id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.494 Rolnummer: A. 231764/IX-10054 Zaak: Arrest 256494 - Penitentiair recht - 11/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-22 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 08:58 Fiche Arrest nr 256.494 van 11 mei 2023 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.494 van 11 mei 2023 in de zaak A. 231.764/IX-10.054 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ellen De Raedt kantoor houdend te 9000 Gent Begijnhoflaan 65 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 september 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur van de penitentiaire inrichting te Beveren van 14 juli 2020 waarbij aan XXXX de tuchtstraf wordt opgelegd van dertig dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte van 12 juli 2020 om 18.00 uur tot 11 augustus 2020 om 18.00 uur. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. IX-10.054-1/14 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jonathan Van Vlaenderen, die loco advocaat Ellen De Raedt verschijnt voor de verzoekende partij en attaché Wim Van Brussel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is ten tijde van de feiten opgesloten in de gevangenis te Beveren. Hij verblijft er in een open regime, in een duocel. 3.
- Op 12 juli 2020 wordt er lastens verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld, waarin de volgende feiten worden vermeld: “Tijdens een celcontrole op cel 924 waar gedetineerden […] en XXXX verblijven werd in een deoroller 5 bollen verboden substantie gevonden.” 3.
- Er wordt onmiddellijk een voorlopige maatregel opgelegd, met aanvang op 12 juli 2020 om 18.00 uur, waarbij verzoeker wordt verplicht tot een verblijf in de toegewezen verblijfsruimte. IX-10.054-2/14 3.
- Op 13 juli 2020 wordt aan verzoeker meegedeeld dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart en dat hij daartoe op 14 juli 2020 zal worden gehoord. 3.
- Op 14 juli 2020 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats, waarbij verzoeker wordt bijgestaan door een advocaat. De hoorzitting wordt in het verslag weergegeven als volgt: “D.: We zien elkaar in het kader van een tuchtprocedure, op zondag werd er in een deoroller bij u op cel 45 gram hasj gevonden. Ik luister. Adv.: Dit kwam echt als een donderslag bij heldere hemel. XXXX loopt hier een goed parcours, nooit tucht, eindelijk een verlof gehad na corona en nu dit. Mijn cliënt ontkent elke betrokkenheid. De deoroller is blijkbaar gevonden in de kast van zijn celgenoot. Als u gaat kijken naar zijn historiek bij de bestellingen op de kantine zal u vaststellen dat mijn cliënt nooit dergelijk type deo heeft besteld. Ondertussen heeft er een 3de partij toegegeven dat hij tijdens het open regime de deo is komen verstoppen in mijn cliënt zijn cel. Het gaat om een man die wel degelijk regelmatig langskwam en dan iets te drinken werd aangeboden. Mijn cliënt is heel erg duidelijk geweest naar zijn celgenoot, ik doe niet aan drugs of GSMs in deze cel. Er is dus toch wel enige reden tot twijfel dat mijn cliënt met deze vondst niets [versta: iets] te maken heeft. Het enige dat u hem ten laste kan leggen is het feit dat de drugs op zijn cel gevonden zijn. Ik denk trouwens ook met de vertrouwensjob die XXXX hier heeft hij dergelijke zaken ergens anders zou verstoppen dan bij hem op cel. Mijn cliënt zet hiermee veel op het spel PV, zijn vertrouwensjob, open regime. D.: Dat klopt. Ged.: Ik ben 20.06.2020 op verlof geweest, ben onderworpen aan alle controles er werd niets gevonden bij terugkomst. Stel dat ik dit zou doen ga ik zoiets niet op cel verstoppen. Adv.: Mijn cliënt geeft ook aan dat hij naar het gesloten regime wil gaan, hij voelt zich nu misbruikt door het systeem van open regime. D.: Waarom zou iemand 46 gram, wat een grote hoeveelheid is, achterlaten bij iemand anders op cel? Ik moet zeggen dit is de eerste keer dat iemand zomaar uit het niets zoiets komt bekennen. Adv.: Omdat mijn cliënt nu éénmaal een vertrouwensjob heeft en hij hierdoor minder vaak verdacht wordt van dergelijke praktijken waardoor de controles afnemen. D.: Dus iemand komt op jullie cel binnen, zet daar rustig een potje deo in de kast en niemand van jullie merkt ook maar iets op. Ged.: Ik ben net zo teleurgesteld als u mevrouw […]. Die jongen heeft amper geld en komt regelmatig bij ons iets drinken, we maken soms lekker eten klaar, hij eet dan een hapje mee. Ik denk net omdat wij zo correct met hem waren hij eerlijk wou zijn. Ik heb hier niets extra nodig, ik