← België

Arrest 256613 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 26/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.613 Rolnummer: A. 236233/IX-10032 Zaak: Arrest 256613 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 26/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 09:40 Fiche Arrest nr 256.613 van 26 mei 2023 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.613 van 26 mei 2023 in de zaak A. 236.é/IX-10.032 In zake:

  1. Carin CALUWÉ
  2. Mark VAN ASSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan de Wilde kantoor houdend te 5100 Jambes Passage de l’Atelier 6/2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 25 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 februari 2022 ‘voor de invoering van digitale processen en houdende wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel’ (BS 25 februari 2022). IX-10.032-1/14 IX-10.032-2/14 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de IXe kamer bij beschikking van 1 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 17 april
  5. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  6. III. Achtergrond 3.
  7. De verzoekers zijn statutaire ambtenaren, werkzaam bij de gewestelijke overheidsdienst Brussel Economie en Werkgelegenheid. IX-10.032-3/14 3.
  8. De door de verzoekers bestreden bepalingen van hun rechtspositieregeling organiseren de wijze waarop, eensdeels, de selectieprocedures en, anderdeels, “administratieve procedures” zoals functionerings- en evaluatiegesprekken en gesprekken in het kader van orde- of tuchtmaatregelen voortaan geheel of gedeeltelijk op digitale wijze kunnen worden afgehandeld. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. Het eerste middel luidt: “schending van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, zoals in het bijzonder vervat in de artikelen 10 en 11 Gw. en van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen, en in het bijzonder schending van het verbod op willekeur, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.” De verzoekers merken op dat de bestreden bepalingen de organisator van de selectieprocedure vrij laten om deze digitaal te organiseren, zonder dat een “bijzonder motief” is vereist. De kandidaat daarentegen heeft in principe géén vrije keuze maar kan de proeven enkel “ter plaatse” afleggen ingeval hij in de “onmogelijkheid” verkeert om ze digitaal af te leggen. Hetzelfde geldt voor de administratieve procedures, met als bijkomende bepaling dat de kandidaat die zich om objectieve redenen niet kan verplaatsen, kan vragen om de procedure onder digitale vorm te laten plaatsvinden. De regelgever bepaalt echter niet welk gevolg moet worden gegeven aan het verzoek van de kandidaat. Voor de behandeling van dergelijke IX-10.032-4/14 vraag zijn evenmin objectieve criteria vastgelegd. De begrippen ‘onmogelijkheid’ en ‘objectieve redenen’ zijn te vaag en voor interpretatie vatbaar: dit leidt tot willekeur. Een gelijke behandeling is bijgevolg niet gegarandeerd in een procedure waarin alle kandidaten de proeven in digitale vorm afleggen, noch in een procedure waarin de ene kandidaat de proeven digitaal aflegt en de andere ter plaatse, gelet op het feit dat ieder beslissingsrecht over de procedures bij de organisator ligt. Het behoeft volgens de verzoekers weinig betoog dat er belangrijke verschillen bestaan tussen een digitale en een fysieke selectieprocedure – bijvoorbeeld: de non-verbale communicatie komt anders over, de kandidaat vertoont meer stress, de stijl wordt zakelijker wanneer een selectieprocedure digitaal plaatsvindt. Ook bij een digitale procedure waarbij kandidaten niet kunnen opteren voor een fysieke deelname, kunnen er tussen de kandidaten onderling verschillen zijn – bijvoorbeeld bij netwerkproblemen of inzake digitale onderlegdheid. Bij ontstentenis van een ruim keuzerecht voor de kandidaten is een gelijke behandeling van de kandidaten volgens de verzoekers daarom niet gegarandeerd. Ook de regeling in geval van technologische problemen hanteert vage begrippen die vatbaar zijn voor interpretatie – “het probleem [is] niet aan de kandidaat zelf te wijten” – wat niet volstaat om een gelijke behandeling te garanderen en geen absoluut recht creëert om een proef opnieuw af te leggen in geval van technologische problemen. IX-10.032-5/14 De verzoekers betogen dat de evenredigheid tussen het doel van de regeling en de aangewende middelen niet is gerespecteerd. De regeling is luidens de considerans van het gedeeltelijk bestreden besluit ingegeven door “de noodzaak” om selectieprocedures en administratieve procedures digitaal te organiseren “om zo de continuïteit van de overheidsdienst in alle omstandigheden te garanderen”. Volgens de verzoekers vormt de bestreden regeling dus een uitzonderingsregime. De regelgever geeft aan de organisator evenwel de mogelijkheid om steeds een digitale procedure te organiseren, zonder keuzerecht voor kandidaten en personeel. De aangewende middelen gaan dan ook verder dan noodzakelijk voor het realiseren van het doel van de regeling. Beoordeling
  10. Zoals te lezen is in het auditoraatsverslag en niet is weersproken door de verzoekers in een laatste memorie, vergt het “enig puzzelwerk” om te begrijpen bij welke (categorieën van) personen de betrokken regelgeving volgens de verzoekers precies een ongelijkheid zou teweegbrengen en om welke redenen. Ook de memorie van wederantwoord is in dat opzicht van geen nut, aangezien de verzoekers zich daarin beperken tot het louter herhalen van de uiteenzetting in het verzoekschrift, zonder zich de minste inspanning te getroosten om te reageren op het verweer in de memorie van antwoord. Het middel wordt dan ook onderzocht zoals eerst de verwerende partij en vervolgens de auditeur het hebben begrepen.
