id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.506 Rolnummer: A. 236406/VII-41406 Zaak: Arrest 256506 - Dierenwelzijn - 11/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-25 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 08:59 Fiche Arrest nr 256.506 van 11 mei 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.506 van 11 mei 2023 in de zaak A. 236.406/VII-41.406 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Vlaamse minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en de Vlaamse Rand van 11 maart 2022 houdende de intrekking van de erkenning met nummer HK20105401 voor het uitbaten van een hobbykwekerij voor katten […], met ingang van 15 april 2022 alsook houdende een verbod om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen tot 15 april
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.406-1/24 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Enya Hicquet, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor verzoekster en advocaat Joy Moens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De inspectie Dierenwelzijn begeeft zich op 4 april 2019 naar de erkende kattenkwekerij waarvan verzoekster uitbater is, naar aanleiding van een melding met betrekking tot de verhandeling van een zieke kat. De volgende overtredingen worden vastgesteld:
(1)in de ruimte waarin de dieren verblijven is geen brandalarmsysteem;
(2)de minimaal verplichte bezoeken van de dierenarts worden niet nageleefd;
(3)het erkenningscertificaat hangt niet uit. Er wordt een proces-verbaal van waarschuwing opgesteld, waarbij maatregelen moeten worden genomen om de vastgestelde overtredingen weg te werken. VII-41.406-2/24 4. Nadat een melding is ontvangen van de verkoop van een niet-gesteriliseerde kat door de verzoekende partij, begeeft de inspectie Dierenwelzijn zich op 10 september 2021 opnieuw naar de kattenkwekerij. De volgende overtredingen worden vastgesteld:
(1)de maatregelen opgenomen in het proces-verbaal van waarschuwing werden niet opgevolgd;
(2)katten worden niet of niet correct geregistreerd;
(3)ten minste één niet-gesteriliseerde kat werd verhandeld;
(4)de ruimte waarin de katten verblijven, wordt onvoldoende verlucht, noch is die uitgerust met een brandalarmsysteem;
(5)de inventaris van de vrouwelijke fokdieren kan niet worden voorgelegd, noch de worpfiches, de garantiebewijzen en de bezoekrapporten van de dierenarts. Er worden maatregelen opgelegd, namelijk een betere verluchting van het kattenverblijf, een registratie of actualisatie van de registratie van bepaalde katten en het bezorgen van de niet voorgelegde documenten vóór 1 november
- De dienst Dierenwelzijn brengt verzoekster met een op 28 januari 2022 ter post aangetekende brief op de hoogte van het opstarten van de procedure tot intrekking van de erkenning omdat de opgelegde maatregelen niet werden nageleefd, met uitzondering van de actualisatie van de registratie van de katten. Verzoekster wordt uitgenodigd om haar verweer te voeren, waarop zij evenwel niet ingaat.
- De minister van Dierenwelzijn beslist op 11 maart 2022 om de erkenning voor het uitbaten van een hobbykwekerij voor katten met ingang van 15 april 2022 in te trekken en een verbod op te leggen om tot 15 april 2024 een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd: “Gelet op de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, artikel 5; VII-41.406-3/24 Gelet op het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren, artikel 2, § 8; Gelet op de erkenning met nummer HK20105401 voor het uitbaten van een hobbykwekerij voor katten op het adres Tuinwijk 4 te 2840 Rumst die op 20 augustus 2015 werd toegekend; Gelet op het proces-verbaal met nummer G-19-1071/KuZ/25-04-2019, opgemaakt op 25 april 2019 naar aanleiding van de controle die door de Inspectiedienst werd uitgevoerd op 4 april 2019; Gelet op het proces-verbaal te uwen laste met nummer G-21-3892/KuZ/19-10-2021, opgemaakt op 19 oktober 2021, naar aanleiding van de controle die door de Inspectiedienst werd uitgevoerd op 10 september 2021; Overwegende dat uit het proces-verbaal met nummer G-19-1071/KuZ/25-04-2019 blijkt dat bij de controle op 4 april 2019 volgende overtredingen werden vastgesteld; • Op het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren: o Art. 4 § 5, doordat de ruimte waarin de katten verblijven niet is uitgerust met een brandalarmsysteem o Art. 6 § 1, doordat de minimaal verplichte bezoeken van de contractdierenarts niet worden nageleefd o Art. 29 § 3, doordat het erkenningscertificaat niet uithangt Dat naar aanleiding hiervan volgende maatregelen werden opgelegd:
- In alle ruimten waarin dieren worden gehouden een gepast brandalarmsysteem voorzien.
- De contractdierenarts minimaal elk trimester ontbieden. Zijn waarnemingen, opmerkingen en eventuele aanbevelingen bewaren.
- Het erkenningscertificaat uithangen. Overwegende dat uit het proces-verbaal met nummer G-21-3892/KuZ/19-10-2021 blijkt dat bij de controle op 10 september 2021 volgende overtredingen werden vastgesteld; • Op de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren: o Art. 4 § 3, doordat de ruimte waarin de katten verblijven onvoldoende wordt verlucht o Art. 36 4°, doordat eerder opgelegde maatregelen niet worden opgevolgd • Op het Besluit van de Vlaamse regering van 5 februari 2016 betreffende de identificatie, registratie en sterilisatie van katten o Art. 4 of 5, doordat een kat niet is geregistreerd o Art. 17, doordat drie katten niet correct zijn geregistreerd o Art. 20/2, doordat tenminste één kat en mogelijk meerdere worden verhandeld zonder dat ze voorafgaand worden gesteriliseerd • Op het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren: o Art. 4 § 5, doordat de ruimte waarin de katten verblijven niet is uitgerust met een brandalarmsysteem VII-41.406-4/24 o Art. 6 § 2, doordat de bezoekrapporten van de dierenarts niet kunnen worden voorgelegd o Art. 7 § 7, doordat de ruimte waarin de katten verblijven onvoldoende wordt verlucht o Art. 18: • § 1, doordat de inventaris van de vrouwelijke fokdieren niet kan worden voorgelegd • § 2, doordat de worpfiches niet kunnen worden voorgelegd o Art, 30 §1, doordat de garantiebewijzen niet kunnen worden voorgelegd Dat naar aanleiding hiervan volgende maatregelen werden opgelegd;
- De ruimte waarin de katten verblijven beter verluchten.
