id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.492 Rolnummer: A. 229443/IX-9640 Zaak: Arrest 256492 - Tucht (openbaar ambt) - 11/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-22 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-10 08:58 Fiche Arrest nr 256.492 van 11 mei 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.492 van 11 mei 2023 in de zaak A. 229.443/IX-9640 In zake: Mia STRYMES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Heymans kantoor houdend te 9000 Gent Molenaarsstraat 109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AGENTSCHAP OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de administrateur-generaal van het agentschap Opgroeien Regie van 2 september 2019 waarbij aan Mia Strymes de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-9640-1/29 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 april
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valérie De Langhe, die loco advocaat Filip Heymans verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is sinds 1989 tewerkgesteld bij de verwerende partij (voorheen: Kind en Gezin) als verpleegkundige, sinds 1 januari 1995 in de graad van deskundige. Zij werkt er halftijds. 3.
- Na een intern onderzoek stelt de verwerende partij vast dat verzoekster “zoekt naar manieren om minder te moeten werken dan vooropgesteld in haar 5/10 opdracht” op een wijze die leidt naar een “onherstelbare vertrouwensbreuk”. IX-9640-2/29 Op 7 mei 2019 ontvangt verzoekster een afschrift van het voorstel tot het opleggen van de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’. De ten laste gelegde feiten worden daarin als volgt opgenomen: “Naar aanleiding van diverse signalen over de werking en agendaplanning van mevrouw Strymes bij het uitoefenen van haar job als verpleegkundige, werd een intern onderzoek gestart. Dit dieper onderzoek bracht de systematische fraude aan de oppervlakte. Volgende vaststellingen deden zich voor op regelmatige basis: • Diefstal van werktijd oa door o Recupereren van dagen/dagdelen/uren waarop niet gewerkt werd. o Een veelvoud recupereren van de ‘overgewerkte’ tijd. o Onwettige afwezigheid • Fraude: o Registreren van niet rechtstreekse dienstverlening zonder dat hier reële activiteiten tegenover staan o Het niet uitvoeren van huisbezoeken die geregistreerd worden als ‘Uitgevoerd’ • Schending van integriteit en betrouwbaarheid • Het benadelen van ouders door hen dienstverlening te ontzeggen • In gedrang brengen van de samenwerking o Het ontbreken van organisatiebetrokkenheid en loyauteit door het ondermijnen van de samenwerking van Kind en Gezin met externe partners. o Teamwerking.” 3.
- Op 14 juni 2019 neemt de algemeen directeur het besluit houdende uitspraak van de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’, dat na onder meer een herinnering aan de tenlasteleggingen de volgende overwegingen bevat: “Overwegende dat de feiten zijn vastgesteld in de referteperiode van de afgelopen 6 maanden en dat uit het dossier blijkt dat deze feiten zich mogelijkerwijs over een langere periode hebben voorgedaan; Overwegende dat de feiten zich structureel (er zijn bepaalde wederkerende patronen), systematisch (doen zich frequent voor) en intentioneel (betrokkene stelt bepaalde handelingen bewust om bepaalde zaken wel of niet te laten zien) voordoen en dat het derhalve gaat om fraude; Overwegende dat mevrouw Strymes als verdediging een werkwijze naar voor brengt die indruist tegen de regelgeving (cfr arbeidswetgeving) en tegen het beleid van Kind en Gezin en die niet conform de afspraken zijn binnen het team; IX-9640-3/29 Overwegende dat haar werkmethode in verband met het inplannen van huisbezoeken maakt dat ze onterecht vrije dagdelen voor zichzelf genereerde; Overwegende dat haar werkmethode in verband met het inplannen van recuperatie van dagdelen of uren waarop niet werd gewerkt en recuperatie van een veelvoud van (niet gewerkte) uren, maakt dat ze onterecht vrije dagdelen voor zichzelf genereerde; Overwegende dat ze tijdens de weken waarop ze volgens haar werkplan op donderdag moet werken, bewust manipulaties uitvoerde waardoor ze onterecht geen jaar- en ziekteverlof nam en dus onwettig afwezig was; Overwegende dat mevrouw Strymes in haar verdediging aanvoert dat er geen sprake is van onwettige afwezigheid omdat het gaat om een vergissing in het registreren van haar jaar- en ziekteverlof, terwijl uit verder nazicht blijkt dat het personeelsregistratiesysteem van SAP technisch geen vergissing toelaat en het derhalve om een bewust frauduleuze manipulatie gaat van haar agenda waardoor de onwettige afwezigheden bevestigd zijn; Overwegende dat door haar methodiek van registreren, collega’s die haar agenda raadplegen steeds geconfronteerd worden met een drukke agenda waardoor zij de indruk wekte het zeer druk te hebben waardoor ze geen extra dienstverlening kon opnemen; Overwegende dat mevrouw [T.] vraagt waarom de piste niet is bewandeld van functioneren; Overwegende dat de afweging werd gemaakt tussen onvoldoende functioneren en fraude, waarbij voldoende bewezen is dat de feiten zich structureel langdurig en intentioneel voordeden en het derhalve gaat om fraude; Overwegende dat, mocht het bijkomend gaan om mogelijke functioneringsproblemen, deze niet konden worden vastgesteld, aangezien mevrouw Strymes door het foutief invullen van de agenda er juist bewust voor zorgde dat deze werden gemaskeerd en ze er dus niet kon worden op aangesproken zodat het hier duidelijk gaat om bedrog wat aanleiding geeft tot een tuchtprocedure en niet tot een procedure in het kader van een evaluatie onvoldoende; Overwegende dat mevrouw Strymes huisbezoeken registreerde als uitgevoerd terwijl ouders bevestigen dat ze dit huisbezoek niet kregen; Overwegende dat mevrouw Strymes tijdens het verhoor blijft stellen dat de huisbezoeken wel werden uitgevoerd; Overwegende de bevestiging van de collega die mee het bezoek bracht bij een ander gezin op dat tijdstip nog eens bevestigt dat het genoemde kind en moeder niet aanwezig waren; Overwegende dat de werkgever vaststelt dat gelet op bovenstaande feiten, mevrouw Strymes onvoldoende dienstverlening en activiteiten levert en zo onvoldoende uren per week presteert; Overwegende dat mevrouw Strymes tijdens het verhoor herhaaldelijk haar antwoorden bijstuurde bij het verder doorvragen; IX-9640-4/29 Overwegende dat mevrouw Strymes haar werkwijze, die niet conform het arbeidsreglement noch de richtlijnen binnen Kind en Gezin is, blijft verdedigen en geen intentie toont om te veranderen; Overwegende dat de functie van een verpleegkundige een grote zelfstandigheid en vrijheid met zich meebrengt in het plannen en uitvoeren van haar opdracht waarbij de competenties betrouwbaarheid en klantgerichtheid noodzakelijk zijn en deze competenties bij mevrouw Strymes in onvoldoende mate aanwezig zijn; Overwegende dat, gelet op bovenstaande motivering en gelet op de grote vertrouwensbreuk, de herhaling van de feiten en het ontbreken van schuldbesef over het geheel van de ten laste gelegde feiten, zowel het afdelingshoofd als de algemeen directeur een verdere samenwerking niet mogelijk achten en de algemeen directeur het voorstel ‘ontslag van ambtswege’ als tuchtstraf wenst uit te spreken.” Verzoekster stelt hiertegen beroep in bij de raad van beroep, die op 19 juli 2019 besluit dat het beroep ongegrond is. 3.
