id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.691 Rolnummer: A. 239044/XII-9368 Zaak: Arrest 256691 - Overheidsopdrachten - 06/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-06 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 10:12 Fiche Arrest nr 256.691 van 6 juni 2023 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 256.691 van 6 juni 2023 in de zaak A. 239.044/XII-9368 In zake: de GmbH EQOS ENERGIE DEUTSCHLAND vennootschap naar Duits recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Wouters en Geert Van Engelgem kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de MAATSCHAPPIJ VOOR HET INTERCOMMUNAAL VERVOER TE BRUSSEL (MIVB) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre, Matthias Castelein en Jeffrey Roegiers kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86c b113 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV DE WITTE - VANDECAVEYE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9000 Gent Fortlaan 95 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 8 mei 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van XII-9368-1/15 de raad van bestuur van de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel van 18 april 2023 waarbij wordt beslist om de overheidsopdracht voor werken met als voorwerp ‘Project Koning-DeTrooz-Alsemberg: Funderingen van tractiepalen, bijbehorende werken en bouw van de bovenleidingsuitrustingen’, te gunnen aan de bv De Witte-Vandecaveye, en niet aan de GmbH Eqos Energie Deutschland. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 17 mei 2023 heeft de bv De Witte-Vandecaveye gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei
- Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Wouters, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Matthias Castelein en Jeffrey Roegiers, die verschijnen voor de verwerende partij, en advocaten Carlos De Wolf en Charlotte De Wolf, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XII-9368-2/15 III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp ‘Project Koning-DeTrooz-Alsemberg: Funderingen van tractiepalen, bijbehorende werken en bouw van de bovenleidingsuitrustingen’. De werken bestaan uit het leggen van funderingen voor tractiepalen en het plaatsen van die palen, geleverd door de MIVB, en uit de bouw van de bovenleidingsuitrustingen, eveneens geleverd door de MIVB. De totale waarde van de opdracht wordt geraamd op een bedrag van 3.500.000 euro. Op 14 december 2022 wordt de opdracht bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen. De opdracht wordt gegund met een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging. 3.
- Het bestek LA 2456/2022 - DP 8046 is op de opdracht van toepassing. Onder de selectiecriteria (punt 12.2 van deel 2 van de administratieve bepalingen) wordt onder meer bepaald dat de inschrijver moet beschikken over het nodige materieel en de nodige hoogtewerkvoertuigen om op de rails van de verwerende partij te rijden, en dat hij aanvaardt om zijn uitrusting indien nodig aan het netwerk van de verwerende partij aan te passen, zonder daarvoor kosten aan te rekenen. Punt 13 van deel 2 van de administratieve bepalingen, ‘Gunningscriteria’, luidt: “De MIVB zal de regelmatige offerte kiezen die voor haar economisch het voordeligst is, dit in functie van de onderstaande criteria: Het offertebedrag, inclusief alle kosten (100%).” XII-9368-3/15 3.
- Drie ondernemers, waaronder de verzoekende partij en de tussenkomende partij, dienen een offerte in. De drie ondernemingen worden geselecteerd. Alle inschrijvers krijgen de mogelijkheid om hun kandidatuur te verduidelijken en te vervolledigen. Zij worden uitgenodigd om een “Best and Final Offer” (hierna: BAFO) in te dienen. 3.
- De BAFO’s worden onderworpen aan een onderzoek waarvan de neerslag is terug te vinden in het gunningsverslag en in de gemotiveerde beslissing. Onder punt E, ‘Administratieve en technische conformiteit van de offertes’, van de beslissing wordt vermeld dat “prijzen, hoeveelheden, nalatigheden en fouten [werden] gecontroleerd” en dat “er […] geen onregelmatigheden [werden] gevonden”. Onder punt F.2, ‘Beoordeling van de gunningscriteria’, van het verslag en van de beslissing wordt vermeld dat “de inschrijvers werden verzocht om hun BAFO in te dienen” en dat “dit leidde tot de volgende resultaten”: Bedrag € zonder EQOS ENERGIE EQUANS DE WITTE btw DEUTSCHLAND FABRICOM VANDECAVEYE Offerte na 2.693.430,58 2.916.839,39 1.806.394,15 onderhandeling (BAFO) Score (100 punten) 67,07 61,93 100,00 Hierbij wordt ook het volgende vermeld: “De prijzen werden geverifieerd op basis van de opdrachten van de afgelopen jaren en werden geëvalueerd op het hoge piekniveau voor de bedrijven Eqos Energie en Equans Fabricom, en op het lage piekniveau voor het bedrijf De Witte Vandecaveye.” 3.
