id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.619 Rolnummer: A. 239082/VII-42032 Zaak: Arrest 256619 - Milieuvergunningen - 26/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 09:38 Fiche Arrest nr 256.619 van 26 mei 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.619 van 26 mei 2023 in de zaak A. 239.082/VII-42.032 In zake: Brigitte RONSMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Herzele Dries 77 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 12 mei 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het afdelingshoofd van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 27 april 2023 tot opheffing van “de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen op naam van Ronsman Brigitte”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-42.032-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei 2023, om 14 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Bart Bronders, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Verzoekster baat sedert 8 augustus 2014 een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen uit op een terrein aan de Toekomstlaan 14 te 9160 Lokeren.
- Op hetzelfde terrein exploiteert haar partner, Jimmy Meiresonne een inrichting waarvoor een milieuvergunning werd verleend op 12 januari 2017 voor onder meer de opslag en mechanische behandeling van voertuigwrakken of afgedankte voertuigen.
- Bij aangetekende brief van 27 februari 2023 deelt de OVAM aan verzoekster haar voornemen mee om de erkenning van voormeld centrum in te trekken naar aanleiding van bij processen-verbaal vastgestelde overtredingen die verband houden met de werking van het erkend centrum. VII-42.032-2/15
- Naar aanleiding van een controle op 2 maart 2023 stellen toezichthouders van de OVAM vast dat verzoekster en haar partner “niet alle verplichtingen na[komen] die het als erkend centrum moet naleven”.
- Verzoekster dient op 25 maart 2023 haar verweerschrift in. Op 24 april 2023 wordt zij gehoord.
- Op 27 april 2023 neemt het afdelingshoofd van de OVAM de bestreden beslissing die luidt: “De procedure tot opheffing van de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen werd op 27 februari 2023 opgestart om de hieronder vermelde vastgestelde overtredingen. Op 25 maart 2023 ontving de OVAM uw verweerschrift. U vroeg hierin om gehoord te worden. Op 24 april 2023 werd u gehoord. Op 11 april 2023 werd een controle door toezichthouders van de OVAM uitgevoerd. De eerder vastgestelde overtredingen werden opnieuw vastgesteld. Slechts voor enkele punten was een zeer lichte verbetering. Bovendien werden bijkomende overtredingen vastgesteld. Hieronder kan u meer duiding hierover vinden. De OVAM oordeelt dat de elementen opgenomen in het verweerschrift en mondeling toegelicht tijdens de gevraagde hoorzitting onvoldoende garantie bieden dat het erkend centrum op korte termijn volgens de wettelijke bepalingen zal uitgebaat worden. Hieronder kan u meer duiding hierover vinden. De OVAM beslist om de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen op naam van Ronsman Brigitte definitief op te heffen. Er mogen geen afgedankte voertuigen meer gedepollueerd, ontmanteld of vernietigd worden. De aanwezige afgedankte voertuigen moeten afgevoerd worden naar een erkend centrum. De OVAM informeert Febelauto en de keuringsinstelling van deze beslissing. Hieronder een overzicht van de vastgestelde overtredingen op basis waarvan de opheffingsprocedure werd opgestart, de bijkomend vastgestelde overtredingen tijdens de controle door toezichthouders van de OVAM op 11 april 2023, de elementen van het verweer/hoorzitting en de beoordeling ervan. De vastgestelde overtredingen op basis waarvan de opheffingsprocedure werd opgestart betroffen: - het niet volgens het werkplan uitbaten van de inrichting; - het opstaan van grotere hoeveelheden afvalstoffen dan vergund; VII-42.032-3/15 - het niet regelmatig afvoeren van afvalstoffen; - het niet ordentelijk en niet zindelijk exploiteren van de inrichting: in de loods werd vastgesteld dat voertuigwrakken, motorblokken, batterijen, autodeuren en koperen elektriciteitskabels door elkaar