- Op 2 september 2019 neemt de administrateur-generaal het bestreden besluit waarbij de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ wordt opgelegd aan verzoekster. Hij motiveert zijn beslissing als volgt: “Overwegende dat het voorstel van tuchtstraf gebaseerd is op volgende vaststellingen: • Diefstal van werktijd oa door o Recupereren van dagen/dagdelen/uren waarop niet werd gewerkt. o Een veelvoud recupereren van de overgewerkte tijd. o Onwettige afwezigheid • Fraude o Registreren van niet rechtstreekse dienstverlening zonder dat hier reële activiteiten tegenover staan o Het niet uitvoeren van huisbezoeken die geregistreerd worden als ‘Uitgevoerd’ • Schending van integriteit en betrouwbaarheid • Het benadelen van ouders door hen dienstverlening te ontzeggen • In gedrang brengen van de samenwerking o Het ontbreken van organisatie betrokkenheid en loyauteit door het ondermijnen van de samenwerking van Kind en Gezin met externe partners; o Teamwerking Overwegende dat in het advies van de raad van beroep wordt gesteld dat de motieven van de bestreden beslissing met betrekking tot het bewezen IX-9640-5/29 zijn van de ten laste gelegde feiten niet worden weerlegd door de argumenten aangebracht in beroep noch door deze worden ontkracht; De bewering dat de thans in vraag gestelde werkwijze van de verzoekster nooit eerder in vraag werd gesteld en zij voor bepaalde nalatigheden en/of onregelmatigheden nooit in gebreke werd gesteld is ter beoordeling van de ten laste gelegde feiten dienstig noch nuttig. De werkgever kan immers pas optreden wanneer hij op de hoogte is of wordt gesteld van onregelmatigheden/nalatigheden of malversaties wat in huidige zaak zeer recentelijk gebeurde met huidig tuchtonderzoek tot gevolg. Uit het uitlezen van de digitale agenda’s van de verzoekster volgt dat de analyse die verzoekster maakt met betrekking tot bepaalde data tot haar ontlasting, geenszins het motief van de bestreden beslissing ‘door het foutief invullen van de agenda er juist bewust voor zorgde dat deze werden gemaskeerd en ze er dus niet kon worden op aangesproken’ ondergraaft. De bestreden beschikking beoordeelt niet de individuele feiten als dusdanig doch een bepaald terugkerend patroon in de voorgelegde werkschema’s van de verzoekster wat haar moest toelaten onbestaande overuren te presteren met als doel het recupereren van deze ‘overuren’; Overwegende dat de raad van beroep in [zijn] advies stelt dat zowel uit het feitenonderzoek, de verklaring van verzoekster tijdens de hoorzitting als het onderzoek ter zitting volgt dat niet de leidinggevenden of het systeem – efficiënte werkmethode – de oorzaken zijn van het disfunctioneren van verzoekster maar het gevolg zijn van haar eigen ingesteldheid en het manipuleren van haar werkschema’s wat onder meer moest toelaten ‘overuren’ te recupereren; Overwegende dat de raad van beroep in [zijn] advies stelt dat de bestreden beslissing naar feit en weerhouden sanctie zorgvuldig en ernstig gemotiveerd is en de opgelegde tuchtsanctie in verhouding staat tot de ernst van de weerhouden feiten en de eraan gekoppelde inbreuken op de deontologische code zoals van toepassing op mevrouw Mia Strymes; Overwegende dat de raad van beroep in [zijn] advies stelt dat bij de beoordeling rekening werd gehouden met de goede staat van dienst van verzoekster maar dat dit geenszins de wetmatigheid van de opgelegde tuchtsanctie uitsluit die in verhouding staat tot de weerhouden vertrouwensbreuk. Dat dit klemt waar de verzoekster van geen of weinig schuldinzicht getuigt. Dat de raad de pertinente redengeving van de bestreden beslissing bijtreedt en deze beschouwt als hernomen en overgenomen ter motivering van [zijn] advies; Overwegende dat ik als administrateur-generaal de motivering van de beslissing zowel in het dossier als in het besluit van de algemeen directeur van 14 juni 2019 grondig heb gelezen en ik me hier volledig bij aansluit en me de motivering van de tuchtstraf in het besluit van de algemeen directeur van 14 juni 2019 eigen maak; Overwegende dat het advies van de raad van beroep, waarin [hij] met vier stemmen tegen drie, adviseert dat het beroep ongegrond is en mevrouw Mia Strymes in aanmerking komt voor de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’; IX-9640-6/29 Overwegende dat de functie van een verpleegkundige een grote zelfstandigheid en vrijheid met zich meebrengt in het plannen en uitvoeren van haar opdracht waarbij de competenties betrouwbaarheid en klantgerichtheid noodzakelijk zijn en deze competenties bij mevrouw Strymes in onvoldoende mate aanwezig zijn; Overwegende dat een heroriëntering van mevrouw Strymes naar een andere functie binnen Kind en Gezin en binnen de Vlaamse overheid geen alternatief kan zijn aangezien de competenties betrouwbaarheid en klantgerichtheid basiscompetenties zijn die bij elke functie noodzakelijk zijn, zeker gelet op de zelforganiserende teams waar een grote zelfstandigheid en verantwoordelijkheid aan de basis liggen voor de samenwerking; Overwegende dat mevrouw Strymes, in geen enkele fase van de tuchtprocedure, blijk geeft van de intentie om haar werkwijze aan te passen en tevens geen blijk geeft van de intentie om het vertrouwen te herstellen en klantgericht te werken, waardoor er geen fundament is voor een verdere samenwerking; Overwegende dat, gelet op bovenstaande motivering en gelet op de grote vertrouwensbreuk, de herhaling van de feiten en het ontbreken van schuldbesef over het geheel van de ten laste gelegde feiten, ik een verdere samenwerking niet mogelijk acht en dus de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ definitief wens uit te spreken.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Het eerste middel luidt: “geen schuldig gedrag vanwege de verzoekster – geen tuchtfeit.” 4.2.
