← België

Arrest 256654 - Milieuvergunningen - 01/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.654 Rolnummer: A. 227497/VII-40498 Zaak: Arrest 256654 - Milieuvergunningen - 01/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-06 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-10 09:53 Fiche Arrest nr 256.654 van 1 juni 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.654 van 1 juni 2023 in de zaak A. 227.497/VII-40.498 In zake :

  1. Bart CLÉMENT
  2. Tony VERVENNE
  3. Koen ALGOED
  4. Fran BOSCAERT
  5. Dany VANOVERTVELT
  6. Marie-Hélène VANLOOT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ludo Ockier en Michaël De Mol kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ELECTRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tangui Vandenput en Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  7. Het beroep, ingesteld op 22 februari 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 21 december 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 12 mei VII-40.498-1/15 2016, houdende het verlenen van de vergunning aan de nv Electrabel en de nv Yard Energy Development voor het exploiteren van een windturbinepark, gelegen aan de A17 te Kortrijk, gedeeltelijk gegrond worden verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  8. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Electrabel heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 april
  9. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 29 oktober 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 februari
  10. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Aurélie Walraeve, die loco advocaten Ludo Ockier en Michaël De Mol verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Laurens De Brucker, die loco advocaten Tangui Vandenput en Patrik De Maeyer verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.498-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. III. Feiten 3.
  12. De nv Yard Energy Development dient op 3 november 2015 een milieuvergunningsaanvraag in om op percelen aan de A17 te Kortrijk een windturbinepark te exploiteren, bestaande uit vier windturbines en bijhorende transformatoren. 3.
  13. Op 12 mei 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde vergunning, waarbij de exploitant er in een bijzondere voorwaarde toe wordt verplicht een document op te maken waarin de start van de eigenlijke exploitatie wordt gemeld en waarin als bijlage een bridageschema wordt opgemaakt en een immissieberekening met dit bridageschema, waarbij aangetoond wordt dat de geluidsnormen zullen worden nageleefd. 3.
  14. Een aantal omwonenden stelt tegen deze beslissing beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
  15. Bij besluit van 22 november 2016 willigt de bevoegde Vlaamse minister deze beroepen slechts gedeeltelijk in. De gevraagde milieuvergunning wordt opnieuw verleend en er worden een aantal bijkomende bijzondere exploitatievoorwaarden aan verbonden. 3.
  16. Bij arrest nr. 241.974 van 28 juni 2018 vernietigt de Raad van State de vergunningsbeslissing van 22 november 2016 op grond van de volgende motieven: “[…] De bevoegde overheid dient een milieuvergunningsaanvraag niet alleen op haar milieuhygiënische, maar ook op haar stedenbouwkundige merites te beoordelen. De stedenbouwkundige toets impliceert onder meer VII-40.498-3/15 dat de inrichting waarvoor een milieuvergunning wordt aangevraagd, wordt getoetst op haar verenigbaarheid met de gewestplanbestemming. Bij de voormelde stedenbouwkundige toets dient voorts te worden uitgegaan van de inrichting in haar geheel. De verwerende partij gaat er in het bestreden besluit van uit ‘dat de geplande windturbines conform het gewestplan ‘Kortrijk’ gelegen zijn in gewoon agrarisch gebied; dat er geen nadere ordening geldt’. Zoals blijkt uit de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning, betogen de verzoekers evenwel terecht dat de toegangswegen deels gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Omtrent deze toegangswegen wordt in de beschrijvende nota bij de milieuvergunningsaanvraag gesteld dat zij ‘in principe gedurende de hele levensduur van de windturbines in stand moeten worden gehouden om een voldoende hoge beschikbaarheid van de installaties te garanderen’. De toegangswegen moeten bijgevolg worden beschouwd als een wezenlijk onderdeel van de thans bestreden windturbines en moeten als zodanig door de milieuvergunningverlenende overheid worden betrokken in de door haar uit te voeren stedenbouwkundige toets. Dat de toegangswegen op zich niet vergunningsplichtig zouden zijn, doet daaraan niets af. De verplichting tot planologische toetsing geldt immers voor alle onderdelen van de aanvraag”. 3.