- Op 18 april 2023 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de bv De Witte-Vandecaveye. Dit is de bestreden beslissing. XII-9368-4/15 3.
- Met een schrijven van 21 april 2023 wordt de verzoekende partij ervan in kennis gesteld dat haar offerte niet werd gekozen. Als bijlage wordt de gemotiveerde gunningsbeslissing gevoegd. IV. Tussenkomst
- De bv De Witte-Vandecaveye blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 84 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), de artikelen 4, 5 en 29 van de rechtsbeschermingswet, de artikelen 43 en 44 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de speciale sectoren’ (hierna: koninklijk besluit speciale sectoren 2017), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de materiële- en formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. XII-9368-5/15 De verzoekende partij acht deze bepalingen en beginselen geschonden: “Doordat verwerende partij de opdracht heeft gegund aan inschrijver De Witte Vandecaveye nu deze inschrijver de economisch meest voordelige offerte zou hebben ingediend; Dat de offerte van deze inschrijver door verwerende partij als regelmatig is beschouwd; Dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de totale offerteprijs van inschrijver De Witte Vandecaveye met ca 27% afweek van de gemiddelde totale offerteprijs, en ca 49% van de door verwerende partij vooropgestelde raming; Dat aan inschrijver De Witte Vandecaveye klaarblijkelijk geen prijsverantwoording is gevraagd en dat de zeer lage offerteprijs zonder meer en zonder verder onderzoek is aanvaard door verwerende partij; Dat niet in een afdoende motivering wordt voorzien waaruit blijkt waarom [ondanks] de duidelijk zichtbare abnormaal lage totaalprijs inschrijver De Witte Vandecaveye alsnog en zonder verder onderzoek mocht worden aanvaard; Terwijl de verwerende partij ertoe gehouden was een zorgvuldig prijsonderzoek te voeren; Dat dit des te meer geldt wanneer zeer aanzienlijke prijsverschillen worden vastgesteld; Dat verwerende partij de zeer lage prijs van inschrijver De Witte Vandecaveye niet zomaar mocht aanvaarden en om een prijsverantwoording moest verzoeken; Dat uit het administratief dossier moet kunnen worden afgeleid waarom de door inschrijver De Witte Vandecaveye aangeboden prijzen niet abnormaal zouden zijn (wat in deze niet het geval is); Dat verwerende partij haar beslissing tot gunning van de opdracht aan inschrijver De Witte Vandecaveye behoorlijk en afdoende […] diende te motiveren waarbij in deze dan specifiek gemotiveerd moest worden waarom de reeds op het eerste zicht zeer [lage] prijs van inschrijver De Witte Vandecaveye alsnog en zonder meer mocht worden aanvaard; Dat het derhalve niet vaststaat dat de opdracht is gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige en regelmatige offerte.”