- De kat met chipnummer 643094100444540 zo spoedig mogelijk registreren. Een bewijs hiervan aan de Inspectiedienst bezorgen vóór 01/11/
- De registratie van de katten met chipnummers 967000010137388, 967000010137378 en 967000010307633 zo spoedig mogelijk actualiseren.
- De inventaris van de vrouwelijke dieren aan de Inspectiedienst bezorgen vóór 01/11/
- De worpfiches van de nesten vanaf 01/01/2020 tot heden aan de Inspectiedienst bezorgen vóór 01/11/
- De garantiecertificaten van deze kittens aan de Inspectiedienst bezorgen vóór 01/11/
- De verslagen van de dierenarts vanaf 01/01/2020 tot heden aan de Inspectiedienst bezorgen vóór 01/11/
- De sterilisatieovereenkomst van de kat met chipnummer 967000010373393 aan de Inspectiedienst bezorgen vóór 01/11/
- De sterilisatiebewijzen of sterilisatieovereenkomsten van de overige sinds 01/01/2020 verhandelde kittens aan de Inspectiedienst bezorgen vóór 01/11/
- De richtlijnen met betrekking tot voeding, huisvesting en verzorging die aan de koper van een kat meegegeven moeten worden aan de Inspectiedienst bezorgen vóór 01/11/
- Overwegende dat u bij aangetekende brief met referentie DWZ/EV/22/1.5/001dd. 27 januari 2022 werd meegedeeld dat de procedure tot intrekking van de erkenning met nummer HK20105401 voor het uitbaten van een hobbykwekerij voor katten op het adres Tuinwijk 4 te 2840 Rumst, werd opgestart en dat u beschikte over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de brief, om uw bemerkingen schriftelijk te bezorgen aan de afdeling Dierenwelzijn; dat de afdeling Dierenwelzijn hierop geen antwoord van u heeft ontvangen; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat u de door de Inspectiedienst opgelegde maatregelen niet naleeft; dat u tot op heden enkel punt 3 van de in het laatste pv opgelegde maatregelen heeft opgevolgd ondanks herhaalde aanmaningen; dat er bijgevolg geen reden is om aan te nemen dat u de opgelegde maatregelen in de toekomst wel zal opvolgen”. VII-41.406-5/24 IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster voert de schending aan van artikel 2, § 8 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 ‘houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren’ (hierna: koninklijk besluit van 27 april 2007), artikel 5, § 4 tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: dierenwelzijnwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘houdende uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en schending van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, de hoorplicht en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekster betoogt dat voormelde bepalingen en beginselen werden geschonden: “Doordat krachtens artikel 2, § 8 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren wordt voorzien in de mogelijkheid tot het intrekken van een inrichting die niet langer voldoet aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden door de Minister, Doordat krachtens artikel 5, § 4, tweede lid van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren wordt voorzien in de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om de erkenning van een inrichting in te trekken, gekoppeld aan een verbod voor (on)bepaalde tijd of een definitief verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen, Doordat het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat de verwerende partij op zorgvuldige en redelijke wijze en met kennis van zaken een beoordeling maakt van het administratief dossier waarop haar intrekkingsbesluit geënt dient te worden en, Terwijl met het bestreden besluit de erkenning wordt ingetrokken en daaraan gekoppeld een verbod voor twee jaar om een nieuwe erkenning aan te vragen omwille van het tijdens de controle niet kunnen voorleggen van een aantal documenten waar deze wel degelijk voorhanden waren maar niet onmiddellijk konden worden voorgelegd doch daarvan geen melding werd gemaakt in het proces-verbaal en het bestreden besluit aldus geenszins geënt is op een zorgvuldig samengesteld dossier, en de opgelegde sanctie niet in enige redelijke verhouding staat met de aard van de vastgestelde feiten VII-41.406-6/24 Zodat de verwerende partij op onwettige wijze en op basis van een onzorgvuldig en onvolledig onderzoek en aldus met onvolledige kennis van zaken het bestreden besluit heeft genomen Zodat het bestreden besluit de aangehaalde bepalingen en beginselen schendt”. Verzoekster zet het middel uiteen: “[Eerste middelonderdeel] […] In casu staat vast dat de inrichting van de verzoekende partij op het ogenblik dat het bestreden besluit door de minister werd genomen wel degelijk nog steeds kon voldoen aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden. De minister kan slechts tot intrekking besluiten indien vast staat dat niet langer, wordt voldaan. Dat was in casu geenszins het geval. In geen geval kon de minister op basis van de processen-verbaal er van uit gaan dat de inrichting niet langer aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldeed. Dit wordt alvast tegen gesproken door het bijbrengen van de nodige stukken die verzoekende partij kan voorleggen aan Uw Raad en waaruit blijkt dat zij op dat ogenblik wel degelijk voldeed. Verzoekende partij was evenzeer op het tijdstip van de controles reeds in het bezit van deze stukken doch zij was ingevolge omstandigheden in de onmogelijkheid om deze op dat ogenblik voor te kunnen leggen. Deze vaststelling volstaat echter niet om vast te stellen dat de inrichting niet langer voldoet aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden en vervolgens te besluiten tot de intrekking van de erkenning. Ook artikel 5, § 4 van de Dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986 voorziet dat de Vlaamse Regering de erkenning van een inrichting kan intrekken. Het betreft echter geen verplichting doch het betreft een facultatieve mogelijkheid waarover de minister kan beslissen, die moet volgen uit een deugdelijk samengesteld dossier. […] Echter, heeft de minister louter op basis van een feitelijk onvolledig en onzorgvuldig samengesteld administratief dossier en meer dan 6 maanden na de laatste controle besloten tot de intrekking van desbetreffende erkenning van verzoekende partij en tevens besloten dat de verzoekende partij gedurende een periode van twee jaar het verbod werd opgelegd om nog een nieuwe erkenning