  17. In het kader van de herneming van de beroepsprocedure worden opnieuw een aantal adviezen uitgebracht. 3.
  18. Met het thans bestreden besluit van 21 december 2018 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de ingestelde beroepen gedeeltelijk gegrond en verleent zij de gevraagde milieuvergunning, mits toevoeging van de volgende bijzondere exploitatievoorwaarden: “- conform de voorschriften van de constructeur van de windturbines wordt een inspectie- en onderhoudsprogramma geïmplementeerd; - de windturbines hebben een maximale tiphoogte van 185 m; - per windturbine wordt een effectief bufferend vermogen van 70 m³ voorzien; het betreft een open buffervolume, zoals een gracht, en de overloop heeft een vertraagde afvoer van maximaal 10 liter per seconde per hectare”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties nopens het belang van de verzoekende partijen VII-40.498-4/15
  19. De verwerende partij werpt ten aanzien van de derde tot en met de zesde verzoekende partij op dat zij niet over het in rechte vereiste belang beschikken aangezien zij geen partij waren in het geding dat tot het arrest nr. 241.974 van 28 juni 2018 heeft geleid. Zij zouden berust hebben in de destijds bestreden vergunningsbeslissing en zich niet gedragen hebben volgens de eisen die van een zorgvuldig handelend persoon verwacht mogen worden. Daarover anders oordelen staat volgens de verwerende partij haaks op de hedendaagse opvatting over de bescherming tegen een onwettig overheidsoptreden. De omstandigheid dat de initiële vergunning van 22 november 2016 werd vernietigd en dus erga omnes en ab initio uit de rechtsorde is verdwenen, impliceert volgens haar niet dat andere mogelijk belanghebbende partijen hun recht op het instellen van een vernietigingsberoep zouden herwinnen. Met betrekking tot het belang van de eerste en de tweede verzoekende partij werpt zij op: “[…] In ondergeschikte orde blijkt dat het belang van de eerste verzoekende partij beperkt is tot één specifieke windturbine (WT3) en dat het belang van de tweede verzoekende partij beperkt is tot één of twee specifieke windturbines (WT2 en desgevallend WT3). De afstand van de woning van eerste verzoekende partij tot de dichtstbijzijnde windturbine (WT3) is ong. 365 meter (meting bij benadering via www.geopunt.be). De afstand van de woning tot de andere windturbines is resp. ong. 1200 m (WT1), ong. 505 m (WT2) en ong. 840 m (WT4). […] De afstand van de woning van tweede verzoekende partij tot de dichtstbijzijnde windturbine (WT2) is ong. 255 meter. De afstand van de woning tot de andere windturbines is resp. ong. 905 m (WT1), ong. 405 m (WT3) en ong. 1050 m (WT4). De verwerende partij vraagt dat Uw Raad enkel de wettigheid onderzoekt van de windturbines ten aanzien waarvan de verzoekende partijen een belang kunnen doen gelden, minstens om enkel de aangevoerde onwettigheden te onderzoeken in zoverre deze betrekking hebben op WT3 (en eventueel WT2). Zoals bij de bespreking over de grond van de zaak wordt aangegeven, beschikken de verzoekende partijen immers niet over het vereiste belang om zich op een vermeende onwettigheid te beroepen omwille van het feit dat de toegangsweg tot WT1 op een afstand is gelegen van ong. 1200 m, resp. 905 m van hun woningen en over een korte afstand door landschappelijk waardevol agrarisch gebied loopt. […] De omstandigheid dat een milieuvergunning in beginsel één en ondeelbaar is, doet niet anders besluiten. VII-40.498-5/15 In dat verband kan erop gewezen worden dat WT1 op een afstand van 750 m van de dichtstbijzijnde WT2 gelegen is en dat WT4 op een afstand van 660 m gelegen is van de dichtstbijzijnde windturbine WT
  20. Indien er een eventuele onwettigheid wordt vastgesteld, quod non, is het aldus mogelijk om de bestreden beslissing enkel te vernietigen in de mate dat ze betrekking heeft op WT
  21. Dit zou de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de overheid niet aantasten en zou evenmin het bundelingsprincipe aantasten aangezien er nog drie windmolens gebundeld blijven”.
