id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.554 Rolnummer: A. 228057/IX-9540 Zaak: Arrest 256554 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 17/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 09:13 Fiche Arrest nr 256.554 van 17 mei 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.554 van 17 mei 2023 in de zaak A. 228.057/IX-9540 In zake: Sandra DE BRAUWER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Rudi Loos en Catherine Cools kantoor houdend te 1060 Brussel Guldenvlieslaan 68 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van: “- het besluit dd. 21 februari 2019 van de Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met openbaar ambt tot ontslag wegens be- roepsongeschiktheid van Mevrouw Sandra De Brauwer; - de impliciete weigering die er uit volgt om mevrouw Sandra De Brauwer te benoemen als juridisch assistent.” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 246.563 van 7 januari 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. IX-9540-1/29 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Maartje Jongbloet, die loco advocaten Rudi Loos en Catherine Cools verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Adrien Neyrinck, die loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- IX-9540-2/29 III. Feiten 3.
- Op 1 augustus 2017 vat verzoekster haar stage aan als juridisch assistent bij Brussel Openbaar Ambt, tot 1 januari 2018 nog opgenomen in de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. De duur van deze stage bedraagt één jaar. Het verloop van verzoeksters stage wordt besproken in de verschillende evaluatierapporten. In deze rapporten worden steeds dezelfde opmerkingen over verzoekster geformuleerd, namelijk een defensieve, soms zelfs agressieve houding, moeite met het werken in teamverband (communicatie met collega’s, cavalier seul spelen), het niet tijdig afwerken van opdrachten, moeite met het autonoom tot een goed einde brengen van deze opdrachten en het snel overrompeld zijn door de werkdruk. 3.
- Op 22 augustus 2018 wordt verzoeksters stage afgesloten met een negatief eindverslag. Het wordt haar met een brief van 12 september 2018 door de stagebegeleider meegedeeld. In die brief schrijft de stagebegeleider: “Uw stage werd afgesloten op 22/08 met een laatste stagegesprek. Hierbij vind U uw eindverslag, gesteld door uw stagebegeleider, in overleg met het HRM en de functionele chef. Zoals hierboven beschreven in artikel 69 van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, beschikt U over vijftien dagen om er opmerkingen aan toe te voegen. Krachtens artikel 74 van hetzelfde Besluit, beschikt U tevens over eenzelfde termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag om desgewenst een beroep in te dienen bij de regionale kamer van beroep zoals voorzien door artikel 28, 1°, voormeld Besluit van 27 maart 2014.” Verzoekster dient op 25 september 2018 een beroep in bij de regionale kamer van beroep tegen het voornoemde eindverslag. IX-9540-3/29 Op 25 oktober 2018 verzendt verzoekster een nota met haar opmerkingen op het eindverslag. 3.
- De waarnemend directeur van Brussel Openbaar Ambt formuleert op 7 november 2018 een voorstel tot ontslag van verzoekster wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie, hetgeen wordt voorgelegd aan de staatssecretaris van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, bevoegd voor Openbaar Ambt. Het wordt als volgt aan verzoekster meegedeeld: “In bijlage zal u het voorstel van ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie terugvinden dat werd overgemaakt aan de Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Openbare Netheid, Vuilnisophaling en -verwerking, Wetenschappelijk Onderzoek, Gemeentelijke sportinfrastructuur en Openbaar Ambt, overeenkomst artikel 71, lid 3 van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De bijlagen bij dit voorstel, die u reeds gekend zijn, werden gelet op de omvang ervan niet aan de huidige brief toegevoegd. Indien u deze bijlagen toch nogmaals zou willen ontvangen, zullen deze u uiteraard op eerste verzoek worden overgemaakt. Krachtens artikel 74 van hetzelfde Besluit, en in tegenstelling tot wat u verdedigt, beschikt U over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van dit voorstel om desgewenst een beroep in te dienen bij de regionale kamer van beroep. Aangezien artikel 74 het voorstel gedaan krachtens artikel 71, lid 3 van het Besluit van de BHR van 27 maart 2014 viseert, is het wel degelijk dit voorstel dat het voorwerp van het beroep uitmaakt, weze het dat het eindverslag van de stage onderdeel uitmaakt van dit voorstel. Het beroep is schorsend.” Verzoekster stelt op 19 november 2018 een beroep in bij de regionale kamer van beroep tegen dit voorstel van ontslag. Op 4 februari 2019 wordt verzoekster in het kader van haar beroep gehoord door de kamer van beroep. Diezelfde dag formuleert de kamer van beroep een voorstel om verzoekster te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid. IX-9540-4/29 3.
- Op 21 februari 2019 ontslaat de staatssecretaris bevoegd voor Openbaar Ambt verzoekster wegens ongeschiktheid voor een functie bij het ministerie. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Voorafgaande opmerking – toepasselijke rechtspositieregeling 4.
- Verzoekster heeft haar stage reeds aangevangen op de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 21 maart 2018 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel’. Overeenkomstig de in artikel 483 van dit statuut opgenomen overgangsregeling is dan op verzoekster nog het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 maart 2014 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ van toepassing. 4.
- In haar laatste memorie valt verzoekster dit bij in de volgende bewoordingen: “Verzoekster is zo vrij te benadrukken dat zij altijd heeft volgehouden dat het statuut van 2014 op haar van toepassing was. […] In casu is verzoekster op 1 augustus 2017 met haar stage begonnen. Artikel 483 van het Statuut 2018 bevestigt dat het Statuut 2014 van toepassing blijft op de stage van verzoekster. Dit standpunt wordt bevestigd in het rapport van Mevrouw de Eerste Auditeur (punt 7.2.2.) en is ook bevestigd door Uw Raad in arrest nr. 252.620 van 13 januari 2022 […].” Of verzoekster het aangehaalde standpunt “dat het Statuut 2014 van toepassing blijft op de stage van verzoekster” steeds zo ondubbelzinnig heeft verdedigd zoals zij het beweert in haar laatste memorie mag in het midden IX-9540-5/29 blijven. Van belang is wel, dat er thans tussen partijen geen betwisting (meer) over bestaat dat verzoekster onderworpen is aan de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 (hierna: statuut 2014) en niét aan de rechtspositieregeling van 21 maart
- 4.
