id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.653 Rolnummer: A. 233024/VII-41036 Zaak: Arrest 256653 - Bewakingsondernemingen - 01/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-06 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 09:53 Fiche Arrest nr 256.653 van 1 juni 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping overige Depersonalisatie Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.653 van 1 juni 2023 in de zaak A. é.024/VII-41.036 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie De Pourcq kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem Kortrijksesteenweg 127, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek 1. Met een verzoek, ingediend op 21 oktober 2021, vraagt verzoeker hem bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen op grond van de onwettigheid van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 februari 2021 waarbij de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de voornoemde beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 februari 2021 ingewilligd. VII-41.036-1/16 Bij arrest nr. 250.311 van 8 april 2021 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 18 maart 2021 waarbij, na heroverweging ingevolge het bevel opgelegd bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021, aan verzoeker de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten opnieuw wordt geweigerd, ingewilligd. Bij arrest nr. 253.855 van 24 mei 2022 vernietigt de Raad van State de voornoemde beslissing van de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 18 maart 2021 en wordt het debat heropend voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 8 november 2022 een verslag over het verzoek tot schadevergoeding tot herstel opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2023. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie De Pourcq, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.036-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 29 april 2020 vraagt de werkgever van verzoeker de hernieuwing aan van zijn identificatiekaart om als bewakingsagent actief te mogen blijven in de sector van de private en bijzondere veiligheid. 3.2. Met een besluit van 4 februari 2021 weigert de minister van Binnenlandse Zaken de identificatiekaart van verzoeker te hernieuwen. Ingevolge het schorsingsarrest nr. 249.999 van de Raad van State van 8 maart 2021 wordt deze beslissing op 17 maart 2021 ingetrokken. 3.3. In arrest nr. 253.855 van 24 mei 2022 heeft de Raad van State geoordeeld dat ondanks de intrekking van het besluit van 4 februari 2021 “nog wel het aangevoerde tweede middel tot nietigverklaring tegen die beslissing [blijft] te beoordelen en de eventuele onwettigheid ervan vast te stellen in zoverre deze beoordeling en vaststelling noodzakelijk zijn om over de gevorderde schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen”. Bij hetzelfde arrest wordt de onwettigheid vastgesteld van onder meer de weigeringsbeslissing van 4 februari 2021 op grond van de volgende motieven: “[…] De beide bestreden beslissingen steunen op de vaststelling dat verzoeker door de veroordeling bij vonnis van 17 januari 2020 van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval, niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 waarin wordt gesteld dat de persoon in kwestie ‘niet veroordeeld [mag] geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer’. VII-41.036-3/16 […] Bij arrest nr. 190/2021 van 23 december 2021 heeft het Grondwettelijk Hof […] voor recht gezegd dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen toegebracht in het kader van een verkeersongeval. […] Op grond van artikel 28, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ dient de Raad van State zich voor de oplossing van het geschil te voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.” IV. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van de partijen 4. Verzoeker staaft zijn verzoek tot schadevergoeding als volgt: “ De materiële schade bestaat uit de volgende vier aspecten: 1) Vanaf 4 januari 2021 werd [verzoeker] op economische werkloosheid geplaatst […]. Daardoor leed hij inkomensverlies. 2) Op 5 februari 2021 werd [verzoeker] ontslagen. Gezien zijn gezondheidstoestand (depressie), ontving hij in de periode van februari tot aan het tweede weigeringsbesluit (en zelfs daarna) weliswaar een ziekte-uitkering. Desalniettemin heeft [verzoeker] ook tijdens die anderhalve maand inkomensverlies geleden. 