  22. De tussenkomende partij sluit zich in essentie aan bij de excepties van de verwerende partij. Volgens haar beschikt geen van de verzoekende partijen over het in rechte vereiste belang. Beoordeling
  23. Het enkele feit dat sommige verzoekende partijen geen annulatieberoep hebben ingesteld tegen de vergunningsbeslissing die aan de thans bestreden beslissing voorafgaat, ontneemt hen niet het rechtmatig belang bij voorliggend annulatieberoep dat gericht is tegen een vergunningsbeslissing die tot stand is gekomen na een volledig heronderzoek van de zaak.
  24. De exceptie ten aanzien van de eerste en de tweede verzoekende partij miskent het gegeven dat een milieuvergunning in beginsel ondeelbaar is en dat de Raad van State in het kader van de beoordeling van het belang bij het annulatieberoep, in geval zich meerdere verzoekende partijen aandienen, er niet toe gehouden is om ten aanzien van elk van deze verzoekende partijen te onderzoeken welke specifieke onderdelen van het vergunde project hun nadeel kunnen toebrengen en de onderdelen aan te duiden waarvoor dit niet het geval is. Voor de ontvankelijkheid van het annulatieberoep volstaat het dat wordt vastgesteld dat de verzoekende partijen nadeel kunnen ondervinden door de tenuitvoerlegging van het volledige project, zonder dat moet worden nagegaan of de kunstmatige opsplitsing van het project in onderscheiden onderdelen al dan niet bepaalde verzoekende partijen in hun persoonlijke belangen kan raken.
  25. De excepties worden verworpen. VII-40.498-6/15 VII-40.498-7/15 V. Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen
  26. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 21, § 2, 2°, 25, 2° en 29, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I), van artikel 4.4.9, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), gelezen samen met artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 april 2008 ‘tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen’ (hierna: typevoorschriftenbesluit), van artikel 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), en van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel betogen zij dat de bestreden beslissing de aanvraag, wat de rotorbladen betreft, ten onrechte niet toetst aan de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Te dezen bevat de bestreden beslissing enkel met betrekking tot de toegangswegen een toetsing aan de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De verzoekende partijen hebben in het kader van het beroepschrift nochtans op gemotiveerde wijze aangetoond dat de aanvraag ook wat betreft de rotorbladen deels gelegen is binnen het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gelet op het feit dat de rotoren boven dit gebied zouden functioneren. In de bestreden beslissing wordt niet ingegaan op hun argumentatie. Deze vaststelling klemt volgens hen des te meer nu een eerdere vergunningsaanvraag, die eveneens was gesitueerd binnen het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, net omwille van het gebrek aan behoud van het esthetische karakter van deze omgeving werd geweigerd. Uit de in eerste aanleg genomen beslissing blijkt eveneens dat de inrichting minstens deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen is. Bijgevolg diende de verwerende partij de aanvraag, ook wat betreft de rotorbladen, te toetsen aan de VII-40.498-8/15 bestemmingsvoorschriften van landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In de vernietigde beslissing werd op geen enkele wijze ingegaan op de impact op het esthetische karakter van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In de motivering wordt enkel ingegaan op de toegangsweg naar windturbine 1, niettegenstaande de verzoekende partijen, reeds in het kader van de administratieve beroepsprocedure, hadden aangegeven dat ook het overdraaien van de rotorbladen boven het landschappelijk waardevol agrarisch gebied aanleiding gaf tot een verplichte esthetische toets. Zij mochten in het licht van de motiveringsplicht verwachten dat in de bestreden beslissing wordt aangegeven waarom de verwerende partij van oordeel is dat het overdraaien van de rotorbladen geen aanleiding zou geven tot het doorvoeren van de esthetische toets.