- Volgens verzoekster is het bewijs van de ten laste gelegde feiten door de verwerende partij niet geleverd. 4.2.
- Verzoekster meent dat er geen ‘diefstal van werktijd’ is. Zij legt uit dat zij bij de verwerende partij werkte in dagdelen zonder tijdsregistratie. Zij wijst op bijlage 1 bij het arbeidsreglement ‘Het Nieuwe Werken’ waarin in de mogelijkheid is voorzien om los van ruimte en tijd IX-9640-7/29 te werken en waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat er duidelijke afspraken met het afdelingshoofd gemaakt moeten worden over bereikbaarheid en beschikbaarheid tijdens de servicetijd. De verwerende partij heeft echter bij de uitvoering van een glijtijdsysteem niet eens in een registratiesysteem voorzien. Over het recupereren van meeruren bestaan al evenmin afspraken, minstens zijn ze zeer vaag. Verzoekster merkt op ook nooit te zijn aangesproken over het bijhouden en recupereren van meerprestaties. De sinds 2019 gehanteerde werkwijze via zelfsturende teams en met glijdende werkuren moest nog worden uitgewerkt. Geen van de personeelsleden wist hoe de glijtijd precies toegepast zou moeten worden “omdat er helemaal nog geen instructies en richtlijnen voorhanden zijn”. De principes die de verwerende partij hieromtrent in de tuchtprocedure heeft vooropgesteld, “werken dan misschien wel in een kantooromgeving, maar niet bij verpleegkun- digen die gehouden zijn aan de tijden van de consultatiebureaus en gemaakte afspraken betreffende huisbezoeken”. Aangezien het nieuwe glijtijdsysteem nog niet was uitgewerkt en er nog geen richtlijnen voorhanden waren, werkte verzoekster met het eigenhandig bijhouden van haar tijdsregistratie. Verzoekster stelt dat de verwerende partij tijdens het tuchtonderzoek het door haar aangebrachte verweer niet nader heeft onderzocht, laat staan weerlegd. Wat de beweerde ongewettigde afwezigheden betreft, meent verzoekster tijdens het verhoor op 27 mei 2017 (versta: 2019) en in haar beroepschrift voor de raad van beroep concreet te hebben aangetoond dat zij op de beweerde dagen niet ongewettigd afwezig was. 4.2.
- Verzoekster meent voorts dat er geen fraude is. In eerste instantie stelt verzoekster vast dat in het uiteindelijke tuchtbesluit van 2 september 2019 geen melding meer wordt gemaakt van de IX-9640-8/29 registratie van huisbezoeken die niet zouden zijn uitgevoerd. Verzoekster vermoedt dat het tuchtbesluit de beweerde fraude omtrent het recupereren van onbestaande overuren steunt op het advies van de raad van beroep met als besluit dat “de competenties betrouwbaarheid en klantgerichtheid die noodzakelijk zijn … bij mevrouw Strymes in onvoldoende mate aanwezig zijn”. Verzoekster merkt op dat zij tijdens het verhoor en in het kader van de procedure voor de raad van beroep betwist heeft dat zij niet-rechtstreekse dienstverlening zou hebben geregistreerd zonder dat hier reële activiteiten tegenover staan of dat zij huisbezoeken geregistreerd zou hebben die niet hebben plaatsgevonden. 4.2.
- Verzoekster stelt dat de verwerende partij ten onrechte ervan uitgegaan is dat er slechts werktijd is wanneer er activiteit geregistreerd wordt op een notebook. De gegevens, zoals geregistreerd in het Mirage-programma, geven echter geen correct beeld van de werktijd van verzoekster. Zij houdt immers veel administratie bij op papier. De verwerende partij heeft bovendien enkel in het Mirage- programma geregistreerde uren onderzocht. Andere pc-werkzaamheden werden niet onderzocht. Evenmin werd er rekening mee gehouden dat verzoekster over een smartphone van het werk beschikte en dat zij deze gebruikte om e-mails te lezen en te beantwoorden, voor whatsappberichten en om opzoekingen te doen. Het werk van verzoekster omvat trouwens veel meer dan het werk dat aan de hand van het Mirage-programma geregistreerd kan worden – zoals het klaarzetten voor de consultaties, het klaarzetten van folders, het voorbereiden van vaccins en het opruimen en afsluiten na de consultaties – wat door de verwerende partij evenmin in rekening werd genomen. Er zijn ook nooit opmerkingen geweest van de artsen over verzoekster. Uit dit alles volgt naar het oordeel van verzoekster dat de verwerende partij ten onrechte ervan uitgegaan is dat zij niet aan het werk was op ogenblikken dat haar notebook niet actief was. Het beweerde registreren van niet- IX-9640-9/29 rechtstreekse dienstverlening zonder dat hier reële activiteiten tegenover staan is derhalve niet bewezen. 4.2.