- Hierna kan dan ook zowel bij de uiteenzetting van de middelen als bij de beoordeling ervan, elke nadere referentie aan het statuut van 2018 achterwege blijven. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel “wordt gehaald uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel audi alteram partem, het principe van het tegensprekelijke, de rechten van verdediging, de artikelen 28, 29, 30, 31, 32, 33, 60, 61, 62, 63, 65, 66, 67, 69, 71, 73, 74, 303, 75, 76, 77, en 78 van het Besluit van 27 mars 2014 van de Brussels Hoofdstedelijke regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel, […] de artikelen 4, 6, 7, 9, 12, 13, 15 en 16 van het Reglement van inwendige orde van de Regionale kamer van beroep van 28 juni 2017, het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid, legaliteit, rechtszekerheid, (légitime confiance), de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en meer bepaald de artikelen 2 en 3, het principe van de formele motivering, het principe van de motivering in de akte, de plicht van nauwgezetheid, het principe van de redelijkheid en de redelijke termijn, van behoorlijk bestuur en van machtsoverschrijding”. Verzoekster beklaagt er zich in essentie over dat de eerste bestreden beslissing tot stand is gekomen met enkele procedurele tekortkomingen: de kamer van beroep heeft laattijdig ontvangst gemeld van het IX-9540-6/29 beroep, zij kreeg geen proces-verbaal dat haar in staat stelt te verifiëren of de meerderheid van de kamer van beroep deelnam aan de beraadslaging en de kamer van beroep had ook een kopie van haar beslissing moeten betekenen bij aangetekende én bij gewone postzending. Voorts voert zij aan dat zij niet de mogelijkheid heeft gekregen kennis te nemen van het administratief dossier, dat zij niet werd gehoord, dat het voorstel tot ontslag van 7 november 2018 niet werd gemotiveerd, dat haar verhoor niet werd uitgesteld ondanks dat haar vakbondsafgevaardigde niet aanwezig kon zijn, dat het advies van de kamer van beroep niet binnen de voorgeschreven termijn werd genomen zodat het moest worden geacht gunstig te zijn en dat het beginsel van de redelijke termijn werd miskend. Bij dit alles benadrukt verzoekster dat zij haar beroep bij de kamer van beroep indiende op 25 september 2018 en dat haar beroep van 19 november 2018 geen nieuw beroep vormt, maar een hernieuwing van haar vroegere beroep, waaraan geen gevolg werd gegeven.
- Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat zij geen bijzondere omstandigheden ziet die de grote vertraging kunnen rechtvaardigen waarmee de kamer van beroep over haar beroepen heeft geoordeeld. De kamer van beroep had niet het recht om na twee maanden alsnog te oordelen en een voorstel te formuleren. Bovendien zou de samenstelling van de kamer van beroep anders – en voor verzoekster voordeliger – zijn geweest indien zij zich aan de termijn van twee maanden had gehouden. Voorts wijst verzoekster erop dat zij om diverse redenen haar verdediging niet goed kon voorbereiden. Zij meent dat de hoorplicht werd miskend doordat zij geen kennis kreeg van het proces-verbaal van de hoorzitting vóór de vaststelling van de eerste bestreden beslissing en dat dus niet kon becommentariëren – net zomin als de pleitnota van de stagebegeleider. Ook verzoeksters rechten van verdediging werden geschonden nu zij zich bij de hoorzitting niet kon laten vergezellen door de raadsman van haar keuze. IX-9540-7/29
- In haar laatste memorie argumenteert verzoekster dat de kennisgevingsbrief van 14 september 2018 erop neerkomt dat een ontslagvoorstel wordt voorbereid “en dat bijgevolg de beslissing om haar te ontsla[a]n reeds was genomen”. In werkelijkheid heeft de verwerende partij, die geen gevolg had gegeven aan het beroep van verzoekster, slechts getracht tijd te winnen door voor een tweede maal kennis te geven van het besluit om haar ontslag aan te bieden, teneinde de termijn voor de behandeling van haar beroep te verlengen. In elk geval moet worden geoordeeld dat indien de brief van verzoekster van 25 september 2018 geen volwaardig beroep bij de kamer van beroep vormt, deze in elk geval de geldige opmerkingen van verzoekster over haar verslag bevat. Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel
- Samen met de verwerende partij wordt vastgesteld dat verzoekster – zelfs met weglating van de artikelen van de rechtspositieregeling van 2018 – tal van bepalingen en beginselen opsomt in het middel, zonder met de vereiste precisie in haar daarop aansluitende uiteenzetting – een opsomming van “feiten” – aan te geven welke kritiek betrekking heeft op welke artikelen of beginselen. Alvast geeft verzoekster niet aan op welke wijze de artikelen 28, 29, 30, 31, 32 en 33 van het statuut 2014 geschonden zijn. Deze bepalingen hebben betrekking op de oprichting van de kamer van beroep, haar samenstelling, de organisatie van de vergaderingen, het opstellen van een huishoudelijk reglement, en de beraadslagingen en stemmingen van de kamer van beroep. IX-9540-8/29 Verzoekster citeert in de toelichting van het middel de aangevoerde bepalingen van het huishoudelijk reglement, maar zij verzuimt vervolgens ook van deze bepalingen te preciseren welk ervan op welke wijze geschonden is. Tot een minimale verduidelijking komt zij slechts in haar laatste memorie, wat ruimschoots te laat is. Voor zover verzoekster voorts de schending aanvoert van artikel 78 van het statuut 2014, gaat zij eraan voorbij dat die bepaling door de Raad van State bij arrest nr. 234.607 van 2 mei 2016 is vernietigd en bijgevolg geacht wordt nooit te hebben bestaan. Verzoekster voert voorts de schending aan van “het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid, legaliteit, rechtszekerheid, (légitime confiance)”, van “de plicht van nauwgezetheid”, het “principe van de redelijkheid” en “van behoorlijk bestuur” en “machtsoverschrijding”, zonder één en ander in de toelichting bij het middel concreet op de bestreden beslissingen te betrekken. Voor zover verzoekster met “het principe van de formele motivering” en met “het principe van de motivering in de akte” refereert aan de formelemotiveringswet van 29 juli 1991, is dit driedubbel op, aangezien de schending van die wet ook al in het middel wordt aangevoerd. Voor zover verzoekster iets anders bedoelt, is de Raad geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bekend “van de formele motivering” of “van de motivering in de akte”. In die mate is het middel onontvankelijk. Voor het overige wordt het middel beoordeeld zoals de verwerende partij het heeft kunnen begrijpen. Wat voorligt is een uitvoerig relaas dat voornamelijk bestaat uit feitelijke vaststellingen, zonder te preciseren welke rechtsregels geschonden zijn en hoe dit moet blijken uit deze feiten. Het ligt niet op de weg van de Raad van State om uit dat feitenrelaas mogelijke wettigheidskritieken te distilleren en het tot een middel te herschrijven in de plaats van verzoekster. IX-9540-9/29
- Het betoog in de memorie van wederantwoord, dat verzoekster op de hoorzitting de pleitnota van de stagebegeleider niet kon becommentariëren, is laattijdig en dus niet ontvankelijk. Overigens blijkt uit de notulen van de hoorzitting dat deze grief feitelijke grondslag mist, want verzoekster kreeg wel degelijk nog het woord nádat de stagebegeleider haar argumentatie naar voor had gebracht.
