← België

Arrest 256586 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.586 Rolnummer: A. 236500/VII-41438 Zaak: Arrest 256586 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 09:36 Fiche Arrest nr 256.586 van 25 mei 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Tussenkomst geweigerd Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.586 van 25 mei 2023 in de zaak A. 236.500/VII-41.438 In zake : de VZW SEMPER FERRARIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dennis Muñiz Espinoza kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT Verzoekende partij in tussenkomst : Véronique PEETERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 25 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0639 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 14 april 2022 in de zaak 2021-RvVb-0698-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 1 september
  3. VII-41.438-1/14 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Véronique Peeters heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is voorlopig toegestaan bij beschikking van 10 november
  4. De verzoekende partij in tussenkomst heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 23 februari 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jutte Nijs, die loco advocaat Dennis Muñiz Espinoza verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ward Vangrunderbeeck, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partij in tussenkomst, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. VII-41.438-2/14 III. Feiten
  7. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) verleent op 25 maart 2021 aan Véronique Peeters een omgevingsvergunning “voor het verkavelen in 3 loten open bebouwing”.
  8. Het bestreden arrest verklaart het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing klaarblijkelijk onontvankelijk. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Verzoek tot tussenkomst
  9. Véronique Peeters argumenteert omtrent de “ontvankelijkheid van de tussenkomst”: “
  10. Verzoekende partij tot tussenkomst is de aanvrager van de vergunning die aangevochten werd in de procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en wordt aldus van rechtswege geacht belanghebbende partij te zijn in die procedure.
  11. Volgens de huidige versie van artikel 20, lid 3 van het Decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (‘DBRC-decreet’) zou verzoekende partij tot tussenkomst zelfs van rechtswege beschouwd worden als partij in het geding bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen: ‘Elke belanghebbende kan tussenkomen in een hangende procedure. De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn. De vergunninghouder of de persoon die de melding heeft verricht, die wordt vermeld in de bestreden beslissing of in de bestreden aktename of niet-aktename, is van rechtswege tussenkomende partij in een hangende procedure, op voorwaarde dat hijzelf niet de beroepsindiener is. In geval van overdracht van de bestreden beslissing kan het geding worden hervat door de nieuwe vergunninghouder.’ Sinds de inwerkingtreding van deze bepaling op 1 december 2021 is de vergunninghouder dus van rechtswege procespartij in een hangende procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. VII-41.438-3/14
  12. In de procedure bij de feitenrechter wenste verzoekende partij tot tussenkomst formeel tussen te komen, alleen werd haar deze mogelijkheid niet geboden, ondanks herhaald aandringen.
  13. Verzoekende partij tot tussenkomst ontving een brief van de griffie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen d.d. 1 juli 2021 waarin werd meegedeeld dat verzoekende partij een verzoekschrift tot vernietiging van de vergunning heeft ingediend. Er werd vermeld dat verzoekende partij tot tussenkomst nog niet kon reageren (stuk 8). Verzoekende partij tot tussenkomst heeft naar aanleiding van deze kennisgeving herhaaldelijk geïnformeerd naar de stand van zaken bij de griffie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Er vond immers nog geen kennisgeving met mogelijkheid tot tussenkomst plaats. Met een beschikking van 9 september 2021 heeft de voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen echter geoordeeld dat het beroep op het eerste gezicht klaarblijkelijk onontvankelijk is. Na ontvangst van de verantwoordingsnota van verzoekende partij heeft de voorzitter de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad genomen. In een arrest van 14 april 2022 werd het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk verklaard. Huidige verzoekende partij tot tussenkomst heeft dan ook niet de mogelijkheid gehad om in de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen tussen te komen aangezien het om een vereenvoudigde procedure ging overeenkomstig artikel 59/1 Procedurebesluit.
  14. Het voorgaande neemt niet weg dat verzoekende partij tot tussenkomst wel degelijk beschouwd moet worden als een belanghebbende partij die kan tussenkomen in de cassatieprocedure. Het is de vergunning van verzoekende partij tot tussenkomst die de inzet vormt van het geding. De redelijkheid en de billijkheid gebieden dat verzoekende partij tot tussenkomst haar argumenten kan inbrengen in de procedure.
