id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.614 Rolnummer: A. 235972/IX-10025 Zaak: Arrest 256614 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-10 09:40 Fiche Arrest nr 256.614 van 26 mei 2023 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.614 van 26 mei 2023 in de zaak A. 235.972/IX-10.025 In zake : Raphaël STRÖKER woonplaats kiezend te 3061 Leefdaal Hammeveld 37 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Brussel bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de algemeen directeur van scholengroep Brussel van het Gemeenschapsonderwijs van 25 januari 2022 waarbij Raphaël Ströker wordt overgeplaatst in het belang van de dienst. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. IX-10.025-1/43 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 april 2023. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij is gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is vast benoemd leraar in atheneum Unesco te Koekelberg, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep Brussel van het Gemeenschapsonderwijs. 3.2. Op 8 maart 2021 stuurt verzoeker een e-mail naar de directeur van het atheneum Unesco te Koekelberg met de communicatie die hij en collega JT hebben gevoerd met de vertrouwenspersoon van de scholengroep over het door hen gemelde grensoverschrijdend gedrag in hoofde van collega TV. De directeur stelt op 9 maart 2021 een vaststellingsfiche op met betrekking tot de hem meegedeelde feiten en TV dient hierover op 25 maart 2021 een bezwaarschrift in. 3.3. Omdat de door verzoeker en JT gemelde feiten sterk afwijken van het verweer van TV, vraagt de directeur aan de algemeen directeur van de IX-10.025-2/43 scholengroep om deze zaak te laten onderzoeken. Te dien einde wordt in april 2021 een onderzoek bij de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs opgestart. 3.4. Op 8 september 2021 leggen de onderzoekers van de onderzoekscel hun verslag neer. In hun algemene conclusie stellen zij omtrent de rol van verzoeker in deze aangelegenheid: “Het is niet vastgesteld dat enkel en alleen [TV] de sfeer in de leraarskamer beïnvloed heeft. Er werden meerdere factoren, zoals o.a. corona, aangehaald als mogelijke redenen voor de beladen en gespannen sfeer onder de collega’s. Maar ook dat dit komt door toedoen van Raph Ströker en [SV], die beiden probeerden collega’s achter zich te scharen, waardoor ze een druk uitoefenden. Alles wijst erop dat Raph Ströker een zondebok zocht in [TV] voor het feit dat zijn partner bij hem weggegaan is. Hiervoor werden verhalen aangedikt of erbij gehaald om de klacht zwaarder te maken. Raph Ströker heeft medestanders gezocht en één gevonden in de persoon van [JT], die zonder hem geen klacht zou hebben ingediend en gehandeld heeft onder druk.” 3.5. Na kennisname van het voornoemde verslag, beslist de algemeen directeur op 15 oktober 2021 om een vervolgonderzoek in te stellen “waarin zal nagegaan moeten worden of en hoe in de toekomst verder kan samengewerkt worden”. Dit wordt als volgt gecommuniceerd naar de personeelsleden van atheneum Unesco te Koekelberg: “Aan het einde van afgelopen schooljaar werd, zoals u welbekend, een onderzoek gevoerd in het GO! Atheneum Unesco Koekelberg. Inmiddels werd het finale onderzoeksrapport bij de centrale diensten van de scholengroep Brussel neergelegd. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat de gebeurtenissen een zeer geladen sfeer hebben veroorzaakt binnen het GO! Atheneum Unesco Koekelberg en dat de stemming in de leraarskamer navenant is. Concreet zou het lerarenkorps in kampen verdeeld zijn. Na rijp beraad werd besloten om, teneinde een probate oplossing te bewerkstelligen, een vervolgonderzoek in te stellen waarin zal nagegaan moeten worden of en hoe in de toekomst verder kan samengewerkt worden.” IX-10.025-3/43 3.6. Het vervolgonderzoek wordt op 26 en 27 oktober 2021 gevoerd door de preventieadviseur van de scholengroep. Zij bevraagt 31 personeelsleden aan de hand van een vast stramien met als insteek de huidige en toekomstige samenwerking met en tussen TV en verzoeker. De transcripties (en geluidsbestanden) van de door haar afgenomen interviews worden aan de algemeen directeur bezorgd. 3.7. Op 6 december 2021 wordt verzoeker door de algemeen directeur uitgenodigd voor een hoorzitting in het kader van de ordemaatregel ‘overplaatsing in het belang van de dienst’. Deze uitnodiging luidt: “Medio april 2021 vorderde Scholengroep Brussel een onderzoek bij de Onderzoekscel van het GO! om het waarheidsgehalte van de door u en uw collega [JT] geuite beschuldigingen betreffende ongewenste intimiteiten gepleegd door uw collega [TV] na te trekken. Op 8 september 2021 rondden de onderzoekers hun werkzaamheden af en legden ze hun rapport neer. Uit het onderzoeksverslag bleek dat de gebeurtenissen een zeer geladen sfeer hebben veroorzaakt binnen het GO! Atheneum Unesco Koekelberg en dat de stemming in de leraarskamer navenant was. Concreet leek het lerarenkorps in twee kampen verdeeld rond twee antagonisten, met name uzelf en [TV]. Na rijp beraad werd besloten om, teneinde een probate oplossing te bewerkstelligen, een (administratief) vervolgonderzoek in te stellen waarin moest nagegaan worden of en hoe in de toekomst verder kan samengewerkt worden. Het vervolgonderzoek werd in de week voorafgaand aan de herfstvakantie uitgevoerd door [de preventieadviseur], die de personeelsleden een aantal doelgerichte vragen betreffende de samenwerking voorlegde. De transcripties van de uitgevoerde interviews vindt u bijgesloten bij deze brief (als bijlage 1). Na studie van de verslagen van de interviews is het voor mij duidelijk dat een verdere samenwerking met u in het GO! Atheneum Unesco te Koekelberg geen haalbare kaart is. Ik heb mij langdurig beraden over een geschikte oplossing voor de zich in het GO! Atheneum Unesco stellende problematiek, waarna ik het besluit nam om jegens u een ordemaatregel te overwegen, namelijk ‘de overplaatsing in het belang van de dienst’, conform artikel 58 van het decreet rechtspositie van 27 maart 1991. Ik sprak, in het kader van mijn zoektocht naar een oplossing, ook met de […] directeur van het GO! Atheneum Unesco, die mij gunstig adviseerde betreffende uw eventuele overplaatsing in het belang van de dienst. In hetzelfde kader vroeg ik ook reeds het advies op van de directeur van de ontvangende school. [De] IX-10.025-4/43 directeur GO! for Business Molenbeek, verleende eveneens een gunstig advies voor een mogelijke overplaatsing. Gelet op wat voorafgaat, wil ik u dan ook uitnodigen voor een hoorzitting in het kader van deze ordemaatregel en wel op 21 december 2021 om 11.45 uur. […] De stukken die het dossier uitmaken (de transcripties van de interviews uit het vervolgonderzoek uitgevoerd door [de preventieadviseur] en de gunstige adviezen van de directies) worden u met deze uitnodigingsbrief meegestuurd. U kunt ter zitting een schriftelijk verweer neerleggen. Na de hoorzitting zal ik, die door de Raad van Bestuur in toepassing van artikel 24 §3 van het Bijzonder Decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs gedelegeerd werd om beslissingen te nemen inzake ordemaatregelen betreffende personeelsleden, beslissen om al dan niet tot uw overplaatsing in het belang van de dienst over te gaan.” 3.8. Met een brief van 15 december 2021 vraagt verzoeker om hem tal van stukken te bezorgen teneinde “een zorgvuldig verweer neer te leggen” en om in afwachting van deze stukken “door belet” de hoorzitting naar een latere datum te verplaatsen. 3.9. Op 17 december 2021 antwoordt de algemeen directeur dat de hoorzitting wordt uitgesteld naar 11 januari 2022. Voorts motiveert hij waarom hij van oordeel is dat de door verzoeker gevraagde stukken niet kunnen of moeten worden verstrekt. 3.10. Op 11 januari 2022 vindt de hoorzitting plaats. Omdat verzoeker afwezig is neemt de personeelsdirecteur telefonisch contact met hem op. Verzoeker verwijst naar een aangetekende brief die hij op 10 januari 2022 naar de scholengroep heeft verstuurd. In dat schrijven stelt verzoeker dat hem geen van de gevraagde stukken is voorgelegd en dat hij derhalve niet nuttig kan worden gehoord. Hij herhaalt zijn vraag om hem tal van stukken te bezorgen en hij formuleert daarbij een aantal bedenkingen betreffende het opstarten en het uitvoeren van het administratief vervolgonderzoek door de preventieadviseur. Verzoeker besluit dat IX-10.025-5/43 hij in afwachting van de gevraagde stukken “nog steeds geen zorgvuldig verweer [kan] opstellen en […] bijgevolg niet [kan] ingaan op de hoorzitting van 11 januari 2022”. 3.11. Op 25 januari 2022 beslist de algemeen directeur van scholengroep Brussel om verzoeker in het belang van de dienst definitief en voor zijn volledige opdracht over te plaatsen van atheneum Unesco te Koekelberg naar atheneum GO! for Business te Sint-Jans-Molenbeek en dit met ingang van 7 februari 2022. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “D. Bespreking I. Situatieschets De situatie die zich momenteel stelt in het GO! Atheneum Unesco Koekelberg met betrekking tot de heer Ströker (en [TV]), werd reeds duidelijk omschreven in de uitnodigingsbrief voor de hoorzitting van 21 december 2021 (verplaatst naar 11 januari 2022). Na studie van de verslagen van de interviews is het duidelijk dat een verdere samenwerking tussen de heer Ströker en [TV] in het GO! atheneum Unesco te Koekelberg geen haalbare kaart is. De heer Ströker en [TV] kunnen klaarblijkelijk niet meer door dezelfde deur en dat gegeven blijkt definitief en vaststaand te zijn. Uit de verslagen van de interviews blijkt dat deze ‘persoonlijke vete’ zich niet afspeelt in een vacuüm en dientengevolge ook zijn weerslag heeft op het werkklimaat in het Go! Atheneum Unesco. De vijandigheid heeft geleid tot kampvorming. De collega’s dringen dan ook aan, zo blijkt, op een definitieve oplossing die de geladen situatie kan ontmijnen. […] III. Inhoudelijke bespreking Hierna zal het schema dat hiervoor kort aangeraakt is, verder worden gevolgd. Er moeten dus twee vragen worden beantwoord. 1. Is de orde in het GO! Atheneum Unesco Koekelberg in die mate verstoord of de samenwerking in die mate onmogelijk geworden dat een overplaatsing zich opdringt? 2. Als de eerste vraag positief beantwoord wordt, moet nagegaan worden welk(
