← België

Arrest 256496 - Dierenwelzijn - 11/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.496 Rolnummer: A. 233817/VII-41139 Zaak: Arrest 256496 - Dierenwelzijn - 11/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-22 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 08:58 Fiche Arrest nr 256.496 van 11 mei 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.496 van 11 mei 2023 in de zaak A. é.817/VII-41.139 In zake : Maher ABDALLAH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Gentstraat 152 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Valérie De Schepper kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 juni 2021, strekt tot nietigverklaring van “de beslissing van de secretaris-generaal van het Departement Omgeving, afdeling strategie, internationaal beleid en dierenwelzijn – Inspectiedienst Dierenwelzijn d.d. 7 april 2021 betreffende de bestemming van de hond van [Maher Abdallah]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 251.677 van 30 september 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en de vraag tot het bevelen van voorlopige maatregelen verworpen. VII-41.139-1/9 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 11 oktober 2022 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Opsommer, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Valérie De Schepper, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De lokale politie stelt op 8 februari 2021 vast dat de hond van verzoeker (‘Rex’) buitenshuis verblijft, vastgemaakt aan een ketting, hoewel het op dat moment vriest en sneeuwt. Verzoeker vertoeft op dat ogenblik in het buitenland VII-41.139-2/9 en in het proces-verbaal OU.63.L3.000624/2021 wordt opgenomen dat de echtgenote van verzoeker aan de politie meldt dat zij geen tijd heeft om aandacht te geven aan de hond. De volgende dag constateert de politie dat de hond nog steeds in dezelfde omstandigheden wordt gehuisvest, hoewel het dan nog kouder is, waarbij het water in de drinkbak van de hond is bevroren. De hond wordt door de politie in beslag genomen.
  6. Verzoeker, bijgestaan door een raadsman, wordt op 9 maart 2021 verhoord.
  7. De hond wordt door het departement Omgeving bij beslissing van 7 april 2021, in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’, in volle eigendom gegeven aan een dierenasiel dat daarmee instemt. De bestreden beslissing steunt op volgende overwegingen: “Gelet op de vaststellingen van de lokale politie die erop wijzen dat er niet voldaan wordt aan de ethologische en fysiologische behoeften van de hond: - De hond werd bij vriestemperaturen tot -10°C constant buiten gehuisvest, met in zijn schuilhok enkel een bevroren matras als ligbed; - De hond had geen drinkwater ter beschikking; - De hond krijgt geen geoorloofd gedrag aangeleerd van betrokkenen; Gelet op de onaangepaste huisvesting op het moment van de inbeslagname; Gelet op het feit dat het een hond met een korte vacht betreft, die niet bestand is tegen een langdurige blootstelling aan zulke koude temperaturen; Gelet op het feit dat betrokkenen niet van mening zijn dat de leefomstandigheden van hond moeten veranderen; Gelet op het feit dat, ondanks vele tussenkomsten door politie, betrokkenen geen intentie tonen om de verzorging van en omgang met hun hond te verbeteren; Gelet op het feit dat uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat betrokkenen geen inzicht vertonen in het behoorlijk houden van honden en er als gevolg niet naar handelen; Gelet op feit dat er door ABDALLAH en BEN LETAIEF tegenstrijdige verklaringen worden afgelegd in hun verhoor; VII-41.139-3/9 Gelet op het feit dat BEN LETAIEF tegenstrijdige verklaringen aflegt: de spontane verklaringen tijdens de controle op 8-02-2021 wijken sterk af van de verklaring afgenomen tijdens het verhoor; Gelet op bovenstaande waaruit blijkt dat de verklaringen van ABDALLAH en BEN LETAIEF onwaarheden bevatten; Gelet op de tegenstrijdigheden en onwaarheden in de verklaringen van betrokkenen betreffende de verzorging, huisvesting en sociale omgang met de hond, hetgeen onzekerheid geeft over hun intenties en daadkracht in de toekomst; Gelet op de foto’s van de aangepaste huisvesting die bezorgd werden aan onze dienst, die geschikt ogen voor een hond mits correct gebruik en voorkomen van ontsnappen; Evenwel gelet op de tegenstrijdigheden en onwaarheden in de verklaringen van ABDALLAH en BEN LETAIEF waarbij zij hun tekortkomingen in de huisvesting en verzorging van de hond