worden opgeslagen zonder enige vorm van sortering; op het buitenterrein werd vastgesteld dat schroot, banden, velgen en gasflessen door elkaar worden opgeslagen zonder enige vorm van sortering; - geen onderscheid tussen afvalstoffen en te hergebruiken materialen; - het opslaan van loodbatterijen tussen andere afvalstoffen, niet in zuurbestendige opvangbakken en buiten zonder afscherming voor hemelwater; - het opstaan van banden tussen andere afvalstoffen, niet conform de bijzondere voorwaarde uit de vergunning; - het opslaan van afvalstoffen buiten de daartoe bestemde behandelings- of opslagruimte; - geen duidelijk van elkaar gescheiden activiteiten voor: 1° de inzameling van voertuigwrakken; 2° de tijdelijke opslag van niet-gedepollueerde voertuigwrakken; 3° de tijdelijke opslag van gedepollueerde voertuigwrakken; 4° de opslag van vloeistoffen en andere materialen; 5° de opslag van onderdelen; 6° de opslag van afval; 7° de verwerking; - het plaatsen van met vloeistoffen gevulde recipiënten niet boven een lekbak; - ontoegankelijke werkbruggen. - het plaatsen van met olie en koolwaterstoffen gevulde recipiënten in open lucht en zonder benoeming van de inhoud; - grote waarschijnlijkheid dat de werkplaats niet wordt gebruikt om afgedankte voertuigen te depollueren: - er is onvoldoende ruimte in de doorgangspoort tot de werkplaats om afgedankte voertuigen naar de werkplaats te brengen om te depollueren; - op één van de hefbruggen staat nog exact hetzelfde voertuig als tijdens de controle op 16 februari 2022; - er staat een pan met afgewerkte olie aan de ingang van de loods; - er was geen afvalstoffenregister ter beschikking tijdens de controle; - het nadien bezorgde afvalstoffenregister bevat geen gegevens over afvoer van autobanden en vloeistoffen zoals koelvloeistoffen, olie, enz. - afvalstoffen die geen economische waarde hebben, blijven op het terrein aanwezig en vormen in feite een stortplaats. Op 11 april 2023 voerde toezichthouders van de OVAM een controle uit op de inrichting van zowel Brigitte Ronsman als Jimmy Meiresonne. Slechts op enkele punten was er een kleine verbetering, maar grotendeels werden dezelfde overtredingen als bovenstaande vastgesteld. Bovendien stelde de toezichthouders van de OVAM bijkomende overtredingen vast. Het gaat om: - demontage van onderdelen zonder voorafgaande depollutie; - geen vermelding in het afvalstoffenregister van het chassisnummer van de aan- en afgevoerde afgedankte voertuigen; VII-42.032-4/15 - niet kunnen voorleggen van een geactualiseerde lijst van afgedankte voertuigen; - niet kunnen voorleggen van een overzicht van de aan- en afgevoerde afgedankte voertuigen met chassisnummer; - niet bijhouden van een volledig afvalstoffenregister als verwerker; - niet opslaan van afgedankte voertuigen op een vloeistofdichte vloer; - ontbreken van gevarenpictogrammen op de tanks afgetapte vloeistoffen. Overzicht van de elementen van het op 25 maart 2023 ingediende verweerschrift, de hoorzitting van 24 april 2023 en de beoordeling ervan in kader van de opheffingsprocedure: - Van meerdere vastgestelde overtredingen wordt in het verweer gesteld dat men hiermee niet in overtreding is. Ook tijdens de hoorzitting wordt hierop gewezen. Het gaat onder andere om de overtredingen i.v.m. het onvoldoende bereikbaar zijn van de werkplaats, het niet volgens het werkplan uitbaten van de inrichting, het opslaan van grotere hoeveelheden dan vergund, het opslaan van banden tussen andere afvalstoffen, opslag van recipiënten met vloeistoffen niet boven een lekbak, niet gescheiden opslag van niet-gedepollueerde, gedepollueerde afgedankte voertuigen, vloeistoffen, onderdelen en afvalstoffen uit de depollutie. → Uit de controle door de toezichthouders van de OVAM op 11 april 2023 blijkt dat deze aspecten wel degelijk in overtreding zijn. Voor een klein aantal zaken werd bij deze controle een kleine verbetering vastgesteld zoals een lichte verbetering voor de opslag van banden, een lichte verbetering in het opruimen van het buitenterrein. Voor beide aspecten blijft het echter de situatie dat er nog steeds sprake is van een belangrijke overtreding. - Het