- In de toelichting bij het middel benadrukt de verzoekende partij dat grote prijsverschillen niet zomaar genegeerd mogen worden. Zeker wanneer er een kennelijk substantieel prijsverschil is tussen de ingediende offertes, mag van de aanbestedende overheid worden verwacht dat zij dit verschil niet onopgemerkt en onbesproken laat. Voorts is de raming een toetssteen waarmee de aangeboden prijzen vergeleken kunnen worden. De verzoekende partij voert aan dat er te dezen geen zorgvuldig onderzoek is geweest van de offerteprijs van de tussenkomende partij. In het XII-9368-6/15 gunningsverslag en in de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat er geen abnormale prijzen zijn. Dit oordeel is evenwel strijdig met de feitelijke vaststellingen in het dossier. Er bestaat immers een zeer aanzienlijk prijsverschil tussen de offerte van de tussenkomende partij en de overige offertes: de totale offerteprijs van de tussenkomende partij wijkt circa 27 % af van de gemiddelde offerteprijs van alle inschrijvers. Daarnaast wijkt de offerteprijs van de tussenkomende partij ook circa 49 % af van de door de verwerende partij opgestelde raming, terwijl de totale offerteprijzen van de twee andere inschrijvers, waaronder die van de verzoekende partij, wél in de lijn liggen van de raming. De tussenkomende partij biedt een totale offerteprijs aan die bijna 2 miljoen euro lager ligt dan de vooropgestelde raming. Die grote verschillen hadden de verwerende partij moeten nopen tot een zorgvuldig onderzoek. De prijsverschillen worden evenwel onbesproken gelaten in het gunningsverslag. Blijkbaar stelt de verwerende partij zich geen vragen bij de zeer grote prijsverschillen. Gelet op de zeer lage offerteprijs van de tussenkomende partij was de verwerende partij ertoe gehouden een prijsverantwoording te vragen aan die inschrijver. De verzoekende partij voert voorts aan dat de materiëlemotiveringsplicht geschonden is, nu – voor zover zij kan nagaan – uit het administratief dossier niet kan worden afgeleid waarom de door de tussenkomende partij aangeboden prijzen niet abnormaal zijn. Ten slotte voert de verzoekende partij aan dat ook de formelemotiveringsplicht is geschonden. In de bestreden beslissing wordt enkel gesteld dat “de prijzen werden gecontroleerd [en] geverifieerd op basis van de opdrachten van de afgelopen jaren en werden geëvalueerd op het hoge piekniveau voor [de verzoekende partij] en Equans Fabricom, en op het lage piekniveau voor [de tussenkomende partij]”. Geen verdere verduidelijking wordt verstrekt. Die overweging is ten zeerste onduidelijk en niet te begrijpen: “Wat wordt bedoeld met [het] piekniveau? […] van welke precieze gegevens gaat verwerende partij uit? [De tussenkomende partij] heeft immers nog nooit een gelijkaardige opdracht uitgevoerd voor verwerende partij. Daarnaast stelt zich de vraag waarom er voor verzoekende partij en de derde inschrijver Equans Fabricom rekening moet worden gehouden met het ‘hoge piekniveau’ en voor [de tussenkomende partij] met het ‘lage piekniveau’. Verwerende partij lijkt met twee maten en twee gewichten te XII-9368-7/15 werken en legt alleszins niet uit waarom dit onderscheid gemaakt zou kunnen worden. Alleszins is niet in te zien hoe een inschrijver 49 % van de raming zou kunnen afwijken omwille van het ‘lage’ dan wel ‘hoge’ piekniveau. Dit wordt niet verklaard door verwerende partij. Verwerende partij legt evenmin uit hoe zij de ‘verificatie en evaluatie van de prijzen’ afzet tegen enerzijds de totale offerteprijs en anderzijds de eenheidsprijzen.” Tevens wijst de verzoekende partij erop dat het niet is toegelaten dat een aanbestedende overheid zelf een verklaring gaat zoeken voor een schijnbaar abnormale prijs. Eens is vastgesteld dat er sprake is van schijnbaar abnormale prijzen, is zij verplicht om een prijsverantwoording te vragen. Aangaande de formelemotiveringsplicht betoogt de verzoekende partij ten slotte nog dat hoe groter de afwijking is van de gemiddelde prijs, hoe meer diepgaand de motivering van een aanbestedende overheid dient te zijn. In casu ontbreekt een behoorlijke motivering op grond waarvan de aanzienlijke afwijking voor de totale offerteprijs van de tussenkomende partij niet heeft geleid tot het vermoeden van een schijnbaar abnormale prijs. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het zakengeheim niet met zich brengt dat kan worden volstaan met een niet-concrete motivering die de volledige abnormaleprijzenproblematiek onttrekt aan het zicht van de overige inschrijvers. Beoordeling