  11. In het auditoraatsverslag mochten de verzoekers volgende beoordeling lezen van het middel: “Vooreerst wordt opgemerkt dat het tot de autonome bevoegdheid van de overheid behoort om te bepalen op welke wijze selectieprocedures en andere administratieve procedures inzake haar ambtenaren worden georganiseerd. Zij kan dus beslissen – zolang geen hogere rechtsregel dit verbiedt – om voortaan vast te leggen dat bepaalde proeven of procedures geheel of gedeeltelijk op ‘digitale’ dan wel ‘fysieke’ wijze zullen verlopen en welke uitzonderingen zij daarbij toestaat. Het valt dus ook binnen haar IX-10.032-6/14 autonome beslissingsbevoegdheid om te bepalen in hoeverre zij de kandidaten hierin al dan niet een keuze laat en welke criteria zij hierbij hanteert. […] In casu legt de regelgever de wijze vast waarop de selectieprocedures […] worden georganiseerd: concreet betekent dit dat ze geheel of deels digitaal kunnen verlopen (schriftelijke proef op afstand, mondelinge proef via videoconferentie). In beginsel leggen alle kandidaten de proeven op dezelfde wijze af. De regelgever heeft evenwel de kandidaat de mogelijkheid geboden om de procedure toch ter plekke i.p.v. digitaal af te leggen, indien hij in de ‘onmogelijkheid’ verkeert om de proeven digitaal af te leggen […]. Hiertoe moet hij een verzoek richten aan de organisator, die er wel voor moet zorgen dat de betrokken kandidaat over alle technische mogelijkheden beschikt om de proeven digitaal af te leggen en hiertoe de nodige maatregelen moet nemen. Tevens [is bepaald] dat de organisator erop moet toezien dat de kandidaten over dezelfde rechten beschikken als in een fysieke procedure. Ten slotte [is bepaald] dat de proef opnieuw kan afgelegd worden dan wel verlengd ‘indien een kandidaat tijdens de proeven te maken krijgt met technologische problemen en als uit het onderzoek van het probleem blijkt dat dit niet aan de kandidaat zelf te wijten is’. Indien verzoekers een ongelijke behandeling vrezen tussen kandidaten die over voldoende technologische middelen beschikken en kandidaten die niet over voldoende technische middelen beschikken, wordt vastgesteld dat de regelgever hieraan tegemoet gekomen is door […] te bepalen dat de organisator ervoor moet zorgen dat de betrokken kandidaat beschikt over alle technische mogelijkheden om deel te nemen aan de proeven op digitale wijze. Indien dit niet het geval is, worden de nodige maatregelen genomen om hierin te voorzien. Tevens worden technologische problemen tijdens de proeven – die niet aan de kandidaat te wijten zijn – opgevangen door een nieuwe proef te organiseren dan wel de duurtijd te verlengen. Het besluit, dat aan de kandidaten overigens ‘dezelfde rechten’ garandeert, biedt voldoende waarborgen om geen verschil in behandeling te creëren tussen kandidaten voor een functie die niet over de vereiste technologische middelen beschikken en kandidaten die er wel over beschikken. Waar verzoekers doelen op digitale vaardigheden die kunnen verschillen van kandidaat tot kandidaat, wordt opgemerkt dat de regelgever ‘op digitale wijze’ in die zin definieert dat de schriftelijke proeven ‘op afstand’ op computer worden afgelegd, en de mondelinge proeven per videoconferentie. De bestreden bepalingen verhinderen dus niet dat een schriftelijke proef ‘ter plaatse’ eveneens kan bestaan uit een computergestuurd gedeelte. In elk geval blijkt niet dat er een onderscheid tussen categorieën van kandidaten naargelang hun digitale vaardigheden door de betrokken regelgeving wordt gecreëerd. Verder maken verzoekers gewag van een ‘verschil’ tussen de kandidaten in een selectieprocedure via een videogesprek omdat zij ‘anders’ zouden IX-10.032-7/14 kunnen overkomen of meer gestresseerd zijn, enz. dan kandidaten die de proef via persoonlijk contact ter plaatse afleggen. Voor zover verzoekers doelen op een ‘verschil in behandeling’ tussen kandidaten die de mondelinge proef digitaal afleggen en kandidaten die ze ter plekke afleggen, moet worden opgemerkt dat het niet duidelijk is waar de regelgever een ongeoorloofd onderscheid zou maken