aan te vragen en dit zonder dat vast staat dat de inrichting niet aan alle in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldeed. Verzoekende partij voldeed immers wel degelijk op dat ogenblik aan de wettelijke voorwaarden. […] [Tweede middelonderdeel] […] VII-41.406-7/24 In casu werden beide processen-verbaal op onzorgvuldige wijze samengesteld doordat de mondelinge toelichting van verzoekende partij op het ogenblik van de inspectie geenszins in de processen-verbaal weerhouden werd, noch hiervan nota werd genomen bij de opmaak van de desbetreffende processen-verbaal. Verzoekende partij beschikte immers op het ogenblik van de controle wel degelijk over alle vereiste administratieve documenten doch konden deze op dat ogenblik niet onmiddellijk worden voorgelegd. Meer nog, had verzoekende partij ten tijde van de controles expliciet laten notuleren in het proces-verbaal dat de vereiste administratieve documenten steeds wel degelijk aanwezig waren, doch niet meteen vindbaar gelet op de verhuis(dozen), dan had de minister daar bij het nemen van het bestreden besluit wel degelijk rekening kunnen houden. Zoals thans ook blijkt uit de toegevoegde stukken, was en is verzoekende partij in ieder geval in orde met haar administratieve verplichtingen, ook al werd hier ten onrechte nooit akte van genomen. Evenmin heeft de minister op het ogenblik hij het bestreden besluit heeft genomen (in dit geval zes maanden na het laatste proces-verbaal) nog een eigen onderzoek gevoerd. Louter berusten en voortgaan op een onzorgvuldig samengesteld dossier kan bezwaarlijk getuigen van enige zorgvuldigheid bij het nemen van het bestreden besluit. Hieruit vloeit voort dat het administratief dossier op basis waarvan de minister het bestreden besluit heeft genomen zonder meer op onzorgvuldige wijze werd samen gesteld en hij geen kennis had van alle omstandigheden. Ook de minister heeft nagelaten nog een eigen onderzoek door te voeren. De vaststellingen vloeien in geen geval voort uit enige volledige feitenvinding. De minister heeft geenszins met kennis ter zake het bestreden besluit genomen. […] [Derde middelonderdeel] […] Verzoekende partij dient […] vast te stellen dat haar mondelinge opmerkingen en replieken niet in het proces-verbaal weerhouden werden, noch dat hier (expliciet) daar naar gevraagd werd. Derhalve heeft de minister zich niet kunnen steunen op een administratief dossier waarin alle werkelijk bestaande en concrete feiten werden opgenomen die relevant zijn en die tevens met de vereiste zorgvuldigheid door de inspectiediensten werden vastgesteld. De minister baseert zich in het bestreden besluit overigens louter en uitsluitend op de twee desbetreffende (onvolledige en incorrecte) processen-verbaal om tot zijn besluitvorming te komen om louter op basis daarvan de erkenning van verzoekende partij in te trekken en dit bovendien te koppelen aan een verbod voor twee jaar om een nieuwe erkenning aan te vragen. In diezelfde zin dient opgemerkt te worden dat de vrees dat verzoekende partij naar de toekomst toe niet zal kunnen voldoen aan de vereiste administratieve benodigdheden geenszins pertinent en onderbouwd en gemotiveerd is in het bestreden besluit. Immers, waren deze documenten wel degelijk in de woning / het kattenverblijf aanwezig op het moment van de controle doch onvindbaar wegens reeds aangehaalde omstandigheden. VII-41.406-8/24 Anderzijds blijkt uit de actuele situatie dat de administratie van verzoekende partij wel degelijk in orde is. Verzoekende partij beschikte op het ogenblik van de controles wel degelijk over de worpfiches, de registraties, de garantiecertificaten, de controleverslagen alsook de inventaris van de vrouwelijke dieren en dergelijke meer. Deze waren voorhanden doch konden niet onmiddellijk worden voorgelegd. In het bestreden besluit wordt daar geen rekening mee gehouden en wordt aldus geenszins op juiste en correcte feiten gemotiveerd waarom naast de intrekking tevens een verbod tot het opnieuw aanvragen daarvan voor een periode van twee jaar moest worden opgelegd. Het vermoeden dat wordt geuit in het besluit is op niets gestoeld. […] [Vierde middelonderdeel] Gezien verzoekende partij geenszins in de mogelijkheid werd gesteld om haar opmerkingen en replieken afdoende te formuleren en deze dan ook evenmin werden weerhouden noch afdoende werden afgetoetst in concreto waardoor het administratief dossier op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, is er tevens sprake van een schending van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in. […] In casu werd nagelaten om de verzoekende partij te wijzen op nadelige gevolgen indien zij geen gevolg zou geven aan de vaststellingen die tijdens de inspectie zijn gebeurd. Zodoende staat op ontegensprekelijke wijze vast dat verzoekende partij zich niet behoorlijk heeft kunnen verdedigen. Zij kon vooral de gevolgen van één en ander zelf niet juist inschatten. Merk nogmaals op dat de vereiste noodzakelijke administratieve documenten ten tijde van de controle(s) immers aanwezig waren in de woning en de verzoekende partij aldus er van uit ging dat zij in regel was met één en ander. Doordat de processen-verbaal uiteindelijk werden opgesteld zonder haar eigen verhaal en argumenten inzake mee daar in op te nemen, schendt verwerende partij op manifeste wijze de hoorplicht. Door op dergelijke onzorgvuldige wijze tot de opmaak van het administratieve dossier over te zijn gegaan, heeft verzoekende partij haar standpunt op generlei wijze nuttig kunnen opwerpen, noch werd haar hierom gevraagd, noch kon zij inschatten welke gevolgen één en ander voor haar konden tussen komen. Zodoende is verzoekende partij ernstig geschaad in haar rechten van verdediging aangezien verzoekende partij niet nuttig voor haar belangen is kunnen opkomen. […] [Vijfde middelonderdeel] Daarnaast meent verzoekende partij dot met het bestreden besluit aan haar een disproportioneel zware sanctie werd opgelegd waardoor het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in deze duidelijk geschonden is. […] Zo is verzoekende partij sedert 20 augustus 2015 wel degelijk in het bezit van de desbetreffende erkenning en heeft zij zich steeds met grote zorg VII-41.406-9/24 gekoesterd over het welzijn van haar katten, getuige onder meer enkele lovende recensies. Het weze ten