- Ook laattijdig en dus onontvankelijk, is de in de memorie van wederantwoord opgenomen grief dat verzoekster vóór het nemen van de eerste bestreden beslissing nog het proces-verbaal van de hoorzitting moest ontvangen en er haar opmerkingen over kunnen maken. Overigens verleent het statuut dit recht niet aan verzoekster, noch gaat de hoorplicht zo ver. b. gegrondheid van het middel
- In zoverre verzoekster een schending van de rechten van verdediging aanvoert, faalt haar kritiek in rechte. Vermits het bestreden besluit geen tuchtmaatregel oplegt, zijn de rechten van verdediging bij ontstentenis van een andersluidende bepaling immers niet van toepassing.
- De voor de beoordeling van het middel ten tijde van de bestreden beslissingen relevante bepalingen van het statuut 2014 met betrekking tot het einde van de stage en de beroepsprocedure luiden: “Afdeling
- - Het einde van de stage Art.
- De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek, zoals beschreven in artikel
- De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM en de functionele chef. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 71 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art.
- De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art.
- De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur- generaal van het bestuur waarbij de stagiair wordt ingedeeld. IX-9540-10/29 Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal aan de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris- generaal voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan de overheid bevoegd voor de benoeming, bedoeld in artikel
- Indien het eindverslag ongunstig is, stelt de directeur-generaal met instemming van de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie voor aan de overheid bevoegd voor de benoeming, bedoeld in artikel
- […] Art.
- Indien de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat die een dringende reden uitmaakt waardoor elke professionele samen- werking onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt of wanneer de stagiair blijk geeft van een negatieve houding of niet voldoet aan de vereiste vaardigheden die inherent zijn aan de functie en ondanks waarschuwingen van de stagebegeleider geen blijk geeft van verbetering of ontwikkeling van deze vaardigheden, legt deze laatste een gemotiveerd ongunstig verslag voor aan de ambtenaren bedoeld in artikel 71 of
- Deze stellen het ontslag van de stagiair voor, wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van de functie. Afdeling
- - De beroepsprocedure Art.
- In de gevallen bedoeld in de artikelen 71, derde lid, 72 en 73, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag of van het ongunstig verslag om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de in het artikel 28 bedoelde commissie. Het beroep is schorsend. Deze termijn wordt berekend volgens dezelfde regels als deze bedoeld in artikel 303, §
- De ambtenaar ontvangt een ontvangstbewijs van het beroep. Art.
- De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art.
- De stagebegeleider brengt verslag uit over het verloop van de stage. Hij wordt gehoord. Art.
- De commissie kan aan de benoemende overheid voorstellen: 1° de benoeming; 2° het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie. De commissie spreekt zich uit binnen de twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep. Bij ontstentenis van een voorstel wordt het dossier aan de benoemende overheid bezorgd.”
- De aangehaalde bepalingen voorzien niet in een beroep tegen een ongunstig eindverslag als zodanig, maar enkel tegen het ongunstig eindverslag dat gepaard gaat met het voorstel van de directeur-generaal tot ontslag. Artikel 74, eerste lid, van het statuut 2014 verwijst immers naar “de gevallen bedoeld in de artikelen 71, derde lid” en niet naar artikel
- IX-9540-11/29 Laatstgenoemd artikel biedt de stagiair (enkel) de mogelijkheid om zijn opmerkingen aan het eindverslag toe te voegen. Dat betekent dat in de kennisgeving van het eindverslag door de stagebegeleider ten onrechte melding is gemaakt van een beroepsmogelijkheid bij de kamer van beroep. Het beroep dat verzoekster daarop instelde, is bijgevolg niet een beroep als bedoeld in artikel 74 van het statuut
- Verzoekster heeft finaal wel een beroep ingesteld toen het behoorde. Dat beroep was ook tijdig. In dat beroep, dat verzoekster heeft ingesteld op 19 november 2018, verwijst zij naar haar vroegere “beroep” van 25 september 2018, dat zij bevestigt. Dat verzoekster door het voorspiegelen van een nog onbestaande beroepsmogelijkheid op het verkeerde been is gezet, betekent in de gegeven omstandigheden dat de grieven die zij weliswaar voorbarig heeft uiteengezet in haar brief van 25 september 2018, geacht moeten worden deel uit te maken van haar beroep van 19 november
- Dat is ook zo aan verzoekster meegedeeld door de kamer van beroep in een brief van 23 januari 2019, waarin verzoekster wordt gemeld dat er “rekening zal worden gehouden met alle stukken die vanaf 25 september 2018 werden ingediend”. Verzoekster werd dus niet in haar belangen geschaad door de verkeerde kennisgeving in de brief van de stagebegeleider, zodat die onzorgvuldigheid van de stagebegeleider niet de wettigheid van de eindbeslissing kan aantasten.