tussen beide categorieën, te meer [omdat] de organisator er bovendien over dient te waken dat de kandidaat dezelfde rechten geniet als bedoeld in het kader van de procedure met fysieke aanwezigheid. Verzoekers lijken echter veeleer te wijzen op een aantal nadelen die een videoconferentie met zich mee zou kunnen brengen voor de individuele kandidaat, nadelen die hij niet zou ondervinden bij een fysiek interview. Daargelaten de vraag of deze problematiek niet veeleer persoonsgebonden is, moet men vaststellen dat deze grief geen uitstaans heeft met een schending van het gelijkheidsbeginsel door de regelgever. Tevens alluderen verzoekers op een ongelijke behandeling of willekeur tussen de kandidaten die de proeven op een andere wijze (wensen) af (te) leggen dan de organisator heeft vastgelegd. De regelgever heeft inzake de selectieprocedures het volgende criterium [bepaald]: de kandidaat moet in de ‘onmogelijkheid’ zijn om de proef of de proeven op digitale wijze af te leggen, vooraleer hij zijn verzoek om de proef op een andere wijze af te leggen, bij de organisator kan indienen. Uit deze bepaling blijkt dat alle kandidaten die ‘in de onmogelijkheid zijn’ om de proef of de proeven digitaal af te leggen, de organisator kunnen vragen om ze ter plaatse af te leggen. Tevens blijkt uit [de bestreden regeling] dat de organisator hoe dan ook er (eerst) voor moet zorgen dat de betrokken kandidaat over alle technische mogelijkheden beschikt om de proef digitaal af te leggen. Deze bepaling maakt op zich geen onderscheid tussen bepaalde categorieën van [rechtszoekenden] die zich in dezelfde toestand bevinden, of althans verzoekers verduidelijken niet welke [rechtszoekenden], hier: kandidaten die deelnemen of wensen deel te nemen aan de betrokken procedures, verschillend worden behandeld. Verzoeker[s] doelen daarentegen veeleer op een willekeurige behandeling door de organisator zelf: uit de bepalingen blijkt dat de regelgever inderdaad aan de ‘organisator’ de ruimte heeft gelaten om in concrete gevallen te bepalen of er sprake is van een onmogelijkheid om de procedure of proeven digitaal (dan wel ter plaatse) uit te voeren, in welk geval de kandidaat – logischerwijze – de proef of procedure op de andere wijze zal kunnen doorlopen. Het toekennen van een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid houdt op zich geen schending in van het gelijkheidsbeginsel door de regelgever: verzoekers brengen echter de ongelijke behandeling in verband met een willekeurig of onredelijk gebruik van zijn beoordelingsbevoegdheid door de organisator: in dat geval gaat het echter om individuele beslissingen die mogelijkerwijze de betrokken regelgeving schenden dan wel het gelijkheidsbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur, en die aan een rechterlijke toets kunnen worden onderworpen. Het betreft evenwel geen verschil in IX-10.032-8/14 behandeling die de regelgever zelf creëert tussen bepaalde categorieën van personen. Het voorgaande geldt trouwens ook voor wat betreft verzoekers grief inzake kandidaten die technologische problemen ondervinden die niet aan henzelf te wijten zijn: een ongelijke behandeling zal – in voorkomend geval – te wijten zijn aan de beslissing van de organisator zelf, die ter zake een beoordelingsbevoegdheid toegekend werd om te bepalen welke ‘technologische problemen’ al dan niet aan de kandidaat te wijten zijn. Zoals opgemerkt, kan in deze bepaling op zich geen schending van het gelijkheidsbeginsel worden onderkend. De ongelijke behandeling waar verzoekers voor vrezen vloeit niet zozeer voort uit de regelgeving zelf, maar – in voorkomend geval – uit een beslissing van het organiserende bestuur zelf. Tenslotte voeren verzoekers aan dat de aangewende middelen verder gaan dan noodzakelijk om het doel te bereiken, in die zin dat de organisator over een algemene mogelijkheid beschikt om digitale procedures te organiseren, terwijl het personeelslid geen keuzerecht ter zake heeft. Het betreft nochtans een uitzonderingsregime d.w.z. enkel indien noodzakelijk voor de continuïteit van de dienst.”
