← België

Arrest 256555 - Examens (onderwijs) - 17/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.555 Rolnummer: A. 235954/IX-10024 Zaak: Arrest 256555 - Examens (onderwijs) - 17/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 09:13 Fiche Arrest nr 256.555 van 17 mei 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.555 van 17 mei 2023 in de zaak A. 235.954/IX-10.024 In zake: Richard AYDOGAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Haentjens kantoor houdend te 9160 Lokeren Heilig Hartlaan 56 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karen Van Belle kantoor houdend te 9150 Kruibeke Kerkstraat 199 tegen: de VZW SCHEPPERS-WETTEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Scheppers-Wetteren van 25 januari 2022 waarbij aan Richard Aydogan een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.024-1/11 Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2023. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Haentjens, die ook loco advocaat Karen Van Belle verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad ‘houtbewerking’ (BSO) in het Scheppersinstituut te Wetteren. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker jaartekorten voor de vakken ‘realisaties houtbewerking’ (RHB) timmerwerken (40,9 %), RHB IX-10.024-2/11 algemeen/schrijnwerk praktijk (45,8 %) en RHB algemeen/schrijnwerk stage praktijk (37,4 %), met een algemeen totaal van 54,6 %. De delibererende klassenraad stelt zijn beslissing over verzoeker uit en legt hem de volgende bijkomende proef op: “RHB Algemeen/schrijnwerk stage praktijk – […] – Inhalen stage, indienen resterende stageverslagen omstreeks 9.00u. op de eerste dag van de bijkomende proeven 23 augustus. Voor jouw stage neem jij contact op met de school voor een stagecontract.” 3.2. Eind augustus kent de delibererende klassenraad aan verzoeker een oriënteringsattest C toe. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Richard slaagt niet voor 5 HB. Hij heeft immers zijn gemiste stagedagen niet ingehaald. Richard nam geen contact op met leerkrachten of stageplaats. Jaarrapport = 54 % Tekorten voor Timmerwerken 40% Algemeen schrijnwerk praktijk 45% Algemeen schrijnwerk stage praktijk 37%.” Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. Verzoeker stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. Op 21 september 2021 beslist de beroepscommissie om het C- attest te handhaven. Verzoeker stelt tegen die beslissing een annulatieberoep in bij de Raad van State. Ingevolge de 12 januari 2022 gedateerde intrekking van de beslissing van 21 september 2021 wordt dat beroep bij arrest nr. 253.388 van 29 maart 2022 verworpen. IX-10.024-3/11 3.3. Op 25 januari 2022 beslist de beroepscommissie andermaal om aan verzoeker een C-attest toe te kennen. Die beslissing, voorwerp van huidig beroep, is als volgt gemotiveerd: “Tijdens de hoorzitting heeft de beroepscommissie meermaals gepoogd om van mevrouw Belgin enige nadere verduidelijking te bekomen omtrent grieven die in het intern beroep werden opgeworpen, maar waarover de beroepscommissie in het dossier van de leerling weinig of geen aanknopingspunten kon terugvinden, meer bepaald enerzijds de beweerde schending van de GDPR-wetgeving en de concrete invloed daarvan op de prestaties van de leerling, en anderzijds de beweringen omtrent het gedrag van en de relatie met de leerkracht ‘hout’. Spijts de herhaalde bevraging door de beroepscommissie, werd hierover tijdens de hoorzitting geen enkele nadere toelichting verschaft, noch werd enig stuk ter staving van een en ander voorgelegd. In die omstandigheden is het voor de beroepscommissie, alleszins wat de GDPR-regelgeving betreft, onmogelijk om haar beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen. De beroepscommissie leest in het voorliggend dossier geen enkel bericht van de