id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.585 Rolnummer: A. 230602/XIV-38319 Zaak: Arrest 256585 - Politie - 24/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-07 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 09:24 Fiche Arrest nr 256.585 van 24 mei 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 256.585 van 24 mei 2023 in de zaak A. 230.602/XIV-38.319 In zake : Tommy THEUNIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Els Gypen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 27 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 4 februari 2020, waarbij verzoeker de uitoefening van een nevenactiviteit is geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.319-1/24 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 maart 2023. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker, en advocaat Charlotte Mestdagh die, loco advocaten Gitte Laenen en Els Gypen, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Antwerpen (PZ 5345). 3.2. Op 20 november 2019 stuurt verzoeker een ‘Formulier uitoefening nevenactiviteit’ naar DIT PZ Antwerpen waarin hij als nevenactiviteit meldt ‘luchthavenvervoer’, waarbij hij zijn motivatie voor de aanvraag als volgt verduidelijkt: “Inspringen tijdens drukke periodes bij firma voor luchthaven- vervoer. Dit enkel op dinsdag of donderdag en tussen 20.00 uur en 23.00 uur om de continuïteit van mijn dienst te blijven voorzien. Dit zal niet wekelijks zijn, enkel hulp in noodgevallen.” XIV-38.319-2/24 3.3. Op een niet nader bepaalde datum verstrekt een niet nader bepaalde adviescommissie een ongunstig advies ten behoeve van de korpschef. De adviescommissie toetst het verzoek aan de criteria opgenomen in de ministeriële omzendbrief GPI 27. De commissie raadt op grond van drie criteria de nevenactiviteit ten stelligste af (beschikbaarheid in het gedrang, strijdigheid van belangen en lichamelijke of mentale geschiktheid kan in het gedrang gebracht worden). Bijkomend stelt de commissie: “Door het besturen van de wagen voor luchthavenvervoer zal betrokkene veelvuldig deelnemen aan het openbaar verkeer met een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van een verkeersongeval met lichamelijk letsel met mogelijke onbeschikbaarheid. Tevens zal betrokkene regelmatig geconfronteerd worden met verkeersdelicten of andere conflictsituaties, welke kunnen leiden tot belangenconflicten.” 3.4. Op 12 december 2019 beslist de burgemeester van de stad Antwerpen geen individuele afwijking te verlenen voor het uitoefenen van een nevenactiviteit. (hierna “de initiële beslissing”). Deze initiële beslissing is door verzoeker bestreden met een op 11 februari 2020 ingediend beroep tot nietigverklaring dat is verworpen bij ‘s Raads arrest nr. 256.584 van heden in de zaak gekend onder het rolnummer A.230.187/XIV-38.264. 3.5. Vooraleer verzoeker het sub 3.4 vermelde beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft ingediend, vraagt verzoeker op 20 januari 2020 met een aan de burgemeester van de stad Antwerpen gericht schrijven om “gelet op navolgende feitelijke elementen” te willen overgaan tot “heroverweging” van de sub 3.4 genoemde beslissing. In het verzoek tot heroverweging wijst verzoeker er, samengevat, op dat: (
- i)een eventuele onbeschikbaarheid voor de dienst ten gevolge van uitval geen deugdelijk motief is voor de weigering;
- ii)in realiteit blijkt uit niets dat er daadwerkelijk enig gevaar bestaat voor confrontatie met verkeersdelicten of welke conflictsituatie ook en iii) dat het uitoefenen van een cumulactiviteit een bijdrage kan leveren aan XIV-38.319-3/24 de door tal van overheden en opiniemakers gewenste maatschappelijke verankering van politiepersoneel in de diverse maatschappij. In datzelfde verzoek tot heroverweging stelt verzoeker nog dat hij “aanneemt” dat “de uitgebrachte adviezen verder geen dienstige invloed op [de] besluitvorming hebben gehad, in het andere geval verzoek ik u mij daar een kopie van te bezorgen voor kennisname en gebeurlijke repliek”. 3.6. Op 4 februari 2020 beslist de burgemeester van de stad Antwerpen, na heroverweging, als volgt: “Wij ontvingen in goede orde uw vraag tot heroverweging van onze beslissing tot weigering uitvoeren nevenactiviteit met betrekking tot uw cliënt Tommy Theunis. Op 20 november 2019 werd door INP Tommy Theunis via het daartoe voorziene formulier een melding gedaan van de beoogde cumul. Bij brief van 12 december werd hem meegedeeld dat het advies, welk werd afgetoetst aan de criteria zoals opgesomd in de ministeriële omzendbrief van 3 mei 2019, voor gemelde activiteit niet gunstig was. Als motivatie werd meegedeeld: ‘Door het besturen van de wagen voor luchthavenvervoer zal betrokkene veelvuldig deelnemen aan het openbaar verkeer met een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van een verkeersongeval met lichamelijk letsel met mogelijke onbeschikbaarheid. Tevens zal betrokkene regelmatig geconfronteerd worden met verkeersdelicten of andere conflictsituaties, welke kunnen leiden tot belangenconflicten.’ We hebben de door u aangehaalde feitelijke elementen bekeken en dienen tot de vaststelling te komen dat er geen elementen werden aangehaald waardoor er kan afgeweken worden van de beslissing tot weigering van de uitoefening nevenactiviteit. We verwijzen hierbij naar de motivatie zoals opgenomen in de beslissing van 12 december 2019, naar de bepalingen rond cumulatie bepaald in de artikelen 134 en 135 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (WGP) en de richtlijnen zoals vervat in de Ministeriële omzendbrief van 3 mei 2019 betreffende de cumulatie door de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten. We verwijzen in het bijzonder naar de criteria vermeld in de hoger vermelde omzendbrief, waarbij wordt bepaald dat een cumul zal worden geweigerd voor bezigheden die het belang van de dienst schaden en/of afbreuk doen aan de waardigheid van de functie of de betrekking. Ter zake wordt bepaald dat, tenzij de concrete toetsing tot een ander inzicht leidt, het belang van de dienst wordt geschaad of dat er afbreuk wordt gedaan aan de waardigheid van de functie of de betrekking, door de uitoefening van iedere bijkomende bezigheid die meer bepaald de in deontologische code opgenomen principes en waarden, zoals onder andere de beschikbaarheid, de onafhankelijkheid, de onpartijdigheid en het welzijn op het werk, in het gedrang brengt. XIV-38.319-4/24 Het is niet ondenkbaar dat INP Tommy Theunis in het kader van zijn nevenactiviteit als chauffeur betrokken geraakt bij verkeersongevallen of verkeersdelicten. Dit geldt nog des te meer omdat de opdrachten in het kader van zijn nevenactiviteit als chauffeur specifiek luchthavenvervoer betreft. Dergelijke opdrachten kunnen ‘dringend’ zijn. Hierdoor zou er tegenstrijdigheid kunnen ontstaan tussen het persoonlijk belang van uw cliënt als werknemer van [XXX] en het belang van de politiedienst. Er kan bijvoorbeeld een belangenconflict ontstaan bij de vaststellingen van een verkeersongeval, verkeersdelicten of conflictsituaties die zich kunnen voordoen in het verkeer. Het risico bestaat dat INP Tommy Theunis voor de keuze komt te staan om hetzij zijn contract met [XXX] na te leven, dan wel zijn politiefunctie uit te voeren. Het is evenmin onredelijk te denken dat, door het uitoefenen van bedoelde nevenactiviteit als chauffeur, zeker indien wordt verwacht dat hij op bepaalde dagen en tussen bepaalde uren beschikbaar is als chauffeur, de flexibiliteit en beschikbaarheid in het gedrang zou komen. Het is niet ondenkbaar dat INP Tommy Theunis omwille van onvoorziene omstandigheden zoals vb. de ziekte van collega’s, op een ander moment dan aanvankelijk voorzien, dient te worden ingezet. Zeker wanneer uw cliënt gewond zou raken naar aanleiding van een verkeersongeval, zou zijn beschikbaarheid – mogelijks voor lange tijd – in het gedrang kunnen komen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat activiteiten als beroepschauffeur een verhoogd risico op ongevallen met zich meebrengt, één van de redenen waarom artikel 134 het lid zijn van een hulpdienst/ambulancier en het geven van praktisch onderricht inzake het besturen van voertuigen op de openbare weg als absoluut onverenigbaar heeft gesteld. Gezien zelfs een hypothetisch gevaar voor belangenvermenging, aantasting van de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van het personeelslid, het in het gedrang brengen van lichamelijke of mentale geschiktheid volstaat, kan geen toestemming gegeven worden aan de heer Tommy Theunis om als inspecteur van politie bij operationele ondersteuning, dienst WOT Noord de gemelde bezigheid van vervoer van personen, luchthavenvervoer uit te oefenen.” Dit is de bestreden beslissing. IV. De middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In het eerste middel van zijn verzoekschrift voert verzoeker een schending aan van de hoorplicht. In essentie wijst hij erop dat het van toepassing zijnde artikel 135 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) voorziet in een principiële toelaatbaarheid van XIV-38.319-5/24 nevenactiviteiten zodat “voor de uitoefening van een dergelijke cumulactiviteit een melding volstaat”. Hij verwijst daartoe naar de memorie van toelichting bij artikel 16 van de wet van 19 juli 2018 ‘tot wijziging van diverse bepalingen die betrekking hebben op de politiediensten en betreffende de Romeinse instellingen” (hierna: de wet van 19 juli 2018) waarbij artikel 135 van de wet van 7 december 1998 werd gewijzigd. Een gebeurlijke weigering moet het voorwerp uitmaken van een individuele en ad hoc toetsing. Omdat de verwerende partij, na het in sub 3.3 vermelde tussengekomen advies waarvan verzoeker geen kennis had, echter een weigeringsbeslissing heeft genomen, die is gestoeld op een aantal motieven die aannames en veronderstellingen zijn waaromtrent verzoeker niet in de gelegenheid werd gesteld om op een nuttige wijze zijn visie mee te delen of voor zijn belangen op te komen, acht hij de hoorplicht geschonden. Hij wijst erop dat “ondanks zulks formeel niet is voorzien, [hij] op omstandig gemotiveerde wijze om een heroverweging [heeft] gevraagd,” waarbij hij de argumenten tot weigering heeft ontmoet en weerlegd. Bij gebrek aan enige reactie moet worden aangenomen dat de burgemeester hiermee geen rekening wenst te houden, zodat verzoeker zodoende “van elke mogelijkheid verstoken is gebleven om voor zijn belangen op te komen en zeker niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn standpunt op een nuttige wijze vooraf te doen kennen”. Volgens verzoeker moest hij immers worden gehoord “alvorens de beslissing werd genomen derwijze hij in de gelegenheid zou zijn gesteld om op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen, te meer er klaarblijkelijk sprake is van een negatief advies hetwelk [hem] onbekend is”. In zijn memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat in de mate in het kader van de hoorplicht sprake dient te zijn van een maatregel gegrond op persoonlijk gedrag, een verwijzing naar belangenconflicten een verwijzing naar (potentieel) persoonlijk gedrag impliceert. Bovendien betreft het een maatregel die