  27. De verwerende partij werpt op dat de eerste en de tweede verzoekende partij geen belang bij het middel hebben omdat enkel de toegangsweg naar WT1 over een zeer korte afstand door landschappelijk waardevol agrarisch gebied loopt, terwijl de windturbines in agrarisch gebied zijn gelegen. WT1 ligt bovendien op een afstand van 1.200 en 905 meter van hun respectieve woningen. Opdat de verzoekende partijen over het vereiste belang bij het middel zouden beschikken, volstaat het niet dat de onwettigheid tot de vernietiging van de bestreden bestuurshandeling kan leiden. Enkel middelen die gebaseerd zijn op rechtsregels die beogen hun belang te beschermen kunnen in dezen worden aangevoerd. De verzoekende partijen dienen aannemelijk te maken dat die regel hun belangen in concreto beschermt. Wanneer een middel enkel belangen beschermt die geheel vreemd zijn aan het belang van omwonenden waarop de verzoekende partijen zich beroepen ter adstructie van de ontvankelijkheid van hun beroep, is dit middel niet ontvankelijk. De opgeworpen onwettigheid betreft een onwettigheid die de verzoekende partijen op geen enkele wijze benadeelt of kan benadelen. De verzoekende partijen “kunnen immers bezwaarlijk stellen dat zij benadeeld worden door het feit dat bij de stedenbouwkundige toets geen rekening werd gehouden met het feit dat een toegangsweg tot een windturbine over een zeer korte afstand door het landschappelijk waardevol agrarisch gebied loopt en die op een afstand van respectievelijk 1200 m en 950 m van hun woning is gelegen”. Het voorzien van een toegangsweg doorheen dit gebied benadeelt hen volgens de verwerende partij niet, VII-40.498-9/15 zeker niet in de wetenschap dat de windturbine zelf niet in dat gebied gelegen is. Uit de uiteenzetting van hun belang in het verzoekschrift blijkt overigens ook dat de verzoekende partijen hun belang ontlenen aan de zichthinder, lawaaihinder en slagschaduw ten gevolge van de exploitatie van de windturbines, en dus niet ten aanzien van de toegangsweg naar WT
  28. Gelet op de afstand kunnen zij niet aanvoeren dat zij nadelen ondervinden van het feit dat de toegangsweg naar WT1 gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Ten gronde merkt de verwerende partij op dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied en enkel de toegangsweg naar WT1 zich in landschappelijk waardevol agrarisch gebied bevindt volgens het gewestplan “Kortrijk”. Uit het meergenoemd arrest van 28 juni 2018 vloeit voort dat de verwerende partij de milieuvergunningsaanvraag eveneens op zijn stedenbouwkundige merites dient te beoordelen. Bij deze stedenbouwkundige toets moet worden uitgegaan van de inrichting van de windturbines in haar geheel. De verwerende partij kwam hieraan tegemoet door in de nieuwe bestreden beslissing een esthetische toets door te voeren inzake de verenigbaarheid van de toegangsweg naar WT1 binnen het landschappelijk waardevol agrarisch gebied met het esthetisch karakter hiervan. Uit de bestreden beslissing blijkt dat een afdoende esthetische toets heeft plaatsgevonden, zodat de toegangsweg naar WT1 geen negatief element vormt voor de duurzame ruimtelijke ordening en geen negatieve invloed uitoefent op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De beoogde handeling is in overeenstemming met de eisen van vrijwaring van het landschap. De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze beoordeling kennelijk onredelijk zou zijn. Verder gaan de verzoekende partijen uit van een verkeerde premisse in de mate zij van oordeel zijn dat de bestreden beslissing onwettig is wegens een gebrek aan motivering aangezien de rotorbladen van de windturbines deels gelegen zouden zijn binnen het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De verzoekende partijen beweren dit ten gevolge van het functioneren van de rotoren boven het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De bestreden beslissing bevat volgens hen derhalve geen afdoende motivering inzake de impact van het roteren van de wieken boven dit gebied. Deze stelling is volgens de verwerende partij foutief. De ligging in een plangebied van de windturbines wordt immers bepaald aan de hand van de inplantingsplaats van VII-40.498-10/15 de turbines. Alle vergunde windturbines zijn dus gelegen in agrarisch gebied. Indien men hierbij rekening zou moeten houden met de wiekoverslag, kan dit vooreerst tot gevolg hebben dat de gehele windturbine tot een ander bestemmingsgebied gaat behoren, al naargelang van het feit in welke windrichting de wieken zijn geplaatst. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat bij het bepalen van de ligging van windturbines, de inplantingsplaats van de turbines doorslaggevend is. Zo werd geoordeeld dat een windturbine door zijn inplantingsplaats in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen was en dit niettegenstaande het feit dat de inplantingsplaats aan een ander bestemmingsgebied grensde. Het overhangen van de rotor van de windturbines boven landschappelijk waardevol agrarisch gebied moet worden beschouwd als een niet grondgebonden activiteit, zodat de verwerende partij de verenigbaarheid met de bestemming diende af te toetsen aan de planvoorschriften waar de windturbines worden verankerd in de grond, zijnde agrarisch gebied. Ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen hanteert het voormelde principe. De verzoekende partijen gaan wat dit betreft uit van een foutief uitgangspunt. De verwerende partij is niet verplicht om te antwoorden op elk bezwaar dat in het kader van een beroep werd geformuleerd en was dan ook niet gehouden tot het beantwoorden van het foutieve argument dat er een toetsing aan foutieve bestemmingsvoorschriften zou hebben plaatsgevonden, doordat de rotor van de windturbines boven landschappelijk waardevol agrarisch gebied zou zijn opgehangen.
  29. De tussenkomende partij sluit zich vooreerst aan bij de exceptie van gebrek aan belang bij het middel die door de verwerende partij wordt opgeworpen. Ook volgens haar gaan de verzoekende partijen er ten onrechte van uit dat de verwerende partij de aangevraagde constructie diende af te toetsen aan de beschermingsvoorschriften van “landschappelijk waardevol agrarisch gebied” omdat de rotorbladen zouden opgehangen zijn boven dergelijk gebied. Ten gronde betoogt zij dat bij de toetsing van de goede ruimtelijke ordening de opportuniteitsbeoordeling uitsluitend toekomt aan de vergunningverlenende overheid. De Raad van State beschikt slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid. Bovendien gaat de motiveringsplicht niet zo ver dat de verwerende partij alle tot staving van het administratief beroep aangevoerde VII-40.498-11/15 middelen of argumenten, opgenomen in het beroepschrift en in de replieknota, en alle voorafgaande adviezen, rechtstreeks en punt na punt moet beantwoorden. Het volstaat dat zij duidelijk doet blijken op welke overwegingen zij zich heeft gesteund om de milieuvergunning al dan niet te verlenen, en de argumenten die relevant zijn in het kader van de (ruimtelijke) beoordeling van de aanvraag in haar beoordeling en besluitvorming betrekt. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen volhouden, wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk vastgesteld dat de windturbines zullen worden ingeplant in agrarisch gebied, en dus niet in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Aldus dient artikel 4.4.9 VCRO te worden toegepast. Het standpunt van de verzoekende partijen dat de verwerende partij niet zou hebben geantwoord op het argument dat er een toetsing aan foutieve bestemmingsvoorschriften zou hebben plaatsgevonden doordat de rotor van de windturbines boven landschappelijk waardevol agrarisch gebied zou zijn opgehangen, kan aldus niet als gegrond weerhouden worden. De stelling van de verzoekende partijen dat er rekening zou moeten worden gehouden met het bestemmingsvoorschrift “landschappelijk waardevol agrarisch gebied”, is manifest verkeerd. Uit de stedenbouwkundige vergunning blijkt duidelijk dat het een gewoon agrarisch gebied betreft. De verzoekende partijen hebben evenwel gelijk dat de wieken