id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.519 Rolnummer: A. 236652/VII-41538 Zaak: Arrest 256519 - Niet begeleide minderjarigen - 12/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-10 08:59 Fiche Arrest nr 256.519 van 12 mei 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.519 van 12 mei 2023 in de zaak A. 236.652/VII-41.538 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bobber Loos kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT,vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 20 april 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.538-1/7 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 3 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 april
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 29 maart 2022 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart aan de dienst Vreemdelingenzaken minderjarig te zijn, met name op 1 april 2007 te zijn geboren. De dienst Vreemdelingenzaken uit evenwel twijfels over deze leeftijd. 3.
- Op 4 april 2022 vindt een medisch onderzoek plaats in het Militair Hospitaal Koningin Astrid, teneinde na te gaan of de betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 04-04-2022 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar waarbij 20,6 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar een goede schatting is”. 3.
- Op 20 april 2022 besluit de verwerende partij op basis van de eindconclusie van het medisch onderzoek, dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van titel XIII, hoofdstuk 6 “Voogdij over VII-41.538-2/7 niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december
- Op datum van kennisgeving vervalt de voogdij aldus van rechtswege. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, alsook van de formelemotiveringsplicht, zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk de zorgvuldigheidsverplichting, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van de proportionaliteit en de verplichting om alle gegevens en stukken van het dossier in overweging te nemen, van “de zorgvuldigheidsplicht, inbegrepen het hoorrecht als algemeen rechtsbeginsel” en van de artikelen 3 en 12 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind. Hij licht dit toe als volgt: “Doordat de FOD Justitie, Directoraart-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst Voogdij besliste dat verzoeker geen voogd zou worden toegekend; Terwijl :
- De Raad van State omschrijft het hoorrecht als algemeen rechtsbeginsel, in haar arrest van 30 maart 1999, n 40/99 B.15.4, gepubliceerd op de site van de Raad van State, ais volgt : ‘soient préalablement entendus ceux qu’elle concerne, même quand cette audition n’est pas expresseément prévue, et ce en application d’un principe général de droit’, Dit principe wordt door de FOD Justitie geschonden; Aangezien dit beginsel niet rechtstreeks is opgenomen in de wet, dient verzoeker zich te baseren op de in de rechtspraak en rechtsleer ontwikkelde voorwaarden; Zo zij er twee voorwaarden vooraleer het hoorrecht toepasselijk is (‘Le droit dêtre entendu en matière d’asile et migration : perspectives belge et européenne’, Janssens, S., Robert, P., RDE, 2013, 174, p 381) : de door de overheid genomen maatregel is een ernstige inbreuk en de maatregel is gebaseerd op een persoonlijke gedraging van de betrokkene. In casu staat het onomstotelijk vast dat aan beide voorwaarden is voldaan : de maatregel heeft een ingrijpend gevolg op de schoolcarrière van verzoeker en bovendien is het een beslissing op een gedraging van verzoeker en gebaseerd op de eigen en persoonlijke situatie. VII-41.538-3/7 Het is bovendien geen beslissing die automatisch wordt getroffen louter door toedoen van de wet. Het beginsel van behoorlijk bestuur houdt bovendien in dat de burger gehoord dient te worden en dit is daarenboven niet afhankelijk van de minderjarigheid van verzoeker; in tegendeel. Net gelet op de bescherming die internationale verdragen bieden aan minderjarigen, meer bepaald artikelen 3 en 12 is het hoorrecht, zeker in een tuchtprocedure essentieel; het mag geen loutere formaliteit zijn. Het gehoor garandeert dat de betrokkene de mogelijkheid wordt geboden om zijn visie betreffende de beslissing te laten kennen; ook in casu werd vader niet gehoord als vertegenwoordiger; aan hem werd de procedure uitgelegd, doch over de feiten an sich was de vader van verzoeker niet van alles op de hoogte. Hij ging er immers van uit dat ook zijn zoon aanwezig zou zijn. In casu had het diensthoofd aan verzoeker de mogelijkheid moeten bieden om extra informatie te verschaffen over een leeftijd. Verzoeker is immers in het bezit van een geldige Afghaanse identiteitskaart, voorheen Taskara genoemd. Zo had verzoeker meer duiding kunnen geven en kunnen aantonen dat hij wel degelijk minderjarig is. Het hoorrecht houdt immers ook in dat verzoeker ook over een redelijke tijdspanne dient te beschikken om zijn opmerkingen over te maken (‘Le droit dêtre entendu en matière d’asile et migration : perspectives belge et européenne’, Janssens, S., Robert, P., RDE, 2013, 174, p 383); ook dit gebeurde