de belangen van verzoeker ernstig aantast aangezien zijn recht op arbeid als bedoeld in artikel 23 van de Grondwet (en om een aanvullend inkomen te verwerven), wordt aangetast, te meer nu een nevenactiviteit in beginsel is toegelaten. Hij benadrukt voorts dat het standpunt van de verwerende XIV-38.319-6/24 partij dat hij wel degelijk de kans heeft gekregen om zijn standpunt ter kennis te brengen (via het ingediende aanvraagformulier en zijn verzoek tot heroverweging dat werd beantwoord) niet kan worden bijgevallen omdat hij in het kader van de hoorplicht kennis moest hebben van “minstens het concept van de beslissing dat de overheid overweegt te nemen en welke gedachtengangen daaraan ten grondslag liggen.” Op het ogenblik van het invullen van het standaardformulier kon verzoeker dat niet weten. Het door hem ingediende verzoek tot heroverweging – hij had op dat ogenblik nog steeds geen kennis van het negatief advies van de commissie – noch het gegeven dat daarop negatief werd geantwoord en beslist, doen afbreuk aan de schending van de hoorplicht daar niets uitsluit dat indien verzoeker vooraf was gehoord, de initiële beslissing ook anders was geweest. In zijn laatste memorie sluit hij zich aan bij de door het auditoraat in zijn verslag gegeven synthese van het middel en wijst hij erop dat de bestreden beslissing is gesteund op het advies hetwelk is gevolgd. De strekking van het advies, de inhoud en de inslag ervan zijn dus wel degelijk elementen waaromtrent het voor verzoeker nuttig, zelfs nodig was om zijn standpunt te laten kennen. Wat de aannames en veronderstellingen betreft, is het correct te stellen dat verzoeker zijn argumenten heeft kunnen laten gelden in het verzoek tot heroverweging, doch zulks doet geen afbreuk aan het feit dat ook dan nog hij steeds geen kennis had van het negatief advies van de commissie. Beoordeling 5. De bestreden beslissing betreft een weigering tot het uitoefenen van een nevenactiviteit door verzoeker nadat hij daartoe een gemotiveerd aanvraagformulier had ingediend. Anders dan wat de verwerende partij betoogt, geldt de hoorplicht ook ten aanzien van een dergelijke maatregel waarbij verzoeker een voordeel wordt geweigerd dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, met dien verstande dat aan de hoorplicht in beginsel is voldaan doordat de aanvrager alle nuttige elementen kan laten gelden om de door hem XIV-38.319-7/24 gemelde vraag tot uitoefening van een nevenactiviteit, te ondersteunen. Indien evenwel het bestuur bij de weigering van het gevraagde voordeel rekening houdt met essentiële elementen of zich steunt op doorslaggevende gegevens of redenen die de betrokkene redelijkerwijze niet kon of niet moest kennen bij het indienen van zijn aanvraag of zijn administratief beroepschrift en waarop hij dan ook niet kon of moest anticiperen, dan dient dat bestuur, alvorens te beslissen, de betrokkene wel de mogelijkheid te bieden om op nuttige wijze zijn standpunt kenbaar te maken nopens die feiten en redenen, hetgeen in voorkomend geval ook schriftelijk kan gebeuren. 6. Verzoeker beargumenteert de ingeroepen schending van de hoorplicht in essentie met de stelling dat de bestreden beslissing steun zoekt in een negatief advies van een (interne) adviescommissie waarvan hij “vooraf” geen kennis had, en er ook geen kennis van kon hebben nu geen gevolg werd gegeven aan zijn vraag in het verzoek tot heroverweging om dit advies mee te delen zodat hij zijn standpunt niet op nuttige wijze heeft kunnen doen gelden. Hij acht de hoorplicht ook geschonden doordat de verwerende partij geen rekening hield met het verzoek tot heroverweging waarin hij, naar hij stelt, de weigeringsargumenten heeft ontmoet en weerlegd. Artikel 135 van de wet van 7 december 1998 luidt: “Het personeelslid van het operationeel kader meldt voorafgaandelijk elke bezigheid, die niet is bedoeld in artikel 134, die het beoogt uit te oefenen aan, naar gelang het geval, de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, de burgemeester of het politiecollege. Die melding moet hetzij verstuurd zijn per aangetekende zending, hetzij door middel van een brief tegen ontvangstbewijs rechtstreeks overhandigd worden aan de bevoegde overheid, hetzij door middel van een brief tegen ontvangstbewijs overhandigd worden aan de personeelsdienst van de betrokken politiedienst. De commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, de burgemeester of het politiecollege kan, binnen de 45 kalenderdagen na de ontvangst van de melding en na het advies te hebben ingewonnen van, naar gelang van het geval, de directeur-generaal die de algemene directie leidt onder wiens gezag de aanvrager zijn ambt uitoefent of de korpschef, bij een met redenen omklede beslissing: 1° de uitoefening van de gemelde bezigheid, binnen het raam van de richtlijnen gegeven door de minister van Binnenlandse Zaken, weigeren; 2° de uitoefening van de gemelde bezigheid afhankelijk stellen van welbepaalde XIV-38.319-8/24 voorwaarden aangaande het belang van de dienst en de waardigheid van de status van personeelslid. Met uitzondering van het personeelslid dat een weigeringsbeslissing heeft bekomen en, in voorkomend geval, mits het respecteren van de opgelegde voorwaarden, kan het personeelslid van het operationeel kader de gemelde bezigheid uitoefenen na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn. Elke cumul wordt ambtshalve opgeschort wanneer het personeelslid afwezig is wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op de weg naar of van het werk of wegens een beroepsziekte, wanneer het in disponibiliteit