deels over landschappelijk waardevol agrarisch gebied draaien en dat tijdelijke werkzones en toegangswegen eveneens deels in dergelijk landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen zijn. De mogelijke beperkte overhang over landschappelijk waardevol agrarisch gebied betekent evenwel niet dat het oprichten van de windturbines moet worden getoetst aan de bestemmingsvoorschriften van landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het louter overhangen van de rotor van de windturbines boven landschappelijk waardevol agrarisch gebied dient in dit kader beschouwd te worden als een niet grondgebonden activiteit, zodat de verwerende partij de verenigbaarheid met de bestemming diende af te toetsen aan de planvoorschriften waar de windturbines worden verankerd in de grond. De verzoekende partijen kunnen dan ook niet gevolgd worden waar zij voorhouden dat, ingevolge het overdraaien van de wieken boven landschappelijk waardevol agrarisch gebied, de aanvraag zou moeten worden getoetst aan de voorschriften van deze bestemming. VII-40.498-12/15
  30. In haar laatste memorie argumenteert de tussenkomende partij dat arrest nr. 251.171 van 30 juni 2021 van de Raad van State dat in het auditoraatsverslag wordt aangehaald in verband met de overdraai van de wieken van een windturbine, betrekking heeft op een situatie waarbij de wieken van een turbine zich bevonden binnen het plangebied van een Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan, namelijk een bouwvrij agrarisch gebied, terwijl het in het voorliggende geval gaat om de overdraai van rotorbladen in een ander bestemmingsgebied uit het gewestplan, zodat de toepasselijke voorschriften voortvloeien uit het inrichtingsbesluit dat de bestemming en het gebruik van de grond vastlegt. Beoordeling
  31. Zoals hierna zal blijken staat de belangexceptie, die gebaseerd is op de gedeeltelijke ligging van de toegangsweg naar WT1 in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, volledig los van de oplossing van het geding.
  32. Bij het uitvoeren van de planologisch-stedenbouwkundige toets van een project moet de vergunningverlenende overheid in beginsel uitgaan van de inrichting in haar geheel. De rotor en de wieken van een windturbine moeten worden beschouwd als een substantieel en noodzakelijk onderdeel van de turbine, die immers op die manier gebruik maakt van het element wind om energie te produceren. Van de ruimtelijke locatie van de rotor en de wieken kan derhalve geen abstractie worden gemaakt om de planologische verenigbaarheid van een windturbine te beoordelen. De verwerende en de tussenkomende partij gaan er ten onrechte van uit dat enkel de “footprint” van een mast, zijnde de locatie waar de constructie materieel de grond raakt, relevant is voor het uitvoeren van de planologische toets van een windturbineproject.
  33. In de motivering van de bestreden beslissing wordt geen rekening gehouden met de overdraai van de rotor over het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. VII-40.498-13/15 De volgens de tussenkomende partij “mogelijke beperkte overhang” van de overdraaiende wieken, stelt de verwerende partij niet vrij van het onderzoek of de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
  34. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. BESLISSING
  35. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 21 december 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 12 mei 2016, houdende het verlenen van de vergunning aan de nv Electrabel en de nv Yard Energy Development voor het exploiteren van een windturbinepark, gelegen aan de A17 te Kortrijk, gedeeltelijk gegrond worden verklaard.
  36. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  37. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  38. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 100 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.498-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.498-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.654 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.