overvloede opgemerkt dat te allen tijde door verzoekende partij wordt en werd voorzien in de fysiologische en ethologische behoeften van de katten zelf overeenkomstig artikel 4, § 1 Dierenwelzijnswet. Immers, is verzoekende partij erg nauw begaan met het welzijn van de katten zelf en wordt zij daarom ook veelvuldig geraadpleegd en geprezen in haar omgeving inzake de verzorging en aankoop van katten. Door het intrekken van deze erkenning omwille van het loutere feit dat zij op het ogenblik van de controle door samenloop van omstandigheden de nodige administratieve stukken niet kon voorleggen, wordt verzoekende partij op disproportionele wijze hard geraakt in haar belangen. Evenmin is een dergelijke intrekking verenigbaar met het welzijn van de katten zelf die ingevolge het bestreden besluit elders zullen moeten worden ondergebracht. Merk op dat omtrent de verzorging van de katten geen enkele negatieve opmerking werd genotuleerd. In diezelfde zin wenst verzoekende partij dus te benadrukken dat het - de tijdelijk niet-voldoende verluchte kattenruimte terzijde gelaten - louter administratieve overtredingen zoals het, niet kunnen voorleggen van de nodige registratiebewijzen
(4), worpfiches, sterilisatieovereenkomsten zijn die aanleiding hebben gegeven tot het intrekken van haar erkenning. Omwille van het onzorgvuldig samenstellen van het administratieve dossier enerzijds en gelet op de aard van de overtredingen anderzijds is een intrekking van de desbetreffende erkenning, gekoppeld aan het verbod om en nieuwe aanvraag tot een erkenning ter zake in te dienen tot 15 april 2024 disproportioneel. Bijgevolg staat vast dat verwerende partij in haar intrekkingsbesluit afwijkt van het normale beslissingspatroon dat van een zorgvuldig handelende overheid mag verwacht worden in dezelfde omstandigheden. Immers, bepaalt artikel 5, §4 van de Dierenwelzijnswet dat de Vlaamse Regering de erkenning van de inrichtingen kan intrekken, wat wijst op het facultatieve karakter van deze sanctiemaatregel. […] […] Uit artikel 5 Dierenwelzijnswet volgt dan ook geenszins dat een verbod om een nieuwe erkenning aan te vragen voor een gehele duurtijd van twee jaar sowieso vereist is. Door daarentegen een intrekking op te leggen voor het louter miskennen van administratieve onvolkomenheden ondanks verzachtende omstandigheden en het gegeven dat deze administratieve stukken nagenoeg allemaal voorhanden waren, geldt zonder meer dat het intrekkingsbesluit dd. 11 maart 2022 van verwerende partij genomen werd met van het evenredigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Ten overvloede kan in dit verband verwezen worden naar een recent vonnis van de correctionele rechtbank waarin het doden van een duif met een luchtdrukgeweer met diabolo heeft geleid tot het opleggen van een verbod om vogels te houden voor de dader voor een welbepaalde termijn van (slechts) één jaar, naast het opleggen van een geldboete. VII-41.406-10/24 Gelet op de geringe impact op het welzijn van de katten van verzoekende partij zelf, staat het dan ook buiten kijf dat verzoekende partij in casu een onredelijk zware sanctie opgelegd heeft gekregen. Daarnaast luidt volgens rechtspraak in dit verband dat het zichzelf herpakken om nadien wel te voldoen aan bepaalde normering impliceert dat het in die omstandigheden niet wenselijk is om een verbod om dieren te houden op te leggen”.
- De verwerende partij antwoordt: “[Eerste middelonderdeel] Uw Raad zal vooreerst willen vaststellen dat, in tegenstelling tot wat verzoekende partij laat uitschijnen, er in casu niet enkel sprake was van louter administratieve verplichtingen die niet werden nageleefd. Aldus werd tijdens de eerste controle van 4 april 2019 vastgesteld dat de ruimte waarin de katten verbleven niet voorzien was van een brandalarm, werden de minimaal verplichte bezoeken van de contractdierenarts niet nageleefd en hing het erkenningscertificaat van verzoekende partij niet uit. Tijdens de tweede controle van 10 september 2021 bleek dat er nog steeds niet aan deze voorwaarden voldaan was. Bovendien bleek dat de ruimte waarin de katten verbleven, onvoldoende verlucht was, dat er problemen rezen aangaande de registratie van bepaalde katten en dat minstens één en mogelijk meerdere katten verhandeld werden zonder voorafgaande sterilisatie. De overtredingen die verzoekende partij ten laste gelegd werden, betroffen dus niet louter het niet kunnen voorleggen van bepaalde documenten. Uw Raad zal kunnen vaststellen dat deze overtredingen niet betwist worden door verzoekende partij. Wat betreft het niet kunnen voorleggen van bepaalde documenten door verzoekende partij, wordt er vooreerst op gewezen dat uit art. 34, §2 van de Wet Dierenwelzijn volgt dat men als beheerder van een inrichting de stukken die men in zijn bezit moet hebben ingevolge de regelgeving, tijdens een controle door verwerende partij moet kunnen voorleggen[.] […] Verder wordt gewezen op de […] bepalingen van het KB van 27 april 2007 waaruit volgt dat de documenten waarvan sprake in casu, te allen tijde ter beschikking van verwerende partij gehouden moeten worden[.] […] Het volstaat dus niet om in het bezit te zijn van de voorgeschreven documenten, men moet ze ook kunnen voorleggen. Tot slot wordt erop gewezen dat verzoekende partij tijdens de controle in september 2021 niet in staat was om de documenten in kwestie voor te leggen. Er werd haar echter de mogelijkheid geboden om deze later mee te delen. Toen bleek dat zij deze documenten niet kon meedelen tegen de opgelegde datum, werd haar meermaals een uitstel toegekend. Ook na de ultieme datum van 1 november 2021, deelde zij de documenten echter niet mee. Verwerende partij startte hierop de intrekkingsprocedure op. Ook VII-41.406-11/24 hierna deelde verzoekende partij de gevraagde documenten nog steeds niet mee. Het is inderdaad pas na het nemen van de bestreden beslissing en bij het instellen van huidige procedure dat verzoekende partij bepaalde stukken bijbrengt. In die omstandigheden staan de overtredingen dan ook wel degelijk vast. […] [Tweede middelonderdeel] Dit middelonderdeel mist feitelijke grondslag. […] Uit het administratief dossier (meer bepaald de mailwisseling tussen verzoekende en verwerende partij) volgt verder dat tijdens de controle op 10 september 2021 werd vastgesteld dat verzoekende partij de nodige documenten niet kon voorleggen en dat haar de mogelijkheid geboden werd deze later over te maken. Verder blijkt uit deze mailwisseling ook dat verzoekende partij meermaals een uitstel verleend werd om de documenten mee te delen en dat zij hier geen gebruik van maakte. Uit het proces-verbaal van 19 oktober 2021 blijkt dat een ultieme termijn gelaten werd tot 1 november