wegens ziekte is of werkt volgens het stelsel van de verminderde prestaties wegens medische redenen”. Uit het tweede lid, 1°, van deze bepaling volgt dat de burgemeester binnen de 45 kalenderdagen na de ontvangst van de melding en na het advies te hebben ingewonnen van de korpschef, bij een met redenen omklede beslissing de uitoefening van de gemelde bezigheid, binnen het raam van de richtlijnen gegeven door de minister van Binnenlandse Zaken, kan weigeren. Deze bepaling noch enig andere normatieve bepaling en – zo al pertinent – evenmin de ministeriële omzendbrief van 3 mei 2019 ‘betreffende de cumulatie door de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten’ (hierna: de omzendbrief van 3 mei 2019) waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, voorziet – behoudens het advies van de korpschef – in de tussenkomst van enige adviescommissie. Het artikel 135 van de wet van 7 december 1998 schrijft derhalve enkel voor dat de gemelde nevenactiviteit kan worden geweigerd na advies van de korpschef. Te dezen is de bestreden weigeringsbeslissing, net zoals de in initiële beslissing, ondertekend door zowel de korpschef als de burgemeester. Voorts staat niets een bevoegde overheid eraan in de weg om zich met het oog op een zorgvuldige besluitvorming, te laten voorlichten en informeren om de haar opgedragen bevoegdheid uit te oefenen. Aangezien de tussenkomst van de betrokken adviescommissie hier wettelijk, noch reglementair XIV-38.319-9/24 is voorzien, kan erin niet meer worden gezien dan een advies dat louter informeel ten behoeve van de korpschef (en onrechtstreeks ten behoeve van de burgemeester) is verstrekt. De voorafgaande mededeling van een dergelijk advies aan verzoeker is niet vereist in het kader van de hoorplicht. Met het door hem op 20 januari 2020 uitgeoefende willig beroep tot heroverweging van de initiële beslissing van 12 december 2019, waarvan de verwerende partij kennis heeft genomen en waarop door de verwerende partij met een nieuw onderzoek is ingegaan, zij het zonder dat zulks tot een hervorming van de initiële beslissing heeft geleid, heeft verzoeker kunnen reageren – wat hij ook heeft gedaan – op de redenen die de bevoegde overheid ertoe hebben gebracht om zijn verzoek tot nevenactiviteit af te wijzen en die in de initiële beslissing zelf (waarvan verzoeker wel degelijk kennis had), waren opgenomen zodat te dezen aan de hoorplicht is voldaan. Aldus heeft verzoeker zijn argumenten wel degelijk vooraf aan de eindbeslissing kunnen uiteenzetten, zowel ten aanzien van de korpschef als ten aanzien van de burgemeester. 7. In de mate verzoeker nog beoogt te bekritiseren dat uit de bestreden beslissing niet blijkt op welke wijze de kritieken aangebracht in het sub 3.3 vermelde advies werden beoordeeld en/of gevolgd dan wel weerlegd of, nog, geen rekening hield met zijn argumenten in het verzoek tot heroverweging, betreft dit niet de schending van de hoorplicht maar een schending van de formele- en/of materiëlemotiveringsplicht, schending die in dit eerste middel niet wordt aangevoerd. 8. De argumenten en kritieken aangevoerd in de laatste memorie, zijn voorts nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. Verzoeker toont niet aan dat hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 9. Het eerste middel is ongegrond. XIV-38.319-10/24 XIV-38.319-11/24 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. In het tweede middel van zijn verzoekschrift acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden omdat de overheid haar beslissing heeft genomen “aan de hand van een aantal aannames en veronderstellingen welke zij hoegenaamd niet concreet heeft onderzocht en ook niet bij verzoeker heeft bevraagd”. Bovendien zijn de aangebrachte argumenten volgens verzoeker “voor relativering vatbaar en zelfs flagrant onjuist”, wat blijkt uit de omstandige repliek van verzoeker bij het verzoek tot heroverweging. Verzoeker meent dat aangezien nevenactiviteiten principieel zijn toegestaan, bij een weigering op bijzonder zorgvuldige wijze tewerk moet worden gegaan. Bij een individuele aftoetsing moeten eventuele bezwaren en vermeende bezwaren concreet worden afgetoetst bij verzoeker zelf waarbij de gegeven antwoorden kunnen nopen tot een andersluidend inzicht. Verzoeker voegt eraan toe dat uit zijn gemotiveerd verzoek tot heroverweging blijkt dat “pertinente antwoorden kunnen worden geboden”. De visie van de burgemeester dat een hypothetisch gevaar volstaat, overtuigt niet: door zich te beperken tot een hypothetisch gevaar perkt de burgemeester de op hem rustende zorgvuldigheidsplicht dusdanig in dat ze in feite niet meer bestaat, wat klemt met de principiële toelating zoals die uit de regelgeving blijkt. Ook een verwijzing naar een onverenigbaarheid met de functie van ambulancier staat haaks op de vereiste zorgvuldigheid. De wetgever heeft inderdaad dergelijke functie verboden, maar heeft er eveneens expliciet voor geopteerd om geen algemene uitsluiting te doen van functies welke een deelname aan het verkeer impliceren. In het kader van de zorgvuldigheid diende te worden onderzocht in welke mate, hoe en waarom de door verzoeker gewenste nevenactiviteit zich dusdanig vereenzelvigt met een functie als ambulancier, dat de vergelijking dusdanig pertinent is dat een weigering zich opdringt. Dat is niet gebeurd: de burgemeester beperkt zich in abstracto tot de hypothese dat een deelname aan het verkeer bepaalde risico’s met zich zou brengen. De zorgvuldigheidsplicht werd XIV-38.319-12/24 voorts nog geschonden doordat de verwerende partij zelfs niet heeft