- e)personeels(lid)(leden) overgeplaatst moet(
- en)worden. 1. De ordeverstoring in het GO! Atheneum Unesco te Koekelberg Zoals reeds vermeld kan tot de overplaatsing in het belang van de dienst overgegaan worden als de minimale verstandhouding nodig voor de goede werking van de dienst blijvend verstoord is. Deze voorwaarde valt uiteen in een aantal deelaspecten: 1. de minimale verstandhouding is zoek. IX-10.025-6/43 2. de goede werking van de dienst komt in het gedrang. 3. het gaat om een definitieve toestand. Hierna zal de problematiek op basis van deze drie deelaspecten besproken worden. 1. De minimale verstandhouding is zoek De algemeen directeur stelt (op basis van het verslag van de onderzoekscel en de verklaringen die werden afgelegd in het kader van het vervolgonderzoek) vast dat de recente vaststellingen duidelijk maken dat het onmogelijk is om de heer Ströker (en [TV]) te handhaven als personeelslid van het GO! Atheneum Unesco. Uit de dossierelementen treedt naar voren dat de minimale verstandhouding die noodzakelijk is om verder een goede schoolwerking te verzekeren, niet aanwezig is. 2. De goede werking van de dienst komt in het gedrang Uit wat voorafgaat blijkt dat de goede werking van de dienst (de school) gehypothekeerd wordt. De heer Ströker verder laten functioneren in het GO! Atheneum Unesco, zou gelet op de in het feitenrelaas geschetste historiek de instelling op termijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ondermijnen. Een dermate zwaar conflict dat – zo blijkt – onbemiddelbaar en onoplosbaar is, brengt enorme schade toe aan het schoolweefsel en zal dit, als geen oplossing ten gronde wordt uitgewerkt, zelfs bedreigen. Er wordt tevens geakteerd dat de capaciteiten van de heer Ströker als leerkracht nergens betwist worden. In dat geval zou immers het pad van de evaluatieprocedure bewandeld geweest zijn. Het komt dan ook als niet meer dan redelijk voor dat de heer Ströker – die nog heel wat dienstjaren voor de boeg heeft – in goeie omstandigheden kan werken in een omgeving waarin hij niet gecontesteerd wordt. 3. Het gaat om een definitieve toestand De vraag die hier moet gesteld worden is: komt het ooit nog goed? Kunnen de omstandigheden zodanig wijzigen dat er een werkbare toestand ontstaat? De algemeen directeur meent te mogen concluderen dat deze vraag ontkennend moet beantwoord worden. 2. Welk personeelslid moet worden overgeplaatst? Zoals in het voorafgaande theoretische deel al werd opgemerkt kan deze vraag op twee verschillende manieren benaderd worden. Men kan, vertrekkend van een aantal uitspraken van de Raad van State, kiezen voor een vormelijke benadering, waarbij men voorbijgaat aan de inhoudelijkheid, of men kan kiezen voor een inhoudelijke benadering. De algemeen directeur is van oordeel dat in het huidige dossier beide benaderingswijzen tot dezelfde conclusie leiden. Bij de zogenaamde vormelijke benadering moet, ingeval van een vastgestelde ordeverstoring, de vraag welk personeelslid moet worden overgeplaatst op een bijna wiskundige wijze beantwoord worden. Hij of zij waarvan de overplaatsing het eenvoudigst gerealiseerd wordt komt voor de overplaatsing in aanmerking. Als de relatie tussen één personeelslid en een groep andere personeelsleden verstoord is, wordt niet de groep personeelsleden maar het individuele personeelslid overgeplaatst. IX-10.025-7/43 Wat de ordeverstoring in het GO! Atheneum Unesco betreft, kan vastgesteld worden dat de verstandhouding tussen de heer Ströker en [TV] definitief zoek is. Voor de heer Ströker, zo blijkt uit diens interview, ligt de oplossing voor de hand: [TV] moet weg want hem treft geen schuld. De algemeen directeur weigert om deze gedachtegang te volgen. De heer Ströker heeft immers door zijn acties overduidelijk de kampvorming op gang gebracht en in de hand gewerkt. Er wordt door de onderzoekers op gewezen dat de heer Ströker een zondebok zocht in [TV] voor het feit dat zijn partner bij hem weggegaan is. Hiervoor werden verhalen aangedikt of erbij gehaald om de klacht zwaarder te maken. De heer Ströker heeft medestanders gezocht en er één gevonden in de persoon van [JT], die zonder hem geen klacht zou hebben ingediend en gehandeld heeft onder druk. De vraag wie moet overgeplaatst worden is derhalve vrij eenvoudig te beantwoorden. Zowel [TV] als de heer Ströker, die beiden de kampvorming in de hand hebben gewerkt, dienen uit de school te worden verwijderd. Bij de tweede benaderingswijze wordt gefocust op de inhoud. Hier dient de vraag beantwoord te worden wie de verantwoordelijke of de hoofdverantwoordelijke is voor de ordeverstoring. Wanneer de algemeen directeur de interviews van de collega’s uit het recente vervolgonderzoek onder de loep neemt, dient hij te concluderen dat de heer Ströker noch [TV] een toekomst heeft in het GO! Atheneum Unesco. Het is voor hem duidelijk, zie ook wat hierboven uiteengezet is, dat beide personeelsleden verantwoordelijk zijn voor de crisissituatie waarin de school zich bevindt. De algemeen directeur is tevens van oordeel dat zowel de heer Ströker als [TV] en in de eerste plaats ook de collega’s in het GO! Atheneum Koekelberg er alle belang bij hebben dat aan deze reeds veel te lang aanslepende problematiek eindelijk een einde wordt gesteld. De algemeen directeur meent dan ook dat het nu eindelijk tijd is om dit conflict definitief te beëindigen. Omdat dit niet mogelijk is binnen het GO! Atheneum Koekelberg dringt de scheiding zich op. De algemeen directeur wenst te beklemtonen dat noch de overplaatsing van de heer Ströker, noch de overplaatsing van [TV], mag beschouwd worden als een straf. De overplaatsing is geen straf, maar een ordemaatregel. Deze overplaatsing is de enige mogelijkheid om de discussie over het grote gelijk te beëindigen, om de energie die aan dit conflict werd besteed eindelijk voor nuttiger doelen in te zetten. De directie van de school kan dan focussen op het leiden en aansturen van het GO! Atheneum Unesco Koekelberg. De heer Ströker kan dan als leerkracht en mens weer die omstandigheden vinden die hem de mogelijkheid bieden dat te doen waar hij goed in is, met name als leraar leerlingen onderrichten, opleiden en opvoeden. De algemeen directeur, die de problematiek – in eenieders belang – definitief wil oplossen meent dan ook dat hij niet anders kan dan overgaan tot overplaatsing in het belang van de dienst van de heer Ströker, in casu, gelet op de positieve adviezen ter zake, van het GO! Atheneum Unesco Koekelberg naar het GO! for Business Sint-Jans-Molenbeek.” IX-10.025-8/43 3.12. Op 7 maart 2022 krijgt verzoeker alsnog inzage in de conclusies van het onderzoeksrapport van 8 september 2021. 3.13. Ook ten aanzien van TV wordt beslist tot een overplaatsing in het belang van de dienst. IX-10.025-9/43 IV. Onderzoek van het eerste en het tweede middel A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van de hoorplicht en het recht van verdediging. Verzoeker voert aan dat artikel 58 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs bepaalt dat bij een overplaatsing het recht van verdediging moet worden gegarandeerd. Dit impliceert dat de betrokkene nuttig moet worden gehoord. In casu is dit niet gebeurd: een hoorzitting in aanwezigheid van verzoeker heeft niet plaatsgevonden. Verzoeker betoogt dat van nuttig horen slechts sprake kan zijn wanneer de betrokkene kennis heeft van de essentiële gegevens die het bestuur bij de besluitvorming wil betrekken. Zo moeten de feiten waarop de voorgenomen maatregel steunt volledig en precies worden meegedeeld. In de bestreden beslissing mag niet worden verwezen naar nieuwe feiten, die niet het voorwerp zijn geweest van tegenspraak. In de bestreden beslissing wordt wél verwezen naar een “nieuw feit”, namelijk het citaat uit de algemene conclusie van het verslag van de onderzoekscel – zie hiervóór sub 3.4 – dat “voor het eerst aan verzoeker [wordt] meegedeeld in het feitenrelaas (punt 3) van het beslissingsstuk”. Voorts doet verzoeker gelden dat hij tot tweemaal toe aanvullende stukken heeft opgevraagd. Na zijn eerste vraag heeft de verwerende partij de hoorzitting uitgesteld, evenwel zonder hem de gevraagde stukken te bezorgen. Een stuk – een uittreksel uit het evaluatiedossier – is hem bezorgd, maar pas daags vóór de geplande hoorzitting van 11 januari 2022 en een tweede stuk – de conclusies van het verslag van de onderzoekscel – heeft hij pas meer IX-10.025-10/43 dan een maand na de bestreden beslissing mogen inkijken. Dit is een ernstige schending van de hoorplicht en het recht van verdediging, dat zelfs bij hoogdringendheid in acht moet worden genomen. Te dezen was een beslissing over het opleggen van een ordemaatregel zelfs niet spoedeisend, gelet op het voorafgaandelijke aanslepen van de procedure en het feit dat de conflictsituatie op school ondertussen was gestabiliseerd. Volgens verzoeker is het dan ook onredelijk dat de verwerende partij niet eerst is ingegaan op zijn vraag om hem de gevraagde aanvullende stukken te bezorgen alvorens de hoorzitting te organiseren. Het bezorgen van de gevraagde stukken zou het bovendien niet onmogelijk hebben gemaakt om binnen een redelijke termijn alsnog een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen. Tot slot voert verzoeker ook aan dat in de motivering van de bestreden beslissing geen rekening is gehouden met zijn aangetekend schrijven van 10 januari 2022 en de vraag naar bijkomende stukken, motiveringen, verklaringen en toelichtingen bij de voorgenomen overplaatsing. Hoewel de verwerende partij de brief wel dupliceert in het feitenrelaas van de bestreden beslissing, wordt met de inhoud ervan geen rekening gehouden. Aldus negeert zij verzoekers aanzet tot verweer en schendt zij het recht van verdediging. 