- Verzoekende partij ontkent niet dat zij ook aan deze laatste mogelijkheid geen gevolg heeft gegeven. Op 27 januari 2022 werd verzoekende partij ingelicht over het feit dat de intrekkingsprocedure werd opgestart. Verzoekende partij ontkent niet dat zij ook hierna de documenten niet aan verzoekende partij heeft overgemaakt. Zij deed dit noch binnen de termijn van vijftien dagen waarin zij haar opmerkingen kon overmaken, noch nadien. Uit het voorgaande volgt dan ook vooreerst dat verwerende partij uit het administratief dossier wel degelijk kon opmaken dat verzoekende partij aangegeven had dat ze de documenten op een later tijdstip wel zou kunnen overmaken. Uit het administratief dossier bleek echter ook dat ondanks de vele kansen die haar geboden werden, verzoekende partij de documenten nooit heeft overgemaakt. Wanneer verwerende partij in maart dan ook vaststelde dat verzoekende partij de documenten nog steeds niet had overgemaakt, was zij dan ook niet gehouden het dossier te ‘actualiseren’. De actuele stand van het dossier was op dat ogenblik immers zeer duidelijk: er werden tot dan geen documenten overgemaakt. Verzoekende partij beschikte op dat ogenblik reeds over zes maanden om de documenten over te maken, zodat er haar ook geen bijkomende termijn verleend diende te worden. […] [Derde middelonderdeel] […] Vooreerst wordt opgemerkt dat beide processen-verbaal aan verzoekende partij werden overgemaakt en dat verzoekende partij hier nooit enige opmerking op geformuleerd heeft. Zij heeft dan ook geen belang bij dit middelonderdeel. Vervolgens herhaalt verwerende partij dat uit de processen-verbaal van 2019 en 2021 en het administratief dossier – meer bepaald de mailwisseling tussen VII-41.406-12/24 verzoekende en verwerende partij – duidelijk blijkt dat verzoekende partij aangegeven had dat zij over de nodige documenten zou beschikken en dat zij deze later zou overmaken. Verder herhaalt verwerende partij dat verzoekende partij evenwel nooit de betrokken documenten aan verwerende partij heeft overgemaakt en dit ondanks herhaalde verzoeken hiertoe. Er wordt nogmaals aan herinnerd dat verzoekende partij nochtans op ieder ogenblik in staat moet zijn om deze documenten voor te leggen, hetgeen in casu niet het geval was. Verzoekende partij was dus in overtreding met de toepasselijke regelgeving. Gelet op het feit dat zij de maatregelen opgelegd in 2019 niet had geïmplementeerd, enerzijds, en maanden na de controle in 2021 de nodige documenten nog steeds niet had overgemaakt aan verwerende partij, anderzijds, was de vrees van verwerende partij dat verzoekende partij zich ook in de toekomst niet aan haar verplichtingen zou houden, wel degelijk gegrond. Er wordt nogmaals benadrukt dat de vastgestelde inbreuken niet enkel het niet-naleven van administratieve verplichtingen betroffen. Verwerende partij verwijst wat dit betreft naar de feitelijke uiteenzetting en de weerlegging van het eerste middelonderdeel. Het voorgaande volgt uit het administratief dossier en de bestreden beslissing. De motiveringsplicht werd nageleefd en de bestreden beslissing kwam op zorgvuldige wijze tot stand. […] [Vierde middelonderdeel] Vooreerst wordt herhaald dat de processen-verbaal aan verzoekende partij werden overgemaakt en dat zij hier nooit enige opmerking op geformuleerd heeft. Voorts wordt herhaald dat uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat verzoekende partij aangegeven had dat zij de documenten wel gehad zou hebben, maar niet meteen kon overmaken. Net daarom werd haar de mogelijkheid geboden ze later over te maken. Zij heeft dit evenwel nooit gedaan. Bovendien werd verzoekende partij wel degelijk gewezen op de mogelijkheid dat haar vergunning ingetrokken kon worden, dit in de brief van 27 januari 2020 2022 waarin zij uitdrukkelijk op de mogelijkheid gewezen werd haar opmerkingen te formuleren – hetgeen zij niet gedaan heeft, ook niet buiten de termijn van 15 dagen. […] [Vijfde middelonderdeel] Verzoekende partij minimaliseert de feiten en laat uitschijnen dat haar enkel tekortkomingen op administratief vlak verweten worden. Zoals in het eerste middelonderdeel werd uiteengezet, werden er evenwel nog andere tekortkomingen vastgesteld, zoals het feit dat er geen brandalarm voorzien was, dat de dierenarts niet voldoende langskwam voor controles en het feit dat de ruimte waar de dieren gehouden werden niet voldoende verlucht was. Verzoekende partij heeft deze feiten nooit betwist en doet dit ook in het kader van huidige procedure niet. VII-41.406-13/24 In ieder geval worden ook de ‘louter administratieve’ verplichtingen uiteraard opgelegd om het welzijn van de dieren te verzekeren. Het is dan ook van belang dat zij correct nageleefd worden. Vervolgens wordt herhaald dat verzoekende partij de maatregelen die haar in 2019 werden opgelegd, in 2021 nog steeds niet geïmplementeerd had en dat zij de documenten die haar in september 2021 gevraagd werden in maart 2022 nog steeds niet had meegedeeld. Verder wordt gewezen op het aantal overtredingen die werden vastgesteld (3 in 2019; 10 in 2021). Een vergelijking met een correctionele veroordeling houdende het verbod om dieren te houden gedurende 1 jaar nadat men een duif heeft doodgeschoten, gaat niet op. Het betreft andere feiten, gepleegd in een andere context door een particulier in plaats van door een professioneel en een sanctie van andere aard (strafrechtelijk in plaats van bestuurlijk). In dit opzicht wordt nogmaals gewezen op de discretionaire bevoegdheid in hoofde van verwerende partij, waarbij zij zelfs over de mogelijkheid beschikt een definitief verbod op te leggen om een nieuwe erkenning aan te vragen. Het feit dat een andere overheid in casu een andere straf opgelegd zou hebben, maakt de bestreden beslissing op zich niet kennelijk onredelijk. Het komt aan de verzoekende partij aan te tonen dat geen enkele andere overheid de bestreden beslissing genomen zou hebben. Zij doet dit niet”.