ontkennen of minimaliseren, hetgeen aangeeft dat zij geen schuldinzicht hebben of onwetend zijn over de werkelijke welzijnsbehoeften van hun hond, waardoor er geen garantie is voor correct gebruik van de aangepaste huisvestingsinfrastructuur; Gelet op de 3 getuigenverklaringen waaruit blijkt dat de hond mishandeld (geslagen met een stok) wordt; Gelet op het feit dat er veel tegenstrijdigheden zijn tussen de 3 getuigenverklaringen enerzijds en de verhoren van de betrokkenen anderzijds; Gelet op de foto waaruit blijkt dat ABDALLAH naast zijn etende hond staat met een stok in de hand, hetgeen ABDALLAH en BEN LETAIEF met klem ontkennen in hun verhoor; Gelet op de getuigenissen van bijtincidenten met de hond, die wijzen op een gebrek aan inzicht bij betrokkenen over het gedrag van honden en gebrek aan verantwoordelijkheidszin als baas van de hond; Gelet op de informatie van het asiel; Gelet op de gedragingen van de hond, die niet overeenstemmen met wat men van een normaal gesocialiseerde hond verwacht; Gelet op het voorgaande waardoor het niet aangewezen is de hond terug te brengen in een omgeving waar het in zijn welzijn, wat betreft het uiten van normaal gedrag en het voorkomen van angst, stress en fysiek en mentaal lijden, gestoord wordt; Gelet op de aanhoudende contactopnamen van betrokkenen waaruit de wens van betrokkenen en de gezinsleden blijkt om de hond terug te krijgen, doch dat zij onvoldoende overtuigende elementen aanbrengen waaruit blijkt dat zij inzicht hebben in de behoeften van hun hond en dat de correcte verzorging van en omgang met de hond blijvend en op ieder moment gegarandeerd is; Gelet op het feit dat het om bovenstaande redenen onverantwoord zou zijn om de hond terug te geven; Gelet op het feit dat de kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen; Gelet op de nakende uiterste termijn voor het nemen van de bestemmingsbeslissing. Gelet op het feit dat de hond geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde heeft die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, VII-41.139-4/9 huisvesting en verzorging overeenkomstig de ethologische en fysiologische behoeften”. IV. Ontvankelijkheid – Exceptie inzake het belang Uiteenzetting
  8. Verzoeker omschrijft in het verzoekschrift zijn belang als volgt: “Het bestreden bestemmingsbesluit geeft de hond van verzoeker, Rex, definitief in volle eigendom aan het asiel. Dit geeft de mogelijkheid aan het asiel om de hond van verzoeker te verkopen, maar bijvoorbeeld ook om hem te (laten) euthanaseren. Verzoeker wordt aldus, door de bestreden beslissing, een dier waarvan hij eigenaar is, ontnomen. Op deze manier wordt het eigendomsrecht van verzoeker aangetast. Hierdoor lijdt verzoeker dus materiële schade, die hij wenst te vermijden door het voeren van huidige procedure. Verzoeker is bovendien erg gehecht aan zijn hond en lijdt dan ook sterk onder de situatie ingevolge het weghalen van zijn hond […]. Verzoeker heeft er bijgevolg ook moreel belang bij dat de bestreden beslissing wordt vernietigd en geschorst. Enkel door een vernietiging van het bestreden bestemmingsbesluit, kan verzoeker zijn hond nog terugkrijgen”.
  9. De verwerende partij werpt op dat het verzoeker het rechtens vereiste belang ontbeert. Zij betoogt dat de hond definitief in eigendom werd gegeven aan het dierenasiel, waardoor de verwerende partij, zelfs na een vernietiging van de bestreden beslissing door de Raad van State, niet meer kan beslissen om de hond terug te geven aan de verzoekende partij.
  10. Verzoeker repliceert: “Gelet op de mogelijkheid uit art. 42 § 2 van de Dierenwelzijnswet om de hond Rex, al dan niet tegen waarborgsom, terug te geven aan verzoeker als verantwoordelijke van het dier, heeft met andere woorden voor gevolg dat verzoeker door de vernietiging van de bestreden beslissing wel de kans herwint opdat hij, al dan niet tegen waarborgsom, als bestemming van het dier wordt aangewezen. Vervolgens is verzoeker van oordeel dat een eventuele eigendomsoverdracht aan een asiel kan worden vernietigd via de burgerlijke rechtbank wanneer blijkt dat deze op een onrechtmatige wijze is tot stand gekomen, waarbij een gebeurlijke vernietiging van de bestreden VII-41.139-5/9 beslissing door Uw Raad voor verzoeker een belangrijk argument zal zijn in de burgerlijke procedure. Bovendien kan een gebeurlijke vernietiging voor verzoeker minstens de mogelijkheid openen om schadevergoeding te eisen voor de ten onrechte overdacht van zijn hond aan een asiel”.