overwogen om de nevenactiviteit aan voorwaarden te koppelen. In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat de verwerende partij zich niet op het bestaan van discretionaire bevoegdheid kan beroepen om de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht te negeren, noch dat de verwerende partij in haar repliek geen motieven of overwegingen aan haar besluitvorming kan toevoegen, doch dat hij, desalniettemin, ter volledigheid repliceert op de argumenten ter zake ontwikkeld door de verwerende partij in de memorie van wederantwoord. Wat de aanhaling van de functie als ambulancier betreft, wijst verzoeker erop dat die verwijzing naar die functie door de burgemeester, een gebrek aan zorgvuldigheid illustreert nu de wetgever de cumul met ambulancier heeft uitgesloten, maar er ook voor heeft geopteerd om geen algemene uitsluiting te doen van functies die een deelname aan het verkeer met zich meebrengen. Of met andere woorden, dat hypothetische gevaren verbonden aan de deelname aan het verkeer niet volstaan gelet dat dit niet als een algemene uitsluitingsgrond door de wetgever is aangenomen. In zijn laatste memorie doet verzoeker gelden dat er, vermits de weigering de uitzondering vormt, volgens hem daarom een “verstrengde motiveringsplicht” geldt en de overheid op “bijzonder zorgvuldige wijze tot haar besluitvorming dient te komen.” Er moet dus een “zeer concrete toetsing” worden doorgevoerd waarbij het niet zal volstaan een nevenactiviteit te weigeren in algemene bewoordingen, wat in deze volgens verzoeker wel het geval is. “Illustratief” merkt verzoeker op dat er straal wordt voorbijgegaan aan het feit dat de gewenste nevenactiviteit uiterst beperkt is. Het bestaan en de potentie van het verhoogd risico op verkeersongevallen en -delicten moet worden concreet gemaakt in relatie tot de individuele gegevens van de zaak, zoals daar zijn de aard en frequentie van de gewenste nevenactiviteit in relatie tot de verenigbaarheid met de hoedanigheid van lid van het operationeel kader. Bij wijze van voorbeeld haalt verzoeker “het zogenaamde risico op betrokkenheid bij een verkeersongeval” aan dat hij omstandig analyseert en waarna hij concludeert dat, XIV-38.319-13/24 afgezet tegen de beperkte omvang van de gewenste nevenactiviteit versus de private en professionele verplaatsingen, het risico op onbeschikhaarheid “bijzonder, ultra gering” is. Een concrete benadering door de verwerende partij had haar dit kunnen bijbrengen, maar die beperkt zich tot vage algemeenheden en hypotheses die als passe-partout kunnen dienen. Dat is niet zorgvuldig en deze illustratie gaat ook op voor elk van de gedetecteerde risico’s. Voorts vindt verzoeker het niet nodig om zelf het opleggen van voorwaarden naar voren te schuiven nu hij reeds bij zijn verzoek tot heroverweging de beperktheid van de gewenste activiteit heeft benadrukt. Het is de overheid, die kennis heeft van de beperktheid van de gewenste nevenactiviteit, om dat minstens ernstig in overweging te nemen. Beoordeling 11. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de overheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 12. In de mate verzoeker het zorgvuldigheidbeginsel geschonden acht omdat de overheid volgens verzoeker haar beslissing heeft genomen “aan de hand van een aantal aannames en veronderstellingen” waarover zij zich niet XIV-38.319-14/24 concreet “bij verzoeker heeft bevraagd” zodat de bezwaren niet concreet “bij verzoeker zelf” zijn afgetoetst, wordt hij niet bijgevallen. Indien een overheid een individuele beslissing moet nemen moet zij het bij haar ingediende dossier op de eigen merites onderzoeken, wat niet betekent dat zij haar inzichten “concreet moet aftoetsen” bij de aanvrager zelf. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker zijn aanvraag heeft ingediend aan de hand van een uitgebreid standaardformulier ‘uitoefening nevenactiviteit’ waarbij hij uitleg diende te geven omtrent de aard van de nevenactiviteit (omschrijving activiteit, gegevens over de opdrachtgever, de taakuitvoering, het werkritme, specifieke risico’s), wat hij ook heeft gedaan, zij het met dien verstande dat hij onder de rubriek 2.5 de vraag of er specifieke risico’s zijn aankruiste, zonder meer, met een “neen” heeft afgedaan. Daargelaten nog de vraag of verzoeker op mogelijke bezwaren vanwege zijn werkgever – zeker in het licht van de op het voorliggende geschil toepasselijke omzendbrief van 3 mei 2019 waarnaar in de initiële beslissing wordt verwezen – had kunnen anticiperen, heeft hij daartoe alleszins de gelegenheid gekregen én genomen met zijn verzoek tot heroverweging. Zijn verzoek tot heroverweging is, zoals uit de bestreden beslissing blijkt, door de overheid in ogenschouw genomen en heeft haar ertoe gebracht het dossier nogmaals door te nemen, doch met eenzelfde resultaat. De verwerende partij oordeelde immers dat er in dat verzoek tot heroverweging geen elementen werden aangehaald waardoor kon worden afgeweken van de beslissing tot weigering van de uitoefening van de gevraagde nevenactiviteit. 13. In de mate verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel nog geschonden acht doordat de bestreden beslissing berust op een “hypothetisch gevaar” – wat zou klemmen met de principiële toelating die uit de regelgeving lijkt –, overtuigt verzoeker evenmin. In de bestreden beslissing wordt vooreerst verwezen naar de redenen die zijn opgenomen in de initiële beslissing. Blijkens de motivering van die initiële weigeringsbeslissing wordt de weigering om de nevenactiviteit uit te oefenen in essentie verantwoord omwille van
