← België

Arrest 256514 - Niet begeleide minderjarigen - 12/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.514 Rolnummer: A. 235643/VII-41488 Zaak: Arrest 256514 - Niet begeleide minderjarigen - 12/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-26 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 08:59 Fiche Arrest nr 256.514 van 12 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.514 van 12 mei 2023 in de zaak A. 235.643/VII-41.488 In zake: Aizazulhaq SAHIBZADA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 28 januari 2022 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 30 november 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als jonger dan 18 jaar en dat verzoeker een voogd zal krijgen tot 24 mei 2022. II. Verloop van de rechtspleging 2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit VII-41.488-1/13 van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 5 december 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 9 februari 2023. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker is België binnengekomen en hij dient op 3 november 2021 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 2 november 2005. De dienst Vreemdelingenzaken uit echter twijfels over de leeftijd van de betrokkene. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op vraag van de dienst Voogdij op 23 november 2021 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 23-11-2021 een leeftijd heeft van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden, dwz dat het onmogelijk is exact te bepalen of hij ouder dan wel jonger is dan 18 jaar”. VII-41.488-2/13 Op 30 november 2021 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als jonger dan 18 jaar en dat verzoeker een voogd krijgt tot hij 18 jaar is, “dus tot 24 mei 2022”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), van de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, van de artikelen 6, § 2, 1°, en 7 van Titel XIII, hoofdstuk 6, “voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van de artikelen 27, § 1, en 28, § 1, van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR) en van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij licht dit als volgt toe in drie onderdelen: “1) Beginselen van behoorlijk bestuur Dat de Dienst Voogdij een manifeste beoordelingsfout begaat. Dat ze stelt dat een verschil van 1.44 jaar 'wat' te groot is. Dat deze bewoording als het ware lijkt dat de beslissing uit de losse pols is genomen. Dat de leeftijd van verzoeker niettegenstaande zijn minderjarigheid ingevolge de bestreden beslissing van de Dienst Voogdij veranderd wordt. Dat er geen sprake kan zijn van een behoorlijk bestuur. - Motiveringsplicht Dat aan iedere administratieve rechtshandeling draagkrachtige motieven ten VII-41.488-3/13 grondslag moeten liggen. Dat een bestuurshandeling aldus is gemotiveerd als niet alleen de concrete feiten maar ook de op die feiten toepasselijke rechtsregels worden vermeld en tevens wordt uitgelegd hoe de toepassing van die rechtsregels op de feiten naar de uiteindelijke beslissing heeft geleid. Overeenkomstig het artikel 62 van de Vreemdelingenwet moeten alle administratieve beslissingen met redenen omkleed worden. Artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 bepalen dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. Uit de bestreden beslissingen dient te blijken dat de Dienst Voogdij met alle feitelijke overwegingen – de specifieke situatie en de beschikbare documenten van de betrokken persoon – heeft rekening gehouden. De uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid haar beslissing heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Voornoemde artikelen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze (RvS 6 september 2002, nr. 110.071; RvS 21 juni 2004, nr. 132.710). Dat de motieven deugdelijk en weloverwogen moeten zijn. Dat in casu enkel rekening werd gehouden met de medische onderzoeken en niet met de verklaringen van de minderjarige verzoeker wiens verklaarde leeftijd niet sterk verschillen van het resultaat van de leeftijdstest. Dat op heden ook authentieke akten de verklaarde leeftijd schragen. - Zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel redelijkheidsbeginsel