beperkt en niet verder verlenen van de proefvergunning is volgens het verweerschrift voor een aantal zaken de oorzaak van de overtredingen. Zo was bijvoorbeeld een verplaatsing van een deel van de buitenopslag voorzien om te verplaatsen naar een binnenopslag in de nieuwbouw loods. Het verweerschrift en de overgemaakte documenten bij de hoorzitting tonen daarnaast aan dat men de intentie heeft om 2 nieuwe vergunningsaanvragen in te dienen. → De beperkt verleende proefvergunning en later, de niet langer verkregen proefvergunning, zijn geen wettelijke reden om de bestaande exploitatie niet conform de wetgeving uit te baten. Bovendien zijn gelijkaardige of dezelfde overtredingen ook reeds eerder vastgesteld met opmaak van proces-verbaal, namelijk op 23/4/2020, 11/8/2020 en 1/3/
- Ook voor de 2 geplande nieuwe vergunningsaanvragen geldt dat deze geen wettelijke reden zijn om de bestaande exploitatie niet conform de wetgeving uit te baten. - Het verweerschrift geeft aan dat de meerderheid van de overtredingen ten laste van Jimmy Meiresonne zijn en niet ten laste van Brigitte Ronsman. De erkenning staat op naam van Brigitte Ronsman. Ook tijdens de hoorzitting wordt hiernaar verwezen. → De erkenning op naam van Brigitte Ronsman maakt gebruik van de omgevingsvergunning van de exploitatie op naam van Jimmy VII-42.032-5/15 Meiresonne die tot dezelfde milieutechnische eenheid behoort. Aangezien de erkenning zich baseert op de omgevingsvergunning van Jimmy Meiresonne, moet de exploitatie van de omgevingsvergunning in orde zijn om de erkenning te behouden. - Men betreurt in het verweerschrift dat er geen rekening werd gehouden met de jaarlijkse positieve verslagen van de keuringsinstelling. Men betwist dat conclusies kunnen getrokken worden uit een controle omdat het om een momentopname gaat. Ook tijdens de hoorzitting wordt hiernaar verwezen. → De keuringen gebeuren steeds aangekondigd. De controles werden onaangekondigd uitgevoerd. Het beschikken over positieve keuringsverslagen doet geen afbreuk aan de overtredingen vastgesteld tijdens de onaangekondigde controles. Daarnaast zijn er meerdere controles met telkens dezelfde vaststellingen gebeurd waardoor duidelijk werd vastgesteld dat de overtredingen niet van korte duur waren. - Met een fotoreportage van het terrein genomen op 19 en 20 april 2023 overgemaakt tijdens de hoorzitting wil men aantonen dat de circulatieruimtes en doorgangen werden vrijgemaakt. Uit de foto’s geeft men ook aan dat een kleine opslaghoeveelheid werd verwijderd aan de rechter terreinzijde en dat banden in een opslagrek voor banden intussen worden opgeslagen. → Uit de foto’s blijkt dat het slecht[s] om zeer beperkte verbeteringen gaat”. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-42.032-6/15 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Verzoekster zet uiteen wat volgt: “De urgentievoorwaarde is in zake aangetoond. Zoals uiteengezet, heeft de bestreden beslissing betrekking op het erkend centrum dat uitgebaat wordt door verzoekende partij. De bestreden beslissing heft op definitieve wijze de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen op naam van verzoekende partij definitief op. Zoals de bestreden beslissing ook uitdrukkelijk erkent, impliceert de bestreden beslissing dat verzoekende partij geen afgedankte voertuigen meer mag depollueren, ontmantelen of vernietigen. De aanwezige afgedankte voertuigen moeten door verzoekende partij worden afgevoerd naar een erkend centrum : De OVAM beslist om de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen op naam van Ronsman Brigitte definitief op te heffen. Er mogen geen afgedankte voertuigen meer gedepollueerd, ontmanteld of vernietigd worden. De aanwezige afgedankte voertuigen moeten afgevoerd worden naar een erkend centrum. De OVAM informeert febelauto en de keuringsinstelling van deze beslissing. De opheffing heeft een onmiddellijk en definitief karakter. Het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen is de enige activiteit van de eenmanszaak van verzoekende partij. De bestreden beslissing impliceert dus een onmiddellijk en definitief verbod voor