- Ook de registratie van niet-uitgevoerde huisbezoeken betwist verzoekster. Zij stelt dat haar verantwoording voor de verplaatsing van het huisbezoek naar 25 september 2018 door de verwerende partij zonder meer terzijde werd geschoven. Het huisbezoek van 19 maart 2019 heeft ook effectief plaatsgevonden, wat volgens verzoekster wordt bevestigd in haar papieren agenda en notities. Verzoekster legt uit dat ook het huisbezoek van 13 november 2018 plaatsvond, alsook het huisbezoek van 15 januari
- Wat dit laatste huisbezoek betreft, merkt verzoekster op dat uit het feit dat niets in het kindboekje vermeld staat, niet kan worden afgeleid dat zij er niet is geweest. Verzoekster concludeert dat haar hooguit verweten kan worden dat zij niet alle contacten of bezoeken in het dossier van het betreffende kind vermeld heeft of dat zij naliet om steeds haar notebook mee te nemen op huisbezoek. 4.2.
- Wat de overige tenlasteleggingen ‘schending van integriteit en betrouwbaarheid’, ‘het benadelen van ouders door hen dienstverlening te ontzeggen’ en het ‘in gedrang brengen van de samenwerking’ door ‘het ontbreken van organisatiebetrokkenheid en loyauteit en/of teamwerking’ betreft, doet verzoekster nog gelden dat die in het tuchtbesluit van 2 september 2019 op geen enkele wijze worden geconcretiseerd. Verzoekster is dan ook van oordeel dat de haar ten laste gelegde vaststellingen berusten op onjuiste of niet nauwkeurig vastgestelde feiten en aldus niet bewezen zijn. Allerminst kan uit de door de verwerende partij aangehaalde feiten een “bepaald terugkerend patroon” worden afgeleid. IX-9640-10/29 4.
- In ondergeschikte orde argumenteert verzoekster dat de beweerde tekortkomingen niet als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd, omdat ze niet het gevolg zijn van een schuldig gedrag in hoofde van verzoekster. De verwerende partij heeft naar het oordeel van verzoekster nagelaten hieromtrent de afweging te maken tussen een negatieve evaluatie omwille van het slecht functioneren ten gevolge van het onopzettelijk falen van de ambtenaar enerzijds en een tuchtsanctie omwille van het slecht functioneren ten gevolge van manifeste onwil in hoofde van de ambtenaar anderzijds. De verwerende partij heeft nagelaten het wezenlijk element van de schuldvraag nader te onderzoeken. Bij het vaststellen van nalatigheden of onregelmatigheden kan dit worden gekaderd in functioneringsgesprekken en evaluaties, maar de verwerende partij heeft verzoekster zelfs niet de kans geboden om haar prestatiepeil aan te passen of meer zorgvuldigheid aan de dag te leggen bij het registreren van haar prestaties. Een vergissing kan niet als een tuchtfeit worden gekwalificeerd en zelfs een laag prestatiepeil of onzorgvuldig werken kan slechts als een tuchtfeit worden beschouwd wanneer dit het gevolg is van schuldig gedrag. Verzoekster merkt nog op dat de verwerende partij er ook oog voor moest hebben dat de tekortkomingen van verzoekster (mede) veroorzaakt zijn door ernstige lacunes in de organisatie van de verwerende partij en het gebrek aan informatie en begeleiding van haar personeelsleden. Beoordeling
- De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de feitenvinding en de bewezenverklaring van de feiten, als op het vlak van IX-9640-11/29 de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten en op het vlak van de straftoemeting.
- De toelichting die verzoekster geeft aan het middel, komt neer op een herhaling, in grote lijnen, van het verweer dat zij meermaals heeft gevoerd in de loop van de tuchtprocedure. Zij lijkt zo aan de Raad van State te vragen om als beroepsorgaan nogmaals de feiten te onderzoeken en ze te beoordelen. Dat is evenwel niet de opdracht van de Raad als rechter van de wettigheid. Wanneer de Raad van State in het kader van een annulatieberoep geroepen wordt om uitspraak te doen over de rechtmatigheid van een beslissing, heeft hij niet tot taak om in de plaats van het bestuur uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan die beslissing ten grondslag liggende feiten moet worden beschouwd; hij vermag enkel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen, meer bepaald met inachtneming van de algemene beginselen van de bewijsvoering. Om de onwettigheid van de beslissing van de tuchtoverheid aan te tonen, kan verzoekster niet volstaan met het louter ontkennen of opnieuw in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling berust. Het ligt op haar weg om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
- Zoals zij het deed tijdens de tuchtprocedure, put verzoekster opnieuw argumenten uit de bijlage bij het arbeidsreglement met betrekking tot “plaats- en tijdsonafhankelijk werken”, waarover de verwerende partij in de tuchtprocedure heeft vastgesteld dat die bepalingen op verzoekster geen toepassing vinden. Verzoekster toont thans het tegendeel niet aan, maar herhaalt gewoon haar betoog. IX-9640-12/29 Verzoekster kan haar punt over het zogenaamde gebrek aan een uitgewerkte arbeidstijdregeling trouwens niet hardmaken. De arbeidstijdregeling voor personeelsleden van de verwerende partij wordt immers expliciet geregeld in haar arbeidsreglement – inzonderheid in titel 1 ‘arbeidsduur en werkroosters’ – dat wél van toepassing is op verzoekster. Hieruit blijkt dat verzoekster geacht wordt te werken met dagdelen binnen een basiswerkplan en dat verschuivingen of recuperatie slechts gebeuren na akkoord van de lijnverantwoordelijke.
- Dat zij zelf op haar manier haar werk en werktijd organiseert, schrijft verzoekster dan ook ten onrechte toe aan het ontbreken van een uitgewerkt glijtijdsysteem en het ontbreken van instructies en richtlijnen dienaangaande vanwege de verwerende partij. Meer nog, met deze argumentatie spreekt verzoekster de vaststellingen dat zij dagen, dagdelen of uren waarop niet werd gewerkt recupereerde en dat zij een veelvoud van de overgewerkte tijd recupereerde als dusdanig niet tegen. Verzoekster wordt immers niet “het eigenhandig bijhouden van haar tijdsregistratie” verweten, wel “diefstal van werktijd”, hierin gelegen dat zij bewust en met regelmaat die tijdsregistratie manipuleerde.