  1. a)Het zorgvuldigheidsbeginsel legt aan het bestuursorgaan de verplichting om zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Het respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel houdt derhalve in dat de Dienst Voogdij bij het nemen van een beslissing moet steunen op alle gegevens van het administratief dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken, naast het leeftijdsonderzoek. De resultaten van het leeftijdsonderzoek zijn namelijk met een grote appreciatiebevoegdheid. Dat de vaststelling van de leeftijden kan verschillen met 1.5 jaren. Deze jaren zijn echter van groot belang in het opgroeien en ontwikkeling tot volwassen personen. Het evenredigheidsbeginsel beoogt dat het bestuur in rechte en in feite een verantwoorde beslissing neemt. Het redelijkheidsbeginsel houdt in dat uit de opgegeven motieven de redenering van het bestuur moet blijken. De Raad van State dient, bij haar uitoefening van zijn wettelijk toezicht, na te gaan of het bestuur bij het VII-41.488-4/13 vaststellen van de leeftijd is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan niet kennelijk onredelijk tot zijn besluit is gekomen. Dat dient te worden geconcludeerd dat de leeftijdsbeslissing op basis van de informatie over de verzoeker, beschikbaar in november 2021, vrij correct is verlopen. Dat de verweerster concludeerde dat de verzoeker minderjarig is. Toch moet worden opgemerkt dat de motivering niet voldoende zorgvuldig of verantwoord is. Dat het eerder een gevoelsmatige beslissing was. Dit blijkt uit de bewoording ‘verschil 1.44 jaar wat te groot’. (…)
  2. b)Dat de Raad van State in haar arrest met nummer 246.340 de leeftijdsbeslissing van een verklaarde niet-begeleide minderjarige vreemdeling vernietigde wegens een gebrekkige motivering. Het leeftijdsonderzoek bestaande uit de drie scans, met name van de pols, het gebit en het sleutelbeen, leidt tot een schatting van de leeftijd door een dokter waarbij een onder- en bovengrens wordt bepaald met een foutenmarge. De wijze hoe het eindresultaat vervolgens wordt afgeleid, werd volgens de RvS niet afdoende gemotiveerd. De termen "een redelijke wetenschappelijke zekerheid" en een "Goede schatting" in een zin, waren toch wel vrij tegenstrijdig. Verder kon de RvS ook niet achterhalen op welke wijze de arts vervolgens tot zijn besluit was gekomen. Op basis van de voornoemde tests oordeelde de Dienst Voogdij in casu dat de verzoeker minderjarig is. Zoals reeds gesteld werd deze eindbeslissing onvoldoende gemotiveerd en kon niet worden achterhaald op welke wijze tot het besluit was gekomen. Enkel correct wordt vastgesteld dat verzoeker minderjarig is. Artikel 7 van de Voogdijwet bepaalt echter dat de leeftijdsbepaling van een veronderstelde NBMV er enkel toe strekt vast te stellen of de vreemdeling al dan niet minderjarig is. De bevoegdheid van Dienst Voogdij strekt zich niet uit tot het vaststellen van een nieuwe geboortedatum van de vreemdeling, anders dan wat hij verklaarde. Dit blijkt uit artikel 6, §2, 10 van de Voogdijwet en het artikel 3 van het KB tot uitvoering van Hoofdstuk 6 van de Voogdijwet. Door te oordelen de verklaarde leeftijd niet in overweging te kunnen nemen, en te bepalen dat de voogdij over verzoeker eindigt op 24/05/2022, kent de bestreden beslissing de NBMV impliciet maar zeker een andere, fictieve, geboortedatum toe. Op die manier overschrijdt Dienst Voogdij zijn bevoegdheid tot identificatie en verificatie van de verklaarde leeftijd van de verzoeker.
  3. c)Dat de Dienst het voordeel van de twijfel had moeten toekennen aan de jongeman. Dat de Dienst vaststelde dat hij niet loog over zijn minderjarigheid. Hij is immers minderjarig wat ook blijkt uit de leeftijdstest. Dat hij stelde van het jaar 2005 te zijn en 16 jaar te zijn. Dat de Dienst eventueel extra informatie had moeten inwinnen bij de diplomatieke posten in het land van herkomst. Dat dit ook de visie was in het arrest 246.340 van de RvS. Dat hierbij dient te VII-41.488-5/13 worden gekeken naar het artikel 3 van het KB van 22 december 2003 tot uitvoering van de Voogdijwet NBM (hierna: Voogdijbesluit). Dat de Dienst bij twijfel over de leeftijd een medisch onderzoek kan laten uitvoeren. Dat ze daarnaast ook door middel van officiële documenten of inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of elke andere inlichting, voor zover dit verzoek om inlichting de minderjarige of diens familie niet in gevaar brengt. Deze laatste vorm van informatie verzamelen is van groot belang in geval de jongere geen identiteitsdocumenten kan aanleveren. (zie ook: https://www.agii.beinieuws/rvs-leeftijdsbeslissing-vermeende-nbmv-schend t-motiveringsplicht). In verzoekers situatie had de verwerende partij de minderjarige verzoeker dienen te geloven op zijn woord nadat ze tot het besluit kwamen dat hij wel degelijk minderjarig is, zoals hij beweerde. 2) Schending van de artikelen 27, 1e lid en 28, §1 wetboek IPR Dat de verzoeker kopijen van een authentieke akten kan voorleggen. Het betreffen buitenlandse akten. Artikel 27 van het Wetboek IPR stelt het volgende : " Art 27.