verzoekende partij om haar activiteiten uit te voeren. Het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen is de enige beroepsactiviteit van verzoekende partij, waardoor de bestreden beslissing impliceert dat iedere beroepsactiviteit met onmiddellijke ingang verboden wordt. De opheffing heeft op zijn beurt een onmiddellijke impact op de handel in wisselstukken en ijzer- en staalschroot van Jimmy MEIRESONNE. Wanneer verzoekende partij geen afgedankte voertuigen mag depollueren, ontmantelen en vernietigen (activiteit van verzoekende partij), wordt er immers geen schroot en geen wisselonderdelen gegenereerd. De bestreden beslissing heeft bijgevolg tot gevolg dat iedere toelevering van schroot en wisselonderdelen voor de activiteit van Jimmy MEIRESONNE wegvalt. Dit is de enige beroepsactiviteit van Jimmy MEIRESONNE. De bestreden beslissing impliceert een directe financiële schade in hoofde van verzoekende partij. Verzoekende partij oefent haar activiteit uit als eenmanszaak, waardoor geen scheiding bestaat tussen het persoonlijk vermogen van verzoekende partij en haar onderneming. Ingevolge de bestreden beslissing wordt verzoekende partij dus geconfronteerd met het VII-42.032-7/15 gegeven dat zij van vandaag op morgen haar enige bron van inkomsten verliest, los van de financiële schade die zij lijdt doordat zij thans bijkomend met onmiddellijke ingang ertoe gehouden zou zijn om aanwezige afgedankte voertuigen af te voeren naar een erkend centrum. Verzoekende partij verliest per direct haar enige bron van inkomsten, terwijl anderzijds alle kosten die zij persoonlijk dient te dragen, blijven doorlopen. In zake levensonderhoud kan verzoekende partij evenmin terugvallen op de beroepsinkomsten van haar partner Jimmy MEIRESONNE of haar zonen Tommy en Thimas. Door de bestreden beslissing stokt immers ook de beroepsactiviteit van Jimmy MEIRESONNE, waarvan de handel die niet langer wordt voorzien van het nodige schroot of wisselonderdelen om te verhandelen. Zonen Tommy en Thimas zijn evenzeer voor hun levensonderhoud afhankelijk van de activiteiten van verzoekende partij en Jimmy MEIRESONNE, want beiden werkzaam in de ondernemingen van hun ouders. Het nadeel dat verzoekende partij door de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang lijdt, kan niet worden opgevangen of veilig gesteld door haar partner of zonen, die bij verzoekende partij inwonen (zie 9160 Lokeren, Toekomstlaan 14) aangezien zij zoals uiteengezet zelf als natuurlijke persoon beroepshalve afhankelijk zijn van de beroepsactiviteiten van verzoekende partij. Door de bestreden beslissing wordt verzoekende partij als natuurlijke persoon dus rechtstreeks en met onmiddellijke ingang in haar levensonderhoud getroffen. Onderstaande screenshots geven de actuele stand (11 mei 2023 om 9u59-10u00) van de rekeningen van verzoekende partij weer : […] Met een totaal aan financiële middelen van 3.278,88 € beschikt verzoekende partij niet over de nodige middelen om zich, lopende een gewone schorsingsprocedure, de komende drie maanden te voorzien in het nodige levensonderhoud. In zake eigendommen is verzoekende partij enkel eigenares van de eigendom 9160 Lokeren, Toekomstlaan 14 (kadastraal Lokeren 1 AFD, sectie A, nr. 243M), waar het erkende centrum gelegen is en waar verzoekende partij woont. Uit deze eigendom kan verzoekster evenmin inkomsten genereren om zich de komende drie maanden in het nodige levensonderhoud te voorzien. Integendeel, voor de kwestieuze eigendom dient verzoekster maandelijks de hypotheek af te betalen … Verzoekende partij beschikt over geen andere bronnen van inkomsten. De boekhouder van verzoekende partij attesteert de impact van drie maanden sluiting als volgt : Verklaring op eed Hierbij verklaar ik, ondergetekende, Van Driessche Jan fiscaal accountant ITAA 11.276.955 bestuurder van Rovel bv (erkenning ITAA 50.148.794) dat onderhavige cijfers waarheidsgetrouw zijn opgemaakt; deze zijn gebaseerd op de boekhouding en de aangeleverde documenten van de klant. Het betreft de cijfers van Mevr. Ronsman Brigitte wonende te 9160 Lokeren, Toekomstlaan 14 met ondernemingsnummer BE 0553.640.
