← België

Arrest 256618 - Dierenwelzijn - 26/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.618 Rolnummer: A. 239129/VII-42042 Zaak: Arrest 256618 - Dierenwelzijn - 26/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 09:37 Fiche Arrest nr 256.618 van 26 mei 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.618 van 26 mei 2023 in de zaak A. 239.129/VII-42.042 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Andreas Oversteyns kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 17 mei 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving van 4 mei 2023 waarbij de kat met chipnummer 967000010374437 in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: dierenwelzijnswet) “in volle eigendom [wordt] gegeven aan het erkend asiel waar ze momenteel verblijft”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-42.042-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei 2023, om 14 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Andreas Oversteyns, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
  3. Op 4 mei 2023 wordt de bestreden bestemmingsbeslissing genomen op grond van volgende overwegingen: “HISTORIEK • Naar aanleiding van een zwerfkattenvangactie werd een kat in verwaarloosde toestand gevangen. • Deze kat bleek geïdentificeerd met chipnummer
  4. • Het dierenartsverslag dd. 28/3/2023 werd aan de afdeling Dierenwelzijn overgemaakt en op basis hiervan werd de kat in toepassing van art. 42 §1 van de wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, administratief in beslag genomen en in afwachting van de bestemmingsbeslissing overgebracht naar een erkend dierenasiel. • De vaststellingen werden geacteerd in proces-verbaal met nummer G-23-1869/AnS/14-04-
  5. […] MOTIVATIE VAN DE BESLISSING De informatie geacteerd in PV G-23-1869/AnS/14-04-2023 ►Uit het dierenartsverslag van het asiel blijkt: • Geïdentificeerd met chipnummer 967000010374437; • Vacht in slechte staat, zijflanken zijn volledig vervilt waardoor enkele irritatieplekken zichtbaar zijn; VII-42.042-2/8 • Vlooieninfestatie; • Teken; • Onderontwikkelde penis, praeputium opening/locatie abnormaal. Wat erop wijst dat de kat niet voldoende verzorgd werd, dat er onvoldoende diergeneeskundige begeleiding was waardoor de kat niet werd gehouden volgens fysiologische en ethologische behoeften en waardoor zijn welzijn ernstig werd geschaad. ►De bijgevoegde foto’s tonen aan dat de vacht van de kat zodanig vervilt was dat hij grotendeels geschoren moest worden; na het scheren is duidelijk dat de huid ter hoogte van de flanken geïrriteerd is; Deze ernstige vervilting zorgt niet alleen voor een irritatie op de huid zelf maar zorgt er ook voor dat de beweging van de kat gecompromitteerd wordt. Het verhoor van de echtgenoot van betrokkene op 24/4/2023 waarin hij onderstaande verklaart: ►De kat is als zwerfkat bij hun toegekomen; ►Ze hebben de kat van de dood gered, zoals vermeld staat in het verslag van dierenartsenpraktijk Akuut; ►Het gebeurde wel vaker dat de kat enkele dagen niet thuiskwam; ►Op hun camerabeelden hebben ze de kat het laatste gezien op 21/3/2023; ►Enkele dagen later zijn ze in de buurt naar hun kat gaan zoeken; ►Ze hadden al opgemerkt dat zijn vacht niet ok was; ►Rond deze tijd verliest hij meestal zijn wintervacht, maar dit was anders; ►Als ze teken zagen, dan verwijderden ze deze steeds; ►Ze gaven geen producten tegen de teken; ►Toen ze nog een chihuahua hadden, hebben ze wel eens vlooien gezien; de hond werd dan gewassen en de kat werd behandeld met een spray; ►Ze willen de kat graag terug; Wat erop wijst dat het betrokkene de problemen steeds (te) laat opmerken en dat er niet aan preventie wordt gedaan; Wat erop wijst dat betrokkene geen notie hebben over het houden en verzorgen van een langharige kat; De echtgenoot van betrokkene meldt ons tijdens het verhoor dat de kat in juli 2021 een probleem had met maden, die het genitaalstelsel al aangetast hadden, maar mits de nodige zorgen is dit goed gekomen; De betrokkene doet in zijn verhoor geen concrete voorstellen om de verzorging van de kat te verbeteren; betrokkene meldt o.a. dat ze de kat niet kammen, wat nochtans een absolute minimumbehoefte is voor een langharige kat; De bijlage aan het verhoor betreft het bewijs dat betrokkene in juli 2021 alles gedaan heeft om de kat te redden van de dood; 2 maanden later werd de kat binnengebracht met gebroken teentjes en toen heeft betrokkene ook gezorgd dat de kat de nodige diergeneeskundige zorgen gekregen heeft; Betrokkene heeft in het verleden zeker het nodige gedaan om het leven van de kat te redden; maar gezien de kat in het verleden al problemen van maden/teken/vlooien gehad heeft, is het vereist dat de kat op regelmatige basis vachtverzorging en preventieve diergeneeskundige begeleiding (o.a. anti-parasitaire behandelingen) krijgt. VII-42.042-3/8 Uit bovenstaande blijken onvoldoende garanties dat het welzijn van de kat gewaarborgd kan worden waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn. De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen; De kat heeft geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  6. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering omdat de kat op 14 mei 2023 is geadopteerd en dus definitief aan derden werd overgedragen waardoor zij “geen mogelijkheid meer [heeft] om nog te remediëren aan het nadeel dat de verzoekende partij poogt te herstellen. […] Het eventueel schorsen van de bestemmingsbeslissing zal geen verandering kunnen brengen in de adoptie. […] Het schorsingsberoep had dus van meet af aan geen voorwerp meer, minstens is het onontvankelijk”.