5. Verzoeker herhaalt in de memorie van wederantwoord dat de verwerende partij hem de kans niet heeft gegeven om een zorgvuldig verweer op te stellen. Hij heeft dan ook in zijn brief van 10 januari 2022 duidelijk te kennen gegeven dat hij om die reden belet was om aanwezig te zijn op de hoorzitting van 11 januari 2022. Voorts stelt verzoeker dat de verwerende partij niet kan aantonen dat het citaat uit de algemene conclusie van de onderzoekscel hem op voorhand is meegedeeld. Daarmee is aangetoond dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar een nieuw feit, dat niet het voorwerp is geweest van tegenspraak. Bovendien heeft de verwerende partij dit citaat erg eenzijdig geïnterpreteerd. Door geen enkel feit wordt ondersteund dat verzoeker door zijn IX-10.025-11/43 acties de kampvorming op gang heeft gebracht en in de hand heeft gewerkt. De verwerende partij gaat volledig voorbij aan andere namen en factoren die door de onderzoekers zijn vermeld. Verzoeker betwist dan ook het gebruikte citaat. Hij stelt dat het volledig uit de context is gerukt, deel uitmaakt van een onderzoek naar het gedrag van TV en door de verwerende partij niet als bewijsstuk kan worden gehanteerd. Dat hij pas na de bestreden beslissing inzage heeft gekregen in de conclusies van de onderzoekscel is een duidelijke schending van de hoorplicht. Pas nu kan hij zich zorgvuldig verweren. Vervolgens klaagt verzoeker aan dat de verwerende partij pas in de memorie van antwoord een toelichting geeft bij de interviews uit het administratief vervolgonderzoek en hieruit citeert, terwijl hij die citaten en parafrases tot tweemaal toe vóór de hoorzitting heeft gevraagd en de verwerende partij heeft nagelaten om hem deze te verschaffen. Nochtans waren de citaten noodzakelijk om zich hiertegen te verdedigen. Verzoeker wijst er ten slotte nog op dat de verwerende partij zich nooit over feiten heeft uitgesproken, maar enkel over meningen. Een verstoring van de werking van de dienst door zijn gedrag kan volgens verzoeker met geen enkel feit, noch op enige andere wijze, worden aangetoond. 6. Verzoeker ontkent in zijn laatste memorie dat hij in de memorie van wederantwoord te kennen heeft gegeven dat hij enkel nog het citaat uit de algemene conclusie van het onderzoeksverslag nodig had ter voorbereiding van zijn verweer. Hij stelt enkel te hebben verwezen naar het moment waarop hij zich zorgvuldig kon verweren tegen het bewuste citaat, namelijk nadat hij na de bestreden beslissing inzage heeft gekregen in de context van het citaat: een lijvig onderzoeksverslag waarbij het citaat volledig uit de context is gerukt. Het citaat is dan ook geen correcte onderzoeksconclusie, laat staan dat het een aanleiding kan zijn om een administratief onderzoek tegen hem te starten. Verzoeker betwist ook dat het citaat mutatis mutandis overeenkomt met de afgenomen interviews en dat het niet als nieuw feit kan worden bestempeld. Hij betoogt dat in het citaat geen IX-10.025-12/43 sprake is van twee kampen en twee antagonisten, zoals in de bestreden beslissing wordt vermeld. Er is ook geen sprake van kampvorming, wel van een beladen en gespannen sfeer tussen collega’s. De algemeen directeur maakt daarvan in de uitnodiging voor het vervolgonderzoek dat de gebeurtenissen een zeer geladen sfeer hebben veroorzaakt binnen de school, dat de stemming in de leraarskamer navenant is en dat het lerarenkorps in kampen is verdeeld. Het vervolgonderzoek is enkel gericht op TV en verzoeker, wat niet overeenstemt met de inhoud van het citaat. Na de studie van de verslagen van de interviews die in het kader van het vervolgonderzoek zijn afgenomen, is op geen enkele wijze gebleken dat een verdere samenwerking met verzoeker binnen de school geen haalbare kaart is. Dat in de conclusie van de algemeen directeur het tegendeel wordt beweerd, is volledig uit de lucht gegrepen. Zonder een verkeerde lezing van het citaat was er geen administratief onderzoek nodig. Het citaat is door de algemeen directeur manipulatief misbruikt om de oorspronkelijke en letterlijke bewoordingen in het kraam van de bestreden beslissing te doen passen. Het citaat kan dus wel als een nieuw feit worden beschouwd en opdat verzoeker zich ertegen had kunnen verdedigen, had hij het citaat nodig vooraleer de bestreden beslissing is genomen. Verzoeker betwist vervolgens dat hij beschuldigingen heeft geuit aan het adres van TV. Hij stelt dat hij enkel melding heeft gemaakt van grensoverschrijdend gedrag via de vertrouwenspersoon en aldus heeft gehandeld naar het arbeidsreglement. De schooldirecteur heeft dan een vaststellingsfiche opgesteld na alle discretie en het vertrouwen met de vertrouwenspersoon te hebben geschonden. Verzoeker merkt op dat deze vaststellingsfiche ten onrechte niet aan het administratief dossier is toegevoegd. Voorts betoogt verzoeker dat hij in het verzoekschrift heeft aangegeven dat er minstens evenveel citaten en parafrases uit de verslagen van de interviews niet overeenstemmen met het citaat uit de algemene conclusie van het onderzoeksverslag. Hij stelt dat woorden en interpretaties zijn verdraaid en dat hij de mogelijke interpretaties en dubbelzinnigheden moest kunnen onderzoeken om zich met kennis van zaken te kunnen verweren. De gegevens die de directeur bij IX-10.025-13/43 zijn besluitvorming heeft betrokken, zijn volgens verzoeker vatbaar voor zeer uiteenlopende interpretaties en dus ondeugdelijk. De mogelijkheid om de audio- opnames te beluisteren en te verifiëren op het kantoor van de personeelsdirecteur had enkel de juistheid van de transcripties kunnen aantonen. De juiste interpretatie van die woorden kon enkel worden geboden door de geïnterviewden zelf, maar zij hebben de verslagen niet kunnen nalezen, aanpassen en goedkeuren. Verzoeker is dan ook van oordeel dat hij alle gevraagde bijkomende stukken nodig had met het oog op het voorbereiden van zijn verweer, aangezien ze de onwettigheid van de bestreden beslissing staven. Hij stelt dat de gevraagde stukken alle betrekking hebben op de vermeende ordeverstoring en dus relevant zijn voor het verweer tegen de overwogen ordemaatregel. In zijn aanzetten tot schriftelijk verweer heeft hij klaarheid willen brengen over de feiten en de bedenkelijke gegevens. De verwerende partij heeft er echter voor gekozen om hier niet op in te gaan. Het correct horen van verzoeker had de verwerende partij informatie kunnen opleveren en haar behoed voor een vals beeld van de feiten. Uit alle gegevens die de algemeen directeur bij de besluitvorming heeft betrokken, kan op geen enkele wijze een objectieve ordeverstoring worden afgeleid waarbij verzoeker betrokken zou zijn. Voorts meent verzoeker dat de argumentatie van de verwerende partij ondeugdelijk is en dat ze oorzaak en gevolg door elkaar haalt. Verzoeker heeft spanningen gemeld en het bestuur ingelicht, maar de oplossing van de verwerende partij bestaat erin om hem met de bestreden beslissing te straffen voor het melden van die spanningen, alsof ze door zijn toedoen zijn ontstaan. Het is door een onwettige, nalatige, aanslepende aanpak van het bestuur na deze melding dat de spanningen zijn versterkt tussen heel wat personeelsleden. Naar het oordeel van verzoeker zijn ook de motieven niet naar behoren verwoord in de bestreden beslissing. Niet alleen is geen rekening gehouden met zijn bezwaren, de motivering is ook niet duidelijk, niet concreet, onnauwkeurig, niet draagkrachtig, niet waarheidsgetrouw en niet gestaafd door IX-10.025-14/43 (wettige) stukken: in het administratief dossier ontbreekt het verslag van de onderzoekscel, de vaststellingsfiche en de interviews van het bijkomend onderzoek zijn niet legitiem. Verzoeker merkt ook op dat de verwerende partij de schending van de formelemotiveringsplicht in de bestreden beslissing niet weerlegt, maar louter beweert dat de schending van de formelemotiveringsplicht niet wordt aangevoerd in het verzoekschrift. Dit maakt de bestreden beslissing evenwel nog niet wettig. Tot slot betoogt verzoeker nog dat aan de hoorplicht ook kon worden voldaan wanneer hij over de mogelijkheid beschikte om zijn verweer schriftelijk uit te werken. Hij heeft hiervan gebruikgemaakt en twee keer een aanzet tot verweer aan de verwerende partij bezorgd. De verwerende partij heeft daar evenwel nooit inhoudelijk op geantwoord en al evenmin verzoekers bezwaren betrokken bij haar besluitvorming. Verzoeker is dus op geen enkele wijze gehoord, noch mondeling, noch schriftelijk. Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel 7. Er moet worden vastgesteld dat verzoeker zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie aangrijpt om zijn uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift aan te vullen met tal van nieuwe argumenten. Zo voert hij in de memorie van wederantwoord voor het eerst aan dat de verwerende partij het citaat uit de algemene conclusie van het verslag van de onderzoekscel eenzijdig en verkeerd heeft geïnterpreteerd, volledig uit de context heeft gerukt en ten onrechte voorbijgaat aan de andere namen en factoren die door de onderzoekers worden vermeld en dat uit de gegevens waarop de IX-10.025-15/43 bestreden beslissing steunt geen ordeverstoring kan worden afgeleid waarbij hij is betrokken. In zijn laatste memorie voert verzoeker voor het eerst aan dat het voornoemde citaat geen correcte onderzoeksconclusie is, niet overeenstemt met een aantal verslagen van interviews en geen aanleiding kan vormen om een onderzoek tegen hem te starten, dat de verwerende partij het citaat manipulatief heeft misbruikt, dat de vaststellingsfiche van de schooldirecteur van 9 maart 2021 niet aan het administratief dossier is toegevoegd, dat de geïnterviewden ten onrechte de verslagen van de interviews niet hebben kunnen nalezen, aanpassen en goedkeuren, dat de verwerende partij hem met de bestreden beslissing wil straffen alsof hij verantwoordelijk is voor de spanningen op school en dat de motivering van de bestreden beslissing niet duidelijk, concreet, nauwkeurig, draagkrachtig en waarheidsgetrouw is en niet wordt gestaafd door wettige stukken. Verzoeker kon deze grieven, waarmee aan het middel een bijkomende of nieuwe invulling wordt gegeven, reeds in een eerder processtuk hebben aangevoerd. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord of de laatste memorie zijn deze argumenten laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 8. Het middel is slechts ontvankelijk in de mate dat verzoeker erin aanvoert dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar een nieuw feit – het citaat uit de algemene conclusie van het verslag van de onderzoekscel – waarover hij geen tegenspraak heeft kunnen voeren, dat de verwerende partij ten onrechte hem de gevraagde aanvullende stukken niet heeft bezorgd en uiteindelijk de hoorzitting heeft laten plaatsvinden zonder dat hij aanwezig was en dat in de motivering van de bestreden beslissing geen rekening wordt gehouden met zijn brief van 10 januari 2022, waardoor aan zijn aanzet tot verweer wordt voorbijgegaan. IX-10.025-16/43 IX-10.025-17/43 b. gegrondheid van het middel 9. Verzoeker is op 6 december 2021 een eerste keer uitgenodigd om op 21 december 2021 te worden gehoord over het voornemen van de algemeen directeur om hem bij wijze van ordemaatregel over te plaatsen in het belang van de dienst. In dat schrijven zijn ook de redenen voor de voorgenomen overplaatsing toegelicht. Zo wordt uiteengezet dat “de gebeurtenissen” – de door verzoeker en JT geuite beschuldigingen van ongewenste intimiteiten gepleegd door collega TV en het daaropvolgende onderzoek – een “zeer geladen sfeer hebben veroorzaakt binnen het GO! Atheneum Unesco Koekelberg” waardoor het lerarenkorps “in twee kampen [is] verdeeld rond twee antagonisten, met name [verzoeker] en [TV]”. Na studie van de verslagen van de interviews die zijn afgenomen in het kader van het vervolgonderzoek “waarin moest nagegaan worden of en hoe in de toekomst verder kan samengewerkt worden”, is gebleken dat “een verdere samenwerking met [verzoeker] in het GO! Atheneum Unesco te Koekelberg geen haalbare kaart is”. Als bijlage bij deze uitnodiging zijn “de transcripties van de interviews uit het vervolgonderzoek” evenals “de gunstige adviezen van de directies” gevoegd. 10. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat verzoeker hiermee een deugdelijke kennis heeft gekregen van alle gegevens die de algemeen directeur bij zijn besluitvorming heeft betrokken. 11. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, komt het citaat uit de algemene conclusie van het verslag van de onderzoekscel mutatis mutandis overeen met de inhoud van de bij de uitnodigingsbrief gevoegde verslagen van de 31 afgenomen interviews, zodat het citaat niet als een nieuw “feit” kan worden bestempeld. Het zijn die interviews die toelaten en moeten toelaten aan de onderzoekscel en vervolgens aan de algemeen directeur om de ordeverstoring vast te stellen. IX-10.025-18/43 Met de verslagen van de interviews kon verzoeker zich hiertegen met kennis van zaken verweren. Daarbij was het voldoende dat de verwerende partij deze verslagen in hun geheel aan verzoeker heeft bezorgd. De door verzoeker gevraagde opsomming van specifieke citaten en parafrases uit de verslagen van deze interviews was geenszins nodig. 12. Verzoeker is evenwel een andere mening toegedaan en vraagt in een schrijven van 15 december 2021 om de hoorzitting uit te stellen en om hem tal van bijkomende informatie en stukken te bezorgen teneinde zijn verweer nuttig te kunnen voorbereiden. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat de bijkomende informatie die verzoeker vraagt, niet relevant is met het oog op het voorbereiden van zijn verweer. Verzoeker heeft immers kennis gekregen van alle gegevens die de algemeen directeur heeft betrokken bij zijn besluitvorming in verband met de overplaatsing. Specifiek wat het door verzoeker opgevraagde onderzoeksverslag betreft, antwoordt de algemeen directeur op 17 december 2021: “Het onderzoeksrapport van 8 september 2021 (en de in dat kader afgenomen interviews) omhelst onderzoeksdaden die gericht waren naar het handelen van uw collega [TV]. Om evidente redenen (privacy) kan dan ook niet ingegaan worden op uw vraag om hierin inzage te krijgen.” Ook wordt er aan verzoeker meegedeeld dat “[d]e in het vervolgonderzoek afgenomen interviews […] allen op geluidsdrager [zijn] gezet en woordelijk [zijn] uitgetypt” en dat als verzoeker “één en ander wenst te verifiëren” hij “een afspraak [kan] maken met de […] personeelsdirecteur […] die [hem] in de kantoren van de scholengroep Brussel toegang kan geven tot de audio-opnames”. IX-10.025-19/43 Omdat verzoeker in zijn schrijven van 15 december 2021 aangeeft dat hij de geplande hoorzitting “door belet” niet kan bijwonen, wordt de hoorzitting uitgesteld naar 11 januari 2022. 13. Verzoeker wacht evenwel tot daags vóór de geplande hoorzitting om de verwerende partij een tweede maal aan te schrijven, waarbij hij stelt dat hij niet over de nodige informatie beschikt om nuttig te worden gehoord en dat hij in afwachting van de door hem opgelijste ontbrekende informatie “nog steeds geen zorgvuldig verweer [kan] opstellen en […] bijgevolg niet [kan] ingaan op de hoorzitting van 11 januari 2022”. Verzoeker geeft dit keer niet aan dat hij “door belet” de hoorzitting niet kan bijwonen. Meer nog, hoewel verzoeker kritiek heeft met betrekking tot de wijze waarop de interviews door de algemeen directeur worden geïnterpreteerd en geciteerd, maakt hij geen gebruik van de hem door de algemeen directeur aangeboden mogelijkheid om “een afspraak [te] maken met de […] personeelsdirecteur […] die [hem] in de kantoren van de scholengroep Brussel toegang kan geven tot de audio-opnames”. 14. Gelet op de vaststelling dat de verwerende partij in de uitnodigingsbrief met bijlagen alle gegevens heeft opgenomen die de algemeen directeur bij zijn besluitvorming heeft betrokken om verzoeker met kennis van zaken zijn verweer te laten voorbereiden, het feit dat deze uitnodigingsbrief op 6 december 2021 is verstuurd en de hoorzitting uiteindelijk pas op 11 januari 2022 plaatsvond, het feit dat de verwerende partij al op 17 december 2021 aan verzoeker heeft meegedeeld dat zijn vragen om bijkomende informatie en stukken niet relevant waren met het oog op het nemen van de bestreden beslissing, aangezien deze beslissing uitsluitend betrekking had op de ordeverstoring en het feit dat verzoekers vraag om de hoorzitting een tweede keer uit te stellen schromelijk laat is gesteld, mocht de verwerende partij in redelijkheid besluiten dat de hoorzitting die gepland was op 11 januari 2022 kon plaatsvinden in afwezigheid van verzoeker. De verwerende partij heeft bovendien IX-10.025-20/43 bij aanvang van de hoorzitting nog telefonisch contact gezocht met verzoeker om hem te verwittigen dat de geplande hoorzitting zou doorgaan. Verzoeker was dan ook op geen enkele wijze “belet” om de hoorzitting van 11 januari 2022 bij te wonen. Met zijn afwezigheid heeft hij er zelf voor gekozen om aan zijn verweer te verzaken. 15. Tot slot voert verzoeker nog aan dat de verwerende partij in de motivering van de bestreden beslissing voorbij is gegaan aan zijn in het schrijven van 10 januari 2022 geformuleerde “aanzet” tot verweer. Verzoeker lijkt hiermee te alluderen op een tekortkoming in de formele motivering van de bestreden beslissing. Nog daargelaten de vraag of verzoeker op ontvankelijke wijze de schending van de formelemotiveringsplicht heeft aangevoerd – hij maakt in zijn uiteenzetting van het eerste middel in het verzoekschrift nergens uitdrukkelijk gewag van een dergelijke schending en de verwerende partij heeft deze grief blijkens haar memorie van antwoord ook niet zo begrepen – moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn schrijven van 10 januari 2022 waarin hij aan de verwerende partij aanvullende stukken vraagt, uitdrukkelijk heeft gemeld dat hij “[i]n afwachting van deze stukken”, “nog steeds geen zorgvuldig verweer [kan] opstellen en […] bijgevolg niet [kan] ingaan op de hoorzitting van 11 januari 2022”. Hiervóór is reeds uiteengezet dat verzoekers stelling onterecht is en dat hij er in wezen zelf voor heeft gekozen om aan zijn verweer te verzaken. Uit niets blijkt ook dat verzoeker zijn schrijven van 10 januari 2022 begreep als een schriftelijk verweer met het oog op of ter vervanging van de hoorzitting. In die omstandigheden kan het schrijven van 10 januari 2022 niet worden beschouwd als een schriftelijk verweer waarop de verwerende partij in de bestreden beslissing een antwoord moest bieden. Van een schending van de formelemotiveringsplicht of van de rechten van verdediging kan dan ook geen sprake zijn. IX-10.025-21/43 16. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 17. Het tweede middel is genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Volgens verzoeker zijn de door de scholengroep aangevoerde feiten en argumenten onjuist. Onder het kopje ‘Initiële motivering’ voert verzoeker aan dat in de uitnodiging voor de hoorzitting van 6 december 2021 het voornemen tot overplaatsing wordt gemotiveerd met de formulering “[n]a studie van de verslagen van de interviews is het voor mij duidelijk dat een verdere samenwerking met u in het GO! Atheneum Unesco te Koekelberg geen haalbare kaart is”. Deze motivering steunt op het administratieve vervolgonderzoek dat door de scholengroep is ingesteld na de kennisname van het verslag van de onderzoekscel van 8 september 2021. Uit de conclusie van dat verslag blijkt volgens verzoeker geenszins dat hij verantwoordelijk is voor de ordeverstoring. Toch beslist de scholengroep een administratief onderzoek in te stellen naar slechts twee personen, namelijk verzoeker en TV. Door de vraagstelling van het vervolgonderzoek krijgen de betrokken personeelsleden een vermoeden van medeverantwoordelijkheid van verzoeker voor de ordeverstoring. Het vervolgonderzoek heeft ook niets meer te maken met de tenlasteleggingen aan het adres van TV. Op zijn vraag naar de motivering hiervoor, stelt de verwerende partij enkel dat het de bevoegdheid is van het schoolbestuur, respectievelijk de onderzoeker, om hierin beslissingen te nemen. Een motivering voor het vervolgonderzoek en voor de wijze waarop dit is gevoerd, wordt niet verstrekt. Onder het kopje ‘Aangepaste motivering in