- Zo ook neemt verzoekster het de verwerende partij kwalijk dat zij geen aandacht geeft aan haar papieren agenda, terwijl in de tuchtprocedure is uiteengezet welk belang de notebook heeft en waarom zij geacht mag worden die te gebruiken. Zoals de verwerende partij toelicht, kunnen dienstverlening en administratie niet zonder computer worden uitgevoerd omdat alle kindgegevens steeds digitaal moeten worden geregistreerd en dient er technisch steeds een spoor te zijn van de activiteit die werd uitgevoerd. Het belang van registratie van cliëntgegevens is uitvoerig beschreven in een intern document (stuk 34 van het administratief dossier), dat verzoekster geacht wordt te (moeten) kennen. Verzoekster weerlegt zulks niet. Bovendien is het naar het oordeel van de Raad van State niet onredelijk dat het bestuur voor de bewijsvoering van de feiten meer waarde hecht aan de digitale gegevens (of het ontbreken ervan), meer bepaald op basis van de digitale agenda van verzoekster IX-9640-13/29 (agenda in het Mirage registratiesysteem en Outlookagenda), de door verzoekster uitgevoerde bewegingen in het Mirage registratiesysteem voor kindgegevens en de loggegevens voor de notebook van verzoekster, alsook mede aan de hand van steekproeven bij ouders uit het team van verzoekster, van getuigenissen en verklaringen van externe partners en collega’s en van de agenda van een collega, dan aan de eenzijdig opgestelde papieren agenda van verzoekster.
- Wat inzonderheid de ongewettigde afwezigheden betreft, blijkt uit het personeelsregistratiesysteem voor verlof(aanvragen) dat werkdagen enerzijds en vrije dagen anderzijds van het betreffende personeelslid duidelijk worden aangegeven alsook dat het personeelslid steeds zijn verlofaanvraag moet bevestigen. Verzoekster weerlegt niet “dat het personeelsregistratiesysteem van SAP technisch geen vergissing toelaat en het derhalve om een bewuste frauduleuze manipulatie gaat van haar agenda waardoor de onwettige [lees: ongewettigde] afwezigheden bevestigd zijn”.
- Het tuchtbesluit refereert nog steeds aan niet afgelegde huisbezoeken. Voor zover verzoekster het tegendeel beweert, mist deze bewering feitelijke grond. Ook die tenlastelegging steunt op het geheel van de meervermelde objectieve gegevens die als dusdanig evenmin worden weerlegd door de eigenhandige papieren administratie van verzoekster. Voor zover verzoekster voor een aantal huisbezoeken nog tracht aan te geven dat het feit dat ze niet zouden blijken uit bepaalde objectieve gegevens nog niet meteen hoeft te betekenen dat die huisbezoeken effectief niet hebben plaatsgevonden, moet worden opgemerkt dat er toch enigszins een minimum aan objectieve gegevens moet terug te vinden zijn rond die huisbezoeken. Wanneer geen enkel objectief gegeven over een bepaald huisbezoek kan worden teruggevonden, is het geenszins onredelijk dat de verwerende partij er voor het betreffende huisbezoek van uitgaat dat het in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden – en zulks des te meer als ook het betrokken gezin verklaart geen huisbezoek gekregen te hebben. IX-9640-14/29
- Verzoekster herhaalt in de toelichting bij het middel andermaal haar argumenten met betrekking tot de niet-rechtstreekse dienstverlening. Zo herhaalt zij het voorbeeld van het voorbereiden van de vaccins, ofschoon in de loop van de tuchtprocedure meermaals is opgemerkt dat dit geen hout snijdt omdat vaccins koud moeten staan en niet vooraf klaargelegd mogen worden. Zo herhaalt zij dat zij ook haar telefoon gebruikt om opzoekingen te doen, terwijl de verwerende partij daarop antwoordt dat relevante handelingen nog steeds een registratie behoeven en dat daarvan geen spoor terug te vinden is. Zo geeft zij als voorbeeld het lezen van folders, zonder te weerspreken dat er in de betrokken periode maar twee nieuwe folders uitkwamen en dat zij die hoe dan ook digitaal moet opvragen om ze te lezen en dat daarvan geen spoor terug te vinden is. Het klaarzetten of opruimen van de lokalen weerspreekt de verwerende partij door erop te wijzen dat dit gebeurt door vrijwilligers. Verzoekster toont het tegendeel niet aan en gaat in de memorie van wederantwoord op dit alles zelfs niet in. Daar staat tegenover dat in het tuchtdossier tal van voorbeelden zijn opgenomen waarbij verzoekster uren registreert nadat zij haar notebook al had afgesloten, waarover de verwerende partij in redelijkheid mocht aannemen dat het ongeloofwaardig is dat die door verzoekster eenzijdig geregistreerde activiteiten overheen die door haar geregistreerde periode kunnen of mogen worden gedaan zonder gebruik te maken van de notebook. Verzoekster weerlegt niet dat de verwerende partij op basis van de voorliggende gegevens, inzonderheid verzoeksters loggegevens, de tenlastelegging van het registreren van niet-rechtstreekse dienstverlening zonder dat hier reële activiteiten tegenover staan als bewezen mocht beschouwen.
- Verzoekster weerlegt niet dat de verwerende partij door het naast elkaar leggen van al deze verschillende gegevens in redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen en daarin een patroon heeft kunnen IX-9640-15/29 ontwaren van diefstal van werktijd en fraude, “structureel”, “systematisch” en “intentioneel”. Dat de verwerende partij sommige initieel in het tuchtdossier opgenomen gegevens niet in aanmerking heeft genomen, omdat ze voor die welbepaalde elementen twijfels had over het bedrieglijk opzet, weerlegt die conclusie niet.