  12. Nadat de verzoekers hebben verzuimd in de memorie van wederantwoord inhoudelijk te reageren op de memorie van antwoord, zien zij al evenmin enige ruimte om de bevindingen van het auditoraat te weerspreken. In hun laatste memorie bepalen zij zich immers tot de opmerking dat zij zich niet kunnen aansluiten bij dit verslag en dat zij volharden in hun middelen.
  13. In die omstandigheden mag het volstaan om vast te stellen, na eigen onderzoek van de zaak, dat de Raad van State het auditoraatsverslag kan bijvallen. Om de sub 6 aangehaalde redenen is het middel, geput uit het gelijkheidsbeginsel, niet gegrond.
  14. Wat de toets aan het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel betreft, gaan de verzoekers eraan voorbij dat in de considerans van de bestreden regeling met betrekking tot de doelstelling ook wordt gerefereerd aan “de opportuniteit die het gebruik van digitale procedures inzake flexibiliteit, snelheid en moderniteit voorstelt voor de organisatie van interne administratieve procedures en selectieprocedures”. Met die bijkomende doelstelling voor ogen, overtuigen de verzoekers niet van een disproportionaliteit tussen doel en aangewende middelen. IX-10.032-9/14 Ook een schending van de voormelde beginselen is niet aangetoond.
  15. Wat ten slotte het “verbod op willekeur” betreft, leest de Raad in de toelichting bij het middel geen betoog dat een afzonderlijk antwoord behoeft. In zoverre is het middel, voor zover ontvankelijk, alweer ongegrond.
  16. Het middel wordt geheel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  17. De verzoekers leiden een tweede middel af uit de “schending van de rechten van verdediging, zoals in het bijzonder vervat in artikel 6 van het EVRM en in artikel 14 IVBPR en van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen, en in het bijzonder schending van het verbod op willekeur en het redelijkheidsbeginsel”. De rechten van verdediging gelden in het tuchtrecht, zo merken de verzoekers op. De organisator kan echter zonder opgave van enig motief beslissen om een tuchtprocedure of een procedure tot schorsing in het belang van de dienst digitaal te laten verlopen, terwijl het personeelslid in deze stressvolle situatie over geen enkel keuzerecht beschikt, ook al vindt het dat enkel een “fysieke procedure” voor hem nuttig kan zijn. Nergens wordt in het besluit vermeld hoe de organisator moet omgaan met een verzoek om de procedure op een andere wijze te laten verlopen, wanneer de betrokkene niet in staat is om de procedure digitaal te voeren. Willekeur is niet uitgesloten. IX-10.032-10/14 Er is niet in een regeling voorzien wanneer technologische problemen zoals netwerkproblemen optreden. Een personeelslid dat de digitale tools onvoldoende beheerst, zal meer stress hebben en zich minder goed kunnen verdedigen. Ook dit strijdt met de rechten van verdediging. IX-10.032-11/14 Beoordeling
  18. De waarborgen die artikel 6 EVRM biedt op het vlak van de rechten van verdediging zijn van toepassing op gerechtelijke beslissingen. Ze kunnen niet worden betrokken op een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als orgaan van actief bestuur in het kader van tuchtsancties en schorsingen in het belang van de dienst. Hetzelfde geldt wat betreft de aangevoerde schending van artikel 14 IVBPR, dat van toepassing is inzake strafvervolgingen en het vaststellen van iemands burgerlijke rechten en verplichtingen in een rechtsgeding. Het middel, dat uitgaat van een andere opvatting, faalt in zoverre naar recht.