- In het algemeen prijsonderzoek bedoeld in artikel 43 van het koninklijk besluit speciale sectoren 2017 moet de aanbestedende overheid nagaan of de in de offertes aangeboden prijzen abnormaal lijken, met andere woorden of de ingediende offertes een aanwijzing bevatten dat deze abnormaal zouden kunnen zijn. Dat kan met name het geval zijn wanneer de in een offerte aangeboden prijs aanmerkelijk hoger of lager is dan de prijs van de andere offertes of dan de gebruikelijke marktprijs. In het kader van dit onderzoek kan de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, de inschrijvers verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken. Indien de XII-9368-8/15 ingediende offertes geen aanwijzing van een abnormale prijs bevatten, en de prijzen dus niet abnormaal hoog of laag lijken, mag de aanbestedende overheid doorgaan met de beoordeling van de inschrijvingen en de procedure tot gunning van de opdracht. Indien daarentegen uit het prijsonderzoek overeenkomstig artikel 43 van het koninklijk besluit speciale sectoren 2017 blijkt dat er prijzen worden aangeboden die wel abnormaal laag of hoog lijken, met andere woorden indien er wel aanwijzingen bestaan dat een offerte abnormaal hoog of laag zou kunnen zijn, moet de aanbestedende overheid met toepassing van artikel 44 van het voornoemde besluit die prijzen nader onderzoeken om zich ervan te vergewissen dat dit niet het geval is. Te dien einde moet zij de betrokken inschrijver overeenkomstig artikel 44, §§ 1 en 2, bevragen en hem de mogelijkheid bieden om uiteen te zetten waarom zijn prijzen volgens hem niet abnormaal hoog of laag zijn. Overeenkomstig artikel 44, § 3, moet de aanbestedende overheid de ontvangen verantwoordingen vervolgens beoordelen en bepalen of het betrokken totale offertebedrag of het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertoont, in welk geval zij de offerte moet weren omwille van de substantiële onregelmatigheid ervan.
- In dit verband herinnert de Raad van State eraan dat indien een aanbestedende overheid in het kader van het algemeen prijs- en kostenonderzoek met toepassing van artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016 en artikel 43 van het koninklijk besluit speciale sectoren 2017 tot de vaststelling komt dat er geen abnormale prijzen zijn, de formelemotiveringsplicht niet vereist dat dit onderzoek in extenso wordt weergegeven in het gunningsverslag of in de bestreden beslissing. Op grond van de materiëlemotiveringsplicht moet echter wel uit het administratief dossier blijken dat de aanbestedende overheid een algemeen prijs- en kostenonderzoek heeft gevoerd, onder meer dat zij de prijzen van elke offerte op zorgvuldige wijze heeft nagekeken. De motieven op grond waarvan zij alsdan van oordeel is dat de aangeboden prijzen niet abnormaal zijn, dienen uit het dossier te blijken. XII-9368-9/15
- Te dezen blijkt uit het administratief dossier, op het eerste gezicht, dat de offertes, conform artikel 43 van het koninklijk besluit speciale sectoren 2017, zijn onderworpen aan een prijs- of kostenonderzoek. 10.
- Om te beginnen wordt in de bestreden beslissing gesteld dat de “prijzen, hoeveelheden, nalatigheden en fouten [werden] gecontroleerd” en dat “de prijzen werden geverifieerd op basis van de opdrachten van de afgelopen jaren en werden geëvalueerd op het hoge piekniveau voor de [verzoekende partij] en Equans Fabricom, en op het lage piekniveau voor [de tussenkomende partij]”. Weliswaar voert de verzoekende partij terecht aan dat niet duidelijk is wat bedoeld wordt met de term “piekniveau”. In haar nota licht de verwerende partij toe dat het gaat om een slechte vertaling uit het Frans. De Franstalige versie van de bestreden beslissing bevat de volgende overweging: “Les prix ont été vérifiés sur la base des marchés des dernières années et sont évalués au niveau haut de la fourchette pour les entreprises Eqos Energie et Equans Fabricom, et au niveau bas de la fourchette pour l’entreprise De Witte Vandecaveye.” Die overweging is blijkbaar overgenomen uit het hierna te bespreken intern memorandum van 3 maart 2023 (zie overweging 10.2). In het licht van die uitleg moet de aangehaalde passus uit de Nederlandse tekst van de bestreden beslissing gelezen worden als volgt, zoals aangegeven door de verwerende partij in haar nota: “De prijzen werden geverifieerd op basis van de opdrachten van de afgelopen jaren en werden geëvalueerd aan de bovenkant van de marge voor de [verzoekende partij] en Equans Fabricom, en aan de onderkant van de marge voor [de tussenkomende partij].” 10.