heb geld, de job doet me goed omdat de dagen sneller gaan. We hebben tijdens corona IX-10.054-3/14 gans de bibliotheek herschikt kregen hiervoor lof van mevr. […]. Ik word nu door het personeel anders bekeken voor iets waar ik helemaal niets mee te maken heb. Ik ga me echt niet met zo een zaken bezig houden. D.: U heeft verlof […] en werd in het verleden hier door medegedetineerden onder druk gezet. Ged.: De man die me hier onder druk heeft gezet is ondertussen vertrokken. Ik krijg wekelijks de vraag via mijn job voor zaken door te geven. Nooit op al die tijd heb ik ook maar overwogen om hierin mee te gaan, ik weiger dit resoluut. Ik was vooral heel boos nadat het personeel me zei wat er gevonden was. D.: Wij kregen een ander signaal, dat u eerder onbewogen bleef en niet erg geschrokken leek. Ged.: Ik was zo verbaasd dat ik inderdaad amper reageerde. Het personeel komt ons halen voor de controle wij gaan vlotjes mee omdat ik wist dat men niets fout kon vinden. D.: Er werd zondagavond vastgesteld dat de man die nu de verantwoordelijkheid opneemt tijdens het open regime vanuit cel 923 met jullie heeft gepraat. Ged.: Die praten niet in het [N]ederlands, dus ik begrijp hen niet. Als er dan al iets zou afgesproken zijn dan zal dit zijn tussen mijn celgenoot en hem. Ik heb vooral een discussie gehad met mijn celgenoot over wat er allemaal aan de hand was. Wij waren op zoek naar antwoorden. Ik neem hier geen enkel risico mevrouw [...], mijn reclassering staat met stip op
- Adv.: Ik wil eigenlijk gewoon benadrukken dat mijn cliënt ontkent en de deo werd gevonden in de kast van zijn celgenoot. Ik denk dat dit voldoende is voor het voordeel van twijfel te geven aan mijn cliënt. Ged.: Ik word hier gewoon misselijk van mevrouw, ik zweer op de gezondheid van mijn kinderen dat ik hier niets mee te maken heb. Ik hoop dat wanneer u kijkt naar wie ik ben, u weet dat ik hier niets mee te maken heb. D.: We gaan later een beslissing nemen, ik ga eerst ook uw celgenoot horen. Als wij u toch verantwoordelijk achten gaat dit gevolgen hebben. U zal hier een sanctie voor krijgen, wij dienen dit door te geven aan DDB en ook het parket werd reeds op de hoogte gebracht. Adv.: Ik denk dat wanneer we alles op een rijtje zetten hier het voordeel van twijfel moet gegeven worden. Enige punt ter discussie is het feit dat dit op zijn cel werd gevonden. Juridisch kan hij hier niet verantwoordelijk worden voor gesteld. Hij weet welke verantwoordelijkheden hij draagt en net daarom gaat hij dit niet op het spel zetten.” Volgens het verslag vangt de hoorzitting aan om 10.48 uur en wordt ze om 10.54 uur beëindigd. 3.
- De directeur beslist vervolgens op 14 juli 2020 om verzoeker de tuchtstraf op te leggen van dertig dagen afzondering in de aan de gedetineerde IX-10.054-4/14 toegewezen verblijfsruimte van 12 juli 2020 om 18.00 uur tot 11 augustus 2020 om 18.00 uur wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Tijdens een celcontrole bij betrokkene werd in een groene deo-roller 5 zakjes verdachte substantie gevonden die samen 46 gram wegen. De substantie werd gevonden in de kast van [verzoekers celgenoot]. Tijdens het open regime van zondag 12.07.2020 werd vastgesteld dat er via het raam overleg was tussen betrokkene en [N.C.]. [N.C.] geeft na het open regime aan bij het personeel dat hij verantwoordelijk is voor de gevonden substantie, hij zou deze verstopt hebben in de verblijfsruimte van betrokkene. Bij de eerste verklaring van [N.C.] is het opvallend dat hij aangeeft dat de substantie in een witte deo-roller verstopt is en bestaat uit 3 zakjes, er werden derhalve 2 foute feitelijkheden weergegeven door [N.C.]. We stellen vast dat tijdens de hoorzittingen de verklaringen nagenoeg op elkaar zijn afgestemd. Hoewel er een verklaring is van [N.C.] dat hij de feiten op zich neemt achten we deze verklaring op basis van de voorhanden gegeven feitelijkheden, als zeer onwaarschijnlijk. Vooreerst lag de substantie in een gesloten kast. Het lijkt ons weinig waarschijnlijk dat meneer XXXX een andere gedetineerde de kans zou geven dit te kunnen verstoppen in zijn kast. Alles wijst erop dat de 3 verklaringen die zijn afgelegd geen correcte weergave zijn van de werkelijkheid. Wij komen tot de conclusie dat meneer XXXX verantwoordelijk is voor het bezit van verboden substantie op cel. Gelet op het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden substanties dient een sanctie opgelegd te worden. Het is voor gedetineerden verboden om in het bezit te zijn van wettelijk verboden zaken of substanties. Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur zijn bewezen. De opgelegde tuchtsanctie is o.i. evenredig aan de bedreiging die uitging van de tuchtrechterlijke inbreuk en is voldoende om te verhelpen hieraan.” IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen IX-10.054-5/14