(1)het verhoogd risico om het slachtoffer te worden van een verkeersongeval met lichamelijk letsel met mogelijke onbeschikbaarheid en
(2)het regelmatig XIV-38.319-15/24 geconfronteerd worden met verkeersdelicten of andere conflictsituaties, welke kunnen leiden tot belangenconflicten. In de bestreden beslissing, na heroverweging, verwijst de verwerende partij nogmaals, eensdeels, naar het risico op het ontstaan van belangenconflicten tussen de uitvoering van zijn contract als privaat chauffeur luchthavenvervoer en de uitoefening van zijn politiefunctie en, anderdeels, naar de mogelijkheid dat verzoekers flexibiliteit en beschikbaarheid in het gedrang zou komen, waarbij wordt gewezen op de mogelijkheid van verwondingen die een lange onbeschikbaarheid tot gevolg kan hebben, reden waarom de wetgever de functie van ambulancier absoluut heeft uitgesloten als nevenactiviteit, wat naar het oordeel van de verwerende partij volstaat om de beroepsonverenigbaarheid vast te stellen. Verzoekers standpunt, dat met het aannemen van een “hypothetisch” (op veronderstelling berustend) gevaar als reden om een bepaalde nevenactiviteit te weigeren “de burgemeester de op hem rustende zorgvuldigheidsplicht dusdanig inperkt dat ze in feite niet meer bestaat”, overtuigt niet noch klemt zulks met de principiële toelating van nevenactiviteiten zoals die uit de regelgeving blijkt. Anders dan verzoeker dat ziet is de aanname of veronderstelling waarvan is uitgegaan niet louter hypothetisch. Dergelijke beoordeling is niet “flagrant onjuist” noch onredelijk, laat staan dat deze gevaren fictief zouden zijn – minstens maakt verzoeker zulks niet aannemelijk. De gevaren waar de burgemeester op wijst kunnen zich inderdaad voordoen, zonder daarbij de zekerheid te hebben dat ze zich effectief zullen voordoen. Verzoeker verwacht hier van de burgemeester dat hij, op straffe van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, zou aantonen dat de gevaren verbonden aan de uitoefening van de gevraagde nevenactiviteit, zich effectief zullen voordoen, hetgeen uiteraard onmogelijk is. Dat de burgemeester zich baseert op veronderstellingen waarvan niet met zekerheid kan worden gesteld dat ze effectief bewaarheid zullen worden, is in die omstandigheden niet onzorgvuldig. Dat de burgemeester – bij wijze van voorbeeld – ter adstructie van zijn argument dat verzoekers beschikbaarheid bij ongevallen mogelijks voor lange tijd in het gedrang kan komen, opmerkt dat activiteiten als beroepschauffeurs een verhoogd risico op ongevallen lopen en dat dit één van de XIV-38.319-16/24 redenen is waarom de wetgever het lid zijn van een hulpdienst/ambulancier en het geven van praktisch rijonderricht als absoluut onverenigbaar heeft gesteld, maakt zijn beoordeling dat beroepschauffeurs een verhoogd risico op verkeersongevallen lopen, evenmin onzorgvuldig. Overigens bemerkt de Raad van State dat de burgemeester niet de gevraagde nevenactiviteit “vereenzelvigt met een functie als ambulancier” - maar daarentegen dit ter illustratie aanwendt van zijn punt dat beroepschauffeurs een verhoogd risico op verkeersongevallen lopen. Aldus faalt verzoekers kritiek ter zake dat zulks niet is onderzocht, in de feiten. Tot slot blijkt uit deze illustratie niet dat de burgemeester, door te stellen dat beroepschauffeurs een verhoogd risico op verkeersongevallen lopen, op onzorgvuldige wijze tot zijn besluitvorming is gekomen.
- In de mate verzoeker tot slot nog argumenteert dat het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden doordat uit niets blijkt dat de burgemeester heeft overwogen/onderzocht of toelating voor het uitoefenen van de nevenactiviteit kon worden verleend, mits het opleggen van bepaalde voorwaarden, gaat hij eraan voorbij dat artikel 135 van de wet van 7 december 1998 weliswaar het principe van het uitoefenen van een nevenactiviteit zonder voorafgaande toelating heeft ingevoerd (voorafgaande melding volstaat), maar de wetgever heeft evenzo in de mogelijkheid voorzien om de nevenactiviteit te weigeren of deze aan voorwaarden te onderwerpen. De burgemeester beschikt ter zake over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid en hij heeft op grond van de motieven die hij aanhaalt gemeend de toelating waarom werd verzocht, te moeten weigeren. Hieruit blijkt impliciet, maar zeker, dat hij gemeend heeft dat geen toelating kon worden verleend, ook niet onder (bijkomende) voorwaarden. Uit zijn aanvraag blijkt voorts evenmin dat verzoeker op een of andere wijze heeft aangewezen aan welke voorwaarden desgevallend de uitoefening van de nevenactiviteit zou kunnen worden onderworpen: integendeel, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, kruiste hij onder de rubriek 2.5 van zijn aanvraag, de vraag of er specifieke risico’s zijn, zonder meer met een “neen” aan, aldus aannemend dat er volgens hem geen redenen waren om de uitoefening van de gemelde bezigheid afhankelijk te stellen van welbepaalde voorwaarden aangaande, XIV-38.319-17/24 inzonderheid, het belang van de dienst. In zijn verzoek tot heroverweging – hoewel hij dan reeds de motieven van de weigering kende – geeft verzoeker ook niet aan welke die (bijkomende) voorwaarden – andere dan deze die hij reeds aangaf in zijn aanvraagformulier qua (omvang van) tijdsbesteding – dan wel hadden kunnen zijn. Aldus blijkt niet dat verzoeker op een andere wijze zou hebben aangedrongen, weze het subsidiair, op het bekomen van een voorwaardelijke uitoefening van de gemelde bezigheid. In deze context ligt aldus ook op dat punt geen schending voor van het zorgvuldigheidsbeginsel.