- Aangezien het beroep van verzoekster evenwel geacht moet worden te zijn ingesteld – en enkel kan zijn ingesteld – door middel van haar beroepsschrift van 19 november 2018, zijn de procedurele voorschriften die verzoekster inroept niet van toepassing op het eerste “beroep”, waarin het statuut immers niet voorziet. IX-9540-12/29 Hierna worden dan ook enkel de grieven onderzocht die tegen de behandeling van het beroep van 19 november 2018 zijn aangevoerd en erop betrokken kunnen worden.
- Luidens artikel 77, tweede lid, van het statuut 2014 spreekt de kamer van beroep zich uit binnen twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep. Blijkens het administratief dossier kreeg verzoekster op 4 december 2018 dat ontvangstbewijs. Anders dan verzoekster betoogt, schrijft geen enkele bepaling voor dat de kamer van beroep haar het ontvangstbewijs zou moeten bezorgen binnen drie dagen na ontvangst van het beroep. De kamer van beroep heeft zich uitgesproken op 4 februari 2019, dat is precies twee maanden later. Aangezien de kamer van beroep zich bijgevolg heeft gedragen naar de termijn van orde die het statuut vooropstelt, kan van een schending van die bepaling of van de redelijke termijn geen sprake zijn. Overigens is het voor de Raad een raadsel waar verzoekster leest dat het uitblijven van een voorstel ertoe leidt dat het geacht wordt gunstig te zijn. Artikel 77, tweede lid, van het statuut 2014 leert enkel dat bij “ontstentenis van een voorstel”, “het dossier aan de benoemende overheid [wordt] bezorgd”. Zo de duur van de procedure, in zijn geheel bekeken, geen blijk geeft van een onredelijke vertraging, dan valt het aan de verzoekende partij toe om aan te tonen dat een abnormale en onredelijke vertraging van een tussenstap haar belangen heeft geschaad – bijvoorbeeld omdat getuigen niet meer bereikbaar zijn of hun verklaringen niet langer betrouwbaar zijn. Tot zulke bewijsvoering komt verzoekster niet. Dat zij speculeert op een gunstiger uitslag op grond van een andere samenstelling van de kamer van beroep levert alvast geen zulk bewijs, aangezien verzoekster geen recht heeft op een welbepaalde voor haar welwillender samenstelling van de kamer van beroep. IX-9540-13/29
- Verzoekster stelt dat zij “de mogelijkheid [had] moeten hebben geacht om kennis te nemen van haar administratief dossier”. In zoverre die opmerking van verzoekster zo begrepen moet worden dat zij aanvoert niét die mogelijkheid te hebben gekregen, mist die grief feitelijke grondslag. De 22 januari 2019 gedateerde oproepingsbrief voor de hoorzitting van 4 februari 2019 vermeldt immers dat het administratief dossier ter beschikking is bij de griffie en dat dit dossier op verzoek kan worden toegezonden.
- Verzoekster stelt dat de verwerende partij haar had “moeten toestaan zich te laten bijstaan tijdens haar verhoor, door haar syndicaal afgevaardigde”. In zoverre die opmerking van verzoekster zo begrepen moet worden dat zij aanvoert niét die mogelijkheid te hebben gekregen, mist ook die grief feitelijke grondslag. De voormelde oproepingsbrief voor de hoorzitting vermeldt immers ook dat verzoekster zich mag “laten bijstaan door een persoon naar keuze”. Voor zover verzoekster aanstoot neemt aan het feit dat de hoorzitting niet werd verplaatst, niettegenstaande haar vakbondsafgevaardigde had laten weten op de voorziene datum niet beschikbaar te zijn, laat zij na in het verzoekschrift te verduidelijken welke bepaling of welk beginsel zij hiermee geschonden acht. In dit verband stelt de Raad nog vast dat de vakbondsafgevaardigde in een brief van 25 januari 2019 weliswaar schrijft te betreuren dat met zijn onbeschikbaarheid op 4 februari 2019 geen rekening wordt IX-9540-14/29 gehouden, maar dat hij niet vraagt om een uitstel van de hoorzitting naar een latere datum.
- Verzoekster stelt nog dat zij niet kan controleren of de kamer van beroep heeft beraadslaagd bij aanwezigheid van de meerderheid van haar leden. Weerom faalt deze grief in feite, nu uit het voorstel zelf van de kamer van beroep blijkt dat er zeven leden aanwezig waren, wat ook te lezen is in de notulen van de zitting.
- Als verzoekster ten slotte aanstoot eraan neemt dat de bestreden beslissing haar enkel is betekend bij aangetekende zending en niet bij gewone postzending, zoekt zij helemaal spijkers bij laag water. Verzoekster kreeg kennis van de bestreden beslissing bij aangetekend schrijven van 14 februari 2019, zodat moeilijk valt in te zien welk belang zij nog heeft bij een bijkomende kennisgeving per gewone post. Hoe dan ook betreft verzoeksters kritiek slechts de wijze van kennisgeving van de bestreden beslissing, wat niet raakt aan de wettigheid van de beslissing zelf.