  15. Het recht op toegang tot de rechter maakt onlosmakelijk deel uit van het recht op een eerlijk proces. Dit recht houdt in dat de partijen over een concrete en effectieve mogelijkheid moeten beschikken om hun geschil aan de rechter voor te leggen en om hierover een uitspraak te bekomen. Het recht op toegang tot de rechter is van wezenlijk belang in een democratische samenleving en raakt dan ook de openbare orde.
  16. Mocht verzoekende partij tot tussenkomst niet toegelaten worden in huidige procedure voor Uw Raad, zou dat een flagrante schending uitmaken van het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6 EVRM. Bovendien zou dergelijke visie ook strijden met de bepalingen van de RvS-Wet. Artikel 21bis RvS-Wet bepaalt immers dat ‘degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak, kunnen erin tussenkomen.’ Artikel 26 KB van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State dient hiermee in overeenstemming te worden gelezen. Als vergunninghouder heeft verzoekende partij tot tussenkomst immers een evident belang bij onderhavige procedure. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukte al herhaaldelijk dat de procedureregels niet al te formalistisch geïnterpreteerd VII-41.438-4/14 mogen worden, omdat dit in belangrijke mate afbreuk doet aan de toegang tot de rechter. Het niet toelaten van verzoeker tot tussenkomst in onderhavige procedure zou een willekeurige barrière vormen die de toegang tot de rechter onmogelijk zou maken en die een disproportioneel karakter heeft.
  17. Minstens in de huidige stand van het geding moet de tussenkomst dus toegelaten worden”. Beoordeling
  18. Artikel 26 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit) bepaalt dat de bij de zaak voor het rechtscollege betrokken partijen, met uitzondering van die genoemd in artikel 12, eerste lid, in het geding mogen tussenkomen overeenkomstig artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet). Uit artikel 26 van het cassatieprocedurebesluit gelezen samen met artikel 21bis RvS-wet volgt dat enkel diegenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak kunnen tussenkomen. Enkel een bij het arrest van de RvVb betrokken partij kan dit belang hebben.
  19. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat: - de griffier van de RvVb Véronique Peeters op 1 juli 2021 kennis heeft gegeven van het beroep van de verzoekende partij tegen de vergunningsbeslissing van de deputatie en Véronique Peeters niet in de mogelijkheid heeft gesteld om in toepassing van (de toepasselijke versie van) artikel 20 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ en (de toepasselijke versie van) artikel 59/3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurereglement RvVb) als belanghebbende tussen te komen in de hangende procedure, - de zaak voor de RvVb bij toepassing van artikel 59/1 van het procedurereglement RvVb “zonder verdere rechtspleging in beraad [werd] genomen” nadat de VII-41.438-5/14 voorzitter van de RvVb bij beschikking van 9 september 2021 had vastgesteld dat “op het eerste gezicht het beroep […] klaarblijkelijk onontvankelijk” is en de verzoekende partij, na betekening door de griffier van voormelde beschikking, een verantwoordingsnota had ingediend binnen de gestelde vervaltermijn, - Véronique Peeters heeft nagelaten om bij toepassing van voormeld artikel 59/3, tweede lid, van het procedurereglement RvVb een verzoek tot tussenkomst in te dienen, - de voorzitter van de RvVb het beroep van de verzoekende partij met toepassing van de vereenvoudigde procedure “klaarblijkelijk onontvankelijk” heeft verklaard.