- De opmerking van verzoekster over de “overige vaststellingen” kan niet slagen. Dat aan verzoekster ook nog “schending van integriteit en betrouwbaarheid”, “het benadelen van ouders door hen dienstverlening te ontzeggen” en “in het gedrang brengen van de samenwerking” ten laste gelegd wordt, is het logische gevolg van de bewezen houding die de verwerende partij op basis van een voldoende aantal concrete gegevens in hoofde van verzoekster heeft ontwaard. Verzoekster maakt dan ook allerminst aannemelijk dat deze “overige” tenlasteleggingen niet geconcretiseerd zouden zijn.
- Voor zover verzoekster in haar memorie van wederantwoord dieper ingaat op de vaststellingen over het recupereren van uren, door onder meer te wijzen op de flexibiliteit van haar werktijdregeling en zij deze vaststellingen alzo alsnog tracht tegen te spreken, kan niet worden ingezien dat zij deze argumentatie niet reeds in haar inleidend verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Deze argumentatie in haar memorie van wederantwoord is dan ook laattijdig en niet ontvankelijk.
- Dat de aan verzoekster verweten feiten, die een tekortkoming zijn aan haar beroepsplichten, een tuchtvergrijp zijn, kan in redelijkheid niet worden betwist. Ook is, zoals hiervóór vastgesteld, een structureel en intentioneel patroon van fraude waargenomen, hetgeen alleszins schuldig gedrag insluit. Het gaat niet om een eenmalig, bij vergissing gestelde handeling. IX-9640-16/29 Overigens vergist verzoekster zich, als zij meent dat een tuchtvergrijp opzet vereist. De professionele tekortkoming volstaat.
- Het middel wordt verworpen. IX-9640-17/29 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van het recht van verdediging. Zij betwist dat zij tijdens het verhoor van 27 mei 2019 al haar argumenten kon doen gelden. Zij kreeg niet de mogelijkheid om met betrekking tot de registratie van haar arbeidsduur dag per dag de gewerkte uren te overlopen. In de bestreden beslissing wordt vervolgens ten onrechte geen rekening gehouden met de door haar aangebrachte verantwoording en context. Verzoekster wijst erop dat de verwerende partij voor de niet- uitgevoerde huisbezoeken onder meer steunt op twee whatsappberichten, zonder te kijken naar de papieren agenda en de “beweging in Mirage”. Daarbij gaat het telkens om gezinnen waarvan de moeder het Nederlands niet machtig is en de vader niet thuis was op het moment van het huisbezoek, maar de communicatie wel met de vader werd gevoerd. De hieromtrent door verzoekster tijdens het verhoor van 27 mei 2019 gegeven uitleg heeft de verwerende partij nooit onderzocht. De verwerende partij heeft aldus de context van de feiten niet nader onderzocht en zij heeft ter zake geen bijkomend onderzoek ingesteld. Verzoekster is van oordeel dat haar recht van verdediging is geschonden doordat enkel de voor haar bezwarende elementen werden uitvergroot en argumenten à décharge niet nader werden onderzocht. Verzoekster stelt voorts dat het feit dat zij tijdens de tuchtprocedure de feiten heeft ontkend of heeft gesteld dat de haar verweten tekortkomingen geen intentionele grondslag hadden, door de tuchtoverheid beschouwd wordt als een gebrek aan schuldinzicht. Dit behoort daarentegen tot haar recht van verdediging. De wijze waarop zij zich heeft verantwoord en IX-9640-18/29 verdedigd tijdens de tuchtprocedure kan niet worden aangerekend als een bijkomend tuchtfeit of als een verzwarende omstandigheid. Verzoekster merkt nog op dat de vermelding in het proces- verbaal van het verhoor van 27 mei 2019 als zou zij “herhaaldelijk haar antwoorden [bijgestuurd hebben] tijdens het verhoor” onterecht is. Uit dit proces- verbaal blijkt integendeel dat zij tijdens dit verhoor weinig gezegd heeft. Beoordeling
- Verzoekster heeft naar aanleiding van en tijdens het verhoor van 27 mei 2019 ruimschoots de mogelijkheid gekregen haar argumenten te doen gelden. Dit blijkt vooreerst uit het feit dat zij een pleitnota heeft ingediend van zeventien bladzijden. Hierin heeft zij aldus schriftelijk haar argumentatie kenbaar kunnen maken en ook effectief kenbaar gemaakt, waaronder onder meer haar argumentatie over de registratie van haar arbeidsduur dag per dag. In tegenstelling tot wat zij beweert in de uiteenzetting van dit middel, heeft zij dus wel degelijk die registratie kunnen overlopen. Daarnaast blijkt dit verhoor te hebben geduurd van 15.00 uur tot 16.40 uur. Dit moet verzoekster toegelaten hebben om, naast haar schriftelijke argumentatie in haar pleitnota, ook nog eens mondeling haar verdediging te voeren. Verzoekster en haar raadgever zijn gedurende dit verhoor regelmatig aan het woord gekomen en zij kregen de kans vragen te beantwoorden en verzoeksters standpunt te laten kennen. Aldus werd verzoekster de mogelijkheid geboden zich te verweren. Waar verzoekster beweert dat zij bijna niet aan het woord is gekomen tijdens dit verhoor van 27 mei 2019, wordt dit tegengesproken door het proces-verbaal ervan, waaruit blijkt dat zowel verzoekster zelf als haar raadgever verzoeksters standpunt mondeling hebben toegelicht. Ook in de beroepsprocedure heeft verzoekster haar argumenten aan bod laten komen, dit zowel op schriftelijke wijze in haar 24 bladzijden IX-9640-19/29 tellende beroepschrift als mondeling tijdens de hoorzitting op 19 juli 2019 waar haar raadgever de beroepsakte en verzoeksters standpunt heeft toegelicht en verzoekster zelf het laatste woord heeft gekregen.