3) Doordat [verzoeker] tweeënhalve maand niet heeft gewerkt in de periode van januari tot aan het tweede weigeringsbesluit, zal hij een lagere eindejaarspremie ontvangen. 4) Doordat [verzoeker] tweeënhalve maand niet heeft gewerkt in de periode van januari tot aan het tweede weigeringsbesluit, zal hij ook een lager vakantiegeld ontvangen. Concreet wordt de materiële schade als volgt begroot: SCHADEPOST BEDRAG 1 loonverlies periode economische werkloosheid (4 januari 2021 t.e.m. € 313,45 4 februari 2021): toelichting: - gemiddeld maandloon op basis van maandloon september, oktober, november en december 2020 […]: € 2.128,90 - loon voor 3 gewerkte dagen in januari […]: € 926,99 - werkloosheidsuitkering […]: € 888,46 verlies: € 2.128,90 - € 926,99 - € 888,46 = € 313,45 2 inkomensverlies tijdens ontslag (5 februari t.e.m. 17 maart 2021): € 599,26 toelichting: - gemiddeld maandloon op basis van maandloon september, oktober, november en december 2020 […]: € 2.128,90 - 1,5 maand loonverlies: € 3.193,35 - ontvangen ziekte-uitkeringen t.e.m. 17 maart […]: € 2.002,30 = € 505,53 + € 674,04 + € 674,04 + € 148,69 (pro rata van € 842,55) - ontvangen covid-uitkeringen t.e.m. 17 maart […]: € 591,79 VII-41.036-4/16 = € 43,08 + € 212,62 (pro rata van € 387,72) + € 336,085 (pro rata van € 631,84) verlies: € 3.193,35 - € 2.002,30 - € 591,79 = € 599,26 3 geschat verlies aan vakantiegeld voor januari t.e.m. 17 maart 2021: € 820,79 toelichting: in 2020: € 3.939,84 vakantiegeld […] in 2021: 2,5 maand niet gewerkt, dus 20,833 % minder vakantiegeld verlies: € 3.939,84 x 0,20833 = € 820,79 4 geschat verlies aan eindejaarspremie voor januari t.e.m. 17 maart 2021: € 370,39 toelichting: in 2020: eindejaarspremie van € 1.177,92 […] in 2021: 2,5 maand niet gewerkt, dus 20,833 % minder eindejaarspremie verlies: € 1.777,92 x 0,20833 = € 370,39 TOTAAL € 2.103,89 Het voormelde totaalbedrag moet worden vermeerderd met de vergoedende rente aan de wettelijke intrestvoet van 4 januari 2021 (start economische werkloosheid) tot aan het tussen te komen arrest van Uw Raad, meer de gerechtelijke intrestvoet vanaf de datum van het arrest tot aan de volgende betaling. Het causaal verband tussen de voormelde schadeposten en de onwettigheid van het weigeringsbesluit, spreekt voor zich. Indien de overheid de identificatiekaart van [verzoeker] had verlengd, had hij zijn job ook in de eerste maanden van 2021 verder kunnen uitoefenen. De vaststelling van de onwettigheid/ de vernietiging van het besluit kan die schade niet herstellen. De morele schade valt ook uiteen in verschillende elementen. Zoals uiteengezet in de feiten, is [verzoeker] in een depressie terechtgekomen door de problemen over zijn identificatiekaart (stukken C.15 en C.16: ‘majeure depressie’; ‘stress syndroom’). De depressie is ontstaan toen de overheid nog geen besluit had genomen en [verzoeker] dus in volledige onzekerheid verkeerde. Uiteraard is de depressie blijven bestaan toen [verzoeker] kort daarna kennis nam van het weigeringsbesluit van 4 februari 2021. Het is zeer begrijpelijk dat dat weigeringsbesluit die ernstige mentale weerslag veroorzaakte. [Verzoeker] verloor immers plotseling zijn job en dus zijn inkomstenbron. [Verzoeker] werd plotseling gedwongen om op zoek te gaan naar een nieuwe job, louter omdat hij ooit betrokken was geweest bij een verkeersongeval. Het moet echter worden onderstreept dat het gaat over de job die [verzoeker] al meer dan 20 jaar uitoefende. Uiteraard leidde dat bij [verzoeker] tot grote onzekerheid over de toekomst. Ook de aanzienlijke financiële impact baarde [verzoeker] veel zorgen. Als alleenstaande vader van een 11-jarige zoon […], is een dergelijk financieel verlies extra zwaar. Bovendien is [verzoeker] in collectieve schuldbemiddeling […] en moet hij dus aanzienlijke financiële lasten dragen. De vaste maandelijkse uitgaven van verzoeker bedragen € 877 à € 897. In die uitgaven is onder meer een huishuur van € 595 begrepen. Daarbij komen dan ook nog allerlei andere noodzakelijke uitgaven, zoals de ziekenfondsbijdrage, verschillende belastingen, verzekeringen, … […]. VII-41.036-5/16 In die omstandigheden vormde het weigeringsbesluit van de overheid de spreekwoordelijke druppel die [verzoeker] te veel werd. De vaststelling van de onwettigheid van het weigeringsbesluit/ de vernietiging ervan, neemt die ernstige morele schade die [verzoeker] heeft geleden, niet weg. Ook hier is het causaal verband tussen de voormelde schade en de onwettigheid van het weigeringsbesluit, duidelijk. Indien de overheid de identificatiekaart van [verzoeker] had verlengd, was [verzoeker] niet in een depressie beland en had [verzoeker] niet in onzekerheid moeten leven. De vaststelling van de onwettigheid/ de vernietiging van het besluit kan die schade niet herstellen. [Verzoeker] meent dat de morele schade ex aequo et bono kan worden begroot op 25 euro per dag, en dit voor de periode beginnend vanaf 26 januari 2021 (de start van de depressie) tot en met 17 maart 2021 (de intrekking van het eerste weigeringsbesluit). Dit komt neer op 51 dagen. De morele schadevergoeding bedraagt dan ook 51 maal € 25, dus € 1.275, meer de gerechtelijke intrestvoet vanaf de datum van het arrest tot aan de volledige betaling”. 