- Opmerkingen : • Maandelijkse vaste kosten bedragen 4.842,96 € minimaal. VII-42.032-8/15 • Gemiddelde maandelijkse netto cashflow na belastingen, inclusief variabele kosten, op basis van de laatste 4 jaren bedraagt 1.926,63 €. • Stel dat men het levensonderhoud schat op maandelijks 1.500,00 € blijft er nog 426,63 € voor uitzonderlijke kosten of sparen. • Indien er een sluiting van de activiteit zou ontstaan van 3 maanden, dan is het minimale verlies minstens 14.528,88 €. Het zou dan ook ongeveer 3 jaar duren om dit verlies weg te werken, zonder dat men uitzonderlijke kosten of investeringen kan betalen. • Een sluiting van drie maanden zou ook imagoschade aanbrengen, bovenop het verlies van bestaand cliënteel. Voor waar en echt verklaard, Lokeren, 11 mei 2023 Dat verzoekende partij als natuurlijke persoon gedurende drie maanden zonder enige beroepsinkomsten zou vallen, impliceert bijgevolg dat zij zich gedurende drie maanden niet in het nodige levensonderhoud kan voorzien. Zulks impliceert zeer nadelige of onherroepelijke gevolgen in hoofde van verzoekster indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De bestreden beslissing heeft behalve imagoschade, ook een directe, onherstelbare impact op het klantenbestand van verzoekende partij. De bestaande klanten van verzoekende partij, dat o.m. diverse garagehouders telt, dienen zich ingevolge de bestreden beslissing per direct voor het ontmantelen van afgedankte voertuigen te richten naar concurrenten van verzoekende partij. Behalve een onmiddellijk verlies van klanten, zal een deel van het klantenbestand van verzoekende partij, zelfs wanneer verzoekende partij tegen de bestreden beslissing een gewone schorsingsprocedure zou voeren, zich verplaatsen naar een ander erkend centrum”.
- De verwerende partij repliceert wat volgt: “De verwerende partij is het hiermee niet eens. Het is duidelijk dat de ondernemingen van de verzoekende partij en van haar partner Jimmy Meiresonne in feite één bedrijf vormen, zonder dat het mogelijk is ter plaatse een onderscheid te maken tussen beide exploitaties. Een van de activiteiten van dit (gezamenlijk) bedrijf valt door de bestreden opheffing weg. Dit betekent niet dat ook alle inkomsten voor het bedrijf wegvallen. Er is nog steeds een milieuvergunning, waardoor de schroothandel en onderdelenhandel verder kunnen worden gezet en waardoor het gezin van de verzoekende partij geheel niet zonder inkomsten komt te vallen. De voorraad wissenstukken zal best nog enige tijd kunnen worden aangesproken, terwijl natuurlijk ook andere leveranciers (depollutiecentra) kunnen worden gesolliciteerd om materialen te leveren. Het is daarenboven niet uitgesloten dat wanneer de nodige milieumaatregelen worden genomen en de exploitatie op een milieuveilige en ordentelijke wijze kan worden gevoerd, een nieuwe erkenning als depollutiecentrum kan worden aangevraagd. De opheffing die thans met het VII-42.032-9/15 bestreden besluit wordt genomen, sluit niet uit dat in de toekomst een nieuwe aanvraag hiertoe wordt ingediend. De uiteenzetting van de verzoekende partij - op grond waarvan een behandeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid - zou geboden zijn, mist elke geloofwaardigheid. De attestering door de boekhouder van de verzoekende partij wijzigt hier niets aan, gezien alleen wordt rekening gehouden met het zogenaamd inkomen van de verzoekende partij, terwijl het gezinsinkomen wordt gegenereerd uit de gezamenlijke inkomsten van beide ondernemingen die één bedrijf vormen. Er kan niet worden ingezien waarom een gewone vordering tot schorsing te laat zou komen. In die omstandigheden dient de vordering tot schorsing bij uiterste dringende noodzakelijkheid te worden afgewezen”. Beoordeling
- Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door verzoekster wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.