leerling of zijn moeder, noch enig ander aanknopingspunt dat met dit onderwerp verband houdt. Nog minder is het voor de beroepscommissie duidelijk hoe – zelfs aangenomen dat de regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zouden zijn geschonden – een en ander de door de leerling behaalde resultaten – die bij het nemen van een evaluatiebeslissing weliswaar niet het enige, maar toch het voornaamste aspect van het leerlingendossier vormen – zouden hebben beïnvloed. Dit middel wordt bijgevolg verworpen. Met betrekking tot het gedrag van en de relatie met de leraar ‘hout’ […], is de beroepscommissie van oordeel dat de enkele e-mails die verwijzen naar een verschil in visie omtrent een quotering of afwezigheid, geenszins de conclusie kunnen wettigen dat de betrokken leraar de slaagkansen van de leerling nadelig zou hebben beïnvloed. Na oktober-november 2020 ziet de beroepscommissie op het eerste gezicht overigens geen enkele concrete melding dat er een probleem zou zijn in de verstandhouding tussen de leerling en de betrokken leraar, laat staan dat zou zijn aangetoond dat er sprake is van ‘ongewenst gedrag’ en een ‘verstoorde relatie’. Het argument overtuigt de beroepscommissie niet. Ook de stelling dat de leraar ‘hout’ geen pedagogische inbreng zou hebben gehad, geen remediëring zou hebben gegeven en de leerling niet zou hebben opgevolgd, is niet meer dan een loutere bewering. Nog daargelaten dat een beweerd en zelfs aangetoond gebrek aan begeleiding in de loop van het schooljaar niet betekent dat de cijfers beter moeten worden gelezen dan ze zijn, en/of dat de leerling aanspraak kan maken op een gunstiger beoordeling wat het deliberatieresultaat betreft – en dat deze kritiek derhalve in beginsel hoe dan ook niet tot de onregelmatigheid van een C-attest kan leiden – stelt de beroepscommissie IX-10.024-4/11 vast dat de begeleidende klassenraad op de rapporten regelmatig remediërende opmerkingen heeft gemaakt, en dat de leerling zijnerzijds in de loop van het schooljaar nooit over gebrekkige begeleiding heeft geklaagd of bijkomende remediëring heeft gevraagd. Dit argument is voor de beroepscommissie niet gegrond en kan geen aanleiding geven tot het wijzigen van het deliberatieresultaat. Het blijft vervolgens voor de beroepscommissie, ook na de hoorzitting, volstrekt onduidelijk wat precies wordt bedoeld met het ‘los toekennen’ van evaluatiepunten. Bij gebreke aan enige nadere toelichting kan dit argument niet worden aangenomen, te meer nu de beroepscommissie in het voorliggende dossier spontaan geen indicaties ziet van een verkeerde quotering. Wat het ‘examen tweede trimester’ betreft, wordt in het beroep niet verduidelijkt over welk vak het precies gaat, en ter zitting wordt dit ook niet nader toegelicht. De beroepscommissie neemt aan dat het gaat om het mondeling examen voor ‘schrijnwerk/algemeen en timmerwerken’. De voorzitter van de delibererende klassenraad informeert de beroepscommissie dat de leerling afwezig was op de initiële datum van dit examen en dat een inhaalkans werd geboden op 21 april 2021. Hoewel de leerling die dag op school was, heeft hij zich voor deze tweede examenkans niet aangeboden. In die omstandigheden is de beroepscommissie van oordeel dat er geen sprake van is dat de leerling het examen niet heeft ‘mogen meedoen’, maar dat het integendeel de leerling is die van de hem geboden tweede kans geen gebruik heeft gemaakt. Ook wat het beweerde afsluiten van toegang tot smartschool en Moodle betreft, is de klacht weinig concreet. De voorzitter van de delibererende klassenraad licht toe dat op de laatste werkdag voor de vakantie (10 juli 2021) het lopende schooljaar voor alle leerlingen in de computersystemen wordt afgesloten en dat hun gegevens worden overgezet naar het volgende schooljaar, in functie van de communicatie die moet worden gevoerd. Leerlingen die niet meer op de school waren ingeschreven – zoals de leerling in casu – hadden op dat ogenblik geen toegang meer tot Moodle. De beroepscommissie stelt vast (