- De argumenten en kritieken aangevoerd in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie, zijn voorts nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. Verzoeker toont niet aan dat hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het derde middel van zijn verzoekschrift voert verzoeker een schending aan van artikel 135 van de wet van 7 december 1998, evenals van de materiëlemotiveringsplicht. Hij zet uiteen dat uit het voornoemde artikel 135 volgt dat het uitgangspunt van de beoordeling van de aanvraag een principiële toelating is, terwijl in de bestreden beslissing sprake is van “dat geen toestemming kan gegeven worden aan”, wat past binnen de eerdere versie van het voornoemde artikel 135 dat een andere benadering kende. Heden moet verzoekers melding worden beoordeeld vanuit een principiële toelating met een ingeperkte mogelijkheid tot weigering. Een dergelijke benadering geeft een andere invulling van de feitelijkheden en omstandigheden welk volgens de XIV-38.319-18/24 motivering ten grondslag liggen van de bestreden beslissing. Aldus is artikel 135 van de wet van 7 december 1998 geschonden. Voorts vereisen die bepaling en de door de minister gegeven richtlijnen dat een weigering enkel kan voor ofwel bezigheden die het belang van de dienst schaden dan wel afbreuk doen aan de waardigheid van de functie of de betrekking. Te dezen blijkt zulks niet uit de motivering. Alwaar die enkel verwijst naar – theoretische en speculatieve – gebeurtenissen dient het volgens de ministeriële omzendbrief te gaan over “bezigheden die” en “in het gedrang brengt” waardoor een individuele ad hoc toetsing zich moet buigen over de vraag of de gemelde nevenactiviteit het belang van de dienst schaadt dan wel afbreuk doet aan de waardigheid van de functie of de betrekking. Te dezen is zulks niet inherent en noodzakelijk verbonden aan de uitoefening van de gemelde nevenactiviteit, maar zijn het zaken die uit vele omstandigheden kunnen voortvloeien, zoals een persoonlijk ongeval, een sportongeval enz. Aldus is er geen waarachtige aftoetsing geweest aan de gegeven criteria/richtlijnen, doch getuigt de bestreden beslissing van een algemene visie dat, wat ook waarbij er sprake kan zijn van, bijvoorbeeld, een ziekte of een letsel met onbeschikbaarheid tot gevolg, uit den boze is. Zulks klemt met de letter en de geest van artikel 135 van de wet van 7 december
- Ook de materiëlemotiveringsplicht is geschonden omdat het onredelijk is om aan de hand van vage en speculatieve eventualiteiten te besluiten dat de gemelde nevenactiviteit moet worden geweigerd. Voorts is de materiëlemotiveringsplicht geschonden nu niet deugdelijk blijkt dat 1°) de gemelde nevenactiviteit het belang van de dienst schaadt nu uit niets blijkt dat het aan de gemelde nevenactiviteit verbonden risico van die aard is dat het dienstbelang van de lokale politiezone dusdanig geschaad kan zijn door een welbepaalde, tijdelijke onbeschikbaarheid; 2°) de gemelde bezigheid afbreuk doet aan de waardigheid van de functie of de betrekking nu uit niets blijkt welk het concreet gebeurlijk belangenconflict wel niet zou kunnen zijn dat zich inderdaad kan voordoen met de gebeurlijke gevolgen waarop de burgemeester speculeert. Voorts is er helemaal geen zekerheid dat het vooropgesteld risico zich voordoet en moet een bepaald theoretisch verhoogd risico op zijn minst concreet in XIV-38.319-19/24 ogenschouw worden genomen en op zijn ernst worden beoordeeld. Zulks ontbreekt. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat het benaderingskader wel degelijk van groot belang is en dat de gewenste nevenactiviteit is beoordeeld vanuit een gedateerd uitgangspunt dat in beginsel geen nevenactiviteiten zijn toegelaten. Voorts betoogt hij dat de verwerende partij geen concrete ad hoc toets heeft gedaan aan de criteria genoemd in de omzendbrief van 3 mei 2019: de verwerende partij haalt zelf aan dat de adviescommissie een beoordeling deed in het licht van de GPI
- Verzoeker wijst erop dat de twee basiscriteria in de omzendbrief van 3 mei 2019 niet gelijk zijn aan die in de (vroegere) omzendbrief GPI 27 en dat een advies dat onverkort is overgenomen door de overheid maakt dat de bestreden beslissing hierdoor is aangetast. Voorts betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing geenszins motiveert op welk vlak het belang van de dienst is geschaad dan wel dat er afbreuk is gedaan aan de waardigheid van de functie of de betrekking. Tot slot stelt verzoeker dat het niet volstaat puur hypothetische risico’s in te roepen. In de laatste memorie herhaalt verzoeker zijn standpunt dat het feit dat de burgemeester is uitgegaan van de vroegere toestand van een principieel verbod, niet alleen blijkt uit de bewoordingen, maar eveneens uit het feit dat hem is geweigerd “een individuele afwijking” te verlenen en uit het feit dat de bestreden beslissing is gesteund op het advies van de adviescommissie die zelf aanhaalt dat zij een beoordeling deed in het licht van de omzendbrief GPI
- Wat de abstracte motieven betreft, herneemt verzoeker wat hij in het tweede middel heeft geantwoord, in het bijzonder inzake de risico’s inzake deelname aan het verkeer. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het derde middel op grond van de volgende overwegingen: XIV-38.319-20/24 “3.3.1 In dit middel wordt in essentie aangevoerd
(1)dat de bestreden beslissing artikel 135 WGP schendt doordat de gemelde activiteit beoordeeld werd vertrekkende van het uitgangspunt dat er een principieel verbod geldt (artikel 135 WGP vooraleer gewijzigd bij de wet van 19 juli 2018), terwijl er conform artikel 135 WGP nu een principiële toelating geldt,
(2)dat artikel 135 WGP (en de omzendbrief van 3 mei 2019) tevens geschonden is doordat de motieven in vergelijking met de bestreden beslissing in zaak I in essentie dezelfde zijn, zij het iets uitgebreider verwoord, maar hypothetisch en abstract gesteld zijn zodat niet concreet blijkt waarom het belang van de dienst wordt geschaad of waarom afbreuk gedaan wordt van de waardigheid van de functie of betrekking, en