het beslissingsstuk’ voert verzoeker aan dat in de rubriek ‘situatieschets’ van de bestreden beslissing IX-10.025-22/43 de motivering voor de overplaatsing is aangepast naar de formulering “[n]a studie van de verslagen van de interviews is het duidelijk dat een verdere samenwerking tussen [verzoeker] en [TV] in het GO! atheneum Unesco te Koekelberg geen haalbare kaart is”. Er wordt nergens gemotiveerd hoe dit “duidelijk” zou zijn, ook niet nadat verzoeker vraagt naar citaten, verwijzingen en parafrases van de verslagen. Het verband tussen een vermeende moeilijke samenwerking tussen twee leerkrachten en concrete gevolgen voor de hele school en het bewijs voor de verantwoordelijkheid van verzoeker voor de ordeverstoring worden niet gegeven. Voorts wordt in de situatieschets gesteld dat “[d]e vijandigheid heeft geleid tot kampvorming”, zonder dat dit wordt onderbouwd. Ook wordt in de situatieschets vermeld dat de collega’s aandringen op “een definitieve oplossing die de geladen situatie kan ontmijnen”, maar verzoeker kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de geladen sfeer. In de situatieschets wordt volledig voorbijgegaan aan de aanleiding voor het conflict, namelijk de melding van grensoverschrijdend gedrag en het onderzoek dat daarnaar is gevoerd door de onderzoekscel. Ten slotte geeft de algemeen directeur bij de bespreking van de ordemaatregelen in de bestreden beslissing geen enkele aanvaardbare motivering voor de verantwoordelijkheid van verzoeker voor de ordeverstoring. De scholengroep kan ook op geen enkele wijze aantonen dat een vermeende ordeverstoring aan verzoeker is toe te schrijven. Onder het kopje ‘Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel’ betoogt verzoeker dat het administratief vervolgonderzoek niet zorgvuldig is gevoerd. Hij ontwikkelt daarbij de volgende grieven: - De keuze voor de drie onderzoeksvragen wordt niet gemotiveerd, ook niet na een uitdrukkelijke vraag van verzoeker. - Het vervolgonderzoek wordt gevoerd door de preventieadviseur van de scholengroep hoewel zij door verzoeker in het kader van het verzoek tot psychosociale interventie is gevraagd als derde partij aangaande verklaringen van grensoverschrijdend gedrag uit het verleden. De preventieadviseur is aldus betrokkene bij het onderzoek en kan het onderzoek niet onpartijdig voeren. Bovendien heeft zij nagelaten om maatregelen te nemen ter preventie van de IX-10.025-23/43 gemelde psychosociale risico’s. Door de schijn van partijdigheid mogen de interviews niet als motiveringsstuk worden gebruikt. - De onderzoeksvragen zijn suggestief geformuleerd. In de vraag naar een mogelijkheid tot samenwerking zit al een suggestie van antwoord vervat, zeker als met de volgende vraag bij de geïnterviewde naar een oplossing wordt geïnformeerd. Het verwachte antwoord van de onderzoekster was dat de twee personeelsleden niet met elkaar kunnen samenwerken. Dit illustreert de weinig kritische, bevooroordeelde houding van de onderzoeker. Een schijn van partijdigheid kan hiermee worden gewekt. Suggestieve vragen leveren geen valide en betrouwbare onderzoeksresultaten op en bijgevolg is de betrouwbaarheid van de interviews als motiveringsstuk aangetast. - Uit de interviews blijkt niet dat er sprake is van een objectieve ordeverstoring die de werking van de dienst belemmert. Dat er op bepaalde vlakken niet kan worden samengewerkt met een collega impliceert nog niet dat de goede werking van de dienst en het onderwijs zijn verstoord. Uit “vele interviews” blijkt dat “heel wat collega’s” een samenwerking op school niet nodig achten, enkel een samenwerking met TV niet meer mogelijk achten, vinden dat de situatie is gestabiliseerd en verbeterd, er weinig tot geen last van ondervinden en voorstander zijn van een herstel door bemiddeling of een herstelgesprek. Verzoeker illustreert dit aan de hand van citaten uit verschillende interviews. Volgens verzoeker blijkt uit geen enkel interview dat een samenwerking met hem op school in vraag wordt gesteld. Deze vaststelling leidt ertoe dat verzoeker niet de verantwoordelijke is voor een onmogelijkheid tot samenwerking. Toch is hij de enige tegen wie een ordemaatregel wordt genomen. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. - De interviews en verklaringen zijn door de betrokken personeelsleden niet nagelezen, goedgekeurd en ondertekend, hoewel de onderzoeker dit had vooropgesteld. In de interviews staan heel wat vermoedens, gedachtewisselingen, onzekerheden en tegenstrijdigheden. Het is niet altijd duidelijk wat de interpretaties zijn in sommige interviews en het is vaak onduidelijk naar welke persoon gebruikte persoonlijke voornaamwoorden verwijzen. Daarom dienden de interviews te worden geverifieerd door elke geïnterviewde. Dit valt niet aan IX-10.025-24/43 verzoeker toe, zoals de algemeen directeur stelt. Aangezien dit niet is gebeurd, zijn de getranscribeerde interviews niet rechtsgeldig. Om die reden vraagt verzoeker aan de Raad van State “de nietigheid van de getranscribeerde interviews als bewijsstuk”. - In strijd met artikel 13, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en de tucht in het Gemeenschapsonderwijs’ (“tuchtbesluit”) zijn slechts 31 personeelsleden geïnterviewd terwijl de school meer dan 98 personeelsleden telt, die allen als betrokkenen moeten worden beschouwd. De keuze voor die 31 personeelsleden wordt niet verantwoord. Met uitzondering van de directeur is geen enkele andere leidinggevende of beleidsmedewerker opgeroepen, hoewel zij in de eerste plaats heel nauw betrokken zijn bij het belang van de dienst en de goede werking van het onderwijs in de instelling. Zelfs niet alle personeelsleden die door de onderzoekscel zijn opgeroepen, zijn in het vervolgonderzoek als betrokken partij gehoord, hoewel de onderzoeker in een interview het tegendeel heeft beweerd. Voorts zijn enkele personeelsleden die recent de school hebben verlaten of in ziekteverlof zijn niet gehoord, hoewel zij heel nauw betrokken waren bij de zaak. Zo is bijvoorbeeld de directiesecretaris niet gehoord. Ten slotte zijn er wel personeelsleden gehoord die geen betrokken partij wensen te zijn of die vinden dat zij geen betrokken partij zijn. Zij zijn wel betrokken partij van de school als geheel. Alle betrokken partijen moeten worden gehoord, ook al voelen ze zich niet betrokken. Aangezien dit niet is gebeurd, vraagt verzoeker om de vernietiging van de transcripties van de interviews als motiveringsstuk bij de bestreden beslissing. - De scholengroep toont niet aan dat een andere oplossing dan verzoekers overplaatsing niet mogelijk was. Uit het vervolgonderzoek blijkt dat de geïnterviewden andere oplossingen hebben voorgesteld, maar daarmee is geen rekening gehouden. Zo is de gesuggereerde piste van een herstelgesprek nooit overwogen. - Bij de uitnodiging voor de hoorzitting van 6 december 2021 zijn de transcripties van de uitgevoerde interviews gevoegd. Verzoeker dient daarin zelf de motivering terug te vinden voor het feit dat de minimale verstandhouding die IX-10.025-25/43 voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is, blijvend verstoord zou zijn. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid welke de motieven van de bestreden beslissing zijn. Verzoeker heeft expliciet om concrete aanwijzingen, parafraseringen, citaten en verwijzingen gevraagd die als motivering kunnen worden aangezien. - De verklaringen in de interviews hebben een zeer subjectief karakter en staan hierdoor vol tegenstrijdigheden. Meningen kunnen niet van feiten worden onderscheiden. Verzoeker illustreert dit met citaten uit verschillende interviews. Hij stelt dat de waarde van de verklaringen in twijfel kan worden getrokken en dat de bevraagden zeer verbolgen hebben gereageerd toen bleek dat zij hun verklaringen niet mochten nakijken en aanvullen. Volgens verzoeker is het onderzoek niet zorgvuldig gevoerd. Toch worden de interviews als het enige motiveringsstuk gebruikt om de bestreden beslissing op te steunen. Onder het kopje ‘De overplaatsing garandeert geen herstel van orde’ voert verzoeker ten slotte aan dat niet wordt gemotiveerd hoe zijn overplaatsing de orde en de crisissituatie op school kan herstellen. Hij merkt daarbij op dat noch uit het verslag van de onderzoekscel, noch uit het vervolgonderzoek, blijkt dat hij verantwoordelijk kan worden geacht voor de verstoring van de orde in de instelling. Integendeel blijkt uit verschillende getuigenissen dat de crisissituatie buiten zijn invloed ligt en hij illustreert dit aan de hand van citaten. Volgens verzoeker kan niet in redelijkheid worden verhoopt dat zijn overplaatsing de gespannen toestand in de dienst zal opheffen of verminderen. Hij stelt dat de crisissituatie en de gespannen sfeer ook na de bestreden beslissing aanwezig blijven op de school. Hij merkt daarbij ook op dat de timing van de beslissing en de uitvoering ervan midden in een schooljaar vallen. Het belang van de schoolpraktijk en van de leerlingen wordt volledig opzij geschoven en de continuïteit van het onderwijs wordt verstoord terwijl er geen probleem was op het vlak van de onderwijspraktijk. Lessen en leraren die voor leerlingen onontbeerlijk zijn, vallen weg. Volgens verzoeker is het de discontinuïteit ten gevolge van de procedure en van de bestreden ordemaatregel die zorgt voor de ware ordeverstoring. IX-10.025-26/43 18. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de uitnodigingsbrief waarin de situatie in de instelling “reeds duidelijk [werd] omschreven”. De inhoud van de oproepingsbrief maakt volgens hem hierdoor integraal deel uit van de motivering van de bestreden beslissing en de verwijzing naar de “initiële motivering” is dan ook terecht. Voorts stelt verzoeker dat de verwerende partij de motieven voor de overplaatsing kenbaar diende te maken vóór de hoorzitting, maar zich heeft beperkt tot een loutere verwijzing naar de interviews van het vervolgonderzoek. Ook nadien wordt telkens verwezen naar die verklaringen. De stelling van de verwerende partij dat “zonder meer kan worden afgeleid dat verzoeker medeverantwoordelijk is voor de geladen sfeer binnen de instelling” steunt volgens verzoeker op niets. Dat verschillende personeelsleden verwijzen naar het door de onderzoeker gesuggereerde gedrag, toont volgens verzoeker enkel aan dat de vraagstelling op hem is gericht. Verzoeker is van oordeel dat in het vervolgonderzoek aan self-fulfilling prophecy wordt gedaan. Hij wordt op voorhand verantwoordelijk geacht voor een beladen sfeer in de school en om dit bevestigd te krijgen, worden vragen opgesteld aangaande een samenwerking met een collega tegen wie een klacht is ingediend. Verzoeker meent ook dat de verwerende partij aan cherry picking doet. Louter op grond van een door de verwerende partij gekozen citaat uit het verslag van de onderzoekscel wordt tegen verzoeker – en niet tegen andere personeelsleden – een vervolgonderzoek opgestart. Het onderzoek van de onderzoekscel was nochtans niet gericht op het gedrag van verzoeker, maar diende het waarheidsgehalte na te gaan van de klacht tegen TV. Verzoeker merkt in dat verband op dat het antwoord op die vraag wordt verzwegen. Hij is van oordeel dat er geen enkele reden was om een onderzoek naar hem uit te voeren en dat de verwerende partij hiervoor geen enkele materiële motivering kan voorleggen. Hij betwist ook het citaat uit het verslag van de onderzoekscel. Volgens verzoeker gaat de opsteller ervan zijn boekje te buiten door te verwijzen naar zijn privéleven. Dat hij “een zondebok IX-10.025-27/43 zocht in [TV] voor het feit dat zijn partner bij hem weggegaan is” noemt hij “pure laster”. Verzoeker betwist ook het vervolg van het citaat, net als JT die daaromtrent zou hebben verklaard dat zij nooit heeft gezegd dat zij onder druk is gezet door iemand om een klacht in te dienen. Verzoeker besluit dat de conclusie van de onderzoekscel en het daaruit door de verwerende partij gekozen citaat om hem te stigmatiseren niet als materiële motivering mogen worden gebruikt voor de bestreden beslissing. In zoverre de verwerende partij hem beticht van onzorgvuldigheid doordat hij door zijn afwezigheid op de hoorzitting opmerkingen aangaande de materiëlemotiveringsplicht niet zou hebben gemaakt, repliceert verzoeker dat de verwerende partij van deze grieven en opmerkingen maar al te goed op de hoogte was vóór de hoorzitting. Zowel in het schrijven van 15 december 2021, als in het schrijven van 10 januari 2022, heeft verzoeker de vraag gesteld naar concrete feiten en het onderzoeksverslag. De verwerende partij heeft deze informatie niet verstrekt vóór de hoorzitting en evenmin vóór het nemen van de bestreden beslissing. Bovendien geeft de verwerende partij hiermee te kennen dat de bestreden beslissing onzorgvuldig is genomen, aangezien zij erkent geen rekening te hebben gehouden met verzoekers argumenten die vóór de bestreden beslissing aan haar kenbaar zijn gemaakt. Voorts benadrukt verzoeker dat de preventieadviseur betrokken partij is in de zaak, zodat er bij het uitvoeren van het administratief onderzoek een schijn van partijdigheid is ontstaan. Hij stelt dat het interview met JT voornamelijk in de vraagstelling de vooringenomenheid tegenover hem aantoont. Hij meent ook dat de verwerende partij het interview met JT verkeerd leest als zij daaruit een duidelijke ordeverstoring afleidt. Volgens verzoeker blijkt uit het interview dat JT leeft en werkt in angst en verwijst naar de klacht die zij heeft ingediend maar waaraan geen enkel gevolg is gegeven ondanks de belofte van de preventieadviseur. IX-10.025-28/43 Verzoeker beklemtoont vervolgens dat uit niets blijkt dat zijn gedrag de schoolsituatie beïnvloedt. Hij merkt ook op dat niet-ondertekende en niet-nagelezen verklaringen niet rechtsgeldig zijn en dan ook niet als bewijsstukken kunnen worden gebruikt. Voorts stelt verzoeker dat de citaten die de verwerende partij in de memorie van antwoord aanhaalt een bijkomende motivering zijn. Hij wijst erop dat hij hiernaar reeds heeft gevraagd in zijn schrijven van 15 december 2021 om de hoorzitting te kunnen voorbereiden. De verwerende partij diende deze motivering vóór de hoorzitting te verstrekken, maar heeft dit nagelaten. Voor het eerst aangevoerd in een memorie van antwoord zijn deze aanvullingen en uitbreidingen van de materiële motivering volgens verzoeker “niet ontvankelijk”. Verzoeker is ook van oordeel dat de verwerende partij alle citaten uit hun context rukt, zodat het genuanceerde beeld dat enkele geïnterviewden willen geven, volledig wordt vervormd. Niettemin meent hij dat uit de door de verwerende partij aangehaalde citaten geen enkele objectieve ordeverstoring blijkt waarvoor hij verantwoordelijk wordt geacht. Hij betwist ook de stelling van de verwerende partij dat hij beperkt zou hebben geciteerd uit de interviews. Volgens verzoeker interpreteert de verwerende partij ook naar eigen goeddunken wie als “betrokken partij” moet worden beschouwd, maar laat zij na om dit objectief te onderbouwen. Waar de verwerende partij stelt dat het volstaat om de personeelsleden wier overplaatsing wordt overwogen, de eventuele klagers en het instellingshoofd te horen, repliceert verzoeker dat de verwerende partij daarmee te kennen geeft dat het voornemen tot overplaatsing reeds vóór het administratief onderzoek bestond, hetgeen nogmaals haar vooringenomenheid illustreert. De verwerende partij moet dan ook kenbaar maken wie de klagers zijn, terwijl er nooit een klacht aangaande een vermeende ordeverstoring is geweest, laat staan een ordeverstoring waarvoor hij verantwoordelijk zou zijn. De verwerende partij diende dan ook het plaatsvervangend instellingshoofd te horen, aangezien het instellingshoofd met IX-10.025-29/43 ziekteverlof was in de betrokken periode. Bovendien heeft de verwerende partij ervoor gekozen om meer personeelsleden te horen. Zij dient dan te motiveren waarom bepaalde personeelsleden wel en andere niet werden gehoord, zeker als het argument van kampvorming tussen de personeelsleden naar voren wordt geschoven en als de interviewer stelt dat iedereen zal worden gehoord. De verwerende partij laat dit echter na, hetgeen nogmaals de willekeur en de onzorgvuldigheid van het onderzoek illustreert. Indien de Raad van State zich niet kan uitspreken over een vernietiging van de transcripties van de interviews, vraagt verzoeker om de verwerping ervan als motivering voor de bestreden beslissing. Verzoeker merkt voorts op dat de verwerende partij erkent dat ook andere oplossingen voor de vermeende ordeverstoring mogelijk waren. Hij stelt vast dat de verwerende partij niet aantoont dat de andere voorgestelde oplossingen onredelijk zijn. Volgens verzoeker is de bestreden beslissing wel een toonbeeld van onredelijkheid aangezien er door de verwerende partij op geen enkele gemotiveerde wijze feiten kunnen worden aangereikt die de bestreden beslissing ondersteunen. De verwerende partij toont niet aan hoe zij besluit tot een verstoring van de orde die de goede schoolwerking dermate belastte dat eraan moest worden verholpen. De voortzetting van verzoekers tewerkstelling op school wordt nergens in vraag gesteld en door niemand betwist en elk argument waarom verzoeker niet in de school tewerkgesteld kan blijven, ontbreekt. Vervolgens betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat hij niet op zoek moet gaan naar passages van de interviews die de grondslag vormen voor de bestreden beslissing omdat de weerslag hiervan kan worden gelezen in de motivering van de bestreden beslissing. Volgens verzoeker wordt telkens louter verwezen naar de interviews en blijven concrete aanwijzingen uit. Pas in de memorie van antwoord haalt de verwerende partij enkele citaten aan, die dan bovendien nog verkeerd worden gelezen en geïnterpreteerd. Verzoeker beklemtoont dat het niet aan hem toevalt om de interviews op hun juistheid te controleren. Het zijn de geïnterviewden die door de IX-10.025-30/43 goedkeuring en ondertekening van de transcriptie van het interview de juistheid ervan moeten bevestigen. Dat de verwerende partij enkel voortgaat op beweringen van personeelsleden en geen enkel ander onderzoek voert, is volgens verzoeker onzorgvuldig. Dat die beweringen door de personeelsleden niet zijn nagelezen en ondertekend, maakt het nog onzorgvuldiger. Dat de beweringen bovendien door de verwerende partij naar believen worden geïnterpreteerd en foutief worden gebruikt, maakt haar handelwijze onredelijk en te kwader trouw. Verzoeker betwist ook de stelling van de verwerende partij dat er rond twee personen kampvorming is ontstaan. Hij stelt dat de situatie veel genuanceerder en complexer is en hij klaagt aan dat de verwerende partij in alle talen zwijgt over de psychosociale risico’s voor de personeelsleden. Ten slotte benadrukt verzoeker dat de crisissituatie en de gespannen sfeer aanwezig blijven na de bestreden beslissing. Hij stelt dat de personeelsleden daarvan kunnen getuigen en dat ook de schooldirecteur “in de wandelgangen” toegeeft dat de melding van bij het begin verkeerd is aangepakt. Uit mededelingen aan het personeel blijkt volgens verzoeker dat de algemene crisissituatie in de school toe te schrijven is aan een grote mix van factoren. De moeilijkheden inzake besturen en de verantwoordelijkheid voor de crisissituatie waarin de school zich bevindt, mogen dan ook niet in zijn schoenen worden geschoven, zoals de algemeen directeur doet in de bestreden beslissing. Verzoeker merkt nog op dat JT op het einde van het schooljaar heeft beslist om de school te verlaten omwille van de voortdurende crisissituatie en daarvan ook wil getuigen. Hieruit blijkt ook dat de verwerende partij geen enkele preventieve maatregel heeft genomen tegen de psychosociale risico’s die JT heeft aangekaart. 19. Verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat het feit dat de verwerende partij het verslag van de onderzoekscel niet wil toevoegen aan het administratief dossier haaks staat op de medewerkingsplicht inzake bewijs- en procesvoering. Verzoeker is van oordeel dat dit verslag dan ook niet gebruikt kan worden om de bestreden beslissing op te steunen. Toch beschouwt de verwerende partij dit verslag als de aanleiding voor het vervolgonderzoek en moet worden IX-10.025-31/43 aangenomen dat het stuk met de werkelijkheid overeenstemt omdat het uitgaat van een administratieve overheid. Verzoeker stelt reeds te hebben aangetoond dat het oorspronkelijke citaat uit het onderzoeksverslag gemanipuleerd en verdraaid is: in de juiste lezing is er geen sprake van kampvorming, noch van twee antagonisten, noch van ordeverstoring door zijn toedoen. Voorts stelt verzoeker dat de ordemaatregel die aan TV is opgelegd om de problematiek van het grensoverschrijdend gedrag aan te pakken, de onredelijkheid van de bestreden beslissing aantoont. Verzoeker krijgt immers dezelfde ordemaatregel opgelegd voor vermeende kampvorming. Bovendien kan de verwerende partij nog steeds niet met feiten aantonen dat de verantwoordelijkheid voor de vermeende kampvorming bij verzoeker ligt. Verzoeker stelt dat hij van bij aanvang elke kampvorming heeft willen vermijden en wenst er zich uitdrukkelijk van te distantiëren. Volgens verzoeker schuilt er in alle feitelijke gegevens die voorliggen geen enkele reden om te besluiten dat er een ordeverstoring is, waarin hij een aandeel heeft. Hij is van oordeel dat zijn betrokkenheid bij de beweerde ordeverstoring door de verwerende partij zelf in het leven is geroepen door een lasterlijk bijkomend onderzoek, bedoeld om hem te schaden en een hak te zetten. Volgens verzoeker blinkt het onderzoek uit “in nalatigheid, partijdigheid, onvolledigheid, afhankelijkheid en onwaardigheid”. Voorts betoogt verzoeker dat de keuze om bepaalde in het verslag van de onderzoekscel als antagonist aangeduide personen buiten het onderzoek te houden, ongefundeerd, ongemotiveerd en louter arbitrair is. Dit illustreert de vooringenomenheid jegens hem en schendt het gelijkheids- en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker wijst er vervolgens op dat de verwerende partij niet kan staven dat zij de resultaten van het onderzoek niet oorverdovend stil heeft IX-10.025-32/43 gehouden. Hij merkt daarbij op dat er van een tuchtdossier tegen een personeelslid nooit sprake is geweest. Voorts beklemtoont verzoeker dat de zorgvuldigheidsplicht op de verwerende partij rust. Indien het bestuur niet over alle verklaringen en gegevens beschikt om een redelijke beslissing te nemen is zijn besluitvorming niet wettig. Verzoeker stelt dat hij tijdig kritische opmerkingen aan de algemeen directeur heeft bezorgd bij wijze van schriftelijk verweer en dat het aan de verwerende partij toeviel om extra verklaringen bij het dossier te voegen. Verzoeker wijst er vervolgens op de partijdigheid van het onderzoek en van de beslissingnemer meermaals te hebben aangetoond. Hij stelt in dat verband dat de algemeen directeur geen kennis heeft genomen van zijn kritische opmerkingen en deze niet bij de besluitvorming heeft betrokken en dat uit de reacties tijdens en na de interviews is gebleken dat de personeelsleden niet hebben kunnen deelnemen aan het administratief onderzoek volgens de modaliteiten zoals die voorafgaand aan het onderzoek zijn toegelicht. Zij hebben hun verklaringen niet kunnen nalezen, aanvullen en ondertekenen en geen extra personen bij het onderzoek kunnen betrekken. Dit toont nogmaals aan dat het onderzoek niet correct is verlopen. Op de stelling van de verwerende partij dat het gaat om een onderzoek naar verzoeker en dat dit net de intentie was van de bevraging, antwoordt verzoeker dat dit nogmaals de vooringenomenheid van de verwerende partij aantoont. Verzoeker wijst er vervolgens op dat de antwoorden die hij heeft gekregen op zijn vraag naar bijkomende stukken, motiveringen, toelichtingen en verklaringen ofwel ontbreken ofwel nietszeggend waren. Hij betwist ook de stelling van de verwerende partij dat het aan hem zou toevallen om aan te tonen dat er sprake is van partijdigheid en dat het IX-10.025-33/43 onderzoek niet correct is verlopen. Hij stelt dat de verwerende partij zich niet afzijdig mag opstellen onder het voorwendsel dat het bewijs door verzoeker moet worden geleverd en hij merkt op dat hij in zijn memorie van wederantwoord zeer duidelijk de partijdigheid en onzorgvuldigheid heeft aangetoond. Volgens verzoeker keert de verwerende partij de bewijslast om waardoor hij bij voorbaat het vermoeden van onschuld kwijt is. Door de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht schiet het bestuur schromelijk tekort in de op hem rustende bewijslast. Op de stelling van de verwerende partij dat de bevraging representatief is omdat er ook andere opinies aan bod zijn gekomen – wat dan voor de verwerende partij een reden is om niet alle betrokken partijen te horen hoewel dit nochtans door het tuchtbesluit wordt verplicht – antwoordt verzoeker ten slotte dat het hem een raadsel is hoe deze redenering de beslissing wel wettig maakt. Beoordeling 20. Pas in de memorie van wederantwoord klaagt verzoeker aan dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met zijn argumenten die in de brieven van 15 december 2021 en 10 januari 2022 zijn vermeld. Verzoeker had dit argument reeds in het verzoekschrift kunnen aanvoeren. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord is deze grief laattijdig en dus onontvankelijk. Geheel ten overvloede wordt herhaald – zoals reeds uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel – dat de brieven van 15 december 2021 en 10 januari 2022 niet beschouwd kunnen worden als een schriftelijk verweer waarop de verwerende partij diende te antwoorden. 21. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk IX-10.025-34/43 bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Het bestuur beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van de vraag of de minimale verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is blijvend is verstoord, of een overplaatsing in het belang van de dienst de aangewezen maatregel is om dat probleem op te lossen en welk personeelslid of welke personeelsleden dan het best worden overgeplaatst. Het valt niet aan de Raad van State toe om dienaangaande zijn eigen appreciatie in de plaats te stellen van die van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is gekomen. 22. In zoverre verzoeker kritiek uit op de motieven van de uitnodiging voor de hoorzitting van 6 december 2021 moet worden opgemerkt dat dit niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden. De motieven voor verzoekers overplaatsing zijn veruitwendigd in de bestreden beslissing zelf. 23. In het tweede middel voert verzoeker in wezen drie argumenten aan: - de verslagen van de interviews zijn geen deugdelijk motief voor de overplaatsing aangezien het vervolgonderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd; - uit niets blijkt dat de minimale verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is, blijvend is verstoord en dat verzoeker daarvoor verantwoordelijk is; - er was geen nood aan verzoekers overplaatsing, andere maatregelen waren mogelijk en zijn overplaatsing heeft de problemen op de school niet opgelost. IX-10.025-35/43 24. In het verslag van 8 september 2021 komt de onderzoekscel onder meer tot de conclusie dat verzoeker medeverantwoordelijk is voor de beladen en gespannen sfeer onder de collega’s. Hij heeft geprobeerd collega’s achter zich te scharen en hiervoor druk uitgeoefend, terwijl een andere collega hetzelfde deed. Hij zocht in TV een zondebok voor het feit dat zijn partner bij hem is weggegaan en hij heeft hiervoor verhalen aangedikt of erbij gehaald om de klacht zwaarder te maken. Hij heeft medestanders gezocht en er een gevonden in de persoon van JT die zonder hem geen klacht zou hebben ingediend. 25. Verzoeker heeft die conclusies van de onderzoekscel vóór het instellen van huidig beroep kunnen inkijken. Vervolgens heeft hij de bestreden beslissing, waarin deze conclusies worden geciteerd, niet van valsheid beticht. Er moet dan ook worden aangenomen dat het citaat overeenstemt met de bevindingen van de onderzoekscel zoals verwoord in het verslag van 8 september 2021. 26. Het is niet onredelijk dat de verwerende partij uit de voormelde conclusie van de onderzoekscel heeft afgeleid dat de gebeurtenissen een zeer beladen sfeer hebben veroorzaakt, dat de stemming in de leraarskamer navenant is en dat het lerarenkorps in kampen is verdeeld. De aantijging dat verzoeker heeft geprobeerd collega’s achter zich te scharen, terwijl een andere collega hetzelfde deed, duidt immers op kampvorming. 27. Het getuigt net van zorgvuldigheid dat de verwerende partij niet louter op grond van die conclusie in een onderzoek naar beweerd grensoverschrijdend gedrag in hoofde van TV heeft geoordeeld dat de minimale verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is blijvend is verstoord, maar dat zij integendeel nog een vervolgonderzoek heeft ingesteld waarin specifiek wordt nagegaan “of en hoe in de toekomst verder kan samengewerkt worden”. 28. Dat verzoeker het voorwerp vormt van dit vervolgonderzoek is niet onzorgvuldig, noch een bewijs van partijdigheid in hoofde van de IX-10.025-36/43 verwerende partij. In de conclusie van de onderzoekscel wordt hij immers medeverantwoordelijk gesteld voor de beladen en gespannen sfeer onder de collega’s. Dat het onderzoek van de onderzoekscel erop gericht was om de tenlasteleggingen aan het adres van TV te onderzoeken en dat in de conclusie van de onderzoekscel ook nog een ander personeelslid met kampvorming in verband wordt gebracht tegen wie geen vervolgonderzoek is opgestart, staat er niet aan in de weg dat de verwerende partij van oordeel kan zijn dat op grond van de conclusie van de onderzoekscel tegen verzoeker (en TV) wél een vervolgonderzoek moet worden opgestart omdat hun conflict en de daaruit voortgevloeide kampvorming tussen de personeelsleden van de school de werking van de school belemmeren. Het lot van het initiële onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag is daaraan vreemd. 29. Tijdens het vervolgonderzoek is een aantal personeelsleden gehoord aan de hand van drie onderzoeksvragen en van die interviews zijn transcripties opgesteld. 