  20. Uit wat voorafgaat volgt dat Véronique Peeters geen bij de zaak voor de RvVb betrokken partij is die belang heeft om tussen te komen in de huidige cassatieprocedure. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  21. De verzoekende partij voert de schending aan van “artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen”, artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD), “en de jurisdictionele motiveringsplicht voorzien in artikel 149 van de Grondwet”: “Doordat in de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat het beroep onontvankelijk is wegens laattijdigheid waarbij de Raad voor Vergunningsbetwisting geoordeeld heeft dat, in toepassing van artikel 105, §3 van het omgevingsvergunningsdecreet de termijn om beroep aan te tekenen een aanvang nam de dag na de kennisgeving, zijnde 17 april 2021 om te eindigen op 31 mei
  22. Terwijl de termijn in voorliggend geval een aanvang nam de dag na de kennisgeving op 21 april 2021 en eindigde op 4 juni 2021 en de Raad voor VII-41.438-6/14 Vergunningsbetwistingen niet mocht oordelen dat het beroep onontvankelijk was. Zelfs bij toepassing van het vermoeden van ontvangst van de brief van 16 juni op 19 juni 2021, eindigde de termijn van 45 dagen op 2 juni 2021 en werd het beroep tijdig ingediend”. Zij licht toe dat zij “klaarblijkelijk [...] in voorliggend geval een dubbele termijn [heeft] voor het indienen van een verzoek tot vernietiging. De ene lopend vanaf de schriftelijke kennisgeving per aangetekende brief, de andere lopende vanaf de registratie in het omgevingsloket. Door in de bestreden beslissing te oordelen dat de termijn ingaat vanaf de kennisgeving in het omgevingsloket, en niet deze die ingaat bij toepassing van de analoge kennisgeving, schendt de bestreden beslissing de hoger vermelde rechtsregels”. Zij betoogt dat “diende geoordeeld te worden dat de kennisgeving op analoge wijze de termijn deed ingaan, en niet de kennisgeving op digitale wijze, ook al zouden de beide mogelijk zijn. Minstens bracht dit [haar] in verwarring, zelfs in dwaling, aangezien [zij] er op mocht rekenen dat de termijn begon te lopen vanaf de analoge kennisgeving, zoals ook bepaald in artikel 105, § 3 [OVD]. Aangezien er een analoge [kennisgeving] is gebeurd en er tevens een digitale kennisgeving zou gebeurd zijn, is er minstens de verschoonbare verwarring in hoofde van de verzoekende partij dat, gelet op de analoge betekening, het de termijn ontstaan n.a.v. de analoge betekening [is die] van toepassing is. Minstens kan het [haar] niet kwalijk worden genomen dat […] het de termijn bij de analoge kennisgeving is, die mocht gebruikt worden. […] Wanneer een kennisgeving gebeurt aan een partij, dan is het de bedoeling dat deze partij weet welk gevolg [zij] daaraan moet geven. Daarbij is het van belang, met het oog op het algemeen beginsel van de behoorlijke rechtsbedeling en van het recht tot toegang tot de rechter, dat de partij aan wie de betekening/kennisgeving gebeurt, zo expliciet mogelijk wordt ingelicht over wat haar te doen staat. […] In voorliggend geval diende de [RvVb] dan ook te oordelen dat het verzoek tot nietigverklaring wel tijdig was ingediend. Door dat niet te doen heeft de [RvVb] de toegang tot de rechter, het algemeen beginsel tot behoorlijke rechtsbedeling, geschonden. Voor zover er immers twee termijnen waren die parallel liepen, was het immers [haar] niet duidelijk meegedeeld - zelfs in die VII-41.438-7/14 hypothese erg onduidelijk en verwarrend - dat [zij] niet zou beschikken over de bijzondere termijn van toepassing bij een analoge betekening. Ingeval van verwarring diende de [RvVb] dan ook vast te stellen dat de enige lezing om geen schending van de hoger genoemde rechtsregels in te houden, dan ook deze was om dit verzoekschrift wel tijdig te achten. Daarenboven is de [RvVb] klaarblijkelijk zelf van oordeel dat er geen verwarring mocht gecreëerd worden. Ten onrechte heeft [hij] zonder enige motivering gesteld dat er geen verwarring zou zijn”.
  23. De verwerende partij antwoordt dat artikel 105, § 3, OVD zeer duidelijk is en geen ruimte laat voor interpretatie, twijfel of discussie: de vervaltermijn neemt een aanvang de dag na de datum van de betekening. Op grond van de artikelen 2, 2°, OVD juncto artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVB), geldt zowel een aangetekend schrijven als de verzending via het omgevingsloket als een beveiligde zending die de beroepstermijn bedoeld in artikel 105, § 3, OVD doet ingaan. In casu dateren zowel de beveiligde zending als de zending via het omgevingsloket van 16 april 2021, zodat de termijn van 45 dagen ingaat op de dag na de datum van de betekening, namelijk op 17 april
  24. Er is bijgevolg geenszins sprake van een dubbele termijn voor het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de RvVb.