  1. i)dat de leerling op 25 juni 2021 duidelijke instructies heeft gekregen voor de resterende stageverplichtingen, (
  2. ii)dat de leerling niet aanvoert, laat staan bewijst dat hij toegang tot Moodle moest hebben om die stageverplichtingen te vervullen en (iii) dat noch de leerling, noch zijn moeder ooit hebben gevraagd om de toegangsrechten te herstellen (bijvoorbeeld met het oog op de stageverplichtingen). Het argument kan dan ook niet tot de onregelmatigheid van de beslissing van de delibererende klassenraad leiden. Tot slot wordt opgeworpen dat de coronamaatregelen het welzijn van de leerling hebben aangetast en dat hij zijn talenten en vaardigheden door het afstandsonderwijs niet heeft kunnen bewijzen. De beperkende maatregelen die ten gevolge van Covid-19 in het onderwijs werden opgelegd, hebben alle leerlingen getroffen. De IX-10.024-5/11 beroepscommissie kan aannemen dat zij voor de leerling in casu evenzeer een zekere beperking op zijn ontwikkelingsmogelijkheden hebben gevormd. Dat betekent evenwel niet dat de voorliggende resultaten daardoor onvolledig zouden zijn, of een onbetrouwbaar beeld zouden weergeven van de kennis, competenties en vaardigheden die de leerling (al dan niet) heeft aangetoond. Een dergelijk passe partout-argument kan geen aanleiding vormen om een oriënteringsattest C dat op zicht van het leerlingendossier terecht werd toegekend, alsnog ten voordele van de leerling te hervormen. Daarvoor mag de beroepscommissie een concrete en geïndividualiseerde toelichting verwachten die uiteenzet waarom en in welke mate de leerling door de voormelde omstandigheden duidelijk beneden zijn capaciteiten zou hebben gepresteerd. Van die toelichting blijft de beroepscommissie evenwel verstoken. De leerling toont op geen enkele wijze concreet aan hoe en waarom het afstandsonderwijs en – op de dagen dat hij wél op school was – de andere coronamaatregelen hem specifiek hebben verhinderd om beter te presteren dan wat uit de voorliggende rapportcijfers blijkt. Ook hieromtrent blijkt in de loop van het schooljaar niet om bijkomende ondersteuning te zijn gevraagd. Het argument biedt ook geen enkele verklaring waarom de leerling de hem geboden kans niet te baat heeft genomen om de stageverplichtingen in te halen. De beroepscommissie is dan ook niet overtuigd dat de aangehaalde omstandigheden tot een aanpassing van het deliberatieresultaat kunnen leiden. Na beoordeling van de middelen in het verzoekschrift op intern beroep, buigt de beroepscommissie zich over de vraag of de elementen in het dossier van de leerling, globaal in acht genomen, tot een ander deliberatieresultaat aanleiding kunnen geven dan het door de delibererende klassenraad toegekende oriënteringsattest C. De leerling was in het schooljaar 2020-2021 ingeschreven in het eerste jaar van de derde graad van het beroepsonderwijs, studierichting Houtbewerking. Zoals hierboven bij de feitelijke uiteenzetting reeds is aangestipt, omvat het curriculum van die studierichting zeven specifieke vakken en vier algemeen vormende vakken. De vakken ‘schrijnwerk’ en ‘timmerwerken’ nemen in dat curriculum een centrale plaats in. Het jaarrapport vertoont een jaartekort voor drie van deze vakken: - ‘RHB Timmerwerken’ (40,9%), - ‘RHB Algemeen/schrijnwerk praktijk’ (45,8%) en - ‘RHB Algemeen/schrijnwerk stage praktijk’ (37,4%). De tekorten voor ‘RHB Timmerwerken’ en ‘RHB Algemeen/schrijnwerk stage praktijk’ mogen bovendien aanzienlijk worden genoemd. Er zijn gewis vakken waarvoor de leerling goed presteert (71,9% voor ‘godsdienst’, 71% voor ‘RHB Aluminium praktijk’ en 82,3% voor ‘Frans’), maar evengoed zijn er andere vakken – die, in tegenstelling tot de drie voormelde, wél aansluiten bij de kern van het curriculum – waarvoor de resultaten alles behalve goed zijn, en waarvan in het beste IX-10.024-6/11 geval kan worden gezegd dat het geen tekorten zijn. De beroepscommissie verwijst ter zake naar ‘Project algemene vakken’ (51,8%) en ‘RHB Algemeen/schrijnwerk’ (50,6%). Op basis van het geheel van de resultaten is de beroepscommissie van oordeel dat de leerling de leerdoelstellingen van het eerste jaar van de derde graad duidelijk in onvoldoende mate heeft bereikt en dat hij daardoor ook onvoldoende kansen heeft om het tweede jaar van de derde graad met succes af te ronden. In die omstandigheden is een oriënteringsattest C in beginsel de beslissing die zich opdringt. De beroepscommissie ziet geen redenen om er hier anders over te oordelen. De beroepscommissie betreurt dat de leerling, om redenen die vooralsnog onopgehelderd blijven, de geboden kans niet te baat heeft genomen om de bijkomende proef af te leggen door de openstaande stagedagen in te halen en de bijhorende stageverslagen in te dienen. De richtlijnen daaromtrent werden nochtans duidelijk meegedeeld, en mochten ze alsnog onduidelijk zijn geweest, dan kan de beroepscommissie enkel vaststellen dat de leerling of zijn moeder op geen enkel ogenblik contact hebben opgenomen om verheldering of nadere toelichting te vragen. De beroepscommissie stelt aan de hand van artikel 3.1.10 van het schoolreglement ook immers dat praktijklessen en stages een belangrijk onderdeel van de evaluatie vormen, en dat ontbrekende stagedagen moeten worden ingehaald. De beroepscommissie beslist dan ook unaniem om aan de leerling een oriënteringsattest C toe te kennen. Het advies van de delibererende klassenraad om deeltijds onderwijs te overwegen, wordt door de beroepscommissie bijgevallen.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 5, § 5, 37, 38, 39, § 4, en 57, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (“organisatiebesluit”), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. IX-10.024-7/11 Verzoeker betoogt dat de beroepscommissie niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om bij haar beoordeling rekening te houden met en te steunen op álle relevante concrete gegevens van zijn leerlingendossier. Vooreerst argumenteert verzoeker dat de commissie, waar zij aangaf dat hij voor bepaalde vakken ook goed had gepresteerd, uitsluitend verwijst naar godsdienst, RHB aluminium praktijk en Frans. Daarmee staat naar het oordeel van verzoeker vast dat geen rekening werd gehouden met de resultaten voor lichamelijke opvoeding (62,5%), RHB timmerwerken praktijk (65,1%) en RHB timmerwerken stage praktijk (63,2%). De commissie mocht evenwel niet alleen rekening houden met de resultaten die onvoldoende zijn, maar moest ook alle andere vakken of vakonderdelen betrekken. Voorts miskent de beroepscommissie volgens verzoeker ook de slaagcijfers voor project algemene vakken (51,8%) en RHB algemeen schrijnwerk (50,6%), door hiervan te beweren dat deze cijfers “alles behalve goed zijn”. Verzoeker wijst erop dat hij voor deze twee vakken slaagcijfers kan voorleggen en dat hij dus voor die vakken de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft bereikt. Hij benadrukt ook dat de commissie erkent dat die vakken bij de kern van het curriculum aansluiten. Tot slot maakt de beroepscommissie volgens verzoeker geen enkele afweging tussen de behaalde tekorten en de positieve resultaten voor alle andere vakken. 