- Het tweede middel is genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de feiten niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. Verzoeker voert aan dat de concrete omstandigheden waarin de feiten plaatsvonden niet worden vermeld in het rapport aan de directeur en al evenmin dat de verboden substantie is gevonden in de kast van zijn celgenoot, die met een cijferslot is beveiligd. De verwerende partij kan dan onmogelijk in de bestreden beslissing beweren dat de verboden substantie in verzoekers kast is gevonden, aangezien in het rapport aan de directeur niets wordt vermeld over de kasten en verzoeker tijdens het verhoor heeft verklaard dat de substantie in de kast van zijn celgenoot is gevonden. De bestreden beslissing steunt derhalve op onvolledige en incorrecte informatie. Voorts voert verzoeker ook aan dat in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting wordt vermeld dat deze is aangevangen om 10.48 uur en eindigde om 10.54 uur, terwijl, gelet op de lengte en de inhoud van het verslag, de hoorzitting langer dan zes minuten zal hebben geduurd. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat de rest van het verslag correct is. Ook in die zin steunt de bestreden beslissing op onvolledige en incorrecte informatie.
- De verwerende partij antwoordt op het tweede middel dat de directie, gelet op de spoed waarmee zij dient te oordelen, niet verplicht is om een onderzoek à décharge te voeren en te antwoorden op alle door verzoeker aangevoerde argumenten. Voorts wijst zij op de discretionaire bevoegdheid van de gevangenisdirectie bij de beoordeling of de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn. In casu heeft de gevangenisdirectie in alle redelijkheid en met de nodige zorgvuldigheid geoordeeld dat er geen reden was om te twijfelen aan de vaststellingen van drie personeelsleden, zoals omschreven in het rapport aan de directeur. Het is volgens de verwerende partij dan ook niet ernstig om te stellen dat zij haar beslissing zou hebben genomen op basis van onvolledige en incorrecte informatie, louter omwille van het feit dat het rapport summier is wat IX-10.054-6/14 betreft de concrete omstandigheden. Zij wijst erop dat de directie voor de feitenvinding niet alleen steunt op het rapport aan de directeur, maar ook op het onderzoek door de directeur en de hoorzitting. Uit dat onderzoek van de directeur is volgens de verwerende partij gebleken dat de verboden substantie is gevonden in de kast van verzoekers celgenoot, dat zowel verzoeker als zijn celgenoot in de cel beschikt over een kast die op slot kan en dat de desbetreffende kast op dat moment geopend was, maar niet stuk. Zowel verzoeker als zijn celgenoot is verantwoordelijk voor de zaken aanwezig in de cel. Na de vaststelling van de feiten hebben enkele personeelsleden gehoord dat er via het raam druk overleg plaatsvond tussen verzoeker, zijn celgenoot en N.C. Na dit overleg heeft N.C. te kennen gegeven dat hij verantwoordelijk was voor de gevonden substantie en dat hij deze zou hebben verstopt in de cel van verzoeker en zijn celgenoot. Uit de verklaring van N.C. blijkt evenwel dat hij niet op de hoogte is van enkele feitelijkheden, waarvan hij wel op de hoogte zou zijn indien hij de feiten zou hebben gepleegd. Verzoeker bevindt zich ook bijna steeds in zijn cel, wat het des te moeilijker maakt om te geloven dat hij niet zou opmerken dat een andere gedetineerde zomaar een gesloten kast opent om er iets in op te bergen. Na het horen van de drie betrokkenen, is het duidelijk geworden dat hun verklaringen nagenoeg op elkaar zijn afgestemd. Tot slot blijkt dat zowel verzoeker als zijn celgenoot beschikt over uitgangsmodaliteiten, financiële middelen en reclasseringsperspectieven in België, en dit in tegenstelling tot N.C., die sinds 19 oktober 2019 geen bezoek meer heeft ontvangen. Er kan dan ook geen geloof worden gehecht aan zijn verklaring. De verwerende partij merkt op dat deze elementen niet worden vermeld in het rapport aan de directeur aangezien ze pas na het opstellen ervan aan het licht kwamen. Deze bijkomende informatie is wel aangevoerd tijdens de hoorzitting en meegenomen in de motivering van de bestreden beslissing. Volgens de verwerende partij gaat verzoeker geheel voorbij aan de ongeloofwaardigheid van de verklaring van N.C. en de voormelde gegevens. Het is dan ook niet ernstig om te beweren dat haar beslissing steunt op onvolledige en incorrecte informatie. IX-10.054-7/14