- In de loop van de tuchtprocedure is daarenboven ingegaan op de door verzoekster aangehaalde argumentatie, dit zowel in het tuchtbesluit van 14 juni 2019 als in het advies van de raad van beroep van 19 juli 2019, alsook in de bestreden beslissing van 2 september 2019 die uitdrukkelijk verwijst naar het advies van de raad van beroep en naar de motivering daarvan en die zich de motivering van het tuchtbesluit van 14 juni 2019 eigen maakt. In tegenstelling tot wat verzoekster betoogt, is haar argumentatie – en dus ook de argumentatie à décharge – wel degelijk onderzocht en in overweging genomen. Dat meer in het bijzonder zou zijn voorbijgegaan aan haar argumenten over de zogenaamde niet-uitgevoerde huisbezoeken, kan verzoekster niet volhouden. Zoals hiervóór aangegeven, steunt de verwerende partij op het geheel van de verschillende voorhanden zijnde objectieve gegevens, dus niet enkel op enkele whatsappberichten.
- Verzoekster heeft zich kunnen verweren en dit verweer is bij de besluitvorming betrokken. Het verweer werd onderzocht en in essentie beantwoord. Daarbij moet worden opgemerkt dat het niet vereist is dat op alle door verzoekster in haar verweer aangehaalde opmerkingen en bedenkingen afzonderlijk een antwoord wordt geformuleerd.
- De wijze waarop verzoekster zich heeft verdedigd tijdens de tuchtprocedure is haar niet als een afzonderlijk tuchtfeit verweten, noch in aanmerking genomen als een verzwarende omstandigheid die de strafmaat mee heeft bepaald. Dat verzoekster “getuigt van geen of weinig schuldinzicht” is een opvatting van de raad van beroep, die de administrateur-generaal – in IX-9640-20/29 tegenstelling tot de motieven van de directeur – zich niet uitdrukkelijk eigen maakt. In de eigen woorden van de administrateur-generaal in de bestreden beslissing heet het meer precies dat verzoekster “in geen enkele fase van de tuchtprocedure, blijk geeft van de intentie om haar werkwijze aan te passen en tevens geen blijk geeft van de intentie om het vertrouwen te herstellen en klantgericht te werken, waardoor er geen fundament is voor een verdere samenwerking”, wat hij vervolgens samenvat als het “ontbreken van schuldbesef over het geheel van de ten laste gelegde feiten”. De tuchtoverheid mag bij haar keuze van de strafmaat – zonder dat dit op zich het recht van verdediging schendt – rekening houden met alle gegevens eigen aan de persoon van de tuchtrechtelijk vervolgde en dus ook met diens spijt- en schuldinzicht, op voorwaarde dat zij hierbij niet de wijze bestraft waarop de tuchtrechtelijk vervolgde persoon zich heeft verdedigd. Er blijkt niet dat de tuchtoverheid in de voorliggende zaak verzoekster haar wijze van verweer kwalijk neemt en haar daarvoor bijkomend wenst te straffen. Evenmin is in de tuchtbeslissing te lezen dat dit voor het ontslag een medebepalende, verzwarende factor is geweest. Wat de tuchtoverheid afleidt uit de tuchtprocedure is louter de bevestiging van de onbetrouwbaarheid en het gebrek aan integriteit van verzoekster, die blijken uit de aard en het structureel karakter van de gepleegde en bewezen tuchtfeiten en die reeds als problematisch zijn aangemeld in de oorspronkelijke tenlastelegging. Het gaat om een ingesteldheid waarvan de administrateur-generaal vermocht aan te nemen dat ze geen intentie tot aanpassing laat blijken en een verdere samenwerking uitsluit.
- Het tweede middel is ongegrond. IX-9640-21/29 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Volgens haar blijkt uit de bestreden beslissing niet welke feiten of inbreuken op de deontologische code tot de opgelegde tuchtstraf hebben geleid. Verzoekster legt uit dat in de bestreden beslissing in algemene bewoordingen wordt verwezen naar de beweerde vaststellingen zonder dat concreet wordt aangetoond welke feiten al dan niet in aanmerking worden genomen. Hoewel in het tuchtbesluit van 14 juni 2019 melding wordt gemaakt van “registratie van huisbezoeken die niet werden uitgevoerd” en “onvoldoende uren prestaties per week”, wordt in de bestreden beslissing enkel nog verwezen naar “het foutief invullen van de agenda” met een “terugkerend patroon in de voorgelegde werkschema’s van de verzoekster, wat haar moest toelaten onbestaande overuren te presteren met als doel het recupereren van deze ‘overuren’”. De feiten waarop de bestreden ontslagbeslissing steunt, worden naar het oordeel van verzoekster dan ook niet concreet en volledig vermeld. Verzoekster betoogt voorts dat de bestreden ontslagbeslissing klaarblijkelijk steunt op haar beweerde foutieve registratie van werktijd. Op geen enkele wijze wordt echter kenbaar gemaakt welke werktijdregeling op haar van toepassing was, laat staan welke wettelijke bepalingen zij zou hebben overtreden. Waar verzoekster kennis had van het arbeidsreglement met de bijlagen 1 ‘Het Nieuwe Werken’ en 2 ‘Overzicht werkroosters deeltijdse personeelsleden’, heeft de verwerende partij nooit concreet toegelicht op welke wijze deze reglementering praktisch moest worden uitgevoerd. Bovendien werd noch in de IX-9640-22/29 loop van de tuchtprocedure, noch in de bestreden beslissing door de verwerende partij vermeld welke reglementaire bepalingen inzake werktijdregeling verzoekster zou hebben overtreden. Evenmin wordt in de bestreden beslissing de opgelegde strafmaat verantwoord, zo doet verzoekster nog gelden. Ondanks haar reeds dertigjarige loopbaan wordt niet verantwoord waarom de nagenoeg zwaarste tuchtstraf wordt opgelegd. Beoordeling
- Aan verzoekster is in wezen een patroon van oneigenlijk en frauduleus omgaan met haar werktijd verweten. Verzoekster kent het tuchtdossier en weet – zo blijkt ook uit haar verweer in het eerste middel – uit welke gedragingen dit patroon wordt afgeleid. Verzoekster kent het arbeidsreglement. Zij gaat er voorts aan voorbij dat de bestreden beslissing refereert aan het haar eveneens bekende tuchtbesluit van 14 juni
- Anders dan verzoekster beweert, wordt ten slotte de keuze van de strafmaat in de beslissing expliciet verantwoord.