5. De verwerende partij stelt: “De onwettigheid van de beslissing van 4 februari 2021 kwam pas vast te liggen na het arrest van 23 december 2021 van het Grondwettelijk Hof. Verwerende partij is van mening dat de vordering tot schadevergoeding tot herstel ongegrond voorkomt en wel om de hiernavolgende redenen. Alvorens dieper in te gaan op de vordering tot schadevergoeding, stelt zich vooreerst de vraag op welk ogenblik de onwettigheid effectief is ontstaan, die, in toepassing van artikel 25/3 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een recht kan verschaffen tot het indienen van een vordering tot schadevergoeding. In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partij aanvoert, is de onwettigheid, t.t.z. de ongrondwettelijkheid van het vroegere artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, niet ontstaan door de beslissing van 4 februari 2021, die volledig in lijn lag met voormelde wetgeving, doch pas ontstaan nadat het Grondwettelijk Hof werd gevat door een prejudiciële vraag en oordeelde in haar arrest nr. 190/2021 van 23 december 2021 dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen toegebracht in het kader van een verkeersongeval. Ook uw Raad heeft de interpretatie van artikel 61, 1° van de wet van 2 oktober 2017 zoals toegepast door verwerende partij steeds bevestigd […]. Verwerende partij heeft dan ook sedert geruime tijd te goeder trouw toepassing gemaakt van artikel 61, 1° van de wet van 2 oktober 2017 zoals door hem geïnterpreteerd in geval van onopzettelijke slagen en verwondingen in een verkeerssituatie. Bovendien is er nu een rechtsonzekerheid gecreëerd voor wat betreft de eerder genomen VII-41.036-6/16 weigeringsbeslissingen. Het komt dan ook gepast voor de vordering tot schadevergoeding af te wijzen, minstens om billijkheidsreden en in het kader van het algemeen belang te verminderen. Er wordt steeds van uitgegaan dat alle wetten grondwetconform zijn. Het feit dat achteraf de ongrondwettelijkheid komt vast te staan, zelfs jaren na afkondiging van de wet, doet vanzelfsprekend geen afbreuk aan het feit dat alle reeds genomen beslissingen hierop gestoeld wettelijk zijn tot stand gekomen. Verwerende partij dient de wetten te goeder trouw uit te voeren en kan om evidente redenen niet afwijken van een wet, dit zou neerkomen op een uitvoering contra legem. Het feit dat naderhand de wettelijke grondslag van deze beslissing ongrondwettelijk is doet -zoals reeds opgemerkt- geen afbreuk aan het feit dat reeds genomen beslissingen rechtsgeldig werden genomen. Verwerende partij kon op het moment dat het toenmalige wetsartikel werd afgekondigd (in 2017) niet anticiperen dat vier jaar later deze ongrondwettelijk zou worden bevonden. Zelfs indien zij dit al zou vermoeden, kon zij als uitvoerende macht niets ondernemen. De talloze beslissingen die sedert de afkondiging hierop zijn gestoeld, waaronder de beslissing van 4 februari 2021, maken deze daarom niet plotsklaps onwettig op het moment ze zijn genomen. Niettegenstaande de on(grond)wettigheid sedert het arrest van het Grondwettelijk Hof vaststaat, moet vastgesteld worden dat verwerende partij, als lid van de uitvoerende macht, bij het nemen van de beslissing van 4 februari 2021 geen onwettigheid heeft begaan, gezien dit pas een klein jaar later kwam vast te staan door het arrest van het Grondwettelijk Hof. Gezien verwerende partij gebonden is door de wettelijk norm (ook al wordt zij later ongrondwettelijk geacht), kan de onwettigheid aldus nooit opgetreden zijn op het ogenblik de beslissing van 4 februari 2021 werd genomen, doch pas sedert het arrest van 23 december 2021 van het Grondwettelijk Hof. De fout in hoofde van verwerende partij komt aldus niet te staan op datum van 4 februari 2021, wel integendeel. Indien zij toen een contra legem beslissing had genomen, had zij effectief een fout en een onwettigheid begaan. Het komt verwerende partij niet toe