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het rapport aan de directeur een cruciale rol speelt in de tuchtprocedure, daar het hét document bij uitstek is waarop de gevangenisdirecteur steunt om al dan niet een tuchtsanctie op te leggen. Er kan en mag dan ook worden verwacht dat het rapport volledig is en conform de wettelijke voorschriften is opgesteld. In casu is dit niet het geval en de gevangenisdirectie kon op grond van dit te bondig opgestelde rapport niet uitgaan van de juiste feitelijke gegevens. Bovendien zijn noch de opsteller van het rapport, noch de getuigen gehoord en hebben de betrokkenen een verklaring afgelegd die niet strookt met de bevindingen van het rapport. De feiten zijn niet nauwkeurig vastgesteld en dus kon er geen tuchtstraf worden opgelegd. Beoordeling 7.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Rekening houdend met het in tuchtzaken geldende vermoeden van onschuld, impliceert de zorgvuldigheidsplicht in casu dat de tuchtoverheid met inachtneming van de regels van de zorgvuldige bewijsvoering tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Zulks houdt in dat, als er tegenindicaties of betwistingen zijn omtrent de bewijswaarde van getuigenissen of verklaringen die niet ontbloot zijn van elk element van geloofwaardigheid, op de tuchtoverheid de hiervóór geschetste zorgvuldigheidsplicht rust bij het onderzoek van dit gegeven. IX-10.054-8/14 7.
- Luidens artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet) “[kan] [d]e gedetineerde […] alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht”. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van het ten laste gelegde tuchtvergrijp, doch ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) moet worden toegerekend. 7.
- De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel inzake de bewezenverklaring van de feiten, de tuchtrechtelijke kwalificatie ervan als inzake de (individuele) toerekenbaarheid ervan. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen of vermoedens. Indien, zoals in casu, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. IX-10.054-9/14 7.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de gevangenisdirecteur mag steunen op rapporten aan de directeur om tuchtvergrijpen bewezen te verklaren. Uit artikel 144, § 1, van de basiswet blijkt overigens dat het rapport aan de directeur het document bij uitstek is waarbij de tuchtfeiten worden vastgesteld. Het is aldus de eerste bron waarop de gevangenisdirecteur bij zijn feitenvinding mag steunen. Voorts beoordeelt de gevangenisdirecteur, binnen de hiervoor gestelde perken, vrij de bewijswaarde ervan. Uitgaande van beëdigde ambtenaren in de uitoefening van hun functie bewijzen de rapporten de erin vermelde feiten, tenzij er tegenindicaties blijken of worden aangevoerd, die de directeur moet onderzoeken en beoordelen. 7.
- Blijkens de bestreden beslissing gaat de verwerende partij ervan uit dat verzoeker verantwoordelijk is voor het bezit van de verboden substantie in de cel. De verwerende partij leidt dit af uit het rapport aan de directeur van 12 juli 2020, het onderzoek gevoerd door de directeur en het verhoor van verzoeker, zijn celgenoot en N.C. – een derde gedetineerde. In het kader van het aangevoerde tweede middel rijst de vraag of de tuchtoverheid bij de feitenvinding de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd en of genoegzaam is aangetoond dat het tuchtvergrijp individueel aan verzoeker kan worden toegerekend. 7.
- In het rapport aan de directeur van 12 juli 2020 wordt enkel het volgende vermeld: “Tijdens een celcontrole op cel 924 waar gedetineerden […] en XXXX verblijven werd in een deoroller 5 bollen verboden substantie gevonden.” De summiere bewoordingen van het rapport aan de directeur laten niet toe om hieruit het bewijs van de toerekenbaarheid van de feiten aan verzoeker af te leiden. IX-10.054-10/14 Dat de gevangenisdirectie volgens de verwerende partij in alle redelijkheid en met de nodige zorgvuldigheid heeft geoordeeld dat er geen reden was om te twijfelen aan de vaststellingen van drie personeelsleden, zoals omschreven in het rapport aan de directeur, volstaat dan ook niet om verzoeker schuldig te bevinden aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk. 7.