  25. De verzoekende partij voegt toe dat de redenering van de verwerende partij “omtrent het feit dat de digitale kennisgeving al dan niet als een beveiligde zending overeenkomstig artikel 105, § 3 OVD moet worden aanzien” irrelevant is omdat zij deze discussie niet opgeworpen heeft. Integendeel heeft zij steeds gesteld dat er een dubbele betekening plaatsvond, waardoor zij mocht aannemen dat de beroepstermijn slechts bij de analoge betekening een aanvang nam. “De zogenaamde digitale kennisgeving waarvan sprake in de bestreden beslissing is geen kennisgeving in de zin van het OVD. Immers betreft het slechts een e-mail waarmee aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht dat de beslissing is geregistreerd. Een kennisgeving van de registratie van de beslissing in VII-41.438-8/14 het omgevingsloket betreft geen kennisgeving van de beslissing zelf. De beslissing zelf werd pas bij aangetekend schrijven, en dus analoge kennisgeving, aan haar ter kennis gebracht. De kennisgeving van registratie in het omgevingsloket doet hieraan geen afbreuk en heeft geen weerslag op de startdatum van de beroepstermijn. [...] Immers is deze digitale kennisgeving niets meer dan een automatische e-mail die uit het omgevingsloket wordt verzonden met de mededeling dat er een beslissing werd geregistreerd in het betrokken dossier. Het is geenszins zo dat deze digitale kennisgeving de beslissing zelf aan de bestemmeling verstuurt. Om kennis te nemen van de beslissing zijn nog steeds een aantal bijkomende handelingen nodig, met name inloggen in het omgevingsloket en in het desbetreffende dossier op zoek gaan naar de bestreden beslissing. Dit in tegenstelling tot de analoge kennisgeving die bestaat uit een aangetekende brief met een kopie van de bestreden beslissing als bijlage. De verzoekende partij was dan ook pas bij de analoge kennisgeving daadwerkelijk op de hoogte van de inhoud van de beslissing van de verwerende partij”. Het is onjuist dat bij de digitale kennisgeving van de beslissing ook de beroepsmodaliteiten en beroepstermijn werden meegedeeld. “De e-mail stelt dat er een beslissing werd geregistreerd in het betrokken dossier, zonder evenwel melding te maken van beroepsmodaliteiten en beroepstermijn”. De verzoekende partij verwijst naar rechtspraak waarin de RvVb oordeelde dat een automatische e-mail uit het omgevingsloket er niet voor zorgt dat de beroepstermijn een aanvang neemt. Bovendien heeft de RvVb zich reeds uitdrukkelijk uitgesproken over de verwarring die in hoofde van een verzoekende partij ontstaat indien een dubbele kennisgeving wordt gedaan, zelfs indien zowel de digitale als de analoge kennisgeving op dezelfde dag plaatsvinden. De verzoekende partij doet gelden dat de “bestreden beslissing [...] tegenstrijdig [is] met de eigen rechtspraak van de RvVb en het [...] standpunt in verband met de verwarring bij dubbele kennisgevingen. [...] Het kan aldus niet begrepen worden dat in onderhavig dossier de RvVb in de bestreden beslissing meent dat er geen sprake kan zijn van enige verwarring. Dit gaat niet alleen in tegen de eigen rechtspraak van de RvVb maar ook tegen de noodzakelijke rechtszekerheid. Bovendien kan de stelling in de bestreden beslissing dat de beroepstermijn zowel bij de digitale als bij de analoge zending een aanvang nam op 17 april en er VII-41.438-9/14 derhalve geen verwarring kon bestaan, niet worden aanvaard. Immers bepaalt artikel 105, § 3 OVD dat het beroep ingesteld moet worden binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen die ingaat de dag na de datum van de betekening. Artikel 6, eerste lid Procedurebesluit bepaalt dat de betekening met een aangetekende brief wordt geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief. De datum van aanbieding door de postdiensten geldt. De datum van de postbrief heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst tot bewijs van het tegendeel [...]. Dit tegendeel wordt in onderhavig geschil uitdrukkelijk geleverd, de verzoekende partij bracht zijn ontvangstbewijs van de aangetekende zending bij waaruit ontegensprekelijk blijkt dat deze pas aan [haar] werd betekend op 21 april
  26. Er ligt aldus een duidelijk bewijs van ontvangst voor dat ingevolge het Procedurebesluit bewijskracht heeft nu het tegendeel niet wordt aangetoond. De termijn kon dus op basis van de analoge zending onmogelijk op 17 april beginnen lopen aangezien dit niet de dag na de datum van de betekening is”. De verzoekende partij besluit dat de “bestreden beslissing […] het recht op toegang tot de rechter op een onevenredige en onaanvaardbare wijze” beperkt. Beoordeling