§ 1. Een buitenlandse authentieke akte wordt in België door alle overheden erkend zonder dat een beroep moet worden gedaan op enige procedure indien haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld overeenkomstig het krachtens deze wet toepasselijk recht, en meer bepaald met inachtneming van de artikelen 18 en 21." (eigen markering) Dat de Dienst Voogdij dient te aanvaarden dat de minderjarige verzoeker authentieke buitenlandse akten heeft verkregen. Dat de Belgische instanties deze dient te erkennen zonder enige procedure naar de rechtsgeldigheid te doen, indien de documenten rechtsgeldig werden opgesteld overeenkomstig het toepasselijk recht. Dit impliceert derhalve dat de verzoekers authentieke akten, waaronder de geboorteakte en de Taskara principieel erkend dienen te worden door de Dienst Voogdij. Verder stelt het artikel 28, §1 van het Wetboek IPR het volgende: "Art 28. § 1. Een buitenlandse authentieke akte strekt in België tot bewijs van de feiten vastgesteld door de buitenlandse overheid die de akte heeft opgesteld, indien zij tegelijk voldoet : 1° Van de voorwaarden die deze wet stelt aan de vorm van de akten; en 2° aan de voorwaarden voor de echtheid ervan volgens het recht van de Staat waar zij is opgesteld." Dat de geboorteakte en de Taskara de ware geboortedatum en het geboortejaar vaststelt, met name het jaar 2005. […] Dat deze bewijzen werden opgemaakt door de Afghaanse overheidsdiensten voldoen aan de voorwaarden voor de echtheid van het recht van de staat die het opstelde. Dat de Dienst voogdij naar aanleiding van het voorleggen van deze bovenstaande documenten de geldigheid van de akten principieel zou moeten erkennen. 3) Schending van het artikel 24 van het Handvest betreffende de grondrechten van de Europese Unie VII-41.488-6/13 Tot slot dient er aangestipt te worden dat de Dienst Voogdij als bestuur de hogere belangen van het kind indachtig moet zijn. Artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat rechtstreekse werking heeft, bepaalt als volgt : ‘Rechten van het kind 1. Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welen. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in aangelegenheden die hen betreffen wordt passend belang gehecht in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid. 2. Bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. 3. leder kind heeft er recht op regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.’ (eigen markeringen). Dat het onacceptabel zou zijn dat de Dienst Voogdij onvoldoende rekening zou houden met het hoger belang van het kind. 1) Dat het leeftijdsonderzoek effectief concludeerde dat de verzoeker minderjarig is. Er werd geconcludeerd dat de minderjarige 17,5 jaar is omdat de analyse tot een leeftijd van 18 jaar kwam. Daarbij werd door de Dienst Voogdij het volgende uitdrukkelijk gesteld — zie het stuk 1: ‘... dwz dat het onmogelijk is exact te bepalen of hij ouder dan wel jonger is dan 18 jaar’ Verder wordt het volgende gemotiveerd: (…) Dat de Dienst Voogdij de verklaring van de verzoeker dat hi] 16 jaar is, niet geloofde, maar alsnog oordeelde dat hij minderjarig is. Dat de Dienst Voogdij echter in de lijn van de vaststelling dat verzoeker terecht verklaarde dat hij minderjarig is zijn verklaarde leeftijd dienen te bevestigen en niet zelf een fictieve datum te bepalen. Dat het evident niet in het hoger belang van de minderjarige is om ouder te worden geschat dan zijn verklaarde leeftijd nu hij wel als minderjarige wordt beschouwd.” VII-41.488-7/13 Beoordeling Eerste middelonderdeel 5. De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van de voogdijwet is genomen en dus niet met toepassing van de vreemdelingenwet. 6. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker jonger dan 18 jaar oud is en een voogd krijgt. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Er blijkt dan ook geen schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ 7. Verzoekers kritiek dat hem met de bestreden beslissing “een andere, fictieve geboortedatum” wordt toegekend waardoor de dienst Voogdij zijn bevoegdheid zou overschrijden, mist feitelijke grondslag. Met de bestreden beslissing wordt immers enkel bepaald dat de medische test aantoont dat verzoeker “jonger dan 18 jaar” is en dat hij een voogd zal krijgen. Concreet bestaat het besluit van het medisch leeftijdsonderzoek hierin dat verzoekers leeftijd op 23 november 2021 18 jaar is waarbij echter rekening moet worden gehouden met een deviatiemarge van 6 maanden, zodat VII-41.488-8/13 verzoekers leeftijd op die datum ook 17 jaar en 6 maanden kon bedragen. In het licht hiervan heeft de verwerende partij dus noch de in het middel aangehaalde bepalingen van de voogdijwet noch artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 geschonden door verzoekers leeftijd te schatten op minder dan 18 jaar en hem een voogd toe te kennen. Wat nu de situatie betreft