in huidig dossier niet. Bovendien dient de betrokkene expliciet te worden uitgenodigd om zijn zienswijze uit de doeken te doen. (‘Le droit dêtre entendu en matière d’asile et migration : perspectives belge et européenne’, Janssens, S., Robert, P., RDE, 2013, 174, p 381; OPDEBEEK I., ‘De hoorplicht’, in Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, Die Keure, 2006, p. 265). Dit is niet gebeurd. Daarenboven is geen enkele uitsluitingsgrond op verzoeker van toepassing. Zo was de beslissing niet urgent, verzoeker was perfect in de mogelijkheid om gehoord worden. De beslissing was evenmin evident en een logisch gevolg van het toepassen van de wet; ze behelsde een diepgaande interpretatie en een diepgaande evaluatie; Bovendien vormt een inbreuk op het hoorrecht een schending van een dermate essentieel recht, dat dit de vernietiging van de beslissing kan schragen. Het is een schending van artikel 12 van het IVRK met rechtstreekse werking in het Belgisch recht, en zeker in tuchtprocedures, die een sanctie voorzien. De Beslissing dient dan ook te worden vernietigd. Daarenboven is ook de formele motiveringsplicht geschonden. De FOD Justitie rept met geen woord over de reden waarom er met de geldige identiteitskaart van verzoeker geen enkele rekening wordt gehouden. Verzoeker kan dan ook niet nagaan waarom wel of niet met deze identiteitskaart wordt rekening gehouden”. Beoordeling
- In de mate dat verzoeker de schending aanvoert van de materiëlemotiveringsplicht en van “de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk de zorgvuldigheidsverplichting, de redelijkheid en proportionaliteit”, laat hij na uiteen te zetten op welke wijze hij deze beginselen VII-41.538-4/7 door de bestreden beslissing geschonden acht. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- De hoorplicht houdt in dat het bestuur, bij afwezigheid van een formele regeling ter zake, niemand een voordeel kan weigeren dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, noch hem dergelijk voordeel kan ontnemen noch hem een sanctie met een voldoende ernstig karakter kan opleggen zonder dat de betrokkene vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Aan dit beginsel is voldaan wanneer de aanvrager in zijn aanvraag alle nuttige elementen kan laten gelden. Te dezen blijkt uit de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” dat verzoeker op de hoogte werd gebracht van de twijfel van de dienst Vreemdelingenzaken over de ingeroepen minderjarigheid, dat verzoeker documenten heeft ontvangen met informatie over het verloop van de leeftijdstest en dat verzoeker zich niet verzette tegen de uitvoering van de leeftijdstest. De hoorplicht houdt niet in dat de dienst Voogdij verzoeker eerst op de hoogte moest brengen van de uitslag van het medisch onderzoek alvorens de bestreden beslissing te nemen. Daargelaten de vraag naar de directe werking van de artikelen 3 en 12 van het internationaal verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind in het Belgische recht, blijkt uit de bestreden beslissing dat verzoeker ouder dan 18 jaar is. Verzoeker toont de onwettigheid van deze vaststelling niet aan, zodat hij zich niet meer op die verdragsbepalingen kan beroepen. Verzoekers kritiek dat hij nooit werd gehoord en hem de mogelijkheid had moeten worden geboden om extra informatie te verschaffen over zijn leeftijd nu hij in het bezit is van een geldige Afghaanse identiteitskaart, mist feitelijke grondslag. Hij heeft deze mogelijkheid wel degelijk gehad vermits op de fiche “niet-begeleide minderjarige vreemdeling” staat vermeld dat juist omwille van onder andere “geen documenten” aan zijn leeftijd wordt getwijfeld en dat hij een “taskara in Afghanistan” heeft. Verzoeker was derhalve op de hoogte van het VII-41.538-5/7 feit dat aan zijn leeftijd werd getwijfeld omwille van (onder andere) het gebrek aan documenten, en hij blijkt geen documenten te hebben voorgelegd om het tegendeel aan te tonen, ook niet op het ogenblik van de medische leeftijdstest en voordat de verwerende partij de bestreden beslissing nam. De hoorplicht houdt alleszins niet in dat de verwerende partij verzoeker daartoe nogmaals de mogelijkheid moest geven en hem dienaangaande moest horen alvorens de bestreden beslissing te nemen. Het enige middel is in de aangegeven mate niet gegrond.
- Verder stelt verzoeker ook dat er sprake is van een schending van de formelemotiveringsplicht vermits in de bestreden beslissing niet gerept wordt over de reden waarom de verwerende partij geen rekening hield met zijn geldige identiteitskaart. Zoals hiervoor reeds opgemerkt werd, blijkt echter niet dat de verwerende partij reeds over dit stuk beschikte bij het nemen van de bestreden beslissing. Er kan derhalve geen rekening mee gehouden worden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. Het enige middel is in die mate niet gegrond.
- Het enig middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.538-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.538-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.519 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div