5. In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker de exceptie van de verwerende partij dat het middel onontvankelijk is in de mate dat het de schending van de artikelen 37, 38 en 39, § 4, van het organisatiebesluit aanvoert omdat in het verzoekschrift op geen enkele wijze wordt uiteengezet waarom de bestreden beslissing de voorschriften van die bepalingen zou schenden of nog maar zou kunnen schenden. IX-10.024-8/11 Verzoeker repliceert dat hij in zijn verzoekschrift heeft aangekaart dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met alle elementen van het leerlingendossier en dat het in dat geval “voor zich [spreekt]” dat de bestreden beslissing ook niet kon oordelen dat verzoeker het leerjaar niet met vrucht heeft beëindigd (artikel 37 van het organisatiebesluit), de leerplandoelstellingen niet heeft bereikt (artikel 38 van het organisatiebesluit) en dat aan verzoeker een C-attest moest worden toegekend (artikel 39, § 4, van het organisatiebesluit). 6. In zijn laatste memorie blijft verzoeker bij zijn standpunt dat uit de bestreden beslissing “op géén enkele wijze [blijkt] dat de beroepscommissie rekening heeft gehouden […] met álle elementen van het leerlingendossier”: “[…] in het bijzonder kan niet nagegaan worden of de beroepscommissie rekening heeft gehouden met de resultaten voor de vakken RHB Timmerwerken praktijk (65,1%) en het resultaat voor het vak RHB Timmerwerken stage praktijk (63,2%); nochtans is

(1)de beroepscommissie verplicht daarmee rekening te houden en
(2)strekt de formele motiveringsverplichting er precies toe om het wettigheidstoezicht daarop mogelijk te maken.” Beoordeling
  1. Artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit is gericht aan de delibererende klassenraad en niet aan de beroepscommissie, die dat artikel bijgevolg niet kan schenden. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.
  2. Of verzoeker ontvankelijk de andere bepalingen van het organisatiebesluit heeft aangevoerd en ontwikkeld, mag gelet op wat volgt onbesproken blijven.
  3. Verzoeker betwist zijn jaarcijfers niet. IX-10.024-9/11 Hij betwist evenmin dat hij de hem opgelegde bijkomende proef niet heeft afgelegd. Aldus ligt even onbetwistbaar het geval voor van een leerling die drie jaartekorten heeft behaald voor richtingspecifieke vakken, waarvan twee tekorten “bovendien aanzienlijk [mogen] worden genoemd”.
  4. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat zo een leerling niet geslaagd wordt verklaard. Een verwijzing naar die tekorten volstaat dan ook, uit oogpunt van de formelemotiveringsplicht, om het toekennen van een C-attest te onderbouwen. Overigens heeft de beroepscommissie, zo blijkt uit de motieven van de beslissing, ook “de elementen in het dossier van de leerling, globaal genomen” en dus met inbegrip van de andere resultaten van verzoeker, onder ogen genomen en daaruit afgeleid dat die resultaten niet opwegen tegen de tekorten. Verzoeker had dit liever in meer sacrale termen in de beslissing gelezen, maar geen van de door hem aangevoerde bepalingen of beginselen leggen de beroepscommissie een dergelijk formalisme op. Verzoeker verwart de eis tot afdoende formele motivering met zinloos formalisme.
  5. Verzoeker valt het dan toe minimaal aannemelijk te maken waarom die andere resultaten – verzoeker vermeldt er drie, namelijk lichamelijke opvoeding, RHB Timmerwerken praktijk en RHB Timmerwerken stage praktijk – tóch van aard zijn om aan de behoorlijk vastgestelde jaartekorten voorbij te gaan en waarom die dus tot een voor verzoeker gunstigere beslissing zouden moeten leiden. IX-10.024-10/11 Nog daargelaten dat hij de beroepscommissie daarmee niet te nuttiger tijd heeft geconfronteerd, levert verzoeker in de toelichting bij het middel niet de minste inspanning om thans de Raad van State van een en ander te overtuigen. Het is ook niet spontaan duidelijk.
  6. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. BESLISSING
  7. De Raad van State verwerpt het beroep.
  8. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.024-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.555 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.