  11. De verwerende partij voegt in de laatste memorie toe dat de hond op 13 juli 2022 op vraag van het dierenasiel geëuthanaseerd werd om reden “van meerdere bijtincidenten”. Zij leidt hieruit af dat verzoeker “geen belang meer heeft bij de huidige procedure”. Aangezien “de hond niet meer in leven is, kan een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing in geen geval meer leiden tot de teruggave van de hond” aan verzoeker. Beoordeling
  12. Verzoeker koppelt zijn belang bij het beroep, zowel materieel als moreel, aan het terugkrijgen van zijn hond.
  13. Krachtens artikel 19, eerste lid, van de wetten ‘op de Raad van State’, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: de gecoördineerde wetten), kan een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld door iedere partij die doet blijken van een belang. Het begrip “belang” wordt niet gedefinieerd in de wet, en de wetgever heeft het aan de Raad van State overgelaten dat begrip inhoudelijk te omschrijven (Parl.St. Kamer 1936-37, nr. 211, 34, en nr. 299, 18). De bedoeling van het vereiste dat iemand er belang bij moet hebben om in rechte op te treden is rechtszekerheid te bieden en te zorgen voor een goede rechtsbedeling. Volgens het Grondwettelijk Hof hoort die voorwaarde niet restrictief of formalistisch te worden toegepast en is ze ingegeven door de bezorgdheid de actio popularis te weren (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, B.4). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat het aan de nationale rechtscolleges staat de interne procedureregels te interpreteren en dat de partijen “er normaal gesproken van [moeten] uitgaan dat die regels toegepast worden” (zie onder andere: EHRM 17 juli 2018, Vermeulen v. België, verz. 5475/06, § 44; 2 juni 2016, Papaioannou v. Griekenland, verz. 18880/15, § 39; 15 september 2016, Trevisanato v. Italië, verz. 32610/07, § 32), inzonderheid wanneer de ontvankelijkheid van een beroep VII-41.139-6/9 afhangt van uitvoerige rechtspraak (EHRM 15 september 2016, Trevisanato, l.c., § 43), overvloedige rechtspraak (EHRM 2 juni 2016, Papaioannou, l.c., 18880/15, § 46) en vaste rechtspraak (EHRM (Grote Kamer) 5 april 2018, Zubac v. Kroatië, verz. 40160/12, § 88). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukt ook de “rol van de voltallige vergadering van een hoog rechtscollege zoals de Raad van State”, die er met name in bestaat “de interpretatie van een wetsbepaling definitief vast te stellen en zo de rechtsonzekerheid weg te nemen die ter zake kon bestaan”, alsook het belang van de arresten van die voltallige vergadering voor de rechtszekerheid (EHRM 23 mei 2019, Sine Tsaggarakis A.E.E., verz. 17.257/13, § 49 en §§ 58 tot 60); het Hof oordeelt dat de procedurele rechten en verplichtingen normaliter samengaan zodat een partij de gevolgen moet dragen van de procedurele vergissingen die objectief aan haar te wijten zijn (EHRM (Grote Kamer) 5 april 2018, Zubac v. Kroatië, verz. 40160/12, §§ 90, 93, 114 en 121), in het bijzonder wanneer ze door een raadsman wordt bijgestaan (EHRM (Grote Kamer) 5 april 2018, Zubac v. Kroatië, verz. 40160/12, §§ 111 en 116-117; EHRM 16 februari 2012, Tourisme d’affaires v. Frankrijk, verz. 17814/10, § 22). Volgens de arresten van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State nrs. 243.406 van 15 januari 2019 en 244.015 van 22 maart 2019 enerzijds, en de vaste rechtspraak anderzijds, beschikt een verzoekende partij over het rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventuele nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan staat het aan haar om bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij dat, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden. VII-41.139-7/9
  14. Het niet betwiste feit dat de hond is overleden, belet dat een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing aan verzoeker het met zijn beroep beoogde direct een persoonlijk voordeel, met name het terugkrijgen van zijn hond, kan verschaffen. Verzoeker heeft uitdrukkelijk standpunt ingenomen over het belang bij zijn beroep. Hij heeft daarmee de grenzen van het debat over zijn belang getrokken. Hij kan niet meer op ontvankelijke wijze die grenzen ter terechtzitting nog wijzigen. De rechten van verdediging en de eisen van een goede rechtsbedeling die onder meer inhouden dat de auditeur op adequate wijze zijn advies moet kunnen uitbrengen, laten niet toe dat wordt ingegaan op het voor het eerst ter terechtzitting aangevoerde argument van verzoeker omtrent het bestaan van een ander belang dan het initieel nagestreefde.
  15. De exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 184,80 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. VII-41.139-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.139-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.496 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.677 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.