- Verzoekster eindigt haar toelichting bij het middel met een algemene beschouwing van twee bladzijden over het “principe ‘audi et alteram partem’”. Hieruit kan worden begrepen dat verzoekster meent dat zij niet, of niet nuttig is gehoord bij het laten gelden van haar verweer, zonder dat zij dit evenwel voorbij haar algemene beschouwingen specifiek uitwerkt. In dat verband mag worden opgemerkt wat volgt. Verzoekster is gehoord op de hoorzitting van 4 februari
- Met het oog daarop heeft zij zeer omvangrijke stukken neergelegd – haar nota telt 130 bladzijden. IX-9540-15/29 Zowel uit het voorstel van de kamer van beroep als uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeksters argumenten in rekening werden gebracht en waarom ze door de kamer van beroep werden verworpen. Daarbij moet erop worden gewezen dat de formelemotiveringsplicht niet zover reikt dat alle beroepsargumenten van verzoekster puntsgewijze beantwoord moeten worden door de kamer van beroep. Het volstaat daarentegen dat blijkt dat verzoeksters argumenten in aanmerking werden genomen en waarom ze niet werden aanvaard. Dat blijkt afdoende uit het voorstel van de kamer van beroep.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, met name de artikelen 2 en 3 daarvan, het formele motiveringsbeginsel, het materiële motiveringsbeginsel, de zorgvuldigheidsplicht, het legaliteitsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, de redelijke termijn, het beginsel van behoorlijk bestuur en de overschrijding van de bevoegdheid”. In een eerste middelonderdeel stelt verzoekster dat de eerste bestreden beslissing enkel steunt op het eindverslag van haar stage en op het voorstel van de kamer van beroep om haar te ontslaan. Verzoeksters opmerkingen in haar “130 pagina’s tellende verweerschrift” en haar mondelinge opmerkingen tijdens de hoorzitting worden echter noch in het bestreden ontslagbesluit, noch in het voorstel in rekening gebracht, laat staan beantwoord. Voorts werden de notulen van de hoorzitting van 4 februari 2019 niet aan verzoekster, noch aan “het bestuursorgaan” meegedeeld. IX-9540-16/29 Bovendien gaat het voorstel tot ontslag van 8 november 2018 uit van GD, een onbevoegd persoon die niet tot verzoeksters taalrol behoort. Dit voorstel tot ontslag mist bovendien elke motivering, antwoordt niet op de argumenten ontwikkeld door verzoekster en is ertoe beperkt, te verwijzen naar het stagerapport. In een tweede middelonderdeel betoogt verzoekster dat de eerste bestreden beslissing zelf geen enkele motivering bevat; de beslissing verklaart niet waarom geen rekening werd gehouden met verzoeksters argumenten voor de kamer van beroep. Voorts werd het voorstel tot ontslag van 4 februari 2019 niet aan de beslissing gehecht, noch werd het voorstel aan verzoekster meegedeeld of de inhoud ervan in de beslissing beschreven.
- In haar memorie van wederantwoord argumenteert verzoekster dat het niet volstaat dat de eerste bestreden beslissing wordt gemotiveerd door middel van verwijzing, aangezien de stukken waarnaar wordt verwezen, zelf niet behoorlijk zijn gemotiveerd. Hoewel de kamer van beroep niet verplicht is te antwoorden op de 112 (versta: 130) bladzijden met argumenten, moet zij deze in hun geheel beantwoorden, al was het maar om aan de belangrijkste argumenten tegemoet te komen, zodat zij kan begrijpen waarom haar beroep niet gegrond wordt geacht: “Zo stelde [verzoekster] bijvoorbeeld dat de negatieve opmerkingen die haar stagebegeleider haar laattijdig had gemaakt, niet konden worden gecorrigeerd. Zij verklaarde ook dat zij verschillende taken op A-niveau kreeg toegewezen, dat wil zeggen verschillende taken die geen verband houden met haar stage, en dat zij verplicht was haar taken op A-niveau te combineren met de taken van haar stage. [Verzoekster] stelde ook dat haar de toegang was geweigerd tot verschillende werkdatabanken. Dit zijn belangrijke argumenten, die een aantal van de grieven tegen haar kunnen verklaren, waarop de overheid nooit de moeite heeft genomen te antwoorden, zij het in algemene bewoordingen.” Bovendien is het eindverslag te laat aan haar meegedeeld, namelijk een maand na het einde van haar stage. Zij kreeg geen vijfde stageverslag. De negatieve opmerkingen die tegen haar zijn gemaakt, zijn dan IX-9540-17/29 ook zeer laattijdig meegedeeld en zijn in strijd met haar eerdere stageverslagen, zodat zij niet voldoende tijd heeft gehad om ze te integreren en haar houding aan te passen. Met betrekking tot de bevoegdheid van GD, de auteur van het ontslagvoorstel van 7 november 2018, merkt verzoekster op dat deze niet de directeur-generaal is, noch uitdrukkelijk de bevoegdheid heeft gekregen om ter zake op te treden. Bovendien behoort zij tot een andere taalrol dan verzoekster, wat impliceert dat zij een wettig vastgestelde kennis van verzoeksters taal moet bezitten. Het is belangrijk dat deze persoon het stageverslag, het dossier en de opmerkingen van verzoekster met het oog op haar beslissing volledig kan begrijpen. Ten slotte stelt verzoekster dat zij werd begeleid door een persoon met wie zij persoonlijke moeilijkheden ondervond.
- Verzoekster stelt in haar laatste memorie niet te kunnen inzien hoe de verwerende partij meent te kunnen verwijzen naar de tijdens de zitting van 4 februari 2019 naar voren gebrachte argumenten, terwijl er geen tegensprekelijk proces-verbaal werd opgesteld met de tijdens die zitting aan bod gekomen elementen. Deze situatie ondermijnt de objectiviteit van de verwerende partij, die steunt op argumenten die haar eenzijdig zijn voorgelegd en die op geen enkele manier het voorwerp konden uitmaken van een controle door verzoekster. Zij blijft erbij dat aan GD geen bevoegdheidsdelegatie was verleend, zodat zij het voorstel tot ontslag niet vermocht te formuleren – des te minder omdat zij behoorde tot een andere taalrol dan verzoekster. Beoordeling IX-9540-18/29
- De toelichting bij het middel doet enkel begrijpen waarom verzoekster de formelemotiveringswet geschonden acht. Het wordt uit dat oogpunt onderzocht en is voor het overige onontvankelijk.
- De eerste bestreden beslissing motiveert het ontslag van verzoekster met de volgende overwegingen: “Overwegende dat uit het eindverslag van de stage de motieven blijken waarom een ongunstig eindadvies werd geformuleerd, zowel op het vlak van de verwachte resultaten als op het niveau van de verwachte attitudes. Dat de inhoud en het besluit van dit eindverslag dan ook kunnen bijgetreden worden. Overwegende dat de procedurele onregelmatigheden die mevrouw De Brauwer heeft opgeworpen in haar beroepen bij de regionale kamer van beroep moeten verworpen worden om de redenen die worden uiteengezet in de pleitnota van de stagebegeleider van mevrouw De Brauwer, neergelegd ter zitting van de regionale kamer van beroep van 4 februari 2019 en eveneens in het voorstel zelf van de regionale kamer van beroep van 4 februari
- Overwegende dat het verweer ontwikkeld door mevrouw De Brauwer in haar verweerschriften neergelegd bij de regionale kamer van beroep zeer omvangrijk en moeilijk leesbaar is en er op neerkomt dat mevrouw De Brauwer zo goed als elke vaststelling die over haar functioneren werd gedaan tracht te ontkrachten. Overwegende dat de argumenten van mevrouw De Brauwer, niet doen besluiten dat de motieven van het eindverslag die gestaafd worden met concrete voorbeelden gevoegd aan dit eindverslag, feitelijk onjuist zouden zijn of niet draagkrachtig. Overwegende dat bijgevolg uit het eindverslag blijkt dat het ongunstig eindadvies haar steun vindt in het dossier van mevrouw De Brauwer. Overwegende dat deze vaststellingen nogmaals werden aangetoond in de nota neergelegd door de stagebegeleider van mevrouw De Brauwer ter zitting van de regionale kamer van beroep van 4 februari
- Dat bijgevolg ook het voorstel van de regionale kamer van beroep kan bijgetreden worden om mevrouw De Brauwer te ontslaan wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie. Overwegende dat dan ook kan besloten worden tot ontslag van mevrouw Sandra De Brauwer wegens ongeschiktheid voor een functie bij het ministerie.”