wettelijke bepalingen aan de Grondwet te toetsen of ze buiten toepassing te laten. Gezien de onwettigheid van de beslissing van 4 februari 2021 pas op 23 december 2021 enigszins kon vastgesteld worden, heeft dit in zekere mate een impact op de vordering tot schadevergoeding. Verzoekende partij stelt zelf in haar schadebegroting dat de periode waarin zij materiële schade zou hebben geleden zich situeert vanaf 4 januari 2021 tot het tweede besluit, zijnde 18 maart 2021, oftewel aanzienlijke tijd vóór het moment dat de onwettigheid kwam vast te staan. Voor wat betreft de periode van morele schade stelt verzoekende partij dat deze loopt vanaf 4 februari 2021 tot op heden. Dit standpunt is om evidente reden niet ernstig daar verzoekende partij sedert 13 april 2021 beschikt over een geldige identificatiekaart en geen verdere (morele) schade kan lijden. Alleszins dient ook hierbij erop gewezen te worden dat de onwettigheid pas sedert 23 december 2021 kwam vast te liggen, zijnde lange tijd ná 13 april 2021, zodat ook hier verzoekende partij geen morele schade kan geleden hebben. VII-41.036-7/16 Gezien de onwettigheid aldus pas vaststaat op datum van 23 december 2021, kan de vordering tot schadevergoeding dan ook niet gegrond worden verklaard gezien de periodes van zowel de materiële als de morele schade zich lange tijd voor deze datum situeren. De vordering tot schadevergoeding tot herstel dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden. In ondergeschikte orde - de schadevergoeding moet om billijkheidsredenen getemperd worden bij gebrek aan aansprakelijkheid van verwerende partij. Daarenboven - en in zoverre de onwettigheid effectief kwam vast te liggen op het moment dat de beslissing van 4 februari 2021 werd genomen - is verwerende partij niet aansprakelijk voor eventuele schade. Artikel 11bis van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State (hierna ‘RvSt-wet’) geeft aan verzoekende partij de mogelijkheid om de voor hem meest gunstige weg te kiezen om een schadevergoeding te verkrijgen. Verwerende partij dient deze keuze te ondergaan. Voor wat artikel 11bis RvSt-wet is een onwettigheid voldoende en dient in hoofde van verwerende partij geen fout bewezen te worden. Uw Raad dient dan ook bij de bepaling van de schadevergoeding rekening te houden met ‘alle omstandigheden van openbaar en particulier belang’. Artikel 11bis RvSt-wet voorziet niet noodzakelijk in een volledige vergoeding van de schade. Als lid van de uitvoerende macht, heeft verwerende partij enkel de wet en haar wettelijke verplichtingen uitgevoerd. Dit is ook haar grondwettelijke taak. Indien naderhand zou blijken dat de wet of een wettelijke bepaling ongrondwettelijk voorkomt, kan verwerende partij natuurlijk niet worden bestraft omdat zij haar grondwettelijke taak heeft uitgevoerd. Verwerende partij heeft dan ook geen enkele fout begaan en heeft niet de mogelijkheid om de voor haar meest gunstige weg te kiezen. (Zie ook Parl. St. Senaat 2012-2013, 2é/1, p.7). Bovendien werd de toepassing door verwerende partij van artikel 61, 1° van de wet van 2 oktober 2017 sedert geruime tijd bevestigd door uw Raad. Voor het arrest nr. 190/2021 van 23 december 2021 van het Grondwettelijk Hof heeft verwerende partij nooit een onwettigheid begaan door de identificatiekaart te weigeren wanneer de (kandidaat)-bewakingsagent veroordeeld was voor onopzettelijke slagen en verwondingen in een verkeerssituatie. Achteraf werd echter gesteld, bij arrest 190/2021 van 23 december 2021 van het Grondwettelijk Hof naar aanleiding van de door de Raad van State gestelde prejudiciële vraag, dat artikel 61, 1° van de wet van 2 oktober 2017 de grondwet schendt. Bijgevolg is de fout begaan door de wetgever en niet door verwerende partij. WIRTGEN leidt af dat het gegeven dat de verwerende partij in het kader van de vernietigingsprocedure niet verantwoordelijk is voor de onwettigheid waarmee de bestreden bestuurshandeling behept zou zijn een omstandigheid van openbaar en particulier belang is […]. Concluderend en in zoverre de onwettigheid kwam vast te liggen bij het nemen van de beslissing van 4 februari 2021, kan verwerende partij niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele fouten in hoofde van de wetgever. De vordering tot schadevergoeding tot herstel dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden minstens om billijkheidsreden getemperd te worden. VII-41.036-8/16 In meer ondergeschikt orde - de vordering tot schadevergoeding is ongegrond (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.