- De verzoekende partij repliceert: “[Eerste onderdeel] Verzoekende partij heeft het erkenningscertificaat behaald dat vereist is voor het uitbaten van een kattenkwekerij, zij heeft op gepaste tijdstippen de controlearts laten langskomen, zij heeft steeds voorzien in een optimale zorg en werd hiervoor ook geprezen door haar cliënteel. Meer nog, verzoekende partij heeft grootse verbouwingswerkzaamheden ondernomen dewelke de huisvesting van de katten alleen maar ten goede zou komen. Het enige wat verzoekende partij kan worden verweten is dat zij op het ogenblik van de controle niet onmiddellijk de nodige documenten en fiches kon voorleggen. Verzoekende partij ontkent niet dat het voorhanden zijn van de vereiste documenten en fiches bijdraagt tot de ratio legis, namelijk het bevorderen van het dierenwelzijn en de dierenbescherming. Verzoekende partij was echter weldegelijk in het bezit van de vereiste documenten. Het tijdstip waarop deze documenten worden ter beschikking gesteld van de controlerende overheid staat nergens wettelijk verplicht gesteld, al is dit op het moment van de uitgevoerde controle of op een later ogenblik, doet geen afbreuk aan de bescherming of het welzijn van de katten die op dat moment verbleven bij verzoekende partij. Verzoekende partij merkt tevens ook op dat in geen enkele bepaling in de Dierenwelzijnswet, noch in de Memorie van Toelichting bij deze wet, noch in het KB van 27 april 2007 een verplichting wordt opgenomen die stelt dat de nodige documenten verplicht moeten worden voorgelegd op het moment van de controle uitgevoerd door verwerende partij. […] VII-41.406-14/24 [Vijfde middelonderdeel] Uw Raad oordeelde op 28 februari 2008 over een schorsingsvordering ingesteld tegen een beslissing tot in beslag name van de honden van veroordeelde en de overhandiging in volle eigendom aan het dierenasiel ‘De Schakel’ te Tielt-Winge. Voornamelijk van belang is daarbij te wijzen op de beslissing van de correctionele rechtbank te Leuven van 21 november 2007 die hieraan vooraf ging. De correctionele rechtbank oordeelde namelijk tot een algemeen verbod tot het houden van dieren voor de duur van één jaar na betekening van het vonnis. Na onderzoek was immers gebleken dat de betrokkene zijn 5 schapen en 80-tal kippen onvoldoende had verzorgd en gevoederd en liepen zijn jachthonden ook vrij rond tussen de kippen. Daarbovenop liet verzoeker toe dat zijn jachthonden de kippen aanvielen. Het staat buiten kijf dat in dergelijk geval het welzijn van de dieren in gevaar werd gebracht. De correctionele rechtbank achtte in zulke zwaarwichtige feiten die het welzijn van de dieren in het gedrang brachten een veroordeling tot een algemeen verbod tot het houden van dieren gedurende een periode van één jaar voldoende. Hetgeen de verzoekende partij ten laste wordt gelegd, heeft daarentegen geen aanleiding gegeven tot een verminderd welzijn van de katten die bij verzoekende partij verbleven, toch verliest de verzoekende partij niet enkel haar erkenning maar wordt haar tevens het verbod opgelegd tot 15 april 2024 om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen en direct toezicht uit te oefenen op de dieren. Verzoekende partij wordt op haar beurt dus geconfronteerd met een onredelijk zware sanctie. Des te meer gezien het feit dat op 12 mei 2022 aan verzoekende partij een voorstel tot betaling van een geldsom werd gedaan, waarvan de betaling aanleiding zou geven tot het verval van de publieke vordering. In casu werden de inbreuken t.a.v. verzoekende partij aldus door verwerende partij zelf onvoldoende zwaarwichtig genoeg geacht om het overmaken van het dossier aan het parket van de Procureur des Konings te rechtvaardigen en toch wordt aan verzoekende partij een onredelijk zware sanctie opgelegd”. Beoordeling Eerste onderdeel
- Het middelonderdeel is meer bepaald genomen uit de schending van artikel 5, § 4, van de dierenwelzijnswet en artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april
- Artikel 5, § 4, van de dierenwelzijnswet luidt: “De Vlaamse Regering kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en VII-41.406-15/24 er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren”. Artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 bepaalt: “De Minister kan op ieder ogenblik de erkenning intrekken van een inrichting die niet langer voldoet aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden. De betrokkene wordt bij aangetekend schrijven op de hoogte gesteld van het opstarten van deze procedure. Hij beschikt over een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van het aangetekend schrijven om zijn bemerkingen aan de Dienst over te maken. De beslissing om de erkenning in te trekken wordt pas genomen na het verstrijken van deze termijn”.
- De voormelde bepalingen laten toe dat de erkenning van een inrichting zoals een kattenkwekerij wordt ingetrokken als die niet langer voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden, waarbij de eigenaar of de houder van de betrokken inrichting eerst bij aangetekende brief op de hoogte moet worden gesteld van de opstart van die procedure, waarna een beslissing tot intrekking pas mag worden genomen als die eigenaar of houder zijn bemerkingen aan de dienst Dierenwelzijn heeft mogen bezorgen.