- Zodoende is het bestreden ontslagbesluit zelf wezenlijk gemotiveerd door verwijzing naar de motieven opgenomen in andere stukken, namelijk het eindverslag van de stage, het voorstel van 4 februari 2019 van de IX-9540-19/29 kamer van beroep en de pleitnota die de stagebegeleider neerlegde in het kader van de procedure voor de kamer van beroep. De staatssecretaris valt die motieven bij en maakt ze tot de hare.
- Elk van die stukken is aan verzoekster meegedeeld.
- Elk van die stukken bevat een formele motivering die, zo oor- deelt de Raad van State, afdoende is. Uit het uitvoerig eindverslag van de stage blijkt duidelijk waarom verzoekster een ongunstig eindverslag kreeg, zowel inzake de verwachte resultaten als inzake de verwachte attitudes. De vaststellingen in het eindverslag omtrent het functioneren van verzoekster vinden steun in het dossier en verzoekster slaagt er niet in om die vaststellingen te ontkrachten. Het voorstel van de kamer van beroep is formeel gemotiveerd en uit de bewoordingen ervan blijkt dat rekening wordt gehouden met de argumenten van verzoekster in haar beroepschrift. Zowel verzoeksters inhoudelijke als procedurele argumenten komen in dat voorstel aan bod. Tevens komt de kamer van beroep in het voorstel op gemotiveerde wijze tot het oordeel dat het eindverslag van de stage afdoende gemotiveerd werd, ondanks verzoeksters opmerkingen. Zo overweegt de kamer van beroep onder meer wat volgt: “Wat de argumentatie van de verzoekende partij tegen het eindverslag van 12 september 2018 betreft, dient vastgesteld dat het eindverslag is tot standgekomen volgens de voorschriften van het administratief statuut, waarbij de stagebegeleider in alle redelijkheid tot de conclusie is kunnen komen dat aan de eindevaluatie een ongunstig beoordeling dient te worden toegekend. Hierbij wordt geoordeeld dat met betrekking tot de verwachte resultaten het merendeel van de doelstellingen die werden bepaald bij de aanvang van de stage of tijdens de stage niet of onvolledig werden bereikt wegens het gebrek aan organisatievermogen van verzoekster of haar houding die het organiseren van de interne en externe samenwerking bemoeilijkt. Op het vlak van de verwachte attitudes wordt in het eindverslag geconcludeerd dat de verwachte atti[t]udes niet voldoende aan de dag zijn IX-9540-20/29 gelegd in het kader van het werk. Er werd een gebrek aan respect, samenwerking, klantgerichtheid, solidariteit en alsdusdanig een gebrek aan integratie in de organisatie vastgesteld. Verzoekster heeft onaangepast gedrag vertoond tijdens het werk, wat een negatieve impact had op het werk van haar collega's. Verzoekster ontkent deze beoordeling en meent dat deze ongunstige evaluatie uitsluitend haar oorzaak kent in factoren die buiten haarzelf zijn gelegen, zoals organisatie van het werk, veelheid van opdrachten, beperkte juridische kennis van collega’s, ... […] Uit de lezing van het eindverslag blijkt dat er enerzijds problemen waren met de uitvoering van de taken die aan verzoekster werden toevertrouwd en anderzijds met de houding van verzoekster bij het uitvoeren van haar taken. De stagebegeleider komt op basis van de beoordeling van het verloop van de stage tot de conclusie dat verzoekster de taken die haar werden toevertrouwd niet tot een goed einde kan brengen zoals mag verwacht worden van een stagiair in haar situatie en dat er geen positieve evolutie kan worden waargenomen in de besproken tekortkomingen. Verzoekster aanvaardt deze kritiek niet en stelt hieromtrent dat zij integendeel op een uitmuntende wijze werkte. Idem voor wat betreft de kritiek aangaande het gebrek aan respect, samenwerking, klantgerichtheid en solidariteit. Feit is dat de Kamer van Beroep dient vast te stellen dat het eindverslag van 12 september 2018 wel degelijk inhoudelijk op een deugdelijke en afdoende wijze motiveert om welke redenen aan de beoordeling van de stage van verzoekster een ongunstig resultaat dient te worden toegekend. Dat verzoekster als stagiair nochtans duidelijk op de hoogte werd gesteld tijdens het eerste stagegesprek van 10 augustus 2017 van de einddoelstellingen van de stage, de taken die haar zouden worden toebedeeld, de technische kennis die zij diende te vergaren, de generieke competenties voor de functie en de houdingen die van haar verwacht werden en hierbij in de loop van de stage wel degelijk werd opgevolgd en gecorrigeerd waar nodig, blijkbaar zonder het verhoopte resultaat. Dat het niet aan de Kamer van Beroep toekomt als orgaan van actief bestuur om zich in deze in de plaats te stellen van de werkgever, doch enkel vermag te oordelen of de voorschriften bij het volgen van de evaluatieprocedure werden nageleefd en of de werkgever in alle redelijkheid tot de conclusie is kunnen komen dat de stagiair niet aan de vooropgestelde verwachtingen voldoet en dat hierbij alle begeleiding en kansen werden gegeven die een correcte evaluatie moeten mogelijk maken. Welnu, na lezing van alle stukken van het dossier en het horen van de partijen dient geconcludeerd dat de bevindingen in het eindverslag van 12 september 2018 geenszins als kennelijk onredelijk of onjuist kunnen worden aanzien, wel integendeel en dat het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie dient te worden gehandhaafd.” IX-9540-21/29 In de nota van verzoeksters stagebegeleider wordt uiteengezet, gestaafd met concrete elementen, waarom verzoekster een ongunstig eindverslag kreeg. Tevens wordt toegelicht waarom verzoeksters argumenten tegen het ongunstige besluit van het eindverslag en omtrent de procedurele onregelmatigheden niet kunnen worden gevolgd. Overigens lijkt verzoekster niet te betwisten dat de nota behoorlijk is gemotiveerd. De formelemotiveringsplicht moet de betrokkene toelaten de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot de beslissing hebben geleid. Zoals verzoekster het zelf terecht opmerkt, moet de verwerende partij niet op elk argument van verzoekster antwoorden en dit weerleggen. Het volstaat dat verzoekster in de bestreden beslissing – of zoals hier, in de haar bekende, aan die beslissing onderliggende stukken – de redenen vindt die het bestuur ertoe brengen de stage als ongunstig te beschouwen. Naar het oordeel van de Raad voldoet de eerste bestreden beslissing hieraan. Uit die motivering blijkt ook dat de verwerende partij van de door verzoekster geformuleerde bezwaren kennis heeft genomen en ze heeft onderzocht, maar er zich niet door liet overtuigen. Zo verzoekster dan niettemin meent dat aan een welbepaald beroepsargument niet de vereiste aandacht is gegeven, ligt het op haar weg concreet erop te wijzen wélk precies argument zo zwaarwichtig is dat van de kamer van beroep verwacht mocht worden dat er een afzonderlijke repliek op zou komen. Tot zo een uiteenzetting komt verzoekster geenszins, tenzij misschien een aanzet in haar memorie van wederantwoord, hetgeen laattijdig is.
- Waar verzoekster aanklaagt dat de notulen van de hoorzitting voor de kamer van beroep niet aan haar zijn meegedeeld, blijft zij in gebreke aan te geven welke bepaling of welk beginsel zij hierdoor geschonden ziet. Er is noch in het statuut 2014, noch in het huishoudelijk reglement van de kamer van beroep een verplichting opgenomen om een proces-verbaal van de zitting mee te delen aan de partijen. IX-9540-22/29
- Verzoekster maakt niet duidelijk welke bepaling of welk beginsel zij miskend acht doordat “het bestuursorgaan” de notulen van de hoorzitting niet zou hebben gekregen. Meer nog, verzoekster maakt niet aannemelijk dat de notulen geen deel zouden hebben uitgemaakt van het dossier dat het beslissingnemende bestuursorgaan ter beschikking had. Uit niets blijkt dat “het bestuursorgaan” bij het nemen van de eerste bestreden beslissing geen kennis zou hebben gehad van de notulen van de hoorzitting van 4 februari
- Het eindverslag over de stage wordt opgesteld door de stagebegeleider. Indien, zoals in huidige zaak, dat verslag ongunstig is, “stelt de directeur-generaal met instemming van de secretaris-generaal of de adjunct- secretaris-generaal het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie voor aan de overheid bevoegd voor de benoeming”, aldus artikel 71, derde lid, van het statuut
- Uiteindelijk neemt de laatstgenoemde overheid de beslissing tot ontslag. Uit die regeling blijkt dat de directeur-generaal bij een ongunstig verslag geen inhoudelijke beoordelingsruimte heeft en dat hem niets anders te doen staat, dan het verslag met een voorstel tot ontslag voor te leggen aan de benoemende overheid. Hieruit volgt alvast dat verzoekster niet wordt bijgevallen als zij van de directeur-generaal een eigen motivering verwacht. Dat betekent ook, dat het verslag met bijgaand voorstel tot ontslag hoe dan ook aan de beslissende overheid bezorgd moet worden en dat verzoekster hiertegen eerst nog de beroepsprocedure kan instellen. Verzoekster heeft bijgevolg geen belang bij haar grief dat GD als hoogstgeplaatste ambtenaar – spijts het door GD ingeroepen beginsel van de continuïteit van de dienst – die brievenbusfunctie niet op zich mocht nemen, hetzij omdat zij niet de vereiste graad bekleedt, hetzij omdat zij tot de verkeerde taalrol behoort. Verzoekster toont niet aan dat de – in het Nederlands gestelde – beslissing om het eindverslag met voorstel tot ontslag aan de benoemde overheid te bezorgen anders zou hebben geluid, zonder die beweerde tekortkomingen, noch toont zij aan daarbij nadeel te hebben ondervonden. De argumenten die verzoekster ontleent aan de rechtspraak over de IX-9540-23/29 taalkennis van de tuchtoverheid doen niet anders besluiten: het ontslag is geen tuchtmaatregel en GD is enkel, met de woorden van de verwerende partij, een “doorspeelpunt”.
- In de memorie van wederantwoord beklaagt verzoekster er zich plots over dat zij werd begeleid door een persoon met wie zij persoonlijke moeilijkheden ondervond. Nog los van het feit dat dit een louter feitelijke opmerking is die niet is in te passen in de schending van de formelemotiveringsplicht zoals deze in dit middelonderdeel wordt aangevoerd, geldt dat verzoekster een dergelijk argument niet ontvankelijk pas in de memorie van wederantwoord kan aanvoeren.
- Bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd middels de eraan onder- liggende stukken – eindverslag, voorstel van de kamer van beroep en nota van de stagebegeleider. De affirmatie van verzoekster dat “de motivatie voor de beslissing […] puur onbestaande” is, raakt kant noch wal.