30. Welke onderzoeksvragen er worden gesteld, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij. Anders dan verzoeker aanvoert, dient de verwerende partij de keuze voor de onderzoeksvragen niet te motiveren. 31. Verzoeker beweert wel dat de preventieadviseur partijdig zou zijn, maar levert daarvan geen enkel bewijs. Het loutere feit dat verzoeker met haar een gesprek heeft gehad over zijn meldingen van grensoverschrijdend gedrag in hoofde van TV, toont geen partijdigheid van de preventieadviseur aan. De wijze waarop de onderzoeksvragen zijn geformuleerd, vermag evenmin partijdigheid aan te tonen. De conclusie van het onderzoeksverslag wijst nu eenmaal op een conflict tussen verzoeker en TV en vermeldt dat een samenwerking dus op zijn minst moeilijk ligt. Het is dan ook niet onlogisch dat IX-10.025-37/43 wordt gepeild naar de samenwerking tussen beiden, of een samenwerking in de toekomst nog haalbaar is en welke oplossing hiervoor mogelijk is. 32. Dat 31 van de 98 personeelsleden zijn gehoord, toont de onzorgvuldigheid van het vervolgonderzoek niet aan. Artikel 13, § 2, van het tuchtbesluit bepaalt niet wie als betrokken partij moet worden beschouwd. Verzoeker kan bezwaarlijk beweren dat alle personeelsleden van de school betrokken partij zijn en moeten worden gehoord. Terecht merkt de verwerende partij op dat zowel personeelsleden zijn gehoord die het voor verzoeker opnemen, als personeelsleden die het andere kamp hebben gekozen. Het stond verzoeker bovendien vrij om te vragen dat nog andere personen zouden worden gehoord of verklaringen van andere personeelsleden aan het dossier toe te voegen. Verzoeker heeft er evenwel voor geopteerd om aan dergelijk verweer te verzaken door niet aanwezig te zijn op de hoorzitting en daar geen schriftelijk verweer neer te leggen. 33. Verzoeker vindt het ook onzorgvuldig dat de personeelsleden die zijn gehoord de verslagen van hun interviews niet hebben mogen nalezen, goedkeuren en ondertekenen. In dat verband wordt opgemerkt dat aan verzoeker is meegedeeld dat “[d]e in het vervolgonderzoek afgenomen interviews […] allen op geluidsdrager [zijn] gezet en woordelijk [zijn] uitgetypt” en dat als verzoeker “één en ander wenst te verifiëren” hij “een afspraak [kan] maken met de […] personeelsdirecteur […] die [hem] in de kantoren van de scholengroep Brussel toegang kan geven tot de audio-opnames”. Verzoeker heeft evenwel nagelaten om van die mogelijkheid gebruik te maken en kan er zich thans niet over beklagen dat de transcripties niet zorgvuldig zouden zijn gebeurd. 34. Dat de verslagen van de interviews tegenstrijdigheden en meningen bevatten, toont evenmin aan dat het onderzoek niet zorgvuldig is gevoerd. Het is inherent aan het horen van personeelsleden die in twee kampen IX-10.025-38/43 zijn verdeeld dat meningen worden geformuleerd en dat beweringen van het ene kamp worden tegengesproken door het andere. 35. Zoals uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel volstaat het dat de verwerende partij de verslagen in hun geheel aan verzoeker heeft bezorgd. De door verzoeker gevraagde opsomming van specifieke citaten en parafrases uit de verslagen van deze interviews was niet nodig om van de motieven voor de overplaatsing kennis te nemen. 36. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat het vervolgonderzoek onzorgvuldig is gevoerd en dat de verslagen van de tijdens het vervolgonderzoek afgenomen interviews geen deugdelijk motiveringsstuk zouden zijn voor de bestreden beslissing. 37. Anders dan verzoeker beweert, mocht de verwerende partij in redelijkheid uit de verslagen van de interviews wel degelijk afleiden dat er een ernstig conflict bestaat tussen verzoeker en TV, dat het duidelijk is dat een verdere samenwerking tussen verzoeker en TV in de school geen haalbare kaart is en dat dit gegeven definitief en vaststaand is. Zo stellen collega’s over de huidige samenwerking tussen verzoeker en TV onder meer: - “Geen samenwerking. Een jaar geen.” - “[D]ie spreken niet meer met elkaar.” - “Momenteel onbestaande.” - “Onbestaand. Er is geen samenwerking. En gezien de toestand denk ik niet dat een samenwerking mogelijk is.” - “Die is er niet.” - “Onbestaand en zeer vijandig.” Over een mogelijke samenwerking in de toekomst verklaren de collega’s onder andere: IX-10.025-39/43 - “[I]k ben er zeker van dat dat niet zal gebeuren.” - “Gaat nooit niet meer doorgaan nu. Is afgeschreven.” - “Die twee [kan] je niet meer samen in een zelfde lokaal zetten.” - “Ik vrees dat dat niet meer gaat lukken neen.” - “Nee, dat is te ver gegaan daarvoor. Neen, dat gaat niet.” - “Neen. Die banden zijn volledig doorgesneden. Dat is niet mogelijk.” - “Niet. Ik denk niet dat dat een goed idee is.” - “Ik denk dat geen van beide partijen dat nog als een optie ziet.” - “Nee, nee, absoluut niet mogelijk. Nee.” - “Ik denk niet dat die ooit nog samen door eenzelfde deur gaan kunnen.” Tevens blijkt uit de verslagen van de interviews dat het conflict heeft geleid tot kampvorming bij de personeelsleden van de school – waarbij sommigen de kant van TV kiezen en anderen verzoekers kant – en dat die kampvorming het werkklimaat op school negatief heeft beïnvloed. Collega’s stellen hierover onder meer: - “Dat er wat kampen zijn en de ene is wat meer bevriend met persoon A, de andere wat met persoon B.” - “Die kliekjesvorming, die spanningen, die niet alleen tussen hen twee leeft, maar ook in het hele team voelt ge dat eigenlijk wel dat mensen partij nemen.” - “Want nu stapelde alleen maar de frustratie op en uiteindelijk gaat het weer op hetzelfde uitdraaien: ‘ja, gij waart in die zijn kamp en ge moest in mijn kamp zitten.’” - “[O]mdat er ondertussen op school, ik denk van beide zijden, maar de ene subtieler dan de andere, is geprobeerd om kampen te maken.” - “[H]et is duidelijk dat er hier op school een zeer negatieve sfeer is sinds heel die zaak begonnen is […] dat zorgt er voor dat er, ja, dat heel dat boeltje, allee, dat dat escaleert en dat de sfeer hier verziekt wordt.” - “Dat er inderdaad twee kampen zijn op de school. […] Ik hoop dat er snel een definitieve oplossing uit de bus komt want het is moeilijk werken.” IX-10.025-40/43 - “Dus ik denk dat het iedereen hier samen houden een probleem zou kunnen zijn. En ik zie daar dus niet direct of op korte termijn een oplossing in. Het verziekt op verschillende niveaus de sfeer en de samenwerking binnen de school. Ja en dat is lastig. We gaan daar niet onnozel over doen. Ik vind dat ook lastig. Ik ben daar niet in betrokken, in geen één van beide partijen, maar ik vind het wel lastig om hier te komen werken.” 38. Verzoekers opmerkingen dat nergens wordt gemotiveerd hoe het duidelijk zou zijn dat een verdere samenwerking geen haalbare kaart is en dat de stelling dat de vijandigheid heeft geleid tot kampvorming niet wordt onderbouwd, houden verband met de formelemotiveringsplicht, waarvan in het tweede middel geen schending wordt aangevoerd. 39. Uit het oogpunt van de materiëlemotiveringsplicht dan weer, en gelet op de verslagen van de interviews, is het niet onredelijk dat de verwerende partij aanneemt dat de minimale verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is, blijvend is verstoord. Er kan immers in redelijkheid worden aangenomen dat kampvorming – en dus verdeeldheid tussen de personeelsleden – een goede werking van de school ernstig belemmert. Dat uit sommige interviews blijkt dat bepaalde personeelsleden een samenwerking tussen verzoeker en TV niet nodig achten of enkel een samenwerking met TV niet meer mogelijk achten, doet geen afbreuk aan de vastgestelde kampvorming tussen de personeelsleden waar verzoeker mede voor verantwoordelijk is en het feit dat een dergelijke kampvorming nefast is voor de goede werking van de school. Dat enkele personeelsleden van oordeel zijn dat de situatie thans is gestabiliseerd en verbeterd, staat evenmin de conclusie van de verwerende partij in de weg. Uit de interviews blijkt immers allesbehalve dat het IX-10.025-41/43 conflict tussen verzoeker en TV zou zijn opgelost en dat de daarbij ontstane kampvorming tussen de personeelsleden definitief tot het verleden zou behoren. 40. Gelet op het voorgaande is het niet onredelijk dat de verwerende partij van oordeel is dat een overplaatsing in het belang van de dienst zich opdringt en dat verzoeker wordt aangewezen als één van de personeelsleden die moeten worden overgeplaatst. 41. Anders dan verzoeker beweert, is hij niet de enige tegen wie een ordemaatregel wordt genomen. Ook TV is overgeplaatst en niet, zoals verzoeker beweert, omwille van grensoverschrijdend gedrag, maar eveneens omwille van het in de hand werken van kampvorming. Verzoekers stelling dat de hem opgelegde overplaatsing onredelijk is omdat TV dezelfde maatregel is opgelegd omwille van grensoverschrijdend gedrag, mist dan ook feitelijke grondslag. 42. Gelet op het vastgestelde onbemiddelbare en onoplosbare conflict tussen verzoeker en TV en de kampvorming tussen de personeelsleden waartoe dit heeft geleid, is het niet onzorgvuldig of onredelijk dat de verwerende partij niet eerst heeft gekozen voor een herstelgesprek, maar meent dat beide intriganten van de school moeten worden verwijderd teneinde de kampvorming te doen verdwijnen. 43. Verzoeker slaagt er niet in om hard te maken dat na zijn overplaatsing nog steeds dezelfde crisissituatie en gespannen sfeer op de school aanwezig zijn. Bovendien valt in redelijkheid aan te nemen dat het overplaatsen van de twee personen die de kampvorming bij de personeelsleden in de hand hebben gewerkt, zal leiden tot het verminderen van die kampvorming. 44. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. V. Aanvullend onderzoek IX-10.025-42/43 45. Het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van het eerste en het tweede middel. Aangezien dit de oplossing van de zaak niet mogelijk maakt, is er reden om het debat te heropenen en het bevoegde lid van het auditoraat te belasten met het aanvullend onderzoek van de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.025-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.614 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div