  7. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen indien mocht blijken dat aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-42.042-4/8 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoekster
  9. Verzoekster zet uiteen wat volgt: “De bestreden beslissing van 8 mei 2023 heeft ingrijpende gevolgen voor verzoekende partij. Aangezien beslist werd om de kat Pino in volle eigendom te geven aan ‘het erkend asiel waar ze momenteel verblijft’, zal het dier met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, indien toepassing zou worden gemaakt van de gewone procedure, uit het asiel zijn. Dit hetzij als adoptiekat, hetzij als kadaver. Verzoekende partij kan niet langer beschikken -inspraak hebben- over de kat die zij terug wenst. Deze kat kan op ieder moment, naar goeddunken van het asiel worden geëuthanaseerd of door derden worden geadopteerd. In het geval dat de schorsing van de tenuitvoerlegging pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken kan het nadeel niet worden opgevangen en kunnen de belangen van verzoekster niet worden veiliggesteld. Het is immers het -onbekende- asiel dat momenteel, zonder meer, de opdracht tot euthanaseren kan geven alsook de kat laten adopteren. Vanaf het moment dat één van deze mogelijkheden zich voltrekt is het voor verzoekende partij nog onmogelijk om rechtsherstel te krijgen. Het is onmogelijk om haar kat dan ooit nog terug te krijgen. Indien het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou worden geweigerd heeft dit onherroepelijke schadelijke gevolgen voor verzoekende partij. Dit kan niet worden betwist. De facto kan het asiel er op bovenstaande manieren eenvoudigweg voor zorgen dat het belang van verzoekende partij in een procedure bij Uw Raad verdwijnt. Verzoekende partij wenst te verwijzen naar de zaken die bij Uw Raad gekend zijn waarbij de Dienst Dierenwelzijn een beslissing laat nemen door een onbevoegd persoon om vervolgens, mede door de lang duurtijd van de gewone (schorsings/vernietigings-)procedure bij de Raad van State verzoekende partij zijn belang te laten verliezen door het feit dat de asielen de dieren laten adopteren of euthanaseren. Verzoekende partij kan dan enkel nog een gedeeltelijke genoegdoening krijgen door een procedure te starten voor de gewone rechtbank voor het verkrijgen van een schadevergoeding of een schadevergoeding tot herstel bij Uw Raad. Het moge duidelijk zijn dat verzoekende partij de procedure ten gronde niet kan afwachten aangezien hij zich dan in een toestand zal bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen”. VII-42.042-5/8 Beoordeling
  10. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
  11. Het komt er voor een verzoekende partij, die beweert dat in haar zaak een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, op aan om van die uiterst dringende noodzakelijkheid te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt om aan haar zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen gedragen worden gedurende de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en waarom de afloop van de gewone schorsingsprocedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de Raad van State toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de uiterst dringende noodzakelijkheid inderdaad kan verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” wordt uiteengezet én gestaafd.
  12. Verzoekster leidt haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in teneinde “het nadeel” te voorkomen dat de kat “naar goeddunken van het asiel [zal] worden geëuthanaseerd of door derden worden geadopteerd” en erkent dat wanneer “één van deze mogelijkheden zich voltrekt […] het voor verzoekende partij nog onmogelijk [is] om rechtsherstel te krijgen” of “om haar kat dan ooit nog terug te krijgen”. VII-42.042-6/8
  13. Aangezien de kat reeds op 14 mei 2023 werd geadopteerd door een derde, kan de uiterst dringende noodzakelijkheid bij het instellen ‘s anderendaags van de vordering door verzoekster niet verantwoord worden door de dreiging van een adoptie die verzoekster wou maar niet heeft voorkomen.
  14. Verzoekster roept geen andere elementen in die de uiterst dringende noodzakelijkheid desgevallend zouden kunnen verantwoorden. Conclusie
  15. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, RvS-wet die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt de vordering.
  17. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. VII-42.042-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-42.042-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.