  27. De voorzitter van de RvVb heeft onaantastbaar vastgesteld dat: - de deputatie op 16 april 2021 een digitale en een analoge zending heeft verstuurd naar de verzoekende partij die gelden als rechtsgeldige betekeningen aan deze laatste van de voor de RvVb bestreden omgevingsvergunning van de deputatie, - de verzoekende partij haar beroep tegen deze vergunningsbeslissing heeft ingediend op 2 juni
  28. Met het bestreden arrest verklaart de voorzitter van de RvVb het beroep van de verzoekende partij klaarblijkelijk onontvankelijk op grond van de volgende overwegingen: - een beroep bij de RvVb moet worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen die, voor de personen aan wie de beslissing betekend wordt, VII-41.438-10/14 overeenkomstig artikel 105, § 3, OVD ingaat de dag na de datum van de betekening, - zowel een analoge zending als een digitale zending, in het geval het beroep digitaal wordt ingediend, dienen overeenkomstig artikel 2, 10°, OVB, als een rechtsgeldige kennisgeving van de bestreden beslissing, - de deputatie moet er in ieder geval wel voor zorgen dat de betekening, hoe die ook geschiedt, op ondubbelzinnige wijze gebeurt en geen aanleiding kan geven tot verwarring over het tijdstip waarop de beroepstermijn ingaat, - de termijn voor het instellen van het beroep gaat in dit geval conform artikel 105, § 3, OVD in op 17 april 2021, om af te lopen na 45 dagen op 31 mei 2021, - er is geen verwarring mogelijk over de startdatum van de beroepstermijn wanneer rekening wordt gehouden met de gelijktijdige verzending van zowel de analoge als de digitale betekening van de bestreden vergunningsbeslissing.
  29. De gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, laten zien dat: - in voormelde analoge zending wordt meegedeeld dat “tegen deze kennisgeving” beroep kan worden ingesteld bij de RvVb, - uit voormelde digitale zending niet duidelijk blijkt dat er een termijn om beroep in te dienen bij de RvVb is beginnen lopen.
  30. Teneinde het recht op toegang tot de rechter te waarborgen, is het niet alleen van belang dat de regels met betrekking tot de mogelijkheden inzake de rechtsmiddelen en de termijnen duidelijk worden gesteld, maar ook dat ze zo expliciet mogelijk aan de rechtzoekenden ter kennis worden gebracht zodat dezen gebruik ervan kunnen maken overeenkomstig de wet (GwH nr. 23/2022 van 10 februari 2022, B.9.2). Overeenkomstig artikel II.21, eerste lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 moet bij een kennisgeving van een beslissing van individuele strekking die rechtsgevolgen heeft, worden vermeld of beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld, bij welke instantie en binnen welke termijn. Als de VII-41.438-11/14 kennisgeving niet voldoet aan die vereisten, start volgens artikel II.21, tweede lid, van het Bestuursdecreet de termijn om een beroep in te dienen pas vier maanden na de kennisgeving.
  31. Het recht op toegang tot de rechter wordt gewaarborgd bij artikel 6 EVRM en een algemeen rechtsbeginsel. Dat recht is niet absoluut en kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden die zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van risico’s van rechtsonzekerheid. De toepassing van deze ontvankelijkheidsvereisten mag er evenwel niet toe leiden dat het recht op toegang tot de rechter, in dit geval de RvVb, wordt beperkt op een wijze die niet in evenredigheid staat met het doel dat met het betrokken ontvankelijkheidsvereiste wordt nagestreefd.
  32. Door in de voormelde omstandigheden aan te nemen dat bij de gelijktijdige verzending van zowel de analoge als de digitale betekening er geen verwarring mogelijk is over de startdatum van de beroepstermijn, uit te gaan van de digitale betekening voor de berekening van de beroepstermijn en het beroep dienvolgens als laattijdig te verwerpen, beperkt het bestreden arrest op onevenredige wijze de toegang tot de rechter.
  33. Het eerste middel is gegrond.
  34. Er is geen grond om het tweede middel te onderzoeken aangezien dit niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kan leiden. BESLISSING
  35. Het verzoek tot tussenkomst van Véronique Peeters wordt afgewezen. VII-41.438-12/14
  36. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2122-0639 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 14 april 2022 in de zaak 2021-RvVb-0698-A.
  37. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
  38. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
  39. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. De verzoekende partij in tussenkomst wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter VII-41.438-13/14 Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.438-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.586 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.