- Er moet dan ook minstens worden vastgesteld dat het doel van de formelemotiveringsplicht is bereikt. Verzoekster beschikte over alle gegevens die haar in staat stellen om zich in rechte tegen de bestreden beslissing te verweren.
- Het middel is deels onontvankelijk, bij gebrek aan belang, deels ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel IX-9640-23/29
- Verzoekster voert in een vierde middel de schending aan van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat het tuchtonderzoek niet zonder vooringenomenheid is gevoerd. De verwerende partij heeft nagelaten de ten laste gelegde feiten grondig te onderzoeken. De verwerende partij heeft al evenzeer nagelaten te onderzoeken of de tegenover haar ingeroepen tekortkomingen te wijten zijn aan een schuldig gedrag dan wel of deze te wijten zijn aan de organisatorische lacunes binnen haar eigen werking. Verzoekster wijst er in dit verband op dat de leidinggevenden en hiërarchische oversten correct moeten aangeven hoe de werkplanning moet worden ingevuld. Voor zover er al iets op haar gedrag aan te merken is, stelt verzoekster dat de verwerende partij haar te gepasten tijde de concrete tekortkomingen in een gesprek dient voor te leggen. Verzoekster had alzo haar functioneren kunnen aanpassen. Indien de verwerende partij van oordeel was dat verzoekster niet over de nodige basiscompetenties beschikte om haar functie uit te oefenen, diende zij dit immers te remediëren in een functioneringsgesprek of evaluatie of door het nemen van een niet-tuchtrechtelijke maatregel in het belang van de dienst. Door desondanks zonder meer een tuchtprocedure op te starten, is er naar het oordeel van verzoekster dan ook sprake van onzorgvuldig handelen. Beoordeling
- Het verwijt van vooringenomenheid is een loutere, niet onderbouwde bewering. In die mate is het middel onontvankelijk.
- Ook het verwijt dat de tuchtoverheid de ten laste gelegde feiten niet grondig heeft onderzocht, wordt in dit middel niet nader uitgewerkt. Uit de verwerping van het eerste middel volgt dat dit verwijt faalt. IX-9640-24/29 Bij de bespreking van het eerste middel is voorts weerlegd dat verzoekster geen schuld treft. In die mate is het middel ook ongegrond. Wat voorts de hiërarchisch meerderen betreft, is in de bestreden beslissing opgemerkt dat hen geen verwijt treft precies omdat verzoekster haar misstappen zo heeft kunnen maskeren dat ze er niet op werd aangesproken, zodat de werkgever pas recent van de malversaties op de hoogte was. Verzoekster weerlegt die vaststelling niet, zodat het middel ook in die mate faalt.
- Geen bepaling of beginsel schrijft voor dat een tuchtvergrijp slechts bestraft mag worden nadat eerst remediërende functioneringsgesprekken zijn gevoerd of niet-tuchtrechtelijke maatregelen zijn getroffen. Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een vijfde middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. Zij stelt dat de verwerende partij bij de beoordeling van de tuchtsanctie ook de volgende elementen in overweging moest nemen: - In haar dertigjarige loopbaan werd verzoekster nooit aangesproken omtrent het bijhouden en rekenen van haar arbeidstijd. Zij heeft hieromtrent nooit opmerkingen gekregen in het kader van evaluaties of functioneringsgesprekken. - Verzoeksters blanco tuchtverleden diende als verzachtende omstandigheid zwaarder door te wegen omwille van haar dertigjarige loopbaan. Dit werd echter volkomen terzijde geschoven, minstens niet zorgvuldig beoordeeld. IX-9640-25/29 - Verzoekster was steeds bereid om in te springen voor vervangingen, wat de vlotte werking van de dienstverlening ten goede is gekomen. Verzoekster is ook nooit op haar attitude binnen de groep aangesproken, laat staan dat enig incident werd gemeld. Verzoekster besluit dat de tuchtmaatregel ‘ontslag van ambtswege’ in het geheel niet in verhouding staat tot de redenen waarop de verwerende partij steunt. Beoordeling
- Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Die discretionaire bevoegdheid is begrensd door het redelijkheidsbeginsel, wat inzake tucht impliceert dat een tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid moet staan tot de tuchtfeiten. Bij het beoordelen van de evenredigheid van een tuchtmaatregel mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid. Er kan slechts sprake zijn van een schending van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. Wat de Raad van State in het kader van het door hem uit te oefenen wettigheidstoezicht op de evenredigheid van tuchtsancties te doen staat, is nagaan of de opgelegde straf die grenzen te buiten gaat, met andere woorden of ze redelijkerwijze niet door de beugel kan. De vraag of er door de overheid binnen de perken van de redelijkheid mogelijk een andere – lichtere – straf kon zijn opgelegd, doet niet ter zake. IX-9640-26/29 De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de in het middel aangevoerde argumenten die volgens haar ervan doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoekster rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door haar aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de tuchtoverheid.
- Voorgaande uitgangspunten toepassend op de huidige zaak, kan de Raad van State niet besluiten dat de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel de grenzen van de redelijkheid en de proportionaliteit te buiten gaat. Uit de overwegingen van de tuchtoverheid blijkt dat de staat van dienst van verzoekster in ogenschouw is genomen, maar de verwerende partij niet toeliet anders aan te zien tegen het vastgestelde gebrek aan integriteit en de daaruit resulterende vertrouwensbreuk. Voorts is expliciet opgemerkt dat verzoekster zelf in de hand heeft gewerkt dat zij niet eerder aangesproken werd op haar functioneren.
- De feiten stellende tegenover de straf, toont verzoekster niet aan dat de tuchtoverheid de grenzen van haar beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan of dat het ten enenmale ondenkbaar is dat enig ander zorgvuldig handelend bestuur, geplaatst tegenover dezelfde gegevens, tot eenzelfde conclusie zou komen.
- Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-9640-27/29
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9640-28/29 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9640-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.492 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.