- Daarbij komt dat verzoeker voor de in het rapport gedane vaststellingen tegenindicaties heeft aangevoerd en dat hij heeft gevraagd om bijkomende onderzoeksdaden te stellen in verband met de individuele toerekenbaarheid van de feiten. Verzoeker heeft tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting elke betrokkenheid ontkend en aangevoerd dat hij verblijft in een duocel en dat de deoroller gevonden is in de kast van zijn celgenoot en dus niet in de zijne. Hij heeft ook gevraagd om de historiek van de bestellingen in de kantine na te gaan, waaruit zou moeten blijken dat hij nooit een dergelijk type deoroller heeft besteld. Verzoeker verwijst ook naar het feit dat een derde partij intussen heeft toegegeven dat zij tijdens het open regime de deoroller is komen verstoppen in de gemeenschappelijke cel van verzoeker en zijn celgenoot. Hij wijst ook op zijn vertrouwensfunctie en hij stelt dat als er al iets zou zijn afgesproken, dat in een andere taal gebeurde tussen deze derde en zijn celgenoot, maar niet met hem. Noch tijdens het onderzoek door de directeur, noch tijdens de hoorzitting, blijkt dat de tuchtoverheid de opmerkingen van verzoeker, die niet ontbloot zijn van elk element van geloofwaardigheid of pertinentie, heeft onderzocht, laat staan dat zij de gevraagde onderzoeksdaad heeft gesteld. De tuchtoverheid is wel van oordeel dat de verklaring van N.C. niet geloofwaardig is, maar gaat er dan zomaar van uit dat verzoeker verantwoordelijk is voor het bezit van de verboden substantie in de cel. IX-10.054-11/14 Op dat punt heeft de verwerende partij niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd bij het bewijzen van de toerekenbaarheid van de feiten aan verzoeker. 7.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtoverheid niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd bij de feitenvinding. Enerzijds wordt immers overwogen dat “[d]e substantie werd gevonden in de kast van [verzoekers celgenoot]”, anderzijds dat “[h]et […] weinig waarschijnlijk [lijkt] dat meneer XXXX een andere gedetineerde de kans zou geven dit te kunnen verstoppen in zijn kast”. De motivering van de bestreden beslissing is met andere woorden intern tegenstrijdig inzake de plaats waar de verboden substantie is aangetroffen en dus ook waarop de bestreden tuchtbeslissing is gesteund. Terecht wijst verzoeker erop dat de verwerende partij onmogelijk kan stellen dat de verboden substantie in zijn kast is gevonden, aangezien in het rapport aan de directeur niets wordt vermeld over de kasten en verzoeker tijdens het verhoor heeft verklaard dat de substantie in de kast van zijn celgenoot is gevonden. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord overigens ook niet dat de verboden substantie is gevonden in de kast van verzoekers celgenoot, dus niet in die van verzoeker. 7.
- Voorts blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing niet dat genoegzaam is aangetoond dat het tuchtvergrijp individueel aan verzoeker kan worden toegerekend. De bijkomende motivering die de verwerende partij op dit punt nog aanvoert in de memorie van antwoord aangaande het onderzoek van de directeur, vindt geen bevestiging in de bestreden tuchtbeslissing zelf, noch in de stukken van het administratief dossier. Waar de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat uit onderzoek van de directeur is gebleken dat “[d]e desbetreffende locker […] op dat moment geopend [was], maar niet stuk”, druist dit ook in tegen de motivering van de bestreden beslissing waarin wordt gesteld “[v]ooreerst lag de substantie in een gesloten kast”. IX-10.054-12/14 7.
- Overigens dient ook met verzoeker te worden vastgesteld dat de verwerende partij in haar antwoord op het derde middel volledig voorbijgaat aan zijn grieven aangaande het gebrek aan bewijs van toerekenbaarheid van de feiten aan verzoeker. 7.
- Er moet dan ook worden besloten dat niet blijkt dat de tuchtoverheid bij de feitenvinding de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd en evenmin genoegzaam is aangetoond dat het tuchtvergrijp individueel aan verzoeker kan worden toegerekend.
- Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur van de penitentiaire inrichting te Beveren van 14 juli 2020 waarbij aan XXXX de tuchtstraf wordt opgelegd van dertig dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte van 12 juli 2020 om 18.00 uur tot 11 augustus 2020 om 18.00 uur.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, IX-10.054-13/14 Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.054-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div