- In het administratief dossier bevindt zich voorts het vertrouwelijk intern memorandum van 3 maart 2023, opgesteld door de verantwoordelijke van de eenheid binnen de verwerende partij die zich bezighoudt met de bovenleidingen. In dit memorandum, dat de Raad van State heeft kunnen inzien, wordt vooreerst vastgesteld dat de verzoekende partij en Equans Fabricom regelmatig deelnemen aan opdrachten uitgeschreven door de verwerende partij. De XII-9368-10/15 tussenkomende partij, die werkzaam is op het domein van de spoorwegen, neemt voor de eerste maal deel. Er wordt herinnerd aan het feit dat de verwerende partij een ruimere mededinging wenste, en om die reden het selectiecriterium van ervaring met stedelijke bovenleidingen niet meer in het bestek had opgenomen. Er wordt vastgesteld dat de prijzen aangeboden in de drie offertes ver onder de raming liggen. De waarde van de opdracht werd geraamd op basis van een gemiddelde van de offerteprijzen voor recente opdrachten. Die waarde lag eerder hoog, gelet op het beperkt aantal ondernemingen die in het verleden aan gelijkaardige opdrachten deelnamen en op de hoge prijzen die de verwerende partij daarvoor aangeboden kreeg. Het verschil tussen de geraamde waarde en de thans aangeboden prijzen wordt verklaard door de prijsschommelingen op de markt van de bovenleidingen. Dergelijke prijsschommelingen werden ook in het verleden genoteerd, reden waarom de verwerende partij tracht om nieuwe ondernemingen aan te trekken. Zoals hiervoor aangehaald, wordt voorts uiteengezet dat de prijzen van de onderscheiden inschrijvers met elkaar werden vergeleken, waarbij vastgesteld werd dat de offerteprijzen van de verzoekende partij en Equans Fabricom aan de bovenkant van de normale marge lagen, en die van de tussenkomende partij aan de onderkant van die marge. Hieraan wordt toegevoegd dat de tussenkomende partij werd gewezen op de bijzondere werkomstandigheden van de stedelijke bovenleiding en op het feit dat zij een deel van haar uitrusting zou moeten aanpassen of vervangen. De tussenkomende partij heeft daarop bevestigd dat zij haar offerte met kennis van zaken heeft ingediend. 10.
- In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat er geen prijsonderzoek zou zijn gevoerd, lijkt het middel aldus feitelijke grondslag te missen.
- De verzoekende partij voert voorts aan dat de offerteprijs van de tussenkomende partij dermate afwijkt van de geraamde waarde van de opdracht en van het gemiddelde van de aanboden prijzen, dat de verwerende partij niet kon aannemen dat de prijs niet abnormaal leek, en dat zij derhalve een nader onderzoek had moeten doen, met prijsbevraging van de tussenkomende partij. Door geen XII-9368-11/15 bijzonder prijsonderzoek te doen, zou de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld hebben. De verzoekende partij stipt aan dat de offerteprijs van de tussenkomende partij 49 % lager ligt dan het geraamde bedrag van de offerte, en 27 % lager dan het gemiddelde van de totaalprijzen aangeboden door de drie inschrijvers. De verwerende partij betwist die percentages niet, maar is van oordeel “dat alle prijzen en alle procentuele afwijkingen […] sterk uiteenlopen”. Met de verwerende partij wordt voorshands aangenomen dat het feit dat een inschrijver een offerte indient met een prijs die aanzienlijk lager is dan de geraamde prijs en dan het gemiddelde van de prijzen aangeboden door alle inschrijvers doorgaans een aanwijzing vormt dat de offerteprijs van de gekozen inschrijver abnormaal laag zou kunnen zijn, wat dan aanleiding zou zijn voor de aanbestedende overheid om een prijsverantwoording te vragen, maar dat dit niet altijd zo hoeft te zijn. De aanbestedende overheid beschikt immers in het kader van het algemeen prijsonderzoek over een beoordelingsruimte om al dan niet over te gaan tot een bijzonder onderzoek naar abnormale prijzen. Deze beoordelingsruimte lijkt des te meer aanwezig in geval voor een onderhandelingsprocedure is gekozen, zoals te dezen.
