrieven te verwerpen en derhalve zijn beslissing te nemen (RvS Daou, nr. 203.876, 11.05.2010; RvS Coeck, nr.223796, 11.06.2013; RvS Deruyter, nr. 226.568, 27.02.2014)”. Beoordeling
  32. Het cassatieberoep kan enkel betrekking hebben op rechtsvragen. Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt immers dat de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaken zelf” treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep er niet toe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen.
  33. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest oordeelt dat de deputatie “met de herstelbeslissing is tegemoet gekomen aan de op haar rustende strengere motiveringsplicht […] zonder rekening te houden met de beslissingen van het arrest van 28.04.2020 en zonder rekening te houden met de nadelige impact van het project op de bouwdichtheid en de draagkracht, de mobiliteitsimpact en de verkeersveiligheid en zonder de strengere motiveringsplicht te respecteren”, noopt de Raad van State tot het overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb. VII-41.346-20/21
  34. Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
  35. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  36. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 22 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.346-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.490 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.