- Deze stelplicht impliceert dat verzoekster aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar verzoekschrift aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoekster veilig te stellen. VII-42.032-10/15 De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoekster niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Het gegeven dat de bestreden “opheffing […] een onmiddellijk en definitief karakter” heeft volstaat niet opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring of een gewone schorsingsprocedure maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepsindiener en het staat aan een verzoekende partij die erop aandringt dat haar zaak bij voorrang wordt behandeld om aan te tonen, en zulks aan de hand van concrete, specifieke op haar betrekking hebbende en verifieerbare gegevens, dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken verzoekster nalaat te doen.
- Verzoekster beroept zich verder in wezen op de “directe financiële schade” als gevolg van de bestreden beslissing omdat zij “haar activiteit VII-42.032-11/15 [uitoefent] als eenmanszaak, waardoor geen scheiding bestaat tussen het persoonlijk vermogen van verzoekende partij en haar onderneming”. Zij kan inzake haar levensonderhoud evenmin terugvallen op de beroepsinkomsten van haar partner, omdat ook diens beroepsactiviteit zal stokken, noch op de beroepsinkomsten van haar zonen, die immers beiden werkzaam zijn in de ondernemingen van hun ouders.
- Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden beslissing voor verzoekster gevolgen kan hebben op financieel vlak, dan nog is vereist dat zij, wil zij spoedeisendheid - te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid - verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoekster veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid - laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid - tenzij verzoekster concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten, bewijs dat zoals hierna zal blijken door verzoekster niet wordt geleverd.
- Verzoekster laat na overtuigende bewijsstukken over te leggen die aantonen dat haar activiteit op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht waardoor zij op een faillissement zou afstevenen of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van verzoekster ernstig in gevaar wordt gebracht. Het screenshot uit de bankapplicatie dat verzoekster bijbrengt, met het saldo op twee zichtrekeningen op haar naam reveleert dit op geen enkele manier. Het is slechts een momentopname op deze rekeningen en bovendien worden de achterliggende gegevens - met name de verrichtingen op de rekeningen - niet weergegeven, zodat een andere bewering van verzoekster - over bijvoorbeeld de aflossing van een hypotheek - niet kan worden nagegaan. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen voor verzoekster onomkeerbaar zijn. VII-42.032-12/15 Verzoekster bewijst dat niet. De verklaring van de boekhouder dat bij “een sluiting van de activiteit [...] van 3 maanden, [...] het minimale verlies minstens 14.528,88 €” zou bedragen en “ongeveer 3 jaar [zou] duren om dit verlies weg te werken, zonder dat men uitzonderlijke kosten of investeringen kan betalen”, getuigt er integendeel veeleer van dat het financiële verlies als gevolg van een sluiting van de inrichting van verzoekster gedurende 3 maanden, herstelbaar en dus niet onomkeerbaar is.
- In zoverre verzoekster zich nog beroept op imagoschade en een directe, onherstelbare impact op haar klantenbestand, laat het zich verstaan dat de bestreden beslissing de reputatie van verzoekster en haar klantenbestand geen goed zal doen. Verzoekster maakt evenwel niet aannemelijk dat de imagoschade die de bestreden beslissing haar berokkent, van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op dat nadelig gevolg dat moet worden toegeschreven aan de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit moreel nadeel ongedaan kan maken en haar imago opnieuw kan zuiveren. Er moet tevens aangetoond worden dat die welbegrepen imagoschade van die aard en omvang is dat verzoekster ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. Verzoekster laat na die loutere bewering dienaangaande concreet te staven. Zij laat tevens na de beweerde impact van de bestreden beslissing op haar klantenbestand ook maar enigszins concreet voor te stellen, laat staan dat zij het onherstelbaar karakter van die impact concreet toelicht.
- Uit wat voorafgaat volgt dat geen uiterst dringende noodzakelijkheid is aangetoond, hoewel die procedure slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter door een verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond, daarbij in acht genomen dat de vordering tot schorsing, ook deze bij uiterst dringende noodzakelijkheid, “op elk moment” kan worden ingesteld. Evenmin is VII-42.032-13/15 aangetoond dat het doorlopen van een gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond. Conclusie
- Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, RvS-wet die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.032-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig mei tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-42.032-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.619 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div