waarin de leeftijd bij het medisch onderzoek wordt geschat tussen 17,5 en 18,5 jaar, zoals in casu het geval is, werd in de verantwoording bij het amendement dat tot de voogdijwet heeft geleid het volgende toegelicht: “In de praktijk blijkt dat de geneesheren die bij de vaststelling van de leeftijd de medische tests uitvoeren rekening houden met een foutmarge (zo wordt b.v. gezegd dat betrokkene tussen 16 en 17 jaar oud is, of dat hij tussen 17,5 en 18,5 jaar oud is). Het spreekt voor zich dat wanneer een dergelijke leeftijdsmarge wordt voorgesteld, het vanuit uit een bezorgdheid om de bescherming van deze categorie van bijzonder kwetsbare personen is aangewezen om de voor het kind meest gunstige leeftijd in acht te nemen, zijnde de laagste leeftijd. Wanneer er twijfel bestaat over het resultaat van de medische test wordt de laagste leeftijd in acht genomen.” (Parl. St. Kamer, DOC 50 2124/28, 43) In overeenstemming hiermee wordt in de bestreden beslissing de jongste leeftijd van 17,5 jaar in acht genomen. Naar luid van artikel 24, § 3, van de voogdijwet “stelt de dienst Voogdij het einde van de voogdij vast en brengt de voogd, de gewezen pupil, de vrederechter, en indien grond daartoe staat, de overheden met welke de voogd contact had in verband met de betrokken minderjarige hiervan per brief op de hoogte”. Net om het einde van de voogdij te kunnen vaststellen, kon de dienst Voogdij derhalve zonder zijn bevoegdheid te overschrijden zich in de bestreden beslissing baseren op de voormelde jongste leeftijd “om te weten wanneer jouw voogdij eindigt”, te dezen op 24 mei 2022. VII-41.488-9/13 8. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Het medisch onderzoek is door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Verzoeker beperkt zich tot vage kritiek omtrent de betrouwbaarheid van dergelijk medisch onderzoek zonder evenwel in te gaan op de concrete vaststellingen van dat onderzoek. Met de kritiek dat de bestreden beslissing is gesteund op het resultaat van dergelijk onderzoek en niet op verzoekers eigen verklaringen toont hij derhalve geen schending aan van artikel 7, § 1, van de voogdijwet. Net omdat de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt uit het feit dat de dienst Voogdij bij het nemen van de bestreden beslissing de resultaten van het leeftijdsonderzoek heeft laten primeren op verzoekers verklaringen evenmin een schending van enig door verzoeker aangehaald algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoekers kritiek bestaat overigens slechts uit enkele algemene opmerkingen waarmee hij de concrete resultaten van het leeftijdsonderzoek niet ontkracht en hij verder geen onzorgvuldig, onredelijk of onevenredig karakter van de bestreden beslissing aantoont. 9. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. VII-41.488-10/13 Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een medisch leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Tweede middelonderdeel 10. Verwijzend naar een geboorteakte en een taskara acht verzoeker de artikelen 27, § 1, en 28, § 1, van het WIPR geschonden omdat “de Dienst Voogdij naar aanleiding van het voorleggen van bovenstaande documenten de geldigheid van de akten principieel zou moeten erkennen”. Verzoeker voegt de voormelde stukken wel bij zijn verzoekschrift tot nietigverklaring doch er blijkt niet dat deze stukken werden bezorgd aan de verwerende partij alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Er kan dan ook geen rekening mee worden gehouden bij het beoordelen van de wettigheid van de bestreden beslissing. Derde middelonderdeel 11. Verzoeker acht de beslissing om zijn leeftijd te schatten overeenkomstig het medisch onderzoek en niet zijn eigen verklaarde leeftijd aan te nemen in strijd met het hoger belang van het kind zoals vervat in artikel 24 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie. Enkel uit het feit dat een deskundig medisch onderzoek is gevoerd om na te gaan of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en dat de verwerende partij in de bestreden beslissing het resultaat van dat onderzoek laat primeren op verzoekers eigen verklaringen, kan geen schending worden afgeleid van de bepaling in het voornoemde artikel 24 dat “de belangen van het kind de eerste overweging” vormen. VII-41.488-11/13 Conclusie 12. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. V. De vordering tot schorsing 13. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring. 2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. 3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.488-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.488-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.514 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.