- Op het eerste gezicht lijkt de verwerende partij niet zonder meer te zijn voorbijgegaan aan de verschillen tussen de offerteprijs van de tussenkomende partij, de geraamde prijs en de prijzen van de andere inschrijvers. Die verschillen lijken integendeel haar aandacht te hebben getrokken, en zij lijkt zich met name afgevraagd te hebben of de verschillen een aanwijzing opleveren dat een offerte abnormaal laag zou kunnen zijn. In het intern memorandum van 2 maart 2023 wordt een verklaring gegeven voor de afwijkingen van elk van de offerteprijzen ten opzichte van de geraamde prijs en voor de grote prijsverschillen tussen de onderscheiden offertes, waarbij de tussenkomende partij een beduidend lagere prijs aanbiedt dan de twee andere inschrijvers. Die verklaring komt erop neer, enerzijds, dat de waarde van de opdracht is geraamd, rekening houdend met de waarde van opdrachten uit het verleden, dat de offerteprijzen van de drie inschrijvers te dezen XII-9368-12/15 ruim onder de geraamde waarde liggen en dat de verschillen tussen de raming en de offerteprijzen te wijten zijn aan de prijsschommelingen op de markt van de bovenleidingen, en anderzijds, dat ook in het verleden grote verschillen tussen de offerteprijzen onderling zijn vastgesteld, en dat elk van de drie inschrijvers te dezen prijzen aanbiedt die liggen binnen de normale marge, gelet op de prijzen die in het verleden zijn aangeboden. Tot staving van de stelling in de interne nota dat er ook in het verleden grote prijsverschillen waren tussen de onderscheiden inschrijvers, legt de verwerende partij een aantal gunningsbeslissingen neer in verband met eerdere opdrachten voor werken aan de bovenleiding. Het gaat om zes beslissingen, genomen tussen 2016 en
- Op het eerste gezicht lijkt met de verwerende partij te kunnen worden aangenomen dat uit de motieven van die beslissingen blijkt dat voor gelijkaardige opdrachten telkens een beperkt aantal ondernemingen heeft ingeschreven en dat er inderdaad grote verschillen bestonden tussen de aangeboden offerteprijzen. Het feit dat de offerteprijs van de tussenkomende partij aan de onderkant van de normale marge ligt, heeft de verwerende partij ertoe aangezet om aan die partij te vragen of zij zich ervan bewust was dat zij haar uitrusting – die afgestemd was op bovenleidingen bij de spoorwegen – diende aan te passen aan het stedelijke netwerk van de verwerende partij. Nadat zij op die vraag een bevestigend antwoord kreeg, heeft de verwerende partij geconcludeerd dat er geen aanwijzing was van een abnormaal lage prijs.
- Aldus blijkt dat de verwerende partij voor de vastgestelde prijsverschillen een verklaring heeft gevonden in gegevens waarvan zij op grond van eerdere opdrachten kennis had. Die verklaring komt de Raad van State op het eerste gezicht niet als onredelijk of niet-plausibel voor. Het administratief dossier doet aldus blijken van de redenen op grond waarvan de verwerende partij heeft geoordeeld dat, ondanks het verschil tussen de prijs van de tussenkomende partij en de geraamde waarde van de opdracht en het verschil tussen de prijs van de tussenkomende partij en de prijzen van de twee andere inschrijvers, er voor de verwerende partij geen aanwijzing was XII-9368-13/15 van een abnormale prijs van de tussenkomende partij, en dus geen aanleiding om een nader onderzoek te doen naar de door die partij aangeboden prijs.
- Voorshands neemt de Raad van State dan ook aan dat de verwerende partij een zorgvuldig prijsonderzoek heeft gevoerd, waarvan de neerslag is terug te vinden in de bestreden beslissing en in het administratief dossier. Nu de verwerende partij tot de conclusie kwam dat de tussenkomende partij geen abnormaal lijkende prijs aanbood, diende zij geen ruimere formele motivering in de bestreden beslissing zelf op te nemen. De door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen en beginselen lijken derhalve niet te zijn geschonden.
- Het middel is niet ernstig. VII. Besluit
- Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
- Het verzoek van de bv De Witte-Vandecaveye tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. XII-9368-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9368-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.691 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div