(3)dat de bestreden beslissing om die redenen ook de materiële motiveringsplicht schendt. 3.3.2 Artikel 135, eerste en tweede lid WGP bepaalt: ‘Het personeelslid van het operationeel kader meldt voorafgaandelijk elke bezigheid, die niet is bedoeld in artikel 134 3, die het beoogt uit te oefenen aan, naar gelang het geval, de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, de burgemeester of het politiecollege. Die melding moet hetzij verstuurd zijn per aangetekende zending, hetzij door middel van een brief tegen ontvangstbewijs rechtstreeks overhandigd worden aan de bevoegde overheid, hetzij door middel van een brief tegen ontvangstbewijs overhandigd worden aan de personeelsdienst van de betrokken politiedienst. De commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, de burgemeester of het politiecollege kan, binnen de 45 kalenderdagen na de ontvangst van de melding en na het advies te hebben ingewonnen van, naar gelang van het geval, de directeur-generaal die de algemene directie leidt onder wiens gezag de aanvrager zijn ambt uitoefent of de korpschef, bij een met redenen omklede beslissing : 1° de uitoefening van de gemelde bezigheid, binnen het raam van de richtlijnen gegeven door de minister van Binnenlandse Zaken, weigeren; 2° de uitoefening van de gemelde bezigheid afhankelijk stellen van welbepaalde voorwaarden aangaande het belang van de dienst en de waardigheid van de status van personeelslid.’ In de ministeriële omzendbrief van 3 mei 2019 wordt omtrent de mogelijkheid tot weigering van de gemelde nevenactiviteit het volgende gesteld: ‘De commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, de burgemeester of het politiecollege kan binnen de termijn van 45 kalenderdagen ook beslissen om de uitoefening van de gemelde bezigheid te weigeren. Dit zal het geval zijn voor bezigheden die 1) Het belang van de dienst schaden; 2) afbreuk doen aan de waardigheid van de functie of betrekking Elke gemelde bezigheid moet door de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, de burgemeester of het politiecollege in concreto worden beoordeeld en getoetst aan beide voornoemde criteria. De beslissing zelf moet formeel worden gemotiveerd. Tenzij de concrete toetsing tot een ander inzicht leidt, meen ik dat het belang van de dienst wordt geschaad of dat er afbreuk wordt gedaan aan de waardigheid van de functie of van de betrekking, door de uitoefening van iedere bijkomende bezigheid die meer bepaald de in de deontologische code opgenomen principes en waarden, zoals onder andere de beschikbaarheid, de onafhankelijkheid, de onpartijdigheid en het welzijn op het werk, in het gedrang brengt.’ XIV-38.319-21/24 De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. […]. 3.3.3 In zoverre de verzoeker artikel 135 WGP geschonden acht doordat de gemelde nevenactiviteit beoordeeld werd vertrekkende van het uitgangspunt dat er een principieel verbod van nevenactiviteit is (zoals dat door artikel 135 WGP gold vooraleer die bepaling gewijzigd werd bij de wet van 19 juli 2018): De verzoeker onderbouwt dit argument enkel op de in de bestreden beslissing gehanteerde terminologie, met name ‘dat geen toestemming kan gegeven worden’ voor de gemelde nevenactiviteit. Vermits ‘geen toestemming kunnen geven’ hetzelfde inhoudt als ‘weigeren’ is dit een wel zeer licht argument. In zoverre de burgemeester stelt dat hij geen toestemming kan geven voor de gemelde activiteit, weigert hij de gemelde nevenactiviteit zoals voorgeschreven door artikel 135 WGP. Het gebruik van de terminologie ‘geen toestemming kunnen geven’ toont niet aan dat de burgemeester bij zijn beoordeling van de gemelde nevenactiviteit uitgegaan is van een principieel verbod, zoals het gold vooraleer artikel 135 WGP gewijzigd werd bij de wet van 19 juli 2018. 3.3.4 In zoverre de verzoeker artikel 135 WGP (en de omzendbrief van 3 mei 2019) geschonden acht doordat de motieven tot weigering hypothetisch en abstract gesteld zijn zodat niet concreet blijkt waarom het belang van de dienst wordt geschaad of waarom afbreuk wordt gedaan van de waardigheid van de functie of betrekking: Blijkens de motivering van de bestreden beslissing wordt de weigering om de nevenactiviteit uit te oefenen in essentie verantwoord
(1)door het verhoogd risico op verkeersongevallen en verkeersdelicten, aangezien de nevenactiviteit de functie van chauffeur luchthavenvervoer betreft, hetgeen tot belangenconflicten kan leiden,
(2)door het mogelijk in gedrang komen van de flexibiliteit en beschikbaarheid van verzoeker om in te zetten, waarbij gewezen wordt op de mogelijkheid van verwondingen die een lange onbeschikbaarheid tot gevolg kunnen hebben, reden waarom de wetgever de functie van ambulancier absoluut heeft uitgesloten als nevenactiviteit (artikel 134 WGP). Zoals reeds gesteld bij de beoordeling van het tweede middel zijn deze motieven noch kennelijk (manifest) onjuist, noch kennelijk onredelijk, in die zin dat de gevaren waar de burgemeester op wijst zich inderdaad kunnen voordoen, zonder daarbij de zekerheid te hebben dat ze zich effectief zullen voordoen. Vandaar dat deze motieven in de voorwaardelijke wijs worden gesteld. De loutere vaststelling dat zij in de voorwaardelijke wijs worden gesteld heeft niet tot gevolg dat dit ‘abstracte’ motieven zijn. De verzoeker verwacht van de burgemeester dat hij zou aantonen dat de gevaren verbonden aan de uitoefening van nevenactiviteit, zich effectief zullen voordoen, hetgeen uiteraard onmogelijk is. De burgemeester beschikt terzake over een discretionaire bevoegdheid die hij uitoefent binnen het kader van de richtlijnen van de minister in de omzendbrief van 3 mei 2019, met name toetst hij of de gemelde nevenactiviteit de beschikbaarheid, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het gedrang kan brengen. Hoewel verzoeker van oordeel is XIV-38.319-22/24 dat dit niet het geval en al te hypothetisch is, zijn de motieven van de burgemeester noch kennelijk onjuist, noch kennelijk onredelijk. 3.3.5 In zoverre de verzoeker om dezelfde redenen de materiële motiveringsplicht geschonden acht, wordt verwezen naar het hetgeen hiervoor onder punt 3.3.3 werd gesteld. 3.3.6 Het derde middel is ongegrond.”
- Verzoeker betwist deze conclusie maar brengt in zijn laatste memorie geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de hiervoor aangehaalde beoordeling door het auditoraat. In de mate dat hij ook ter adstructie verwijst naar hetgeen hij in zijn laatste memorie inzake het tweede middel heeft gesteld, is hiervoor tot de conclusie gekomen dat het tweede middel ongegrond is. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.319-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.319-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.585 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div