  19. In het auditoraatsverslag mochten de verzoekers volgende beoordeling lezen van het middel: “In de eerste plaats wordt vastgesteld dat verzoekers nalaten precies uiteen [te] zetten in welke zin het enkele gegeven dat de organisator de keuze wordt gegeven over de ‘vorm’ waarin het tuchtgesprek plaatsvindt (via een gesprek op afstand of ter plaatse) precies een schending van de rechten van verdediging zou inhouden waardoor het personeelslid zich niet ‘nuttig’ zou kunnen verweren tegen de feiten die hem worden ten laste gelegd. Het argument dat het gesprek een ‘stressvolle’ situatie betreft en dat een personeelslid uitsluitend een ‘fysiek’ gesprek ‘nuttig’ kan vinden, volstaat geenszins in het licht van de aangevoerde schending van de rechten van verdediging, waar de term ‘nuttig’ in de eerste plaats slaat op het zich ‘inhoudelijk’ kunnen verdedigen tegen alle ten laste gelegde feiten. Bovendien stelt het nieuwe artikel uitdrukkelijk dat de bevoegde organisator erop dient toe te zien dat de ambtenaar dezelfde rechten geniet als bedoeld in het kader van de procedure met fysieke aanwezigheid en kan een personeelslid dat niet in staat is de procedure in digitale vorm uit te voeren, de betrokken organisator vragen de procedure op fysieke wijze uit te voeren, ten minste 48 uur voorafgaand aan de procedure. Met dit laatste aspect komt de regelgever tegemoet aan de opmerkingen in het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State waarin te lezen valt dat door de gemachtigde werd vooropgesteld dat ‘fysieke’ procedures de norm zouden blijven, maar dat dit niet uit de betrokken IX-10.032-12/14 bepalingen blijkt: daarin wordt aan de organisator de keuzevrijheid gelaten om de gesprekken in het kader van tuchtprocedures e.d.m. via videoconferentie te organiseren, zonder dat enig bijzonder motief vereist is. De afdeling Wetgeving adviseerde echter om in dat geval aan de kandidaten, die de procedure niet op digitale wijze kunnen voeren, de mogelijkheid te laten om de gesprekken ter plaatse af te leggen, om geen verschil in behandeling te creëren met o.a. de selectieprocedures vermeld in de artikelen 2/2, § 1 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel. Het beoordelen of een personeelslid ‘niet in staat is’ om de procedure op digitale wijze te voeren (d.w.z. via videogesprek) heeft de regelgever aan de ‘organisator’ toevertrouwd, die aldus het individuele verzoek kan toetsen aan die voorwaarde. Het toekennen van dergelijke discretionaire beoordelingsbevoegdheid aan de organisator vormt op zich geen schending van de rechten van […] verdediging: dit zou wel het geval zijn indien de bepaling zou inhouden dat het personeelslid zich niet meer nuttig zou kunnen verdedigen (tegen de hem ingebrachte beschuldigingen) in de procedure. Verzoekers zetten echter niet uiteen hoe de bepaling dat het personeelslid dat ‘niet in staat is’ (of in de onmogelijkheid verkeert: zie de Franse tekst: l’impossibilité) het gesprek via videoconferentie te voeren, de organisator kan verzoeken om het gesprek in fysieke aanwezigheid te voeren, de rechten van verdediging van het betrokken personeelslid zou schenden. [Voorts] vloeit de willekeurige behandeling waar verzoekers voor vrezen niet voort uit de regelgeving zelf, maar zal dit probleem – in voorkomend geval – kleven aan de beslissingen van het organiserende bestuur zelf (zie ook bespreking eerste middel), hetgeen niet het voorwerp vormt van dit geding. Waar [de verzoekers] aanvoeren dat ‘technologische problemen’ door de regelgever niet werden ondervangen, duiden zij niet aan op welke wijze de rechten van verdediging van de betrokken ambtenaar niet zouden zijn gegarandeerd, nu de regelgever heeft bepaald dat de ambtenaar dezelfde rechten geniet als bedoeld in het kader van de procedure met fysieke aanwezigheid. De schending van het redelijkheidsbeginsel wordt niet toegelicht. Het middel is, in de mate het ontvankelijk is, in elk geval ongegrond.”
  20. Nadat de verzoekers hebben verzuimd om te reageren op het verweer in de memorie van antwoord, zien zij al evenmin enige ruimte om de bevindingen van het auditoraat te weerspreken. In hun laatste memorie bepalen zij zich immers tot de opmerking dat zij zich niet kunnen aansluiten bij dit verslag en volharden in hun middelen. IX-10.032-13/14
  21. In die omstandigheden mag het volstaan om vast te stellen, na eigen onderzoek van de zaak, dat de Raad van State het auditoraatsverslag kan bijvallen. Om de sub 14 aangehaalde redenen is het middel, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt het beroep.
  23. De verzoekende partijen worden elk voor de helft verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.032-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.613 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.