- Het feitenrelaas toont aan dat de dienst Dierenwelzijn verzoekster op de hoogte heeft gebracht van het opstarten van de procedure tot intrekking van de erkenning, omdat de opgelegde maatregelen niet werden nageleefd, met uitzondering van de actualisatie van de registratie van de katten. Verzoekster werd uitgenodigd om haar verweer te voeren, waarop zij evenwel niet is ingegaan, waarna de bestreden beslissing is genomen. De procedure om tot intrekking over te gaan van de erkenning van de kattenkwekerij waarvan verzoekster de uitbater is, is dan ook nageleefd, waarbij moet worden benadrukt dat zij de kans om zich te verzetten tegen de voorgenomen intrekking niet te baat heeft genomen. Dienvolgens is een schending VII-41.406-16/24 van artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986 noch van artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 voorhanden. De vraag of de verwerende partij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen, maakt het voorwerp uit van het vierde en vijfde middelonderdeel en wordt aldaar besproken.
- Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
- In het proces-verbaal inzake de vaststellingen van 4 april 2019 is te lezen: “Mevr. […] kan ons de nodige administratie niet voorleggen en ze belooft ons deze per mail te bezorgen. Het erkenningscertificaat hangt niet uit”. Wat betreft de vaststellingen van 10 september 2021 is in het proces-verbaal dat wordt opgesteld op 19 oktober 2021, opgenomen: “In de ruimte waarin de katten verblijven is geen rookmelder aanwezig. De woning is zeer rommelig. [...] zegt dat vrienden haar aan het helpen zijn met verbouwingen. Ze deelt eveneens mee dat al de administratie van de kwekerij in dozen werd opgeborgen en dat ze die ons niet onmiddellijk kan tonen. […] [...] werd er meermaals aan herinnerd om ons de administratie te bezorgen. Tot op heden hebben we niets ontvangen”. Na de controle van 10 september 2021 wordt verzoekster per e-mail van 13 september 2021 van de dienst Dierenwelzijn uitgenodigd om vóór 17 september 2021 de ontbrekende documenten te bezorgen, waarop verzoekster bij e-mail van 23 september 2021 reageert dat zij die zal bezorgen. Op 5 oktober 2021 stuurt de dienst Dierenwelzijn een nieuw e-mailbericht met de melding dat als de gevraagde documenten niet vóór 6 oktober 2021 om 18u. worden bezorgd, ervan zal worden uitgegaan dat verzoekster die niet VII-41.406-17/24 voorhanden heeft. Verzoekster antwoordt op 5 oktober 2021 dat zij “er morgen werk van maken” zal en die “morgen […] zeker vrijdag ten laatste” zal bezorgen. Het proces-verbaal inzake de vaststellingen van 10 september 2021 wordt op 19 oktober 2021 opgesteld, waarbij verzoekster nog de tijd tot en met 31 oktober 2022 krijgt om de ontbrekende documenten te bezorgen aan de dienst Dierenwelzijn. Wanneer verzoekster vervolgens partij met een op 28 januari 2022 ter post aangetekende brief op de hoogte wordt gebracht van het opstarten van de procedure tot intrekking van de erkenning, met de uitnodiging om binnen de 15 dagen haar bemerkingen mee te delen, volhardt zij en laat zij nog steeds na om de gevraagde documenten te bezorgen.
- Dat in het licht van de voorgaande vaststaande feiten, verzoekster de verwerende partij verwijt onzorgvuldig te hebben gehandeld omdat het dossier waarop werd gesteund om de bestreden beslissing te nemen, onvolledig was, is niet geloofwaardig. De verwerende partij heeft verzoekster meerdere kansen gegeven om de vereiste documenten te bezorgen. Het is verzoekster die onzorgvuldig heeft gehandeld en zij kan niet worden bijgetreden waar zij tracht de nadelige gevolgen van haar niet welwillende houding in de schoenen te schuiven van de verwerende partij.
- Het tweede middelonderdeel is ongegrond. Derde onderdeel
- De Raad van State is geen hogere beroepsinstantie waar de zaak waarover de overheid een beslissing heeft genomen, opnieuw wordt onderzocht. Hij is als wettigheidsrechter bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of zij die correct heeft beoordeeld. VII-41.406-18/24
- In tegenstelling tot wat verzoekster betoogt, is in de processen-verbaal waarop de verwerende partij zich heeft gesteund om de bestreden beslissing te nemen, wel degelijk vermeld dat verzoekster beweert dat zij de vereiste documenten misschien niet kan voorleggen maar die toch in haar bezit heeft. De kritiek die uitgaat van een ander uitgangspunt mist feitelijke grondslag.
- Verzoekster heeft verscheidene malen de kans gekregen om de nodige documentatie te bezorgen aan de dienst Dierenwelzijn, maar is hiertoe nooit overgegaan, waardoor uit die feitelijkheid mocht worden afgeleid, op het moment van het nemen van de bestreden beslissing – het tijdstip waarop de wettigheid van die beslissing moet worden beoordeeld – dat de documenten niet voorhanden waren. De omstandigheid dat gedurende de procedure voor de Raad van State de gevraagde stukken alsnog worden voorgelegd, kan de wettigheid van de bestreden beslissing, toen ze werd genomen, niet doen wankelen.
- Uit artikel 5, § 4, van de dierenwelzijnswet volgt bovendien dat, wanneer de Vlaamse Regering de erkenning van een inrichting intrekt, de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod krijgt opgelegd om een nieuwe erkenning aan te vragen. Het gegeven dat met de bestreden beslissing een verbod wordt opgelegd om tot 15 april 2024 een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen, is in overeenstemming met die bepaling en houdt stand als niet wordt aangetoond dat de intrekking de perken van de wettigheid te buiten gaat. Dat bewijs levert verzoekster niet.
- Het derde middelonderdeel is ongegrond. Vierde onderdeel
- Het recht van verdediging is enkel van toepassing in straf- en in tuchtzaken, tenzij eraan op basis van een specifieke rechtsregel een ruimer toepassingsgebied wordt verleend. De bestreden beslissing heeft betrekking op een maatregel in het kader van de erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor VII-41.406-19/24 dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren, waarin het recht van verdediging geen toepassing vindt.