- Het voorstel tot ontslag is aan verzoekster meegedeeld met een aangetekend schrijven van 14 februari 2019, vóórdat de eerste bestreden beslissing is genomen. Verzoekster heeft geen belang bij haar grief dat dit voorstel niet gehecht is aan de eerste bestreden beslissing.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is in genen dele gegrond. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het derde middel voert verzoekster de schending aan van “de artikelen 60, 61, 62, 63, 65, 66, 67, 69, 71, 73, 74, 75, 76, 77, 78 en 79 van het Besluit van 27 mars 2014 van de Brussels Hoofdstedelijke Regering houdende IX-9540-24/29 het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel, […], patere legem quam ipse fecisti, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, met name de artikelen 2 en 3 daarvan, het formele motiveringsbeginsel, het materiële motiveringsbeginsel, de zorgvuldigheidsplicht, het legaliteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, de redelijke termijn, het beginsel van behoorlijk bestuur en de overschrijding van de bevoegdheid, het proportionaliteitsbeginsel, de manifeste beoordelingsfout”. Verzoekster merkt op dat haar evaluatierapporten steeds positief waren en dat slechts ter gelegenheid van het eindverslag een negatief advies wordt gegeven. Voorts blijkt niet dat de stagebegeleider zijn eindverslag heeft bezorgd aan de directeur van de administratie waar verzoekster was geaffecteerd, noch blijkt dat de secretaris-generaal M. als stagebegeleider heeft aangeduid. Ten slotte stelt verzoekster dat haar stage op onwettige wijze werd verlengd en dat zij, gelet op haar gunstige evaluaties, krachtens artikel 68 van het statuut 2014 onmiddellijk benoemd had moeten worden.
- In haar memorie van wederantwoord betoogt verzoekster dat het eindverslag te laat aan haar werd meegedeeld en opmerkingen bevat die in tegenspraak zijn met haar eerdere verslagen. Verzoekster stelt dat haar stage slechts één jaar kon duren, doch verlengd werd met zeven en een halve maand zonder dat een overheid zich over die verlenging heeft uitgesproken. Bij ontstentenis van enige reden om haar stage te verlengen, meent verzoekster dat zij sinds 1 augustus 2018 op grond van een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld. Op grond van artikel 67 van het statuut 2014 had zij onmiddellijk benoemd kunnen worden. Beoordeling IX-9540-25/29
- Artikel 68 van het statuut 2014 regelt de mogelijkheid voor de geslaagde van een selectieproef die al minstens één jaar met een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, onder bepaalde voorwaarden vrijstelling te krijgen van stage als hij in dienst wordt geroepen. Het is een bepaling die vreemd is aan de situatie van verzoekster. In zoverre faalt het middel naar recht. Ook artikel 67, dat verzoekster vermeldt in de memorie van wederantwoord, heeft niets uit te staan met voorliggend geschil: die bepaling regelt de inhoud van de stagegesprekken tijdens de stage.
- Luidens artikel 70 van het statuut 2014 houdt het eindverslag rekening “met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties”. Dat eindverslag “over het geheel van de stage” is gunstig of ongunstig, wat vervolgens leidt tot benoeming of ontslag. In deze tussentijdse evaluaties worden steeds dezelfde opmerkingen over verzoekster geformuleerd, namelijk een defensieve, soms zelfs agressieve houding, moeite met het werken in teamverband (communicatie met collega’s, cavalier seul spelen), het niet tijdig afwerken van opdrachten, moeite met het autonoom tot een goed einde brengen van deze opdrachten en het snel overrompeld zijn door de werkdruk. Voor rekening van verzoekster gelaten of die tussentijdse evaluatieverslagen “steeds positief” zijn geweest en of pas ter gelegenheid van het eindverslag een “negatief advies” is gegeven, laat verzoekster na te preciseren uit welke bepaling of welk beginsel hierdoor de onwettigheid volgt van de eerste bestreden beslissing, die steunt op het ongunstig eindverslag.
- Verzoeksters stage duurde één jaar. Anders dan hoe zij het ziet, koppelt geen enkele bepaling van het statuut 2014 aan een later opgesteld eindverslag het gevolg dat dit eindverslag geacht moet worden gunstig te zijn, zodat de stagiair in aanmerking komt voor een benoeming. Het personeelslid dat IX-9540-26/29 met toepassing van het statuut 2014 op proef werd aangesteld behoudt bij het verstrijken van de reglementair bepaalde termijn van de proeftijd nog de hoedanigheid van stagiair, totdat het bestuur een besluit neemt over de benoeming in vast verband dan wel het ontslag. Het verstrijken van de proeftijd op zich plaatst de stagiair niet in een andere hoedanigheid tegenover het bestuur.
- Verzoekster citeert de overige in het middel opgesomde bepalingen van het statuut 2014, zonder evenwel toe te lichten hoe deze geschonden zijn bij het nemen van de eerste bestreden beslissing. In die mate is het middel onontvankelijk.
- De aangevoerde schending van “patere legem quam ipse fecisti, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, met name de artikelen 2 en 3 daarvan, het formele motiveringsbeginsel, het materiële motiveringsbeginsel, de zorgvuldigheidsplicht, het legaliteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, de redelijke termijn, het beginsel van behoorlijk bestuur en de overschrijding van de bevoegdheid, het proportionaliteitsbeginsel, de manifeste beoordelingsfout” komt in de toelichting bij het middel niet meer ter sprake, zodat het middel alleen al daarom in die mate onontvankelijk is.
- Waar verzoekster stelt dat niets toelaat “vast te stellen dat de stagebegeleider zijn eindverslag overgemaakt heeft aan de directeur van de administratie waar [verzoekster] was geaffecteerd” en niets toelaat “vast te stellen dat de secretaris-generaal [M.] als stagebegeleider heeft aangeduid”, is niet duidelijk welke wettigheidskritiek verzoekster hiermee wil uiten.
- Te laat dan weer, en om die reden onontvankelijk, is het betoog in de memorie van wederantwoord dat het eindverslag te laat aan verzoekster werd meegedeeld en opmerkingen bevat die in tegenspraak zijn met haar eerdere verslagen. IX-9540-27/29
- Zo verzoekster meent thans met de verwerende partij verbonden te zijn met een arbeidsovereenkomst, dient zij dat geschil voor te leggen aan de bevoegde rechter – dat is niet de Raad van State.
- Het middel is grotendeels onontvankelijk, voor het overige is het ongegrond. E. Besluit
- Geen van de middelen is gegrond bevonden, zodat het beroep wat de beide bestreden beslissingen betreft, hoe dan ook moet worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-9540-28/29 Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9540-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.554 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div