- De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur vindt slechts toepassing bij ontstentenis van een uitdrukkelijke norm. In het voorliggende geval bepaalt artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 dat de betrokkene bij aangetekend schrijven op de hoogte wordt gesteld van het opstarten van de procedure tot intrekking van de erkenning en dat hij beschikt over een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van het aangetekend schrijven om zijn bemerkingen aan de dienst Dierenwelzijn over te maken. De beslissing om de erkenning in te trekken wordt pas genomen na het verstrijken van deze termijn. In zoverre het middelonderdeel is genomen uit de schending van de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur is het derhalve onontvankelijk. Voor zover het middelonderdeel moet worden gelezen als het inroepen van een schending van artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007, omdat verzoekster niet werd gehoord, kan worden opgemerkt dat zij verscheidene malen in de mogelijkheid was gesteld om de nodige documentatie te bezorgen en zij geen bemerkingen heeft geformuleerd toen zij op de hoogte werd gebracht van het opstarten van de procedure tot intrekking, noch de nodige informatie heeft bezorgd. Zij heeft dus zelf ervoor gekozen om geen gebruik te maken van de rechtsbescherming die haar met artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 werd geboden.
- Het vierde middelonderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel
- Bij proces-verbaal van 25 april 2019 werden de volgende overtredingen in de kattenkwekerij van de verzoekende partij vastgesteld:
(1)in de VII-41.406-20/24 ruimte waarin de dieren verbleven was geen brandalarmsysteem;
(2)de minimaal verplichte bezoeken van de dierenarts werden niet nageleefd;
(3)het erkenningscertificaat hing niet uit. Er werd een proces-verbaal van waarschuwing opgesteld, waarbij maatregelen moesten worden genomen om de vastgestelde overtredingen weg te werken. Na een melding inzake de verkoop van een niet-gesteriliseerde kat door de verzoekende partij, werd in het proces-verbaal van 19 oktober 2021 de volgende overtredingen vastgesteld:
(1)de maatregelen opgenomen in het proces-verbaal van waarschuwing werden niet opgevolgd;
(2)katten werd niet of niet correct geregistreerd;
(3)ten minste één niet-gesteriliseerde kat werd verhandeld;
(4)de ruimte waarin de katten verbleven, werd onvoldoende verlucht, noch was die uitgerust met een brandalarmsysteem;
(5)de inventaris van de vrouwelijke fokdieren kon niet worden voorgelegd, noch de worpfiches, de garantiebewijzen en de bezoekrapporten van de dierenarts. Er werden maatregelen opgelegd, namelijk een betere verluchting van het kattenverblijf, een registratie of actualisatie van de registratie van bepaalde katten en het bezorgen van de niet-voorgelegde documenten vóór 1 november 2021, maar verzoekster liet na de vereiste documentatie te bezorgen. De dienst Dierenwelzijn bracht verzoekster met een op 28 januari 2022 ter post aangetekende brief op de hoogte van het opstarten van de procedure tot intrekking van de erkenning, omdat de opgelegde maatregelen niet werden nageleefd, met uitzondering van de actualisatie van de registratie van de katten. Verzoekster werd uitgenodigd om haar verweer te voeren, waarop zij evenwel niet inging.
- De verwerende partij mocht er dan ook van uitgaan dat verschillende overtredingen op het dierenwelzijn werden begaan, die de veiligheid van de dieren en tevens het vertrouwen van de consument in het gedrang brachten, ook al beschouwt verzoekster die louter als “administratieve overtredingen”. VII-41.406-21/24 Enkele lovende recensies veranderen daar niets aan, noch dat op andere punten verzoekster de wet- en regelgeving die het dierenwelzijn beschermt, wel zou naleven. Of de verwerende partij met de beslissing om een verbod op te leggen om binnen de twee jaar een nieuwe erkenning aan te vragen, binnen de perken van de redelijkheid is gebleven, moet worden beoordeeld op het moment van het nemen van de bestreden beslissing zonder dat verzoekster kan worden bijgetreden in haar betoog dat voor de beoordeling ervan eveneens rekening moet worden gehouden met het feit dat ondertussen – in de procedure voor de Raad van State – zij de nodige documenten zou hebben voorgelegd. Daarenboven mag niet uit het oog worden verloren dat artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986 niet uitsluit dat een definitief verbod tot het aanvragen van een nieuwe erkenning kan worden opgelegd, maar dat de verwerende partij in het voorliggende geval dat verbod tot twee jaar heeft beperkt. Het gegeven dat in andere feitelijke omstandigheden de strafrechter in toepassing van andere wetgeving tot een milder oordeel is gekomen, kan het niet anders doen zien, evenmin als het feit dat de verwerende partij het dossier niet zal overmaken aan de procureur des Konings met het oog op strafvervolging indien verzoekster niet ingaat op het voorstel van de dienst Dierenwelzijn tot betaling van een geldsom wegens overtredingen op het dierenwelzijn.
- Dat de aanwezige katten ten gevolge van de bestreden beslissing elders moeten worden ondergebracht, is een gevolg van die beslissing die de wettigheid ervan niet in vraag kan doen stellen. Daarbij komt nog dat ervan mag worden uitgegaan dat de katten nu zullen worden overgebracht naar een omgeving waar het dierenwelzijn wel wordt gewaarborgd.
- In zoverre het middelonderdeel wederom uitgaat van de veronderstelling dat de verwerende partij zich heeft gesteund op een onzorgvuldig samengesteld dossier, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van de voorgaande middelonderdelen om dat uitgangspunt te verwerpen. VII-41.406-22/24
- Gelet op het voorgaande, kan verzoekster niet worden gevolgd waar zij voorhoudt dat de verwerende partij in de concrete omstandigheden van de zaak met de bestreden beslissing onredelijk heeft gehandeld.
- Het vijfde middelonderdeel is ongegrond.
- Een schending van de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen is niet aannemelijk gemaakt.
- Het middel wordt verworpen. Deze vaststelling kan worden gedaan bij kort debat. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter VII-41.406-23/24 Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-41.406-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div